{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelsleutel subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college rangschikt de aanvragen die voor subsidie als in artikel 5.3 in aanmerking komen per activiteit als bedoeld in artikel 5.4 eerste lid, op een prioriteitenlijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de rangschikking van de te verlenen subsidie laat het college zich adviseren door een door hem in te stellen adviescommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rangschikking voor de procesbegeleiding wordt bepaald door het aantal punten dat wordt behaald op basis van de volgende criteria: de mate waarin de inzet van de IKC in lijn is met de schoolontwikkeling en het strategisch beleidsplan van bestuur; de mate waarin blijkt op welke onderdelen de aanvragers verbeteringen in de organisatie en het onderwijs (doorgaande leerlijn) verwachten te bereiken met de invoering van de IKC ten opzichte van de bestaande situatie van afzonderlijke instellingen; de evenwichtige verhouding tussen de kosten van de te subsidiëren activiteiten met de daarmee te bereiken doelen en de daarvan te verwachten resultaten; de duurzaamheid en borging van de IKC; het percentage doelgroepleerlingen dat op 1 oktober van het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school voor basisonderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">De rangschikking voor de brede brugklas wordt bepaald door het aantal punten dat wordt behaald op basis van de volgende criteria: de mate waarin het invoeren en werken met een brede brugklas vanaf schooljaar 2020-2021 is of wordt onderdeel van de schoolontwikkeling/schoolplan en het strategisch beleidsplan; de mate waarin de school met het werken met een brede brugklas verbeteringen in de organisatie en het onderwijs (doorgaande leerlijn) verwacht te bereiken; de evenwichtige verhouding tussen de kosten van de te subsidiëren activiteiten met de daarmee te bereiken doelen en de daarvan te verwachten resultaten; de duurzaamheid en borging van de Brede Brugklas;</p>\n<p class=\"lf-p\">De rangschikking voor de Amsterdamse Familie School wordt bepaald door het aantal punten dat wordt behaald op basis van de volgende criteria: de mate waarin de inzet is van de Amsterdamse Familie School in lijn is met de schoolontwikkeling en het strategisch beleidsplan van bestuur; de mate waarin de school en zijn partners met het werken met een Amsterdamse familieschool verbeteringen verwachten te bereiken in de ondersteuning van de leerlingen en hun ouders; de evenwichtige verhouding tussen de kosten van de te subsidiëren activiteiten met de daarmee te bereiken doelen en de daarvan te verwachten resultaten; de duurzaamheid en borging van de Amsterdamse Familie School; het percentage doelgroepleerlingen dat op 1 oktober van het schooljaar twee jaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in het derde lid onder a, b, c, d, het vierde lid onder a, b, d, c en in het vijfde lid onder a, b, c, d genoemde criteria kan maximaal van 30 punten behaald worden met een totaal van 120 punten behaald worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in het derde lid onder e, in het vijfde lid onder e genoemde criteria wordt voor 25-50% doelgroep leerlingen 10 punten, voor 50-75% doelgroep leerlingen 20 punten en voor meer dan 75% doelgroep leerlingen 30 punten gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.6 De aanvrager In afwijking van op artikel 5, eerste lid van de VloA 2019 kan een aanvraag voor de procesbegeleiding uitsluitend worden ingediend door een schoolbestuur dat voor zijn school een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten met een ondernemer van kinderopvangorganisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de VloA 2019 wordt de subsidieaanvraag voor het eerste subsidietijdvak van de procesbegeleiding als bedoeld in artikel 5.4 en de subsidieaanvraag voor de Brede Brugklas en de Amsterdamse Familieschool ingediend van 16 september 2019 tot uiterlijk 30 september 2019.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 6, vierde lid van de VloA 2019 worden bij een subsidieaanvraag ingediend een startdocument met bijbehorende begroting waarin een duidelijke beschrijving, wordt gegeven van: bij procesbegeleiding: de visie van de samenwerkingspartners van waaruit zij gezamenlijk vorm willen geven aan de IKC en de doelen, fasering in tijd en meetbare resultaten die zij daarbij nastreven; de wijze waarop de procesbegeleiding vorm wordt gegeven in aantal personen, uren, uurtarief en benodigde vaardigheden; inzet per samenwerkingspartners, uitgewerkt per medewerker en onder vermelding van de bijhorende tijdsbesteding in uren over het subsidietijdvak; de wijze waarop ervaringen en inzichten met andere geïnteresseerde partijen worden gedeeld; op welke wijze na het uitvoeren van de activiteiten wordt geëvalueerd of de gestelde resultaten zijn bereikt en hoe deze zullen worden geborgd. bij de Brede Brugklas: de wijze waarop het onderwijs in het brugjaar of de brugjaren ten tijde van de aanvraag is vormgegeven en of er sprake is van een heterogene basis; visie van de schoolleiding op de doelen, fasering in tijd en meetbare resultaten die zij nastreven bij de invoering van de Brede Brugklas, dan wel de verdere uitvoering hiervan; de wijze waarop het onderwijs in de Brede Brugklas in de toekomst zal worden vorm gegeven of verder zal worden ontwikkeld en de benodigde vaardigheden hiervoor; de wijze waarop ervaringen en inzichten met andere geïnteresseerde scholen worden gedeeld; op welke wijze na het uitvoeren van de activiteiten wordt geëvalueerd of de gestelde resultaten zijn bereikt en hoe deze zullen worden geborgd. bij de Amsterdamse Familie School: een probleemanalyse van de huidige situatie van de school en haar leerlingen, waarbij ingegaan wordt op: de invulling van het onderwijs, de kinderopvang en naschoolse opvang en de wijze van samenwerking; de problematiek van leerlingen en hun ouders en hoe dit het onderwijs nadelig beïnvloedt; de visie van de schoolleiding en eventuele samenwerkingspartners van waaruit zij vorm willen geven aan de Amsterdamse Familie School en de doelen en meetbare resultaten die zij daarbij nastreven; de wijze waarop de schoolleiding en eventuele samenwerkingspartners vorm willen geven aan de Amsterdamse Familie School, welke andere partners zij daarbij willen betrekken en de fasering in tijd voordat de school volgroeid is; de wijze waarop ervaringen en inzichten met andere geïnteresseerde partijen worden gedeeld; op welke wijze na het uitvoeren van de activiteiten wordt geëvalueerd of de gestelde resultaten zijn bereikt en hoe deze zullen worden geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid, dient in geval van een aanvraag voor procesbegeleiding tevens te worden overgelegd een samenwerkingsovereenkomst tussen het schoolbestuur en de ondernemer van de kinderopvangorganisatie waarmee wordt samengewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, eerste lid van de VloA 2019 weigert het college een subsidie te verlenen, indien: het kosteloos beschikbaar stellen van de ervaringen en ontwikkelde producten aan andere schoolbesturen en ondernemers van kinderopvang die een IKC, Brede Brugklas of Amsterdamse Familie School willen realiseren; de school voor basisonderwijs of voorgezet onderwijs in de eerste jaren van oprichting zit en de zogenoemde stichtingsnorm zoals bedoeld in artikel 77 Wpo en artikel 64 Wvo nog niet gehaald heeft; de school voor basisonderwijs minder dan 25 procent doelgroepleerlingen heeft; de Brede Brugklas niet bestaat uit minimaal drie niveaus, vmbo, havo en vwo; de aanvraag op een van de beoordelingscriterium genoemd onder artikel 5.5, lid drie tot en met vijf, minder dan de helft van de te behalen punten scoort;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvrager in aanmerking komt voor een subsidie voor een andere activiteit als bedoeld in artikel 5.3, dan waarvoor hij een aanvraag heeft ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvrager eerder een subsidieverlening heeft ontvangen in het kader van de voorziening Procesbegeleiding (IKC) 2016-2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, tweede lid van de VloA 2019 kan het college een subsidie weigeren te verlenen, indien: het inspectie oordeel op moment van aanvraag onvoldoende of (zeer) zwak is; de school onder de voor de school geldende opheffingsnorm zit zoals opgenomen in artikel 154 Wpo en artikel 107 Wvo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Presentatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag niet op grond van artikel 5.9 aan het en onder de punten a tot en met c. wordt geweigerd, dient een aanvrager en voor zover van toepassing zijn samenwerkingspartner(s) in het kader van de aanvraagprocedure een presentatie te geven over het startdocument aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 5.5, lid drie tot en met vijf van deze subsidieregeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden: het kosteloos beschikbaar stellen van de ervaringen en ontwikkelde producten aan andere schoolbesturen en ondernemers van kinderopvang die een IKC, Brede Brugklas of Amsterdamse Familie School willen realiseren; deelname aan halfjaarlijkse voortgangsgesprekken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Voorziening Nieuwkomers</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: aan ongedocumenteerde leerlingen gelijkgestelde leerlingen: niet Nederlands sprekende leerlingen, waarvoor een school, omdat de leerlingen een Nederlands paspoort hebben, in het kader van het nieuwkomersonderwijs geen recht heeft op een aanvullende bekostiging van het Rijk; nieuwkomers: Leerlingen van 5 t/m 12 jaar die nog geen jaar in Nederland wonen en de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn voor het volgen van regulier onderwijs; nieuwkomersgroep: fulltime nieuwkomersonderwijs dat in een apart lokaal wordt gegeven aan een groep van 10 tot en met 15 leerlingen afkomstig uit de groepen 3 t/m 8;</p>\n<p class=\"lf-p\">NT2 deskundige: deskundige met een afgeronde opleiding, training of cursus Nederlands als tweede taal; ongedocumenteerde leerlingen: leerlingen waarvoor een school in het kader van het nieuwkomersonderwijs geen recht heeft op een aanvullende bekostiging van het Rijk; Het gaat daarbij om leerlingen waarvan niet de door het Rijk vereiste documenten of verklaringen zoals bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet kunnen worden overlegd, maar waarvan wel kan worden aangetoond dat zij minder dan een jaar in Nederland woonachtig zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksbekostiging voor nieuwkomers: bijzondere bekostiging basisscholen voor eerste opvang (1e jaar) asielzoekers en overige vreemdelingen; school: basisschool.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze voorziening is om basisscholen in staat te stellen om nieuwkomers die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn zo snel mogelijk op het taalniveau te krijgen waarmee de leerling mee kan doen aan het reguliere onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in aanvulling op de Rijksbekostiging voor nieuwkomers een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten verbonden aan: de extra inzet van een NT2 deskundige ten behoeve van het nieuwkomersonderwijs aan minimaal 5 nieuwkomers in groep 2 van een basisschool, waarbij de subsidie maximaal € 15.000 per deskundige bedraagt. Daarbij geldt dat een school per schooljaar in aanmerking komt voor een subsidie van maximaal € 30.000; leerkracht, leermiddelen en nazorg leerlingen van een nieuwkomersgroep en in relatie hiermee activiteiten op het gebied van ouderbetrokkenheid, waarbij de subsidie per groep maximaal € 40.000 bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in aanvulling op de subsidie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b. een subsidie verlenen voor de deelname aan een nieuwkomersgroep gedurende een schooljaar van gemiddeld 4 of meer ongedocumenteerden en daaraan gelijkgestelde leerlingen, mits een schoolbestuur voor hen niet in aanmerking komt voor de Rijksbekostiging voor nieuwkomers. De subsidie bedraagt maximaal € 2.900,- per leerling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en verdeelsleutel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt jaarlijks een subsidieplafond vast voor de subsidie als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het subsidieplafond onvoldoende is om alle aanvragen die voorafgaand aan het te subsidiëren schooljaar conform artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 zijn ingediend te honoreren, brengt het college de aanvragen onder in de volgende twee categorieën: aanvragen voor een eerste NT2 deskundige op een school; aanvragen voor een tweede NT2 deskundige op een school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens honoreert het college achtereenvolgend de aanvragen die vallen in de categorie bedoeld onder a. en daarna als het subsidieplafond het toelaat de aanvragen die vallen in de categorie bedoeld onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het subsidieplafond onvoldoende is om alle aanvragen binnen een bepaalde categorie als bedoeld in het tweede lid te honoreren, rangschikt het college de aanvragen op een prioriteitenlijst. De rangschikking wordt bepaald door het totaal aantal nieuwkomers in groep 2 dat op een school op het moment van de aanvraag is ingeschreven van hoog naar laag, waarna de aanvragen worden gehonoreerd naar de volgorde op de prioriteitenlijst totdat het subsidieplafond is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanvragen die gedurende het schooljaar als bedoeld in artikel 6.6, eerste lid worden ingediend, geldt dat deze in volgorde van binnenkomst worden afgehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.5 De aanvrager In aanvulling op artikel 5, eerste lid, van de VloA 2019 kan uitsluitend het schoolbestuur dat in een of meer onder zijn gezag vallende basisscholen mede namens andere schoolbesturen een nieuwkomersgroep als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid onder b. verzorgt, een subsidieaanvraag indienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagtermijn subsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 kan, indien de instroom van nieuwkomers dit noodzaakt, gedurende het gesubsidieerde schooljaar een subsidie worden aangevraagd voor de activiteiten als bedoeld in artikel 6.3, aanhef onder a. en b.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 6 , eerste lid van de VloA 2019 dient een aanvraag voor een subsidie, zoals omschreven in artikel 6.3,tweede lid , vóór 1 juli van het lopende gesubsidieerde schooljaar te zijn ingediend bij het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op 5, vierde lid van de VloA 2019 wordt bij de aanvraag verstrekt: voor een subsidie als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid onder a. en b.: het aantal nieuwkomers waaraan naar verwachting onderwijs zal worden gegeven; een omschrijving van de wijze waarop het taalonderwijs zal worden verzorgd en waaruit de extra begeleiding van de leerlingen zal bestaan; de kwalificaties van de betrokken leerkracht(en) en begeleiders op het gebied van het geven van (NT2) onderwijs aan nieuwkomers; een beschrijving van de ambitieuze en haalbare doelstellingen, die de school hanteert voor de leerlingen in het nieuwkomersonderwijs; de wijze waarop de school zorgt voor overdracht van de leerling die deel heeft genomen aan nieuwkomersonderwijs naar het reguliere onderwijs en voorziet in nazorg om de vooruitgang van de leerlingen vast te houden. op welke wijze de school ouders betrekt bij het taalonderwijs van hun kind en hen een actieve rol hierin geeft; voor een subsidie als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, overlegt een schoolbestuur per betrokken school de beschikking van het Rijk, waarmee de extra bekostiging voor nieuwkomers is afgewezen voor de ongedocumenteerde en de daaraan gelijkgestelde leerlingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, eerste lid van de VloA 2019 weigert het college subsidie als: de ondersteuning als bedoeld in artikel 6.3 onder a. niet verzorgd wordt door een NT2 deskundige; de extra inzet van de NT2 deskundige als bedoeld in artikel 6.3 onder a. minder dan 8 uur per week bedraagt; de leraar die aan de nieuwkomersgroep als bedoeld in artikel 6.3 onder b. les geeft, geen onderwijsbevoegdheid heeft in de zin van de WPO; voor de ongedocumenteerden en daaraan gelijkgestelde leerlingen als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid geen beroep is gedaan op de Rijksbekostiging voor nieuwkomers over hetzelfde schooljaar als waarvoor de subsidie is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, tweede lid van de VloA 2019 kan het college geheel of gedeeltelijk een subsidie weigeren als: naar het oordeel van het college er onvoldoende zicht is op het met het nieuwkomersonderwijs te bereiken kwaliteitsniveau en de borging daarvan; naar het oordeel van het college onvoldoende invulling wordt gegeven aan de stimulering van ouderbetrokkenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 de VloA 2019 zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden: het schoolbestuur draagt er zorg voor dat de deskundige die wordt ingezet voor de uitvoering van nieuwkomersonderwijs in staat is zijn kennis en expertise bij te houden en te actualiseren door middel van professionalisering; het schoolbestuur zorgt zelf voor een geschikte aparte ruimte om les te geven aan een nieuwkomersgroep en dragen zelf zorg voor financiering hiervan; het schoolbestuur draagt er voor zorg dat hijzelf of de leiding van de school waarvoor hij subsidie ontvangt, invulling geeft aan ouderbetrokkenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 11, derde lid, van de VloA 2019 bevat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onder a en b, per betrokken school de beschikkingen van het Rijk op de gedurende het schooljaar ingediende aanvragen voor de Bijzondere bekostiging basisscholen voor eerste opvang (1e jaar) asielzoekers en overige vreemdelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTING Bijlage 3 Voorzieningen Kansengelijkheid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting:</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Soort voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijk algemeen deel VloA 2019</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. Voorziening Vroegschools aanbod</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De voorziening Vroegschools aanbod maakt deel uit van een groter pakket voorzieningen in het kader van het beleid Kansengelijkheid. De inrichting van de voorziening is gebaseerd op het uitgangspunt dat er alleen sprake is van kansengelijkheid als alle kinderen zich optimaal ontwikkelen. Omdat niet alle scholen te maken hebben met gelijke maatschappelijke problematiek, wordt de voorziening op drie niveaus beschikbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om het doel van Gelijke Kansen te realiseren, is het noodzakelijk dat alle kinderen zich optimaal ontwikkelen. Het doel van de voorziening Vroegschools aanbod is te voorzien in de realisatie van de optimale ontwikkeling van alle kinderen in de eerste twee jaar van de basisschool.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening is zo ingericht dat de basisschool zo goed mogelijk aansluit op de voorschoolse periode. Het risico dat deze overgang met zich meebrengt als het gaat om de doorgaande ontwikkeling, wordt daarmee zo veel mogelijk gereduceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3 subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie De voorziening kent drie te subsidiëren uitvoeringsniveaus met ieder hun eigen activiteiten en intensiteit, aangepast aan de zwaarte van de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van de niveau indeling wordt gewerkt met vier schoolgroepen. De groep scholen met het laagste percentage doelgroepkinderen kan alleen niveau A aanvragen. De groep scholen met het hoogste aantal doelgroepkinderen kan alleen niveau C aanvragen. De groep scholen met het een na laagste percentage doelgroepkinderen kan kiezen tussen niveau A en B. De groep scholen met het een na hoogste percentage doelgroepkinderen kan kiezen tussen niveau B en C.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening van het percentage doelgroepleerlingen is gelijk aan de berekening van de voorziening Kansenaanpak primair onderwijs vanaf groep 3. Het percentage wordt berekend aan de hand van het aantal doelgroepleerlingen vanaf groep 3 dat op 1 oktober in het schooljaar twee jaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school. In dit percentage zijn de leerlingen van groep 1 en 2 destijds ook meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vroegschools aanbod niveau A Bij niveau A worden de volgende activiteiten gesubsidieerd: a. Het actief ophalen van relevante informatie over de voorschoolse periode De overdracht van kindgegevens van de kinderopvang aan de school helpt de school om direct te kunnen bepalen wat de onderwijs- en zorgbehoefte van het kind is bij de instroom in de basisschool. Hiervoor dient de school afspraken te maken met de ‘toeleverende’ kinderopvanglocaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met warme overdracht wordt bedoeld dat er een overleg plaatsvindt tussen de kinderopvang en de basisschool. De school dient te bepalen welke informatie nodig is om te kunnen starten met het geven van onderwijs. Omdat de uitwisseling van gegevens waarschijnlijk ruimer is dan wat is bepaald in artikel 167, derde lid van de Wpo, is voorafgaand aan de warme overdracht toestemming van ouders nodig. b. Ouderbetrokkenheid Op elke peutervoorziening en basisschool is ouderbetrokkenheid een structureel onderdeel van het beleid en de uitvoering. De subsidieontvanger moet ouderbetrokkenheid stimuleren op basis van een plan met een visie, doelen en gerichte ondersteuning dat is gebaseerd op een analyse van wensen, behoeften en krachten van ouders en door zich te richten op de vier volgende onderdelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders weten hoe het Vve- of onderwijsprogramma in elkaar zit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders weten wat hun kind doet op de peutervoorziening of de basisschool;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders weten hoe het staat met de ontwikkeling van hun kind;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders weten wat zij thuis aan ontwikkelingsstimulering kunnen doen en hoe zij dit kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze activiteiten behoren aanvullend te zijn op de reguliere ouderbetrokkenheid die een basisschool uitvoert. c. Coördinatie De coördinator draagt zorg voor de uitvoering het vroegschools aanbod en ziet toe op een doelmatige afstemming van de subsidiabele activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vroegschools aanbod niveau B De activiteiten onder niveau A aangevuld met:</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing ten behoeve van certificering groepsleerkrachten Deze (na)scholing wordt gefaciliteerd om te kunnen voldoen aan de voorwaarde dat scholen moeten werken met een programma voor vroegschoolse educatie. Nadat de groepsleerkrachten zijn gecertificeerd kan deze activiteit worden ingezet voor de verdere deskundigheidsbevordering op het gebied van het jonge kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vroegschools aanbod niveau C De activiteiten onder niveau A en B worden aangevuld met:</p>\n<p class=\"lf-p\">Combinatiefunctie Het doel van de Combinatiefunctie is het stimuleren van een doorgaande ontwikkeling van peuter naar kleuter door de extra inzet van een combinatiefunctionaris in een kleutergroep naast de gebruikelijke bezetting van leerkrachten en onderwijsassistenten. Hierdoor wordt een pedagogisch klimaat gecreëerd waar kinderen zich direct veilig voelen in hun nieuwe omgeving en wordt de kwaliteit van de doorgaande ontwikkeling versterkt. De combinatiefunctie wordt gemiddeld een dagdeel (een aaneengesloten blok van drie uur) per week per kleuterklas gedurende een schooljaar van 40 weken ingezet. De omvang van de inzet, de kwaliteitseisen en het gehanteerde tarief worden geregeld in een overeenkomst tussen schoolbestuur en voorschoolaanbieder activiteiten gericht op de continuïteit van de zorg voor instromende kleuters De school zorgt ervoor dat in het geval van een reeds bestaande zorgvraag van instromende kleuters, dit beleid direct wordt voortgezet in aansluiting op de voorschoolse periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening van de hoogte van de subsidie per leerling De hoogte van de subsidie per leerling voor de verschillende niveaus komt tot stand door normbedragen toe te kennen aan de verschillende activiteiten. De tarieven voor schooljaar 2019/2020 zijn hieronder weergegeven. Deze worden jaarlijks geïndexeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele activiteiten Niveau A Niveau B Niveau C Normbedrag per kleuter 2019/2020 Informatieoverdracht alle kleuters x x € 20 Warme overdracht alle kleuters x € 40 Ouderbetrokkenheid niveau A x € 60 Ouderbetrokkenheid niveau B x € 90 Ouderbetrokkenheid niveau C x € 120 Gebruiksmateriaal vroegschoolse educatie x x € 5 Scholing x x € 30 Combinatiefunctie x € 350 Zorg x € 30 Coördinatie niveau A x € 70 Coördinatie niveau B x € 125 Coördinatie niveau C x € 175 Totaal per kleuter (2019/2020) € 150 € 270 € 750</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidie aanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het activiteitenplan moet op grond van artikel 5, vierde lid van de VloA 2019 aangegeven worden voor welk niveau vroegschools aanbod een aanvraag wordt ingediend. Daarbij dient te worden aangegeven op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan de te subsidiëren activiteiten en op welke manier wordt voldaan aan de aanvullende verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als scholen nog niet hebben voldaan aan de verplichtingen ten aanzien van de certificering van groepsleerkrachten, onderwijsassistenten en Vve-coördinator, moet worden aangegeven per wanneer hier wel aan wordt voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de beschikbaarstelling van de voorziening Vroegschools aanbod zijn enkele aanvullende verplichtingen verbonden die als doel hebben de kwaliteit van het aanbod te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschools aanbod Niveau A Het kindvolgsysteem is opgenomen als aanvullende verplichting omdat hiermee het onderwijsaanbod kan worden afgestemd op de ontwikkelbehoefte van het kind en de opbrengst van de vroegschoolse educatie inzichtelijk kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschools aanbod Niveau B De aanvullende verplichtingen onder niveau A aangevuld met:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van een Vve-programma of vroegschoolvariant (uitsluitend niveau B) Dit is een -programma dat door het Nederlands Jeugdinstituut is beoordeeld als bewezen effectief moet bijdragen aan de opbrengst van de vroegschoolse educatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelname Vve-overleggen in het stadsdeel In de Vve-overleggen die per gebied worden georganiseerd door de accounthouder van team Vve van de gemeente Amsterdam, is er gelegenheid tot uitwisselen van informatie en worden de coördinatoren op de hoogte gehouden van actuele ontwikkelingen Voorschools aanbod Niveau C De aanvullende verplichtingen onder niveau B aangevuld met:</p>\n<p class=\"lf-p\">Certificering coördinator vroegschools aanbod.: vanwege de complexiteit van de activiteiten en verplichtingen in de voorziening, is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de coördinatoren geborgd wordt. Hiervoor wordt een training aangeboden die wordt gefaciliteerd door de gemeente Amsterdam. Deze training wordt afgesloten met een certificaat. Als de coördinator vroegschools aanbod nog niet is gecertificeerd dan dient uit de subsidieaanvraag blijken dat de training alsnog gevolgd zal worden. Onderdeel van deze training is een bijeenkomst voor schoolleiders. Deelname hieraan is verplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Voorziening Kansenaanpak primair onderwijs vanaf groep 3</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onder b. genoemde drempel heeft als gevolg dat het beschikbare subsidieplafond verdeeld wordt over een beperkt aantal scholen. Het uitgangspunt hierbij is dat scholen met een relatief laag percentage doelgroepleerlingen, de extra behoefte aan ondersteuning op het gebied van taal en rekenen van deze leerlingen eenvoudiger binnen het normale curriculum kunnen opvangen. Hierdoor wordt bovendien verwatering van het beschikbare budget voorkomen en zijn scholen met een hoog percentage doelgroepleerlingen beter in staat een voldoende aanbod aan onderwijsinterventies te realiseren (omdat zij meer budget kunnen aanvragen). De drempel wordt berekend op basis van de gegevens van de leerlingen die op 1 oktober in het schooljaar twee jaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school voor basisonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder b. genoemde Kansenaanpak PO betreft het in december 2017 door de gemeenteraad vastgestelde beleidsplan, waarin is opgenomen op welke wijze de gemeente onderwijsachterstanden in samenwerking met de schoolbesturen voor het basisonderwijs tracht te bestrijden. Deze voorziening maakt onderdeel uit van dit plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de punten c, d. en h zijn de definities opgenomen van een Kopklas, een Maatwerkplan (verlengde leertijd en ouderbetrokkenheid), en een Zomerschool.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder g. genoemde verlengde leertijd kan gerealiseerd worden door het uitvoeren van bijvoorbeeld schakelklassen, leerlabs, vakantieschool taal of de inzet van extra (ondersteunend) onderwijspersoneel in de klas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de definitie van het doel van de voorziening blijkt dat de subsidie voor deze voorziening bestemd is voor zowel basisscholen als scholen in het speciaal basisonderwijs (SBO).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidies als bijdrage in de kosten van de uitvoering van de onderwijsinterventies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in aanvulling op de Rijksbekostiging die het schoolbestuur per leerling ontvangt, waardoor een school zorg kan dragen voor (taal)onderwijs in kleinere groepen en verlengde leertijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het schoolbestuur en de school hebben in het kader van de uitvoering van het maatwerkplan voor onderwijsinterventies verlengde leertijd en ouderbetrokkenheid meer dan voorheen het geval was de regie over de soort activiteiten die het beste past bij bijvoorbeeld de leerling populatie, de schoolontwikkeling of bestaande activiteiten of inzet op de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten op het terrein van de ouderbetrokkenheid kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op: in relatie met achterstand het versterken van de doorgaande lijn in het kader van ouderbetrokkenheid van de VVE naar groep 3 t/m 8 van de school voor basisonderwijs in afstemming met de gekoppelde peutervoorziening; kennisuitwisseling over ouderbeleid tussen samenwerkende scholen te organiseren en informatiebijeenkomsten voor ouders bij de overstap naar vervolgonderwijs binnen een school of samenwerkende scholen. het organiseren van informatie(bijeenkomsten) voor ouders bij de overstap naar vervolgonderwijs binnen een school of samenwerkende scholen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte en besteding subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie voor de uitvoering een maatwerkplan als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid onder a wordt berekend aan de hand van de het aantal doelgroepleerlingen vanaf groep 3 dat op 1 oktober in het schooljaar twee jaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school vermenigvuldigd met het bedrag dat jaarlijks beschikbaar is per doelgroepleerling. Dit zogenoemde normbedrag wordt berekend op grond van de volgende formule:</p>\n<p class=\"lf-p\">A = B / (X- Y), waarbij A staat voor bedrag per doelgroepleerling, B voor het subsidieplafond onderdeel verlengde leertijd en ouderbetrokkenheid, X voor het totaal aantal doelgroepleerlingen in de stad en Y voor het aantal doelgroepleerlingen dat op een school onderwijs volgt, waar het percentage doelgroepleerlingen vanaf groep 3 gelijk of minder is dan 10 procent van de totale leerlingenpopulatie vanaf groep 3;</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorziening zijn voor drie onderdelen subsidies aan te vragen. Het onderdeel uitvoering onderwijsinterventies in het kader van het Maatwerkplan, de onderwijsinterventie Zomerschool en de onderwijsinterventie Kopklas. Het college stelt jaarlijks drie afzonderlijke subsidieplafonds voor deze onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.6 De aanvrager Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de aanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het aantal doelgroepleerlingen op een school is jaarlijks een budget beschikbaar, waarvoor een school een maatwerkplan op het gebied van de onderwijsinterventies verlengde leertijd en ouderbetrokkenheid kan opstellen. De school heeft vrijheid om zelf te kiezen welke activiteiten hij wil uitvoeren passend bij de opgave en ontwikkeling van de school en zijn leerlingen. Bijvoorbeeld het inzetten van een schakelklas of een extra onderwijsassistent, het investeren in taalonderwijs of ook aandacht voor het vergroten van de leefwereld. In punt a. van dit artikel staat voorgeschreven op welke onderwerpen een schoolbestuur bij de aanvraag voor zijn school in het maatwerkplan in ieder geval in moet gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-88\"><span class=\"lf-art-num\">Art 3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende verplichtingen zijn deels gericht op het garanderen van kwaliteit van het personeel dat wordt ingezet en het onderwijs dat wordt gegeven. Anderzijds betreft het de verplichting dat het schoolbestuur zelf zorgt voor de benodigde extra onderwijsruimte en de bekostiging daarvan. Het laatste onderdeel van dit artikel schrijft voor dat een school mee moet werken aan kennisdeling, tussentijdse rapportage en onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 Voorziening Kansenaanpak Voortgezet Onderwijs (VO)</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting:</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onder b. genoemde drempel heeft als gevolg dat het beschikbare subsidieplafond verdeeld wordt over een beperkt aantal scholen. Het uitgangspunt hierbij is dat scholen met een relatief laag percentage doelgroepleerlingen, de extra behoefte aan ondersteuning op het gebied van taal en rekenen, ouderbetrokkenheid en op- en afstroom van deze leerlingen eenvoudiger binnen het normale curriculum kunnen opvangen. Hierdoor wordt bovendien versnippering van het beschikbare budget voorkomen en zijn scholen met een hoog percentage doelgroepleerlingen beter in staat een voldoende aanbod aan onderwijsinterventies te realiseren (omdat zij meer subsidie kunnen aanvragen). De drempel wordt berekend op basis van de gegevens van de leerlingen die op 1 oktober in het schooljaar twee jaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school voor voortgezet onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder c. genoemde Kansenaanpak VO betreft de in mei 2019 door de gemeenteraad vast te stellen beleidsbrief, waarin is opgenomen op welke wijze de gemeente in samenwerking met de schoolbesturen voor het voortgezet onderwijs wil investeren in het tegengaan van onderwijsachterstanden op taal en rekenen, vergroten van ouderbetrokkenheid en het bevorderen van opstroom en het voorkomen van afstroom. De voorziening maakt onderdeel uit van dit beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder d. gedefinieerde doelgroepleerling is een leerling van een Amsterdamse school voor voortgezet onderwijs die voldoet aan één of meer van de volgende kenmerken: laag opleidingsniveau ouders volgens de definitie in artikel 1 van het algemene deel van de VloA; laag inkomen huishouden volgens de definitie in artikel 1 in het algemene deel van de VloA; leerling in een internationale schakelklas (ISK).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) brengt met ingang van het schooljaar 2019-2020 het aantal doelgroepleerlingen per vo-school in beeld voor de gemeente ten behoeve van de Kansenaanpak Voortgezet Onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder j. wordt onder een school verstaan de scholen voortgezet onderwijs of een nevenvestiging van een school voor voortgezet onderwijs Het tegengaan van de onder k. genoemde onderwijsachterstanden kunnen gerealiseerd worden door het uitvoeren van verlengde leertijd aansluitend op een reguliere schooldag of de inzet van extra (ondersteunend) onderwijspersoneel in de klas</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de definitie van het doel van de voorziening blijkt dat de subsidie voor deze voorziening bestemd is voor scholen voor voortgezet onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele activiteitenDe subsidies als bijdrage in de kosten van de uitvoering van de onderwijsinterventies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in aanvulling op de Rijksbekostiging die het schoolbestuur per leerling ontvangt, waardoor een school zorg kan dragen voor bijvoorbeeld (taal)onderwijs in kleinere groepen en verlengde leertijd Het schoolbestuur en de school hebben in het kader van de uitvoering van het maatwerkplan voor onderwijsinterventies de regie over de activiteiten die het beste passen bij bijvoorbeeld de leerlingpopulatie, de schoolontwikkeling of bestaande activiteiten of inzet op de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten op het terrein van de ouderbetrokkenheid kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op: in relatie met achterstand het versterken van de doorgaande lijn in het kader van ouderbetrokkenheid van de basisschool naar de middelbare school; kennisuitwisseling over ouderbetrokkenheidsbeleid tussen samenwerkende scholen te organiseren en informatiebijeenkomsten voor ouders bij de overstap naar vervolgonderwijs binnen een school of samenwerkende scholen; het organiseren van informatie(bijeenkomsten) voor ouders bij de overgang naar een hoger niveau voortgezet onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten op het terrein van het bevorderen van opstroom en tegengaan van afstroom kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op: voorlichting aan leerlingen (over de regels) bij de overgang naar een hoger niveau voortgezet onderwijs binnen een school of samenwerkende scholen; extra begeleiding en aandacht voor opstromers en afstromers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie voor de uitvoering van een maatwerkplan als bedoeld in artikel 4.3 wordt berekend aan de hand van de het aantal doelgroepleerlingen in het voortgezet onderwijs dat op 1 oktober in het schooljaar twee jaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat het voor het Kansenaanpak VO beschikbare budget versnipperd raakt over alle scholen in de stad is een drempel van doelgroepleerlingen ingebouwd. Het subsidiebudget wordt verdeeld over de scholen met een percentage doelgroepleerlingen gelijk of hoger dan deze drempel. Het uitgangspunt hierbij is dat scholen met een lager percentage doelgroepleerlingen, de extra behoefte aan ondersteuning op het gebied van taal en rekenen van deze leerlingen en ouders, eenvoudiger binnen het normale curriculum en bekostiging kunnen opvangen. Hetzelfde geldt voor interventies ten behoeve van op- en afstroom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdeling vindt vervolgens plaats op basis van het absolute aantal doelgroepleerlingen op een school, waarbij gelimiteerde bedragen gelden voor acht te onderscheiden categorieën. Hierdoor wordt rekening gehouden met de grootte van de scholen, die erg verschillend zijn in het Amsterdamse VO. Een grote school met veel doelgroepleerlingen krijgt meer middelen, dan een kleine school met een vergelijkbaar percentage doelgroepleerlingen. Dit doet meer recht aan het principe ‘investeren daar waar dat het hardste nodig is’ in het voortgezet onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt jaarlijks een subsidieplafond vast voor dit onderdeel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.6 De aanvrager Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de aanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het aantal doelgroepleerlingen op een school is jaarlijks een budget beschikbaar, waarvoor een school een maatwerkplan op het gebied van de onderwijsinterventies op het tegengaan van onderwijsachterstanden, het vergroten van ouderbetrokkenheid, het bevorderen van opstroom en voorkomen van afstroom kan opstellen. De school heeft vrijheid om zelf te kiezen welke activiteiten hij wil uitvoeren passend bij de opgave en ontwikkeling van de school en zijn leerlingen. Bijvoorbeeld het inzetten van een extra onderwijsassistent, het investeren in taal- of rekenonderwijs, ouders ondersteunen bij de ontwikkeling van hun kind of de mogelijkheden bevorderen voor leerlingen om op te stromen naar een hoger niveau binnen het vo. In dit artikel staat voorgeschreven op welke onderwerpen een schoolbestuur bij de aanvraag voor zijn school in het maatwerkplan in ieder geval in moet gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49-90\"><span class=\"lf-art-num\">Art 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende verplichtingen zijn deels gericht op het garanderen van kwaliteit van het personeel dat wordt ingezet en het onderwijs dat wordt gegeven. Anderzijds betreft het de verplichting dat het schoolbestuur zelf zorgt voor de benodigde extra onderwijsruimte en de bekostiging daarvan. Het laatste onderdeel van dit artikel schrijft voor dat een school mee moet werken aan kennisdeling, tussentijdse rapportage en onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Voorziening PIEK aanpak</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De voorziening PIEK-aanpak maakt onderdeel uit van een groter pakket voorzieningen dat gericht is op Kansengelijkheid. De PIEK aanpak bestaat uit drie actielijnen. Actielijn I: verstevigen van de overgang tussen kinderopvang en po, actielijn 2: versoepelen van de overgang van po naar vo en actielijn 3: stimuleren brede ontwikkelomgeving waarbij er een koppeling wordt gemaakt met de thuissituatie en de leefomgeving van het kind. Binnen actielijn I kan via de voorziening PIEK aanpak een procesbegeleiding IKC aangevraagd worden, in actielijn II een brede burgklas bonus en in actielijn III een Amsterdamse Familie School.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting:</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toelicht bij de begripsbepaling doelgroepleerlingen wordt verwezen naar de toelichting (begripsomschrijvingen) bij de Kansenaanpak PO, pagina 23 en naar de toelichting (begripsbeschrijvingen) bij de Kansenaanpak VO, pagina 25 en 26.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de voorziening is het versoepelen van de (kwetsbare) overgangen, het tegengaan van de nadelige effecten van vroegselectie, het tegengaan van segregatie op onderwijsniveau en achtergrond leerlingen en het bieden van een brede ontwikkelomgeving aan leerlingen in het Amsterdamse onderwijs met onder andere een link naar de aanpak armoede. De subsidie is bestemd voor scholen voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanpak kent drie subsidiabele activiteiten, namelijk procesbegeleiding IKC, Brede Brugklas Bonus en Amsterdamse Familie School.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesbegeleiding IKC De subsidie wordt voor een schooljaar verleend. De subsidie is bedoeld om door middel van de inzet van procesbegeleiding te komen tot een IKC waarbinnen een intensieve samenwerking wordt gerealiseerd tussen de kinderopvang en de school, werkend vanuit één pedagogische visie en één doorlopende pedagogische aanpak rond het kind. Onderdelen van een IKC zijn: de ontwikkeling van het kind van 0 tot 12 jaar oud staat centraal; er wordt gewerkt vanuit één pedagogische visie; er is een samenwerkingsverband tussen één kinderopvangpartner en één onderwijspartner; het aanbod bestaat tenminste uit een combinatie van kinderdagopvang met voorschoolse educatie, onderwijs, buitenschoolse opvang en naschoolse activiteiten; er wordt vanuit één team gewerkt met één front-office voor ouders; het aanbod wordt dicht bij elkaar georganiseerd (onder één dak of campus-/netwerkmodel); er is er een verlengde openstelling van circa 12 uren per dag, 50 weken per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brede Brugklasbonus De Brede Brugklas Bonus ondersteunt bestaande brede brugklassen in hun aanpak. De subsidie wordt voor een subsidietijdvak van vierjaar verleend en dient te worden ingezet voor het bieden van een heterogene basis aan leerlingen van minimaal drie niveaus, te weten vmbo, havo en vwo. Scholen met homogene groepen kunnen de Brede Brugklas Bonus inzetten voor het invoeren van een heterogene brugklas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Amsterdamse Familie School De subsidie voor de Amsterdamse Familie School wordt voor een subsidietijdvak van vier schooljaren verleend. Om tot een Amsterdamse Familie School te komen is een intensieve samenwerking nodig tussen onderwijs, zorg, jeugd- en maatschappelijke partners. De school biedt een dagvullend programma met ruimte voor de brede ontwikkeling van leerlingen en hun ouders. De school maakt een koppeling met de ouders en met de domeinen armoede, jeugd, zorg, gezondheid, sport en de wijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt een subsidieplafond vast per actielijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">IKC Het subsidieplafond is €125.000,- voor schooljaar 2019-2020 Het subsidieplafond is €325.000,- voor schooljaar 2020-2021 Het subsidieplafond is €375.000,- voor schooljaar 2021-2022 Het subsidieplafond is €175.000,- voor schooljaar 2022-2023 Brede Brugklas Bonus Het subsidieplafond is €3.600.000,- voor de periode van 2019-2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Amsterdamse Familie School Het subsidieplafond is €5.400.000,- voor de periode van 2019-2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelsleutel subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college laat zich adviseren door een adviescommissie. Deze adviescommissie beoordeeld het startdocument en de presentaties op basis van een vastgesteld beoordelingskader. De adviescommissie wordt gevormd met mensen met kennis en ervaring op een van de gebieden: integraal kindcentrum, basisonderwijs, voortgezet onderwijs, wetenschap op het gebied van kansengelijkheid en onderwijsstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.6 De aanvrager Geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de IKC wordt onder andere gekeken naar de kwaliteit van de kinderopvangvoorziening. Er mogen geen overtredingen open staan op de voorwaarden zoals opgesomd in het artikel. Als er overtredingen zijn geconstateerd en niet zijn opgeheven komt de opvangvoorziening niet in aanmerking voor de samenwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de basisschool of de school voor voortgezet onderwijs een onvoldoende of zeer zwak oordeel van de inspectie heeft, dan kan het college, indien uit de aanvraag onvoldoende blijkt dat de basisschool of de school voor voortgezet onderwijs in staat is de activiteiten uit te voeren, de subsidie weigeren te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de basisschool of de school voor voortgezet onderwijs onder de opheffingsnorm zit, uitgaande van de 1 oktobertelling 2018, dan kan het college de subsidie eveneens weigeren te verlenen. Voor het basisonderwijs geldt voor Amsterdam een opheffingsnorm van 195 leerlingen. Voor het voortgezet onderwijs gelden de opheffingsnormen zoals opgenomen in artikel 107 Wvo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Presentatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager presenteert het ingediende startdocument aan de adviescommissie. De adviescommissie kan verhelderende vragen stellen en neemt dit mee in de beoordeling van de startdocumenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Nieuwkomers</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting:</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidies die op grond van het eerste lid onder a en b worden verstrekt in aanvulling op de Rijksbekostiging, maken het voor een school mogelijk om extra (taal) ondersteuning aan nieuwkomersleerlingen te geven. Het tweede lid voorziet in een extra subsidie voor ongedocumenteerde nieuwkomers en de leerlingen die aan hen gelijk gelijkgesteld zijn, maar waarvoor een schoolbestuur geen Rijksbekostiging ontvangt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelsleutel subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening voorziet in artikel 6.3 in drie verschillende subsidies. Uitsluitend voor de subsidie voor de NT2 ondersteuning van de nieuwkomers in groep 2 stelt het college per schooljaar een subsidieplafond vast. Sinds het schooljaar 2018-2019 stelt de gemeente ook middelen beschikbaar voor extra taalondersteuning van nieuwkomers, die in een reguliere groep 2 les krijgen. Het budget hiervoor is echter beperkt beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beoordeeld aanvragen die voor 1 april zijn ingediend op volgorde van binnenkomst. Indien het subsidieplafond niet toereikend is om alle op 1 april ingediende aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen te honoreren, worden de subsidie aanvragen onder gebracht in twee categorieën: de aanvragen voor een eerste NT2 deskundige op een school en de aanvragen voor een tweede NT2 deskundige op een school. Vervolgens wordt eerste de eerste categorie gehonoreerd en vervolgens als het budget het toelaat ook nog aanvragen uit de tweede categorie. .</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het subsidieplafond niet toereikend is om alle subsidieaanvragen die in aanmerking komen voor een subsidie in een bepaalde categorie als bedoeld in het tweede lid te honoreren, rangschikt het college de aanvragen op een prioriteitenlijst. De rangschikking vindt plaats aan de hand van het totaal aantal nieuwkomers in groep 2 op een school van hoog tot laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen die na sluiting van de in artikel 6, eerste lid, van de VloA 2019 april worden ingediend, worden in behandeling genomen volgorde van binnenkomst en gehonoreerd totdat het subsidieplafond is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.5 De aanvrager De nieuwkomersgroepen worden in Amsterdam door een paar schoolbesturen georganiseerd in onder hun gezag vallende scholen namens de andere schoolbesturen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagtermijn subsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 6 eerste lid van de VloA 2019 zijn de subsidies als genoemd in artikel 6.3 lid 1 onder a en b, het gehele jaar aan te vragen. Voor de subsidie van de ongedocumenteerde leerlingen en aan hen gelijkgestelden geldt dat de subsidie aanvraag voor 1 juli van het lopende gesubsidieerde schooljaar moet worden ingediend. Daarbij dient een schoolbestuur de beschikking van het Rijk te overleggen, waarmee de aanvraag voor extra bekostiging voor nieuwkomers voor deze leerlingen is afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoeft geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoeft geen toelichting Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Bijlage 4: Voorzieningen kwaliteit, schoolontwikkeling en lerarentekort</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Soort voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bijlage betreft de volgende voorzieningen: tegemoetkoming in aanvulling op cao vergoede reiskosten zij-instromers en ‘statushouders voor de klas’ ondersteuning directeuren van scholen voor basisonderwijs pilot omgaan met het lerarentekort</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid VloA 2019</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen deel van de VloA 2019 is van toepassing, tenzij daarvan in een voorziening in deze bijlage uitdrukkelijk wordt afgeweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de voorzieningen als bedoeld in artikel 1.1 wordt verstaan onder: subsidietijdvak: periode waarin de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Voorziening Amsterdamse Teambeurzen</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Voorziening Tegemoetkoming in aanvulling op cao vergoede reiskosten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorziening wordt verstaan onder: cao po: cao primair onderwijs die tevens van toepassing is op het (v)so;</p>\n<p class=\"lf-p\">OOP: onderwijsondersteunend personeel; personeelsleden: leraren, onderwijsondersteunend personeel (OOP) en directieleden volgens de Wvo , de Wpo of de Wec , werkzaam op een Amsterdamse school of in een vervangingspool van een schoolbestuur of in dienst van samenwerkende schoolbesturen; po: primair onderwijs; so: speciaal onderwijs vo: voortgezet onderwijs; vso: voortgezet speciaal onderwijs</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de voorziening is om in het kader van het lerarentekort in Amsterdam schoolbesturen te ondersteunen bij het werven van nieuwe en het behouden personeelsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit doel wordt bereikt door Amsterdamse schoolbesturen in staat te stellen om aan de in het eerste lid genoemde personeelsleden een hogere tegemoetkoming te verstrekken in de kosten verbonden aan het woon-werkverkeer dan op basis van de cao’s po en vo gebruikelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan per schooljaar een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten die een bestuur maakt, in aanvulling op de vergoedingen die de cao’s po en vo voorschrijven voor woon-werkverkeer van personeelsleden die verder weg wonen van hun werklocatie dan 21,5 km (po) of 25 km (vo).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie wordt berekend op basis van de uitkomst van de volgende som: aantal fte per afstandscategorie genoemd in de in lid 3 opgenomen tabel, vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde bedrag per schooljaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor de berekening van de subsidie worden de volgende afstandscategorieën en bedragen gehanteerd:</div>\n<p class=\"lf-p\">Personeelsleden in het po en (v)so Afstand woon-werk enkele reis Maximale vergoeding gemeente per fte personeelslid per schooljaar (uitgaande van 10 maanden) 21,5 - 25 km € 345 25 - 30 km € 440 30-40 km € 598 Meer dan 40 km € 880 Personeelsleden in het vo Afstand woon-werk enkele reis Maximale vergoeding gemeente per fte personeelslid per schooljaar (uitgaande van 10 maanden) 25 - 30 km € 100 30-40 km € 200 Meer dan 40 km € 300</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en verdeelsystematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt per schooljaar een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het subsidieplafond onvoldoende is om alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen te honoreren, vermindert het college de te verlenen subsidies met eenzelfde percentage, zodat het subsidieplafond wel toereikend is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 5, derde lid van de VloA 2019 wordt bij de aanvraag een begroting verstrekt op basis van het aantal personeelsleden omgerekend naar fte’s dat verder woont van de werklocatie dan de afstanden genoemd in artikel 3, eerste lid en dat op het moment van de aanvraag bij het schoolbestuur werkzaam is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze begroting geeft een schoolbestuur aan: de extra kosten die hij moet maken voor een tegemoetkoming in de reiskosten van het personeel bovenop de cao-vergoeding, uitgesplitst naar de afstandscategoriën zoals opgenomen in artikel 3.3, derde lid; over welk deel van deze kosten subsidie wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 zijn aan de subsidie de verplichting verbonden dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het schoolbestuur eenzelfde bedrag als het verleende subsidiebedrag bijdraagt aan de vergoeding van reiskosten aan zijn personeel in aanvulling op de cao;</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de Agenda Autoluw van de gemeente Amsterdam gaat het schoolbestuur met zijn personeelsleden in gesprek, over hun mobiliteitsbehoeften en over alternatieve en toekomstbestendige mobiliteitsvormen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 11 van de VloA 2019 verstrekt het schoolbestuur in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie informatie waaruit blijkt: hoeveel fte op meer dan 21,5 km in het po en 25 km in het vo woonachtig waren gedurende de 10 maanden van het schooljaar waarop de verantwoording betrekking heeft, waarbij het schoolbestuur een onderverdeling maakt naar de afstandscategorieën genoemd in de tabel van artikel 3, tweede lid en de daarbij behorende bedragen aan uitgekeerde reiskostenvergoeding; het bedrag dat het schoolbestuur zelf heeft bijgedragen aan de reiskosten; welke inspanningen het schoolbestuur heeft gedaan om met zijn personeelsleden in gesprek te gaan over hun mobiliteitsbehoeften en over alternatieve en toekomstbestendige mobiliteitsvormen, en welke resultaten dit heeft opgeleverd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 Voorziening zij-instromers en ‘statushouders voor de klas’</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorziening wordt verstaan onder: deelnemer: (voormalige) statushouder die een oriëntatietraject ‘statushouders voor de klas’ volgt of heeft gevolgd in Amsterdam als voorbereiding op het zij-instroom traject of een lerarenopleiding en die voor een of twee jaar wordt aangesteld op een school om ervaring op te doen binnen het Nederlandse onderwijssysteem. lerarenopleiding: een opleiding tot leraar basisonderwijs of leraar voortgezet onderwijs in een van de tekortvakken; oriëntatietraject: programma van een jaar om hoogopgeleide (voormalige) statushouders voor te bereiden op het zij-instroom traject of een lerarenopleiding, waarbij participanten 4 dagdelen per week werkervaring opdoen als stagiair of in een onderwijs ondersteunende functie op een school; po: primair onderwijs om vattende basisonderwijs en speciaal basisonderwijs; potentiële zij-instromer: persoon die via www.lievervoordeklas.nl is aangemeld bij 1Loket, voldoet aan de voorwaarden om zij-instromer te worden (zoals afgeronde hbo/wo opleiding), en de eerste selectiefase met goed gevolg heeft doorlopen (waaronder een startgesprek en geschiktheidstest). scholingsovereenkomst: een overeenkomst afgesloten tussen het schoolbestuur of de schooldirecteur van de school waar de zij-instromer wordt aangesteld, de leraren opleiding en de zij-instromer, waaruit blijkt dat de zij-instromer een aanstelling heeft voor maximaal twee jaar en ingeschreven staat bij een lerarenopleiding voor zij-instromers. so: speciaal onderwijs; statushouder: een asielzoeker met een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd; tekortvakken vo: de vakken Informatica, Wiskunde, Scheikunde, Natuurkunde, Duits, Klassieke talen en Frans; vo: voortgezet onderwijs; voortraject: intensieve cursus ter kennismaking met het vak van leraar in het primair- of voortgezet onderwijs voor potentiële zij-instromers, waarbij de participant ervaart welke vaardigheden nodig zijn en praktijkervaring opdoet op een school; vso: voortgezet speciaal onderwijs; zij-instromer: persoon met een afgeronde hbo- of wo-opleiding die wordt aangesteld als leraar in het po, v(s)o zonder dat hij voldoet aan de voor de functie geldende bevoegdheidseisen met een benoeming van maximaal twee jaar waarbinnen hij het voor de functie vereiste diploma dient te behalen. :</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze voorziening is het tegengaan van het Amsterdamse lerarentekort door de instroom van zij-instromers en deelnemers in het po, so en v(s)o te bevorderen, en de uitval gedurende de opleiding tot leraar te verlagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten verbonden aan: een voortraject voor een potentiële zij-instromer; de begeleiding van een zij-instromer; de begeleiding van een deelnemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor een voortraject voor potentiële zij-instromers bedraagt maximaal € 1.944 per potentiële zij-instromer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor de begeleiding van zij-instromers bedraagt: voor een school in het po, so of vso maximaal € 8.500 per zij-instromer; voor een school in het vo maximaal € 2.500 per zij-instromer in een van de tekortvakken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor de begeleiding van deelnemers bedraagt bij een aanstelling van 4 dagdelen voor een volledig schooljaar maximaal € 3.750 per deelnemer en bij een aanstelling van 8 dagdelen maximaal € 7.500 per deelnemer: voor het schooljaar waarin de deelnemer het oriëntatietraject volgt; voor het schooljaar volgend op het oriëntatietraject, indien de deelnemer nog extra begeleiding nodig heeft voordat een zij instroomtraject kan worden gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde subsidies kunnen worden ingezet voor de bekostiging van een externe deskundige die het voortraject vormgeeft of de begeleiding biedt, onder voorwaarde dat de kosten maximaal €125,- per uur bedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond, subsidietijdvak en verdeelsystematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt per schooljaar afzonderlijke subsidieplafonds vast voor de volgende subsidiabele activiteiten: een voortraject voor een potentiële zij-instromer; de begeleiding van een deelnemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt voor de begeleiding van zij-instromers in de sectoren po, so en vso en voor de sector vo twee afzonderlijke subsidieplafonds vast, telkens voor een van de volgende subsidietijdvakken:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 september 2021 tot 1 februari 2024;</p>\n<p class=\"lf-p\">1 september 2022 tot 1 februari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen voor alle in artikel 4.3, eerste lid, genoemde subsidiabele activiteiten worden in behandeling genomen als zij compleet zijn en in volgorde van binnenkomst afgehandeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de VloA 2019 kan de subsidieaanvraag voor een voortraject voor potentiële zij-instromers worden ingediend gedurende het gehele schooljaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de VloA 2019 wordt de subsidieaanvraag voor begeleiding van deelnemers ingediend voor 1 oktober van het schooljaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de VloA 2019 wordt de subsidieaanvraag voor de begeleiding van zij-instromers ingediend: voor het subsidietijdvak 1 september 2021 tot 1 februari 2024 van 1 mei tot 30 juni 2021 of 1 december 2021 tot 1 februari 2022; voor het subsidietijdvak 1 september 2022 tot 1 februari 2025 van 1 mei tot 30 juni 2021 of 1 december 2021 tot 1 februari 2022.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verlening van subsidie met terugwerkende kracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een subsidie voor een voortraject voor potentiële zij-instromers in het schooljaar 2020-2021 met terugwerkende kracht verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 5, derde lid van de VloA 2019 wordt bij een aanvraag voor subsidie voor een voortraject voor potentiële zij-instromers de volgende gegevens verstrekt: de gegevens van de organisatie die het voortraject organiseert; een korte motivatie van de keuze voor de betreffende organisatie; het aantal potentiële zij-instromers waarvoor het voortraject georganiseerd wordt; een beschrijving van het programma van het voortraject, waaruit in ieder geval blijkt uit hoeveel kandidaten de groep maximaal bestaat, hoeveel uur het traject duurt, en wat de inhoud van het curriculum is; een onderbouwing van de kosten per participant; een verklaring dat medewerkers en participanten in het bezit zijn van een recente Verklaring Omtrent Gedrag; een verklaring dat medewerkers aantoonbaar minimaal hbo werk- en denkniveau hebben. voor de begeleiding van zij-instromers de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de begeleidingsactiviteiten; een bewijs van aanstelling van de zij-instromer. voor de begeleiding van deelnemers de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de begeleidingsactiviteiten van de school; een bewijs van aanstelling van de deelnemer en bewijs dat de deelnemer het oriëntatietraject gaat volgen of heeft gevolgd in het jaar voorafgaand aan de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, eerste lid, van de VloA 2019 weigert het college een subsidie voor een voortraject voor potentiële zij-instromers te verlenen als: het voortraject korter duurt dan 30 uur of deze uren niet gelijkmatig zijn verdeeld over ten minste 5 dagen; het voortraject niet ten minste bestaat uit een praktijkcursus en een praktijkplek; potentiële zij-instromers tijdens het voortraject niet de gelegenheid krijgen om te oefenen met het als leraar voor de klas staan op een Amsterdamse school; potentiële zij-instromers meer dan € 300,- moeten betalen voor deelname aan het voortraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, tweede lid, van de VloA 2019 kan het college weigeren een subsidie voor een voortraject voor potentiële zij-instromers te verlenen als naar het oordeel van het college de onderstaande onderdelen onvoldoende aan bod komen: een theoretische voorbereiding op de lespraktijk; klassenmanagement; een introductie in didactische en pedagogische vaardigheden; inzicht in het werken in het onderwijs; interactie met leerlingen en ouders; diversiteit en grootstedelijke context.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, eerste lid, van de VloA 2019 weigert het college een subsidie voor de begeleiding van zij-instromers of deelnemers te verlenen als het schoolbestuur: voor een zij-instromer geen bewijs van aanstelling kan overleggen; voor een deelnemer niet kan overleggen : een deelnamebewijs van het oriëntatietraject; bewijs van aanstelling voor minimaal 4 dagdelen per week en voor een periode van tenminste 6 maanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 worden aan de subsidie voor een voortraject voor potentiële zij-instromers de volgende verplichtingen verbonden: het schoolbestuur draagt er zorg voor dat de aanbieder van het voortraject de opdracht uitvoert in lijn met het integrale zij-instroomplan, specifiek het gezamenlijk opleiden van zij-instromers voor de stad; het schoolbestuur draagt er zorg voor dat de aanbieder constructief samenwerkt met 1Loket; het schoolbestuur communiceert het aanbod vooraf via de stedelijke website www.lievervoordeklas.nl, zodat iedereen met de juiste vooropleiding zich kan aanmelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 11 van de VloA 2019 verstrekt het schoolbestuur in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie voor een voortraject voor potentiële zij-instromers of voor de begeleiding van deelnemers een rapportage met geanonimiseerde informatie over de participanten, waaronder opleidingsniveau, man/vrouw verhouding, en de vervolgstap na het doorlopen van het traject.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 11 van de VloA 2019 verstrekt het schoolbestuur in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie voor de begeleiding van zij-instromers een scholingsovereenkomst.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 de Voorziening Ondersteuning directeuren van scholen voor basisonderwijs</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorziening wordt verstaan onder: po: primair onderwijs; school: een school voor basisonderwijs;</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze voorziening is om directeuren in het po te ondersteunen waardoor er (meer) tijd beschikbaar is voor het primaire onderwijsproces, zoals leiding geven aan de lerarenteams en investeren in schoolontwikkeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een subsidie verlenen van € 10.000,- als bijdrage in de kosten verbonden aan de uitvoering van een of meerdere activiteiten gericht op uitvoering van directietaken betreffende het primaire onderwijsproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde subsidie kan tevens worden ingezet voor de kosten verbonden aan de inzet van een externe deskundige, onder voorwaarde dat de kosten maximaal €125,- per uur bedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en verdeelsystematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt per schooljaar een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het subsidieplafond ontoereikend is om alle aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie te honoreren, worden deze aanvragen afgehandeld in volgorde van percentage doelgroepleerlingen op de school waar de directeur is aangesteld van hoog naar laag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 5, derde lid van de VloA 2019 wordt bij een aanvraag voor subsidie de volgende informatie ingediend: een beschrijving van de activiteiten in het primair proces waar de directeur nu niet aan toe komt; een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; het advies van de medezeggenschapsraad van de school.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, eerste lid van de VloA 2019 weigert het college een subsidie te verlenen als: de aanvraag betrekking heeft op het aanschaffen van roerende zaken, leermiddelen en aanpassingen aan de onderwijshuisvesting de medezeggenschapsraad van de school een negatief advies heeft uitgebracht..</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, tweede lid van de Verordening op het Lokaal Onderwijsbeleid Amsterdam 2019 kan het college een subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren te verlenen als het subsidieplafond wordt overschreden en voor dezelfde school in een voorafgaand schooljaar subsidie voor ondersteuning van de directeur is verleend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Voorziening pilot omgaan met het lerarentekort</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorziening wordt verstaan onder: beleidsregel: de Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5 (Staatscourant 2020, 26759); externe professional: pedagogisch bekwame beroepsbeoefenaar, die leerlingen op één of meerdere talentgebieden kan onderwijzen, ondersteunen en ontwikkelen; lerarentekort: het verschil tussen het aantal bevoegde leraren dat de school nodig heeft op grond van de 1-oktobertelling in het schooljaar waarop de subsidieaanvraag ziet en het aantal bevoegde leraren dat de school in dienst heeft op het moment van de aanvraag; lesuurtarief: uurtarief inclusief voorbereidingstijd; noodplan: het Noodplan Lerarentekort Amsterdam d.d. 27 januari 2020 waarin schoolbesturen voor het primair en het speciaal onderwijs verschillende oplossingen formuleren om het lerarentekort op een gestructureerde manier het hoofd te bieden; school: hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor basisonderwijs of speciaal onderwijs, niet zijnde speciaal voortgezet onderwijs op het grondgebied van de gemeente Amsterdam; solidariteitsafspraken: afspraken die schoolbesturen in het kader van het noodplan hebben gemaakt met als doel dat alle besturen een bijdrage leveren aan het verminderen van het lerarentekort, ook wanneer dat in mindere mate speelt bij het eigen bestuur, inhoudende dat: alle besturen gaan werken met een aangepaste leerling/bevoegde leerkracht ratio die hoger ligt dan de bekostiging mogelijk maakt; ieder schoolbestuur ernaar streeft om minimaal 3% boven de leerling/bevoegde leerkracht ratio die de bekostiging mogelijk maakt uit te komen; het toewerken naar de norm op basis van natuurlijk verloop gaat; variant: een van de drie varianten uit het noodplan om om te gaan met het lerarentekort: groepen vergroten; een deel van het curriculum laten verzorgen door externe professionals; minder onderwijstijd programmeren en voor de leerlingen aanvullend aanbod door externe professionals organiseren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze voorziening is om scholen met een lerarentekort in staat te stellen hun leerlingen het verplichte aantal uren onderwijs, zoals vastgelegd in artikel 8, negende lid, onder b, van de WPO en in artikel 12, eerste lid, onder b, van de WEC, te bieden door de inzet van externe professionals conform de beleidsregel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten van de inzet van een of meerdere externe professionals voor het onderwijs op een school.</div>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie wordt berekend op 40% van het tussen de externe professional(s) en het schoolbestuur afgesproken lesuurtarief vermenigvuldigd met het aantal uren dat de externe professional(s) zal worden ingezet voor de klas.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt per schooljaar maximaal: € 50.000,- voor scholen met minder dan 300 leerlingen; € 75.000,- voor scholen met tussen de 300 en 500 leerlingen; € 100.000,- voor scholen met meer dan 500 leerlingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en verdeelsleutel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het schooljaar 2020-2021 geldt een subsidieplafond van €2.150.000, onder voorbehoud van reservering van voldoende middelen in de nog door de gemeenteraad vast te stellen begroting voor het jaar 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlaging van het subsidieplafond die voortvloeit uit de vaststelling van de begroting, is van toepassing op voordien en nadien ingediende aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het subsidieplafond ontoereikend is om alle voor subsidie in aanmerking komende aanvragen binnen een aanvraagtermijn als bedoeld in artikel 6.6 te honoreren, worden deze aanvragen afgehandeld in volgorde van het percentage lerarentekort van hoog naar laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien meerdere scholen hetzelfde percentage lerarentekort hebben en door honorering van hun aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de aanvraag van de school met het hoogste percentage doelgroepleerlingen het eerste gehonoreerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school, indien deze school deelneemt aan het Experiment ‘Onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het kader van de noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de gemeenten Amsterdam, Almere, Den Haag, Rotterdam en Utrecht’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagtermijnen subsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 6 van de VloA 2019 gelden de volgende aanvraagtermijnen: scholen die een of meerdere externe professionals hebben ingezet in de periode van 1 augustus 2020 t0t 1 januari 2021, dienen een aanvraag voor subsidie in vóór 1 februari 2021; scholen die na 1 januari 2021 voor het eerst een of meerdere externe professionals inzetten, dienen een aanvraag voor subsidie in vóór 1 april 2021.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de aanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 5, tweede lid, van de VloA 2019 dient bij een aanvraag per school te worden verstrekt: het percentage lerarentekort; de melding bij het onderzoeksbureau als bedoeld in artikel 7 van de beleidsregel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie betreffende de in te zetten externe professional(s) bestaande uit: type beroepsbeoefenaar; periode waarbinnen de professional zal worden ingezet; het aantal uren per week gedifferentieerd naar het aantal te verzorgen groepen; het afgesproken uurtarief. indien het college op grond van artikel 3.3, onder a, van bijlage 3 (Voorzieningen kansengelijkheid) bij de VloA 2019 subsidie heeft verleend voor de uitvoering van een maatwerkplan voor onderwijsinterventies op het gebied van verlengde leertijd en ouderbetrokkenheid, een beschrijving waaruit blijkt hoe de inzet van de externe professional(s) samenhangt met dit maatwerkplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verlening van subsidie met terugwerkende kracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college verleent de subsidie met ingang van de datum waarop een school voor het eerst gebruik gemaakt heeft van de externe professional(s) voor de klas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, eerste lid, van de VloA 2019 weigert het college een subsidie als: op de school op het moment van aanvraag geen sprake is van een lerarentekort van: minimaal 5 procent, indien het tekort een gevolg is van een tekort in de formatie; minimaal 3 procent, indien het tekort een gevolg is van de solidariteitsafspraken die voortvloeien uit het noodplan; als de school ook met de inzet van een of meerdere externe professionals niet voldoet aan de vereisten betreffende het minimaal aantal uren onderwijs zoals vastgelegd in artikel 8, negende lid, onder b, van de WPO en in artikel 12, eerste lid, onder b, van de WEC;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het tussen de externe professional(s) en het schoolbestuur afgesproken lesuurtarief hoger is dan € 125,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 7, tweede lid, van de VloA 2019 kan het college een subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als: het gevraagde subsidiebedrag naar het oordeel van het college niet in verhouding staat tot het percentage lerarentekort op het moment van de aanvraag; het inspectieoordeel op het moment van aanvraag onvoldoende of (zeer) zwak is; de school onder de voor de school geldende opheffingsnorm zit zoals opgenomen in artikel 154 van de WPO; de school voor basisonderwijs in de eerste jaren van oprichting zit en de zogenoemde stichtingsnorm zoals bedoeld in artikel 77 van de WPO nog niet gehaald heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 de VloA 2019 zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden: de externe professional kan niet worden ingezet voor het geven van onderwijs in de Nederlandse taal, rekenen, wiskunde, zintuigelijke en lichamelijke opvoeding als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a tot en met c, van de WPO en artikel 13, eerste lid, onder a tot en met d, van de WEC; de externe professional kan maximaal 22 uur per maand per groep voor het onderwijs worden ingezet; voor de inzet van de externe professional op een school mag een schoolbestuur geen eigen bijdrage van ouders vragen; het schoolbestuur draagt er zorg voor dat de school waarvoor hij subsidie ontvangt meewerkt aan: (tussentijdse) evaluatie, monitoring en rapportering van de gesubsidieerde activiteiten; het delen van kennis en ervaringen met andere scholen voor basisonderwijs in Amsterdam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 11, derde lid, van de VloA 2019 bevat de aanvraag tot subsidievaststelling een financieel overzicht van het aantal externe professionals dat het schoolbestuur voor een school heeft ingehuurd, waarbij per externe professional wordt gespecificeerd het aantal uur dat hij op school is ingezet uitgesplitst naar groepen en maanden, tegen welk uurtarief en de totale vergoeding die hij heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie wordt vastgesteld op basis van het aantal uren dat de externe professional daadwerkelijk is ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij Bijlage 4: Voorzieningen kwaliteit, schoolontwikkeling en lerarentekort In Bijlage 4 zijn de voorzieningen opgenomen die horen bij de Lerarenagenda 2019-2023: ‘Liever voor de klas’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting per artikel</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Soort voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid VloA 2019</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 de Voorziening Teambeurzen Lerarenagenda</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 de Voorziening Tegemoetkoming in aanvulling op cao vergoede reiskosten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De lage reiskostenvergoeding is voor veel leraren, OOP en directieleden een belemmering om in Amsterdam les te (blijven) geven. Met deze regeling maken de schoolbesturen en de gemeente het aantrekkelijker om ook van buiten de stad les te komen of blijven geven. Met de Voorziening tegemoetkoming in aanvulling op cao vergoede reiskosten worden via de besturen de leraren OOP en directieleden die verder weg wonen dan de cao-grens gedeeltelijk tegemoet gekomen in deze reiskosten. Het totaal aan aanvullend op cao vergoede reiskosten wordt voor de helft gefinancierd door de gemeente en voor de andere helft door de schoolbesturen. Van het deel van de aanvullend op cao vergoede reiskosten dat door het schoolbestuur zelf wordt gefinancierd (de 50% cofinanciering), bepaalt het schoolbestuur aan welke personeelsleden zij een op de cao aanvullende tegemoetkoming toekent.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieregeling is een uitwerking van de Amsterdamse Lerarenagenda 2019-2023 ‘Liever voor de klas’ die onder andere tot doel heeft om bij te dragen aan voldoende en goed opgeleide leraren in Amsterdam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft in kaart gebracht hoe de cao eruit zouden zien als deze zou doorlopen tot 40 km. In de tabel Personeelsleden in het primair onderwijs zijn vier categorieën opgenomen vanaf 21,5 km op basis van extrapolatie van de bestaande bedragen in de cao po. Omdat de tegemoetkoming in de reiskosten in de cao voor het vo aanzienlijk hoger is dan de tegemoetkoming in de reiskosten voor het po, is de aanvullende tegemoetkoming gedifferentieerd. Met de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming per afstandscategorie in het vo, zoals opgenomen in de tabel Personeelsleden in het voortgezet onderwijs, wordt het verschil in de totaal ontvangen tegemoetkoming op de reiskosten tussen po en vo verkleint.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag moet worden ingediend via portaal onderwijssubsidies via het vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begroting geeft inzicht in de verdeling van de middelen voor de aanvullende tegemoetkoming, uitgesplitst naar afstandscategorie en uitgesplitst naar subsidiemiddelen en eigen middelen van het schoolbestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in aanvulling op cao vergoede reiskosten is een voorziening waarbij sprake is van cofinanciering. De gemeente en het schoolbestuur dragen beide 50% van de kosten van de aanvullende reiskostenvergoeding (kosten bovenop de vergoeding die voortvloeit uit de cao). De subsidie van de gemeente kan enkel worden aangevraagd voor personeelsleden die binnen de afstandscategorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid woont. De cofinanciering van het schoolbestuur kan het schoolbestuur aan alle personeelsleden, ongeacht de afstandscategorie toekennen, zolang het een tegemoetkoming bovenop de cao betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de stad ook in de toekomst toegankelijk en leefbaar te houden, moeten we toewerken naar het gebruik van toekomstbestendige mobiliteitsoplossingen. Schoolbesturen worden daarom verplicht om met hun personeelsleden in gesprek te gaan over hun mobiliteitsbehoeften en over alternatieve en toekomstbestendige mobiliteitsvormen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Scholen dienen bij de verantwoording aan te kunnen tonen dat het bedrag waarover subsidie is ontvangen is uitgekeerd aan personeelsleden die verder weg woonden dan 21,5 km po en 25 km vo en dat deze kosten zijn uitgekeerd als aanvullende tegemoetkoming in de reiskosten. Ook dienen scholen aan te kunnen tonen dat ze in gesprek zijn gegaan met personeelsleden over hun mobiliteitsbehoeften en over alternatieve en toekomstbestendige mobiliteitsvormen, met het oog op de Agenda Autoluw van de gemeente Amsterdam.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 de Voorziening zij-instromers en ‘statushouders voor de klas’</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Om het nijpende lerarentekort terug te dringen, wordt onder andere ingezet op het stimuleren van meer zij-instromers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortraject potentiële zij-instromers Om instroom te verhogen en uitval gedurende de opleiding te voorkomen kunnen deze middelen worden ingezet om een intensieve cursus ter kennismaking met het vak van leraar te bekostigen. De cursus is voor potentiële zij-instromers in het primair- of voortgezet onderwijs, waarbij de participant ervaart welke vaardigheden nodig zijn en praktijkervaring opdoet op een school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding van zij-instromers De begeleiding van de zij-instromers vraagt veel van de capaciteit van de scholen en schoolbesturen, zeker in tijden van een lerarentekort. Gelet op het belang van goede begeleiding van zij-instromers kunnen schoolbesturen met de voorziening begeleiding zij-instromers hiervoor financiële tegemoetkoming ontvangen. Deze middelen kunnen worden ingezet om capaciteit binnen het personeelsbestand van de school vrij te maken voor begeleiding van de zij-instromer(s) en deelnemer(s) of om externe begeleiding van zij-instromer(s) aan te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatietraject ‘statushouders voor de klas’ Het doel van het oriëntatietraject statushouders voor de klas is om hoogopgeleide statushouders voor te bereiden op een baan als docent, op het zij-instroom traject of op de deeltijdopleiding tot tweedegraads docent. De statushouders hebben een afgeronde opleiding in een van de tekortvakken en hebben in het land van herkomst vaak al als leraar op een middelbare school gewerkt. De voorziening is om de scholen tegemoet te komen in de kosten van de begeleiding van de statushouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieregeling is een uitwerking van de Amsterdamse Lerarenagenda 2019-2023 ‘Liever voor de klas’ die onder andere tot doel heeft om bij te dragen aan voldoende en goed opgeleide leraren in Amsterdam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In november 2017 is uit onderzoek van Regioplan gebleken dat de kosten gemaakt door een bestuur per zij-instromer niet volledig kunnen worden gedekt vanuit de bijdrage van €20.000 die het Rijk hiervoor beschikbaar stelt. Vooral bij het po en (v)so blijkt de begeleiding van een zij-instromer veel meer kosten met zich mee te brengen. Dit onderzoek is gebruikt als algemene indicatie voor het bepalen van de hoogte van de subsidie op grond van deze voorziening voor de verschillende onderwijssectoren. In overleg met de schoolbesturen is in 2018 besloten om een subsidie van € 8.500 beschikbaar te stellen voor het po en (v)so en € 2.500 voor het vo waardoor per sector de Rijkssubsidie kostendekkend wordt aangevuld. Met de taskforce lerarentekort is besloten deze bedragen te continueren voor de komende vier schooljaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deelnemers die een aanstelling hebben is de subsidie voor de begeleiding en tegemoetkoming in de kosten van de aanstelling maximaal €3.750 bij 4 dagdelen, €5.625 bij 6 dagdelen en €7.500 bij 8 dagdelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond, subsidietijdvak en verdeelsystematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieplafonds voor de begeleiding van zij-instromers worden vastgesteld voor subsidietijdvakken van twee en half schooljaren. Dit heeft te maken met het feit dat een zij-instromerstraject maximaal twee schooljaren duurt en dat een zij-instromer twee keer per jaar, te weten op 1 september en op 1 februari kan beginnen met een lerarenopleiding. Er worden door het college per subsidietijdvak twee subsidieplafonds vastgesteld. Een voor de sectoren po en so en een voor de sectoren vo en vso.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond voor een voortraject voor potentiële zij-instromers en het subsidieplafond voor de begeleiding van deelnemers met een aanstelling worden per jaar vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag moet worden ingediend via portaal onderwijssubsidies via het vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verlening van subsidie met terugwerkende kracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eind december 2020 liep de aanbesteding om voortrajecten voor potentiële zij-instromers af. Vanwege de omschakeling naar een subsidie, is het voor schooljaar 2020-2021 mogelijk om de subsidie voor het voortraject met terugwerkende kracht aan te vragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beschrijving van de begeleidingsactiviteiten geeft op hoofdlijnen de beoogde activiteiten weer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sinds augustus 2020 is een stedelijke aanpak integraal zij-instroomplan van start gegaan, waarbij alle zij-instromers zich via www.lievervoordeklas.nl aanmelden bij 1Loket. Vervolgens worden ze door een intermediair gekoppeld aan een schoolbestuur. Onderdeel van de aanpak is ook dat zij-instromers worden opgeleid op een school waar voldoende en goede begeleiding is georganiseerd – en waar niet noodzakelijkerwijs een vacature is. De organisatie die het voortraject uitvoert is onderdeel van deze keten en werkt mee om het opleiden van zij-instromers op scholen zonder vacatures, voor scholen met vacatures te versterken en mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de begeleiding van zij-instromers geldt dat er sprake moet zijn van een tripartiete overeenkomst tussen de opleiding, het schoolbestuur en de zij-instromers (de scholingsovereenkomst). Deze overeenkomst dient bij de verantwoording aangeleverd te worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld van een vervolgstap: geplaatst op school als zij-instromer, doet verdere ervaring op bij vervolgpraktijkplek).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 de Voorziening Ondersteuning directeuren van scholen voor basisonderwijs</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In tijden van een lerarentekort zijn veel directeuren in het po overbelast en hebben ze (te) veel verantwoordelijkheden. Daarbij zijn er zijn nog maar weinig adjunct-directeuren in het Amsterdamse primair onderwijs die de directeur kunnen ontlasten en kunnen fungeren als sparringpartner. Met de Voorziening ondersteuning directeuren po biedt het college Amsterdamse directeuren eenmalig € 10.000 om voor hen passende ondersteuning te organiseren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieregeling is een uitwerking van de Amsterdamse Lerarenagenda 2019-2023 ‘Liever voor de klas’ die onder andere tot doel heeft om Amsterdamse directeuren van scholen voor basisonderwijs ondersteuning te bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning kan worden ingezet voor de uitvoering van de primaire werkzaamheden van de directeur of voor andere werkzaamheden die de directeur er van weerhoud de primaire werkzaamheden uit te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en verdeelsystematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag moet worden ingediend via portaal onderwijssubsidies via het vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 de Voorziening Pilot omgaan met het lerarentekort</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Het lerarentekort is vaak van een dusdanige omvang dat scholen de komende jaren genoodzaakt zijn het onderwijs tijdelijk anders te organiseren: het omgaan met tekorten. Scholen mogen er van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) met ingang van schooljaar 2020-2021 voor kiezen om maximaal 22 uur per maand een deel van het curriculum te laten verzorgen door professionals die niet lesbevoegd, maar wel pedagogisch bekwaam zijn om groepen te begeleiden. Hoewel een bevoegde leerkracht op iedere groep het ideaal is, is het de realiteit dat dit de komende jaren niet op alle scholen mogelijk is. Talentgebieden zoals burgerschap, kunst en cultuur, wetenschap en technologie lenen zich voor een alternatieve invulling, die de kansen van kinderen ten goede komt. Door met professionele aanbieders met expertise op deze thema’s een nauwe samenwerking aan te gaan, zijn scholen op meer gestructureerde wijze voorbereid op tekorten en blijft voor leerlingen hetzelfde aantal uren in stand. Het inzetten van deze professionals kan ook bijdragen aan het verminderen van de werkdruk onder leraren en schoolleiders, en aan een betere begeleiding van zij-instromers, doordat vrijkomende capaciteit daarvoor deels ingezet kan worden. Dit moet bijdragen aan het in stand houden van de basiskwaliteit op deze scholen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Scholen in Amsterdam hebben in januari 2020 gezamenlijk een noodplan opgesteld en bij het ministerie van OCW ingediend. Op basis van dit noodplan en de noodplannen van scholen in de gemeenten Almere, Den Haag, Rotterdam en Utrecht, heeft het ministerie van OCW een beleidsregel opgesteld waarin experimenteerruimte wordt geboden. Amsterdam maakt met deze tijdelijke voorziening gebruik van die experimenteerruimte om de pilot ‘omgaan met tekorten’ uit het Amsterdamse noodplan mogelijk te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van een subsidieaanvraag, wordt een subsidie verleend als bijdrage in de kosten van de inzet van een of meerdere externe professionals voor het onderwijs op een school. In de subsidieaanvraag moet de aanvrager aantonen welke inzet hij nodig heeft en op basis daarvan wordt de hoogte van de subsidie bepaald. Daarbij geldt wel dat er een maximum hoogte per schooljaar is op basis van schoolgrootte zoals omschreven in artikel6.3, derde lid En een vereiste is dat de school minimaal 60% co financiert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en verdeelsleutel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond geldt voor beide aanvraagtermijnen. Indien het subsidieplafond ontoereikend is om alle aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie te honoreren, worden deze aanvragen afgehandeld in volgorde van het percentage lerarentekort van hoog naar laag. Het doelgroeppercentage weegt op het moment dat scholen met een gelijk percentage tekort zich melden. Scholen met een hoger doelgroeppercentage krijgen dan voorrang. Een aanvraag wordt hierbij vergeleken met aanvragen die in dezelfde aanvraagtermijn zijn ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag moet bij de gemeente worden ingediend via e-herkenning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagtermijn subsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan alleen dit schooljaar (van 1 augustus 2020 tot en met 1 april 2021) aangevraagd worden. Er gelden twee aanvraagtermijnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de aanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verlening van subsidie met terugwerkende kracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan met terugwerkende kracht worden verleend tot uiterlijk 1 augustus 2020.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een school kan alleen aanspraak maken op de subsidie als deze school een tekort in de formatie heeft van minstens 5%. Een uitzondering daarop is wanneer er sprake is van een lerarentekort van minimaal 3% als gevolg van solidariteitsafspraken die voortvloeien uit het noodplan. Deze solidariteitsafspraken staan in het convenant Noodplan Lerarentekort Amsterdam d.d. 27 januari 2020 (artikel 3).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.10, eerste lid, onder a, betekent dat vakken die binnen het kerncurriculum vallen alleen door bevoegde leerkrachten mogen worden gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen toelichting nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amserdam 2019 Bijlage5:Materiële voorzieningen [vervallen] Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Bijlage6:voorzieningen overig</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Soort voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bijlage betreft de regelgeving voor de volgende voorzieningen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevorderen burgerschap, diversiteit, en gedeelde geschiedenis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogbegaafdheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid VloA 2019</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen deel van de VloA 2019 is van toepassing, tenzij daarvan voor een voorziening in deze bijlage uitdrukkelijk wordt afgeweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">school: school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs niet zijnde speciaal voortgezet onderwijs, dan wel een nevenvestiging hiervan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Voorziening Bevorderen burgerschap, diversiteit, en gedeelde geschiedenis</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorziening wordt verstaan onder: burgerschap: de bereidheid en het vermogen deel uit te maken van de Amsterdamse gemeenschap en daar een actieve bijdrage aan te leveren. brede talentontwikkeling: brede talentontwikkeling brengt kinderen in contact met activiteiten die verschillende vaardigheden aanspreken en hen daarbij in staat stellen ook niet-cognitieve talenten te ontwikkelen. diversiteit: alle mogelijke verschillen die kunnen bestaan tussen mensen die in Amsterdam samenleven op het vlak van gender, huidskleur, sociale achtergrond, seksuele gerichtheid, lichamelijke en verstandelijke mogelijkheden, religie, levensbeschouwing, leeftijd, etniciteit, etc. gedeelde geschiedenis: kennis van momenten in de Amsterdamse geschiedenis, zoals de holocaust en Jodenvervolging, het slavernijverleden en migrantengeschiedenissen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel Voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze voorziening is het ondersteunen van activiteiten met een Amsterdams karakter die gericht zijn op het ontwikkelen en bevorderen van (kennis van) diversiteit, burgerschap, en gedeelde geschiedenis van leerlingen van de scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs niet zijnde voortgezet speciaal onderwijs passend binnen de doelstelling van de beleidsbrief Amsterdammerschap in het onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een subsidie verlenen ten behoeve van de volgende activiteiten voor een of meerdere groepen van een school: ter bevordering van burgerschap; ter bevordering van kennis van diversiteit; ter bevordering van kennis van gedeelde geschiedenis in de stad; brede talentontwikkeling onder onderwijstijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per schooljaar is voor een school maximaal een subsidiebedrag beschikbaar van € 21 per leerling vermenigvuldigd met het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie is bedoeld voor het uitvoeren van activiteiten met een Amsterdams karakter in aanvulling op de activiteiten die een school in het kader van artikel 8, derde lid en artikel 9 van de Wet op het primair onderwijs, of artikel 11, vierde lid en artikel 13 van de Wet op de expertisecentra al in het reguliere onderwijsprogramma voor de leerlingen organiseert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.4 De aanvrager In aanvulling op artikel 5, eerste lid van de VloA 2019 kan de subsidie voor één of meerdere activiteiten worden aangevraagd door: een schoolbestuur ten behoeve van meerdere onder zijn gezag vallende samenwerkende scholen. samenwerkende schoolbesturen voor onder hun gezag vallende scholen In dat geval treedt één van de schoolbesturen op als penvoerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Voorziening Hoogbegaafdheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorziening wordt verstaan onder: deeltijd aanbod: aanbod voor hoogbegaafde leerlingen, één of meerdere dagdelen van de week, binnen of buiten de eigen klas; hoogbegaafde leerlingen: leerlingen die zich onderscheiden door bijzondere intelligentie, bijzondere eigenschappen, creatief denkvermogen, leermotivatie, nieuwsgierigheid en taakgerichtheid (2,5 % van de leerlingenpopulatie); voltijds aanbod: voltijds basisonderwijs voor hoogbegaafde leerlingen in een aparte klas met een gespecialiseerde leerkracht, waarbij het aanbod is afgestemd op de capaciteiten van het kind.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze voorziening is een passend aanbod te realiseren voor hoogbegaafde leerlingen van de scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs niet zijnde speciaal voortgezet onderwijs, zodat mogelijke gevolgen als onderprestatie, vermindering van leermotivatie en ondermijning van het zelfvertrouwen worden voorkomen of verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten verbonden aan een passend deeltijd of voltijds aanbod voor hoogbegaafde kinderen in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbod voor hoogbegaafde leerlingen mag verzorgd worden door externe partijen en buiten de eigen school plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie wordt berekend op basis van een bedrag van € 600,- per hoogbegaafde leerling per schooljaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor de uitvoering van één van de gesubsidieerde activiteiten gebruik wordt gemaakt van een externe deskundige, dan kan niet meer dan € 125 per uur (excl. BTW) ten laste van deze voorziening gebracht worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt voor de voorziening hoogbegaafdheid voor een schooljaar een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het subsidieplafond ontoereikend is om alle aanvragen te honoreren, maximeert het college de subsidie waarvoor een schoolbestuur voor een school in aanmerking kan komen op 2,5%.van het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na toepassing van de maximering als bedoeld in het tweede lid van dit artikel nog een bedrag resteert binnen het subsidieplafond, zal dit bedrag naar rato worden verdeeld onder scholen, voor zover er op deze scholen sprake is van een hoogbegaafde leerlingenpopulatie van meer dan 2,5%. Hierbij wordt het resterende bedrag uit het subsidieplafond gedeeld door het totaal aantal Amsterdamse hoogbegaafde leerlingen boven de 2,5% waarvoor is aangevraagd, vermenigvuldigd met het aantal hoogbegaafde leerlingen boven de 2,5 % van de desbetreffende school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.5 De aanvrager [vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 5, vierde lid van de VloA 2019 worden bij de subsidieaanvraag de volgende gegevens verstrekt:: een beschrijving van het passend aanbod voor hoogbegaafde leerlingen inclusief het niveau van ondersteuning van een school of van een groep samenwerkende scholen, vergezeld van een begroting inclusief een berekening van de kostprijs per leerling per schooljaar; de door de school gehanteerde methode waarop de leerlingen geïdentificeerd zijn als hoogbegaafd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden: een schoolbestuur draagt zelf minimaal 50 procent bij aan de kosten voor een passend aanbod per leerling; een schoolbestuur is bereid om de ervaringen en ontwikkelde producten in het kader van een passend aanbod voor hoogbegaafde leerlingen van de onder zijn gezag vallende school of scholen waarvoor hij subsidie ontvangt ter beschikking te stellen aan andere Amsterdamse scholen; een schoolbestuur draagt er voor zorg dat de school in de schoolgids of op de website van de school aangeeft, waaruit het aanbod op het gebied van het hoogbegaafdheidonderwijs bestaat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een schoolbestuur het passend aanbod voor hoogbegaafde leerlingen geheel of gedeeltelijk bekostigt uit ouderbijdragen, dient de subsidie eerst te worden aangewend voor een evenredige vermindering van die ouderbijdragen. .</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 TOELICHTING Bijlage 6: voorzieningen overig Voorziening Bevorderen burgerschap, diversiteit en gedeelde geschiedenis Deze voorziening draagt bij aan het samen (leren) leven van in een diverse stad. De voorziening ondersteunt activiteiten op scholen met een Amsterdams karakter die gericht zijn op het ontwikkelen en bevorderen van (kennis van) diversiteit, burgerschap, en gedeelde geschiedenis van leerlingen. De voorziening stimuleert een samenleving, waar individuen werken aan hun ontwikkeling en talenten en waar iedereen zichzelf kan zijn en vergroot op deze manier de ontwikkelkansen van kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per Amsterdamse leerling is € 21,- beschikbaar in de VloA Burgerschap. Dit is het maximumbedrag dat een school kan aanvragen, maar de activiteit ter hoogte van dit budget kan zich ook op één of enkele groepen richten De subsidie is bedoeld voor het uitvoeren van activiteiten die aanvullend zijn op de activiteiten die een school al in het reguliere onderwijsprogramma met betrekking tot burgerschap voor de leerlingen organiseert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorziening hoogbegaafdheid Ongeveer 2,5 procent van alle leerlingen in de basisschoolleeftijd is hoogbegaafd. Scholen en schoolbesturen in Amsterdam voorzien in een aanbod voor deze leerlingen, waarmee beoogd wordt onderprestatie, verminder van leermotivatie en ondermijning van zelftrouwen te voorkomen. De kosten van deze activiteiten zijn hoger dan voor het reguliere onderwijscurriculum. Reden waarom de gemeente hiervoor aan scholen of een groep samenwerkende scholen subsidie beschikbaar stelt. Bij deze voorziening geldt voor de schoolbesturen een verplichting tot cofinanciering van om ten minste 50% van kosten van het aanbod voor de hoogbegaafden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 t/m 3.3 geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat het beschikbare budget voor de Voorziening hoogbegaafdheid niet volledig benut wordt door de uitwerking van de verdeelsleutel, waarin bij het bereiken van het subsidieplafond de subsidie per bestuur werd gemaximeerd op 2,5 % van de totale leerlingpopulatie zijn het tweede en derde lid aan artikel 3.4 van deze voorziening toegevoegd. De insteek hiervan is om het beschikbare budget naar gelijke maatstaf te verdelen over de scholen in plaats van de totale populatie van de schoolbesturen die een aanvraag hebben gedaan voor de voorziening en het budget ook volledig beschikbaar te stellen voor het onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.6 t/m 3.7 geen toelichting</p></div>", "next": 0}