{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoor-beeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet gaan om elementaire woonfuncties. Het gaat nadrukkelijk om het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Dit betekent dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel maatwerkvoorzieningen die puur als noodvoorziening gelden. Zoals bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderde-len van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren. Ook ten behoeve van het ge-bruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen getroffen, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1 eerste lid van de Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningaanpassingen Met het in werking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 Woningwet geschrapt. De eigenaar moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het College of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 Wmo 2015 dat het College of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoe-ringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216 eerste lid BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het College dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die thans gelden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het College of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengt die in strijd is met bij-voorbeeld het vigerende Bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke criteria De Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Primaat van verhuizen Verordening: artikel 8.3 Wanneer er hoge kosten verbonden zijn aan het aanpassen van de huidige woning of deze woning niet kan worden aangepast, zal de mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning of een gemakke-lijker geschikt te maken woning met de cliënt besproken worden. Het primaat kan pas worden toege-past als de te verwachten kosten van woningaanpassing van de woning in totaal meer zullen bedragen dan het grensbedrag zoals bepaald in het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Korendijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie anders kan zijn. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van relevante factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de toepas-sing van het primaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwaarwegende redenen Er kunnen zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het ver-huisprimaat. Voorbeelden zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als niet verwacht wordt dat een (dementerend) cliënt binnen een redelijke termijn zal aarden of vertrouwd zal kun-nen geraken in de woning of woonomgeving én er geen aanspraak bestaat op toegang tot de Wet langdurige zorg (langdurig verblijf).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoek-tijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt gele-verd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfred-zaamheid van de cliënt. Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg professionele hulp overbo-dig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventue-le nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. Ook hier geldt de beoordeling of er aanspraak bestaat op toegang tot de Wet langdurige zorg verblijf).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties Een nieuwe woning kan een aanzienlijke stijging van de hoogte van de huurprijs met zich meebrengen. De huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het College beoordeelt of een eventuele woonlastenstijging de draagkracht van de cliënt te boven gaat en er dien-tengevolge sprake is van zwaarwegende redenen om niet het primaat van verhuizen op te leggen. Bij toewijzing van een woning wordt door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de ver-houding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de cliënt eigenaar van de woning is, kan een verhuizing of woningaanpassing andere woonlasten-consequenties met zich meebrengen dan wanneer hij de woning huurt. Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij het verlaten van een huurwoning. Bij een besluit tot het al dan niet verhuizen naar een (huur) woning dienen meerdere omstandigheden te worden afgewogen. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doors-laan. Een punt betreft de vraag in hoeverre vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans geld geleend en/of een hypotheek op het huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een overweging is in ieder geval de feitelijke situatie rond de waarde van de huidige woning. Is er sprake van een restschuld, of is er sprake van een vrijvallend vermogen bij verkoop. Indien de cliënt, al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen woning, en zal de cliënt ook problemen hebben met verhuizen. Het gaat er uiteindelijk om wat de gemeente in redelijkheid van de cliënt mag verwachten in het kader van diens eigen verantwoordelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijking aanpassingskosten huidige woonruimte versus nieuwe woonruimte Het College maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij wor-den de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; en/of de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen zelfstandige woonruimten Verordening: artikel 8.4 lid 2 Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties genoemd waarbij het gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde woonvoorzieningen standaard aanwezig zijn. Uit-zonderingen kunnen worden gemaakt voor woonvoorzieningen ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in het vierde lid zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereik-baar is. Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Kamers (onzelfstandige woonruimten) die verhuurd worden vallen daar niet onder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of woongebouwen voor gehandicapten- en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestem-ming, maar ook uit de bewoners zelf. Indien een gebouw voornamelijk bewoond wordt door ouderen en/of gehandicapten wordt die bestemming aangenomen. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/of beperkingen heeft. Uit de jurisprudentie blijkt wel dat er zware eisen kunnen gelden om aan te nemen dat een woongebouw specifiek is gericht op men-sen met beperkingen (vergelijk bijvoorbeeld CRVB:2009:BI9087).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdverblijf vereist Verordening: artikel 8.4 lid 3 Het spreekt voor zich dat de reikwijdte van de Verordening bij het verlenen van een woonvoorziening zich beperkt tot de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Voor zover de cliënt binnen de ge-meente verhuist of zich in de gemeente Oud-Beijerland wil vestigen zal bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de diens beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigering woonvoorziening Verordening: artikel 8.4 lid 4 In dit lid zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a: geen dringende reden om te verhuizen Deze weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de cliënt verhuist en het College na de melding geconfronteerd wordt met een aanvraag om een woonvoorziening terwijl in de ‘oude’ woning geen belemmeringen worden ondervonden in het normale gebruik van de woning. Op grond van de Veror-dening bestaat dan ook geen recht op de aangevraagde voorziening(en), tenzij sprake is van een drin-gende reden om te verhuizen. Wat een dringende reden is, is steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Er is alleen sprake van een dringende reden die aan-leiding vormt voor de verhuizing als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf voor een andere passende oplossing te zorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dringende redenen kunnen het aanvaarden van werk of huwelijk (samenwoning) worden ge-schaard. Een verhuizing van een adequate woning naar een niet-adequate woning wegens de verkoop van het eigen bedrijf vormt in beginsel geen belangrijke reden (vergelijk CRVB:2012:BW6810). Ook de wens een groot gezin te hebben wordt daar niet toe gerekend (vergelijk CRVB:2011:BQ1751). Ingeval van een huwelijk (samenwoning) wordt echter wel rekening gehouden met de keuze die de aanvrager heeft gemaakt door in de niet-adequate woning van de partner te gaan wonen waardoor voorzienin-gen nodig zijn. Het College zal daarbij de belangen moeten wegen van de (nieuwe) partner van de cli-ent en zijn/haar eventuele kinderen. Het is dan de vraag of van hen kan worden gevergd te gaan ver-huizen. Zou daarvoor tot verkoop van de woning moeten worden overgaan vraagt dat om een deugde-lijke belangenafweging. Voor zover daarbij een restschuld van beduidende omvang zou ontstaan zal het College in beginsel moeten overgaan tot het aanpassen van de woning (vergelijk CRVB:2013:CA1401).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b: zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning In het algemeen kan worden gesteld dat men zelf verantwoordelijk is voor het bewonen van, dan wel beschikken over een woning. Hiermee wordt nadrukkelijk ook bedoeld dat men vrij is in de keuze daarvan. Wel moet rekening worden gehouden met het betrekken van de meest geschikte en be-schikbare woning gelet op de beperkingen. Deze bepaling geeft de bewijslastverdeling weer tussen de cliënt om een voorziening en het College. De Verordening bepaalt dat de aanvrager schriftelijk toe-stemming moet vragen en dus ook verkrijgen om te verhuizen dan wel zich in de gemeente te vestigen in geval een beroep wordt gedaan op een woonvoorziening. Wordt dat nagelaten te doen, dan geldt dat de cliënt moet aantonen of allerminst aannemelijk maken dat de gekozen oplossing de enige mo-gelijkheid was. Kan de cliënt dat niet, dan blijven de gevolgen voor diens eigen risico (CRVB:2012:BY5215). Het ligt voor de hand dat de cliënt bij de melding van de hulpvraag en het gesprek wordt geattendeerd op de geldende regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c: gemeenschappelijke ruimten De Verordening bepaalt dat aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten gelimiteerd worden (ver-gelijk CRVB:2011:BU4344-T). Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. Een uitzondering kan dus slechts worden gemaakt voor de genoemde voorzieningen in dit onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d: niet geschikt of bestemd gehele jaar te bewonen Woningen die niet geschikt of bestemd zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen niet dienen als hoofdverblijf als bedoeld in de begripsbepaling van artikel 1.1 eerste lid van de Verordening. Daarom worden voor woningen die niet geschikt en bestemd zijn om het gehele jaar te bewonen geen wo-ningaanpassingen verstrekt (vergelijk bijvoorbeeld CRVB:2011:BR4180).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder e: de aard van de materialen Uitgangspunt is dat de belemmeringen in het normale gebruik van de woning in beginsel moeten voortvloeien uit de bouwtechnische en woontechnische kenmerken van de woning zelf, inclusief de toegang. Deze afwijzingsgrond is verder bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud aan de woning voor problemen zorgen. Voorbeelden zijn spaanplaat dat formaldehydegas bevat, halfsteens muren die veel waterdoorslag geven en dus veel vochtigheid bin-nen, enz. Personen met en zonder beperkingen zullen met dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie beperkingen en de woning, maar door de gebruikte materialen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder f: renovatie en eisen aan de woning Aan deze afwijzingsgrond(en) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Onder deze bepaling vallen ook de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen wor-den gesteld. Indien het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich, hij zal de woonvoorziening zelf moeten realiseren. Ingeval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt de verhuurder hier-voor aansprakelijk te stellen. Dat wil zeggen dat de cliënt, voor zover de woning niet voldoet aan de eisen, in beginsel de woningeigenaar moet aanspreken om de voorziening te realiseren in of om de woning. Er kan gedacht worden aan een woning die niet voldoet aan de eisen van deze tijd waaronder ook achterstallig onderhoud of het ontbreken van centrale verwarming of douche (lavet). In het vige-rend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Korendijk zijn de afschrijvingstermijnen van bepaalde voorzieningen vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zich verplaatsen in en om de woning Verordening: artikel 8.5 De reikwijdte van het verlenen van maatwerkvoorzieningen is gericht op het zich verplaatsen in en om de woning met betrekking tot het in staat zijn de noodzakelijke gebruiksruimten te bereiken gericht op het normale gebruik van de woning. Gedacht kan worden aan een rolstoel of een traplift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitleen van hulpmiddelen Vanaf 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zorgverzekeringswet (Zvw) gebracht. Of een verzekerde in aanmerking komt voor hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag voor welke termijn hij daarop is aangewezen. In de praktijk wordt vaak nog de zesmaan-dentermijn gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. Het College heeft daarvoor dan ook geen ondersteunings-plicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 Participatiewet (PW) zijn de eenvoudige mobililiteitshulp-middelen uit de AWBZ geschrapt omdat deze voorzieningen gezien de lage kosten en de duurzaamheid voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aan-leiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van de gemeente om op grond van de Wmo 2015 die voorziening te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulpmiddelen Dit zijn roerende zaken die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen. Het kan gaan om een vervoersvoorziening maar ook om roerende woonvoorzieningen. Of de cliënt in aanmerking komt voor een roerende woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de aanwezige beperkingen van de cliënt en de on-dervonden belemmeringen in het normale gebruik van de woning. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor verstrekking van roerende woonvoorzieningen in plaats van een woningaanpassing (wel aard en nagelvast). Ook zal bij voorkeur met roerende woonvoorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen op de wachtlijst staan voor opname in een Wlz-instelling, tenzij aanspraak bestaat op een hulpmiddel op grond van de Zvw of Wlz. Ook geldt dit uitgangspunt in andere situaties waarin de cliënt weliswaar voor een langere periode is aangewezen op de woonvoor-ziening, maar waarin de verstrekking van een woningaanpassing als risico met zich meebrengt dat deze op zichzelf niet voor langere tijd zal worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan terminale situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatst genoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur-, plafond- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: de te verwachten transfers; de mogelijkheden van de cliënt/het kind; de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen; de beschikbare ruimte; de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van cliënten met een verstandelijk beperking, bijvoorbeeld hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uit-raaskamer te beschikken. Onder een uitraaskamer wordt verstaan een verblijfsruimte waarin een cli-ent die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden (aangewezen zijn op) voor het toekennen van een uitraaskamer zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt beschadigt zichzelf ( zelfverwonding) De cliënt beschadigt de omgeving (vernielzucht) Er is sprake van ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefe-nen. Daarbij gaat het er om dat de uitraaskamer het belang van de cliënt dient. Gaat het bij de gevol-gen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoor-beeld doordat zij bestaan uit hinder voor die anderen, dan is er geen sprake van een uitraaskamer in de zin van de Wmo 2015. Verder zal het College moeten beoordelen of het de maatwerkvoorziening kan weigeren omdat het niet verantwoord is om in de eigen leefomgeving te blijven wonen en de cliënt toegang kan krijgen tot de Wlz (langdurig verblijf).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rolstoel Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Het gaat in beginsel om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het allereerst om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Het gaat om cliënten die een rolstoel nodig hebben omdat ze geen of onvoldoende loopcapaciteit hebben. Denk bijvoor-beeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel gebruik Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de toegekende vervoers-voorziening wordt meegenomen om elders (bij het winkelen of bij uitstapjes) te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken resultaat. Zie verder hoofdstuk 8 ondersteuning deelname aan het maatschappe-lijk verkeer in deze Beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK8Ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijk verkeer Verordening: hoofdstuk 9 Inleiding Verordening: artikel 9.1 en 9.2 Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving en medemensen te ontmoeten en sociale verbanden met hen aan te gaan, gericht op zelfredzaamheid en participatie. Het College kan een maatwerkvoorziening treffen ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. Daarbij hanteert het College in principe het primaat van de collectieve verstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaten Verordening: artikel 9.3 Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich kunnen verplaatsen met als doel participatie kan bijvoorbeeld bestaan uit: het kunnen doen van boodschappen; het kunnen onderhouden van sociale contacten; het deelnemen aan activiteiten waaronder begrepen dagbesteding, binnen de leefomgeving van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggende voorziening Het College is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen als aanspraak bestaat op een voor-ziening op grond van een andere wettelijke aanspraak. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziekenvervoer Zvw Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de hardheids-clausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leefvervoer WIA Op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (artikel 35 derde lid van de WIA). Dat is een voorliggende voorzie-ning als bedoeld in de begripsbepalingen van de Verordening omdat de vervoersvoorziening betrek-king heeft op dezelfde vervoersfunctie in de leefsfeer (CRVB:2012:BV9433). Verzekerden met een te hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening. Dit betekent echter niet dat het College om die reden een vervoersvoorziening kan weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenver-voer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene uitgangspunten Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen ge-bruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een fiets met hulpmotor of brommer een adequaat ver-voermiddel is voor de cliënt. Het ligt op zijn weg om te stellen en te onderbouwen dat de betreffende algemeen gebruikelijke voorzieningen in zijn geval geen geschikte vervoermiddelen zijn in het zich kunnen verplaatsen binnen de leefomgeving met het oog op zijn participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereiken en gebruiken van het (niet vraagafhankelijk) openbaar vervoer Ook wordt bij de beoordeling van de aanspraak onderzocht of het (niet vraagafhankelijk) Openbaar Vervoer te voet, per fiets of in voorkomende gevallen per bus kan worden bereikt en vervolgens kan worden gebruikt. Voor de vraag of cliënt bijvoorbeeld de bus (of ander Openbaar Vervoer) kan berei-ken en gebruiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen. Mogelijk kan dat met de gebruikelijke loophulpmiddelen zoals een rollator. Het spreekt voor zich dit ook afhankelijk is van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte bevind. In die gevallen beoordeelt het College of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor hem alge-meen gebruikelijk vervoermiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Directe woonomgeving Als leefomgeving in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt de Hoeksche Waard en het overige gebied binnen een afstand van 25 kilometer rondom de woning als redelijk aan-gemerkt tenzij de cliënt geen aansluiting heeft op het Valysvervoer (zie begripsbepaling in de Verorde-ning). In het laatste geval zal met de afstand tot het punt, waarop Valysvervoer opereert, rekening gehouden worden. De afstand wordt bepaald door de snelste route op basis van de ANWB-routeplanner. Wel is het zo dat de cliënt een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen berei-ken. Daaronder vallen bijvoorbeeld een NS-station met dienstverlening, winkels voor het doen van boodschappen en het ziekenhuis. De ondersteuningsplicht van het College is gericht op de leefomge-ving waarin in bovengenoemde bestemmingen te bereiken zijn. Wil de cliënt sociale contacten onder-houden buiten de directe leefomgeving, dan geldt daarvoor het landelijke vervoersysteem Valys (standaard- en hoog persoonsgebonden kilometerbudget). Dit brengt mee dat maatwerkvoorzienin-gen bestemd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten, niet onder de ondersteuningsplicht van het College vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer in verband met vrijwilligerswerk De (extra) vervoersbehoefte of kosten in verband met het verrichten van vrijwilligerswerk vormt in beginsel geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen. Uit de WVG-jurisprudentie blijkt dat het redelijk is dat de vervoerskosten worden betaald door de organisatie waarvoor het vrijwil-ligerswerk verricht wordt. Aangenomen wordt dat dit uitgangspunt ook geldt onder de Wmo 2015. Dit betekent wel dat het College kan afwijken van het beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden Naast het vereiste dat er geobjectiveerde beperkingen moeten worden ondervonden in het zich ver-plaatsen in de leefomgeving is een te verstrekken vervoersvoorziening afhankelijk van de vervoersbe-hoefte en de andere vervoersmogelijkheden van de cliënt met beperkingen. Daaronder worden ook de mogelijkheden van de sociale omgeving van iemand verstaan. Dit is een belangrijk onderdeel van het onderzoek zoals dat tijdens het gesprek zal plaatsvinden Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in ver-band met de vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van maximaal 1500 tot 2000 kilome-ter per jaar (vergelijk CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de Verordening en wordt door het College gehanteerd. In individuele gevallen kan het College daar van afwijken. Het spreekt voor zich dat moet gaan om situaties waarin de cliënt in het kader van zijn zelfredzaamheid en participatie is aangewezen op een of meer vervoersvoorzieningen waarbij de reikwijdte van het aantal kilometers noodzakelijkerwijs moet worden overschreden. Het College neemt daarbij ook in aanmer-king dat de cliënt aanspraak kan maken op het landelijke vervoersysteem Valys (standaard- en/of hoog persoonsgebonden kilometerbudget). De hoogte van de tegemoetkoming meerkosten wordt hier dan ook op gebaseerd (zie hoofdstuk 9 van deze beleidsregels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Medisch vervoer Onderdeel van een vervoersbehoefte kan ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn. Het feit dat de cliënt met het collectief vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht va het College is in beginsel gericht op verplaatsingen in de (directe) leefomgeving. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder. Voor zover geen aanspraak bestaat op een andere wettelijke aanspraak (in casu Zvw of Wlz), valt het 'medisch' vervoer binnen de leefomgeving onder de Wmo 2015. Denk bijvoorbeeld aan het bezoek aan de huisarts.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel rolstoelgebruik Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verleend in-dien een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Het gaat dan om cliënten die daarvoor rolstoelafhanke-lijk zijn. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waar-door de loopafstand zeer beperkt is. Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Afhankelijk van de aard van het gebruik wordt eerst beoordeeld of gebruik gemaakt kan worden van een rolstoelpool, een rolstoel van de uitleen (thuiszorgwinkel) of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn. Dat laatste is vaak het geval in bijvoorbeeld winkelcentrum, ziekenhuizen, pretparken en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de cliënt is aangewezen om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstan-den zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de bovengenoem-de mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in het collectief vervoer of in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voor komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College houdt bij de verstrekking van een rolstoel rekening met de mantelzorgers voor zover de cliënt niet zelf in staat is zich met de transportrolstoel te verplaatsen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verleend kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het Vervoer Lokaal Oud-Beijerland kan ook als passend worden aangemerkt bij progressieve aandoe-ningen. Het kan zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen is, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan wor-den gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de beperkingen en geen bezit van eigen (aangepaste) auto Het College is bevoegd om de vervoersvoorziening afhankelijk te stellen van de vervoersbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval in de vervoersbehoefte niet kan worden voorzien door bijvoorbeeld het Vervoer Lokaal Oud-Beijerland, vrijwilligersvervoer, al dan niet aangevuld met een aanvullende vervoervoorziening. Het kan zijn dat de cliënt daarom, bijvoorbeeld, is aangewezen op eigen gesloten buitenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbe-hoefte die voortvloeit uit zorgtaken met betrekking tot minderjarige kinderen worden betrokken. Dit kan betekenen dat het collectief vervoer zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd. Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen zijn aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van het Vervoer Lokaal Oud-Beijerland kan het voor komen dat het gezin niet geza-menlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat het collectief vervoer niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van het collectief vervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101).</p>\n<p class=\"lf-p\">Soorten vervoersvoorzieningen Een scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets het collectief vervoer alleen niet in de vervoersbehoefte kan voorzien de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (rijvaardigheidstest) er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden Fiets met hulpmotor voor de aanvrager jonger dan 16 jaar Voor iemand die jonger is dan 16 jaar, is een fiets met hulpmotor niet algemeen gebruikelijk (CRVB:2010:BN1265). Immers, kan niet de vergelijking met een brommer of ander gemotoriseerd ver-voer worden gemaakt omdat iemand jonger dan 16 jaar daar - wettelijk gezien - niet op mag rijden. Het College zal in voorkomende gevallen moeten beoordelen of de cliënt voor de beperkingen in zijn zelf-redzaamheid en normale deelname aan het maatschappelijk verkeer is aangewezen op een fiets met hulpmotor. Dit moet blijken uit de noodzaak daarvoor, dat zal in de meeste gevallen een medische noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de (te wensen) activiteiten en draagt de maat-werkvoorziening bij aan het opheffen of verminderen daarvan? Heeft het verstrekken van een derge-lijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of afvallen), dan valt dat in principe niet onder de ondersteuningsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Te denken valt daarbij aan drie-wielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied. Deze beperking maakt het gebruik van een normale fiets - al dan niet met hulpmo-tor - gevaarlijk. Ook andere groepen cliënten met beperkingen kunnen gebaat zijn bij een driewielfiets, bijvoorbeeld vanwege een gestoorde motoriek. Om aanspraak te maken op een dergelijk maatwerk-voorziening gelden dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt. Driewielfietsen voor kinderen in speciale uitvoering kunnen in beginsel voor verstrekking in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gehandicaptenvoertuig Een gehandicaptenvoertuig is een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter niet langer dan 3,50 meter en niet hoger dan 2,00 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maxi-mumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt en geen bromfiets is (art. 1 Reglement Verkeers-regels en Verkeerstekens). Deze voertuigen mogen op de voetpaden (stapvoets), fietspaden en rijba-nen gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor toekenning gehandicaptenvoertuig Voor de cliënt geldt dat hij op eigen gesloten buitenvervoer moet zijn aangewezen en dat vervoer lo-kaal (OBLD GS) of vervoer met behulp van vrijwilligers al dan niet gecombineerd met een aanvullende vervoersvoorziening niet de goedkoopst passende bijdrage is. Dergelijke situaties zullen zich in de praktijk zelden voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brommobiel Dit betreft een gesloten buitenwagen die breder is dan 1,10 meter en is geen gehandicaptenvoertuig. De brommobiel lijkt op een kleine auto en mag alleen van de rijbaan gebruik maken. De brommobiel wordt in beginsel niet op grond van de Wmo 2015 verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen uitgangspunt Het enkele feit dat de kosten van de door de cliënt gewenste vervoersvoorziening lager zouden kun-nen zijn dan de (tot de individuele deelnemer herleide) kosten van het collectief vervoer brengt niet mee dat deelname aan het collectief vervoer geen verantwoorde (lees ook compenserende) voorzie-ning is, dan wel er toe moet leiden dat de hardheidsclausule moet worden toegepast (vergelijk CRVB:2009:BH5467).</p>\n<p class=\"lf-p\">PGB autoaanpassing Autoaanpassingen zijn erop gericht verplaatsingen mogelijk te maken in de leefomgeving voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op een eigen auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aandachtspunten bij de beoordeling Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich verplaatsen binnen de leefomgeving per ver-voermiddel én is het Lokaal Vervoer Oud-Beijerland en/of vrijwilligersvervoer of het individueel taxivervoer geen goedkoopst passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe staat het met de ouderdom en technische staat van de auto?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een auto zeven jaar of ouder?</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan is een (flinke) aanpassing meestal niet meer verantwoord. Een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) is nodig om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Bij een (flinke) aanpassing moet de auto nog minimaal zeven jaar veilig kunnen rijden. Daarbij wordt ook de geldigheidsduur van het rijbewijs in ogenschouw genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijk Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rem-bekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 (vergelijk CRVB:2011:BU7172).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aandachtspunt Als de autoaanpassingen de technische besturing van de auto betreffen, dan is het noodzakelijk hier-van een aantekening op het rijbewijs te laten zetten bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergoeding extra verzekeringspremie Als een PGB voor autoaanpassingen is verstrekt, dan kan in het verlengde daarvan de extra verzeke-ringspremie worden vergoed. Hiervoor geldt het volgende uitgangspunt. Alleen de premie die een direct gevolg is van de autoaanpassingen kan worden vergoed. De ‘normale’ premie voor de auto komt niet voor vergoeding in aanmerking, deze is algemeen gebruikelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK9Persoonsgebonden budget Verordening: hoofdstuk 5 Inleiding Een PGB vertegenwoordigt (een deel van) de geldswaarde van de goedkoopst passende bijdrage van een (geïndiceerde) maatwerkvoorziening die het College in natura zou verlenen. Met een PGB kunnen diensten, zoals begeleiding worden ingekocht, maar ook een woonvoorziening of een hulpmiddel, zo-als een scootmobiel. In artikel 2.3.6 van de wet en hoofdstuk 5 van de Verordening zijn de wettelijke voorwaarden neergelegd, ter beoordeling aan het College. Het College moet zich bij het toekennen van een PGB ervan overtuigen dat wordt voldaan aan de voorwaarden. Het spreekt voor zich dat de cliënt het College, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens verschaft en zijn medewerking verleent aan het eventuele onderzoek. Deze voorwaarden zijn cumulatief. In het alge-meen geldt dat geen PGB mogelijk is als het College na de melding van de hulpvraag een maatwerk-voorziening moet inzetten vanwege een spoedeisende situatie. Verder zijn er nadere regels over het PGB neergelegd in het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oud-Beijerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budgetplan en modelovereenkomst Naast artikel 2.3.6 van de wet geeft artikel 5.1 tweede lid van de verordening het College ook de be-voegdheid de cliënt te verplichten een Budgetplan op te stellen. Het College maakt daar in het geval diensten gebruik van. Dit tegen de achtergrond van de te beoordelen kwaliteit van de in te kopen on-dersteuning. Met behulp van het Budgetplan stelt de cliënt het College in de gelegenheid dat te doen. Op grond van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 (landelijk) is de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (art. 2b, tweede lid Uitvoeringsregeling Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling voorwaarden Het College beoordeelt of de cliënt voldoet aan de volgende drie wettelijke voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is op eigen kracht, al dan niet met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordi-ger, voldoende in staat te achten tot een redelijke waardering van belangen aangaande de aan het PGB verbonden taken en in is staat deze op een verantwoorde manier uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">PGB-bekwaamheid Bij het beoordelen of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger in staat is te achten de aan een PGB verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te oefenen zijn in ieder geval de volgende aspecten van belang: kennis van de rechten en plichten die horen bij de PGB-taken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beheersen van de Nederlandse taal;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van beperkingen (licht, matig, zwaar) op het terrein van: sociale redzaamheid probleemgedrag psychisch functioneren geheugen- en oriëntatiestoornissen het kunnen aangaan van overeenkomsten met het oog op het inkopen van geïndiceerde onder-steuning (maatwerkvoorziening); het bijhouden van een correcte administratie; het vermogen om degene die de ondersteuning biedt aan te sturen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien van toepassing. Wie heeft cliënt gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het PGB te behartigen en de aan het PGB verbonden taken uit te voeren? Het College stelt aan deze persoon in ieder geval dezelfde eisen als aan de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen limitatief overzicht beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor komen dat het College een (ernstig) vermoeden heeft dat de cliënt problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een PGB. Denk bijvoorbeeld aan: schuldenproblematiek, waarbij bijvoorbeeld het risico bestaat dat er beslag wordt gelegd op het PGB; een gok- of drugsverslaving die de PGB-bekwaamheid in negatieve zin kan beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen limitatief overzicht beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt weet te motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wenst te krijgen Het PGB wordt alleen verstrekt op verzoek van de cliënt. Bij dat verzoek weet de cliënt voldoende te motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wenst te krijgen. Het College mag daar geen bijzondere eisen aan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen voldoen aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.1 eerste lid van de wet staat dat een maatwerkvoorziening in elk geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt, afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt, verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voort-vloeiende uit de professionele standaard; verstrekt wordt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oud-Beijerland staan eisen ge-noemd die (mede) betrekking hebben op de (waarborg van de) kwaliteit van een aan te schaffen of in te kopen maatwerkvoorziening. Daarnaast kan het beoordelen van de voorwaarden afhankelijk zijn van de individuele situatie. Hoewel de cliënt niet verplicht is om het PGB te besteden aan de geïndi-ceerde voorziening, kan het College met het oog op de kwaliteit daarvan toch tot het oordeel komen dat de kwaliteit niet is gewaarborgd. Een voorbeeld. De cliënt wenst met het PGB een vierwielige scootmobiel aan te schaffen. Het College zal, als daar aanleiding voor is, onderzoeken of een vierwieli-ge scootmobiel wel veilig is. Dat onderzoek kan bijvoorbeeld bestaan uit: een medisch advies, het uit-voeren van een rijvaardigheidstest of het (laten) opstellen van een programma van eisen waaraan de aan te schaffen maatwerkvoorziening moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budgetplan Aan het recht op een PGB voor diensten is, zoals gezegd, de verplichting verbonden dat de cliënt een budgetplan opstelt. In dat budgetplan wordt in ieder geval aangeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan wie het PGB wordt besteed. Betaling aan administratieve bemiddelingsbureaus zijn uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke resultaten met de aan te schaffen of de in te kopen maatwerkvoorziening worden bereikt en hoe dat gebeurt. Deze moeten overeenkomen met het bereiken van een, door het College te be-palen, mate van zelfredzaamheid waarop de cliënt gelet op zijn beperkingen is aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waaruit blijkt dat de aan te schaffen of de in te kopen maatwerkvoorziening voldoet aan de kwali-teitseisen die daar aan mogen worden gesteld. Hiermee worden de kwaliteitseisen bedoeld op grond van artikel 3.1 eerste lid van de wet. Daarnaast moet uit het budgetplan blijken in hoeverre de kwaliteitseisen in overeenstemming zijn met de mate van zelfredzaamheid van de cliënt en of daarin lichte, matige of zware beperkingen worden ondervonden. Voor zover het gaat om de aan-schaf van een hulpmiddel of woonvoorziening hanteert het College vanzelfsprekend ook de regels die zijn neergelegd in het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oud-Beijerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besteding PGB sociaal netwerk Zeker voor zeer kwetsbare burgers is het van groot belang dat zij de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben met uiteindelijk het oog op het zo lang mogelijk in de eigen omgeving kunnen blijven. Afhan-kelijk van het individuele geval kan het zijn dat juist personen uit het sociale netwerk kwalitatieve on-dersteuning kunnen bieden die bijvoorbeeld effectiever en doelmatiger is. Maar dat kan ook anders liggen. Dat vraagt om een beoordeling van het individuele geval. Indien de via een PGB in te kopen ondersteuning (diensten) wordt geleverd door iemand die behoort tot het sociaal netwerk die ook huisgenoot is van de cliënt, geldt dat dit alleen mogelijk is in die gevallen waarin deze ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt (boven-gebruikelijke hulp).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsuitgangspunten Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot betaling aan iemand uit het sociaal netwerk zal het volgende door het College worden meegewogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als eerste motiveert de cliënt zijn keus om met het PGB iemand uit het sociaal netwerk in te schake-len.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon uit het sociale netwerk mag daarbij op geen enkele wijze druk op de cliënt hebben uit-geoefend bij zijn besluitvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de persoon uit het sociale netwerk in staat om de geïndiceerde ondersteuning te bieden? En waar blijkt dat uit?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende geborgd? En waar blijkt dat uit?</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit Bij het beoordelen van de kwaliteit van de met een PGB ingekochte ondersteuning houdt het College in ieder geval rekening met de hierna volgende aspecten met het oog op de te bieden kwaliteit van de ondersteuning en de veiligheid van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Professionele ondersteuner In het geval van een professionele ondersteuner beoordeelt het College in ieder geval of wordt vol-daan aan de volgende zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning sluit aan bij de beperkingen die de cliënt ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning sluit aan op het ondersteuningsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuner die (al dan niet werkzaam via een professionele instelling) de geïndiceerde onder-steuning biedt, beschikt over een relevante opleiding. Bij het ontbreken daarvan dient - op een voor het College verifieerbare wijze - te worden aangetoond dat deze ondersteuner over relevante werkervaring beschikt. Denk bijvoorbeeld aan referenties die kunnen worden gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de aard van de ondersteuning en van de beperkingen en kwetsbaarheid van de cliënt dient de ondersteuner te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze ver-klaring mag in principe niet ouder zijn dan 3 maanden voorafgaand aan de aanvang van de onder-steuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertegenwoordiger Om belangenverstrengeling te voorkomen is het in het algemeen niet wenselijk dat degene die de cliënt vertegenwoordigt bij het uitoefenen van de aan een PGB verbonden taken ook degene is die de ondersteuning verleent. Indien er sprake is van ondersteuning door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk en die persoon is tevens de vertegenwoordiger van de cliënt bij het uitoefenen van de aan een PGB verbonden taken, zal nadrukkelijk worden onderzocht of er geen sprake is van belangen-verstrengeling. Het PGB is immers geen inkomensondersteuning maar dient ter compensatie van de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid en participatie (RBNNE:2016:2911). Voor zover het bemiddelingsbureaus betreft die de aan het PGB verbonden taken overnemen, verstrekt het College geen PGB. Immers een PGB mag niet worden besteed aan bemiddelingsbureaus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doeltreffend Bij het beoordelen van de kwaliteit van de via een PGB in te kopen ondersteuning speelt ook een rol of de in te kopen maatwerkvoorziening doeltreffend wordt verstrekt. Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel wordt bereikt’. Hieruit volgt ook dat de met het PGB in te kopen ondersteuning efficiënt en effectief moet zijn om dat doel te bereiken. Het uitgangspunt van de Wmo 2015 is om bur-gers de te ondersteunen in het versterken van hun zelfredzaamheid, voor zover dat mogelijk is. Een-voudig gezegd: iemand leren zichzelf te helpen. De vraag is of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is - gelet op de directe relatie - om de zelfredzaamheid van de cliënt te versterken door hem iets aan te leren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aannemelijk dat het aanleren meer kans van slagen heeft als het wordt uitgevoerd door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de cliënt staat. Dat geldt vooral als de te verlenen maatschappelijke ondersteuning naar verwachting kortdurend zal zijn. Een reden daarvoor kan zijn dat de cliënt of zijn huisgenoot (bij gebruikelijke hulp) leerbaar is. Het College kan zich in voor-komende gevallen op het standpunt stellen dat professionele - door de gemeente gecontracteerde - ondersteuning in natura in beginsel voor gaat op het toekennen van een PGB dat aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een kortdurende periode wordt in ieder geval 6 maanden verstaan. Wel moet blijken op welke manier de cliënt wordt ondersteund, wat het te bereiken resultaat is en binnen welke termijn ver-wacht wordt dat te bereiken. Na afloop van de kortdurende periode zal het College evalueren wat het effect is geweest van het leren en dan (eventueel) opnieuw te beoordelen of nog ondersteuning no-dig is. Deze lijn wordt ook gehanteerd in de uitspraak van de Centraal Raad van Beroep (CRVB:2011:BU3228). Dat wil dus niet zeggen dat nooit een PGB verstrekt kan worden, het gaat speci-fiek om een kortdurende periode waarin de cliënt iets wordt (aan)geleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningaanpassingen Het kan ook voor komen dat het College een PGB verleent voor het realiseren van een woningaanpas-sing. Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een PGB zijn de volgende aspecten van belang: is de cliënt in staat om een goede opdracht aan een aannemer te verlenen? is de cliënt in staat om de uitvoering/oplevering te controleren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt voor zich dat de te realiseren woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteits-eisen waaronder veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld de offerte een door het College goed te keuren programma van eisen moeten blijken. Bij woningaanpassingen zullen doorgaans ook moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Bouwbesluit. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet vol-doen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren mag het College om voornoemde re-denen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heroverweging Op grond van artikel 2.3.9 van de wet is het College bevoegd (verplicht) om besluiten, waaronder PGB-besluiten te heroverwegen. Met name gelet op de verplichting van het Budgetplan ligt het voor de hand dat het College hier concreet invulling aan geeft. Bij een heroverweging beoordeelt het College of de doelen, zoals opgenomen in het verslag of opgestelde ondersteuningsplan, ook daadwerkelijk zijn behaald. Het College bepaalt in het individuele geval binnen welke termijn het PGB-besluit wordt her-overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herindicaties Na afloop van de indicatie kan de cliënt zich opnieuw melden bij het College met het oog op een ver-lenging van de indicatie voor een maatwerkvoorziening. Hebben zich in de voorafgaande periode van PGB-verlening geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het College ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de (wettelijke) voorwaarden, dan kan het onredelijk zijn om met deze cliënten de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. In voorko-mende gevallen betekent dit dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan wordt opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigering persoonsgebonden budget Indien de cliënt een PGB wenst controleert het College of een eerder besluit waarmee een toegekend PGB is ingetrokken onder toepassing van artikel 2.3.10, eerste lid onder a, d of e van de wet. Denk bij-voorbeeld aan: het niet voldoen aan de uit het PGB voortvloeiende verplichtingen; of het PGB niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van deze weigeringsrond hanteert het College het uitgangspunt van een termijn die ie-der geval drie jaar gelegen voor het verzoek om een PGB. Daarbij wordt uitgegaan van de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het meerdere weigeren Indien de cliënt het PGB wenst te besteden aan een duurdere maatwerkvoorziening dan waar het Col-lege het PGB op heeft gebaseerd, geldt dat de cliënt het meerdere zelf moet betalen (art. 2.3.6, vijfde lid, sub b Wmo 2015). Let wel ook in die gevallen gelden nog steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Dat wil zeggen dat als het College tot het oordeel komt dat de duurdere voorziening die de cliënt wenst aan te schaffen niet van voldoende kwaliteit is, het PGB in zijn geheel geweigerd kan worden. Het niet beschikken over voldoende middelen, om het meerdere te bekosti-gen, kan voor het College aanleiding zijn om het PGB te weigeren. In zo’n geval kan de kans groot zijn dat een maatwerkvoorziening wordt aangeschaft die niet van voldoende kwaliteit is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonsgebonden budget wel/niet gerealiseerde woningaanpassing In de verordening is opgenomen dat het College een PGB kan weigeren als de (gevraagde) maatwerk-voorziening al vóór de melding of de aanvraag gerealiseerd is. Met het realiseren hiervan is geen spra-ke meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie (vergelijk RBOBR:2014:3092). Feitelijk vloeit deze bepaling rechtstreeks voort uit de wet. De cliënt kan zich niet met succes beroepen op onbekendheid met de geldende regelgeving. Het kan echter ook voor komen dat de maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd vóór de melding of de aanvraag. Dat betekent dat er nog beperkingen (kunnen) worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Wel kan er in deze gevallen nog steeds sprake zijn van omstandigheden die in de risicosfeer liggen van de cliënt. Door zich niet eerder te melden met het oog op een aanvraag in te dienen ontneemt de cliënt het Col-lege de mogelijkheid te beoordelen of, en zo ja welke aanspraak bestaat die als goedkoopste passende bijdrage kan gelden. Kan het College de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte persoonsgebonden budget De cliënt kan het PGB besteden aan hulpmiddelen, woningaanpassingen, kortdurend verblijf of dien-sten. In het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oud-Beijerland staan de eventuele aanvullende voorwaarden genoemd indien het College het recht op een PGB heeft vastge-steld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulpmiddelen en woningaanpassingen De hoogte van het PGB voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt in ieder geval niet meer dan de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende bijdrage, waaronder gerekend onderhoud, reparatie en verzekering zoals die door het College aan de aanbieder verschuldigd is. Indien dit niet mogelijk is stelt het College de hoogte van het PGB vast op basis van een offerte. Dat kan een offerte zijn die het College zelf opvraagt of een offerte die door de cliënt wordt overhandigd. Het kan in voorkomende gevallen ook om meerdere offertes gaan zodat de goedkoopst passende bijdrage kan worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensten Onder diensten vallen begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf. De hoogte van een PGB voor diensten is onder meer afhankelijk van degene bij wie de maatschappelijke ondersteuning wordt inge-kocht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele ondersteuning. Dat is van belang voor het tarief dat van toepassing is ingeval de cliënt een PGB wenst. Huishoudelijke ondersteuning valt ook onder het begrip dienst. Daarvoor is een apart artikel opgenomen in het vige-rend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oud-Beijerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het PGB bij HO Het PGB bij HO kent dezelfde opzet als bij ondersteuning in natura. De regels van hoofdstuk 5 van de Verordening zijn van overeenkomstige toepassing. Wenst de cliënt de ondersteuning in de vorm van een PGB in te kopen bij één van de aanbieders die is gecontracteerd voor de Huishoudelijke Onder-steuning, dan kan daarbij de vraag worden gesteld of het PGB wel als doeltreffend kan worden aan-gemerkt. Ondersteuning in natura zou immers een passende oplossing kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">PGB Op basis van het gekantelde gesprek stelt het College vast hoeveel uur ondersteuning er nodig is. Dat wordt gedaan aan de hand van de bijlage IV “Normtijden en activiteiten huishoudelijke ondersteu-ning”. Het gaat dan om de uren die nodig zijn na aftrek van de inzet van eigen kracht en eigen sociaal netwerk. Het netto-aantal uren wordt naar boven afgerond (op kwartieren). Aan het CAK wordt voor de vaststelling van de eigen bijdrage de volgende werkwijze gevolgd: aan het CAK wordt doorgegeven het totale jaarbudget gedeeld door 13 perioden. Na enkele maanden na afloop van het kalenderjaar wordt het daadwerkelijk gebruikte PGB doorgeven aan het CAK naar aanleiding van de Budget Afslui-tings Berichten van de SVB. Het uurtarief voor het PGB HO is in het vigerende Besluit maatschappelijke ondersteuning opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het PGB bij begeleiding, dagbesteding en Kortdurend blijf alsmede noodzakelijk vervoer Het PGB bij begeleiding kent dezelfde opzet als bij ondersteuning in natura. De regels van hoofdstuk 6 zijn van overeenkomstige toepassing. In de Verordening is bepaald dat de hoogte van het PGB is afge-leid van de tarieven waarvoor het College deze diensten heeft gecontracteerd. De bedragen zijn opge-nomen in het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oud-Beijerland. Wenst de cliënt de ondersteuning in de vorm van een PGB in te kopen bij één van de aanbieders die is gecontrac-teerd voor de genoemde diensten, dan kan daarbij de vraag worden gesteld of het PGB als doeltref-fend kan worden aangemerkt. Ondersteuning in natura zou immers een passende oplossing kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK10Tegemoetkoming meerkosten Verordening: hoofdstuk 11 Inleiding Uit artikel 2.1.7 Wmo 2015 blijkt dat het bij de tegemoetkoming meerkosten niet hoeft te gaan om een cliënt. Gesproken wordt over de persoon met een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem die in verband daarmee aantoonbare of aannemelijke meerkosten kan hebben. De tege-moetkoming dient ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. In hoofdstuk 11 van de Verordening is een limitatief aantal kostensoorten bepaald die in aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming. Nadere regels waaronder de hoogte van de tegemoetkoming zijn neergelegd in het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oud-Beijerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op aanvraag Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming gelden de regels van de melding van een hulp-vraag en het onderzoek (het gesprek) niet. Als hoofdregel geldt dat de tegemoetkoming slechts op aanvraag wordt verleend, tenzij de Verordening anders bepaalt. Ook geldt dat de aanvraag moet wor-den ingediend voordat de kosten worden gemaakt. Het College sluit aan bij de uitgangspunten zoals die in de Participatiewet gelden (art. 41 en 44 PW). Dat betekent dat als de aanvrager zich meldt met het oog op het indienen van een aanvraag, het College hem in de gelegenheid stelt zijn aanvraag in te dienen. Dat kan door bijvoorbeeld een aanvraagformulier toe te sturen. De aanvraag moet zo spoedig mogelijk worden ingediend. Als uitgangspunt hanteert het College zeven werkdagen. Wordt de aan-vraag tijdig ingediend, dan wordt de tegemoetkoming in principe verleend vanaf de melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanvraag In afwijking van de hoofdregel geldt één uitzondering bij de verhuis- en herinrichtingskosten. Het Col-lege kan in het geval dat het primaat van verhuizen wordt toegepast, zonder aanvraag, een tegemoet-koming voor verhuis- en herinrichtingskosten toekennen. Zie voor toepassen primaat hoofdstuk 8 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indienen declaratie In het toekenningsbesluit kan het College opnemen binnen welke periode de cliënt de kosten moet declareren. Als uitgangspunt geldt een periode van 12 maanden, tenzij op voorhand duidelijk is dat er binnen die periode geen geschikte woning beschikbaar zal zijn. Dit om te voorkomen dat een toeken-ningsbesluit wordt afgegeven en de cliënt feitelijk, om zijn moverende redenen, niet verhuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanspraak voorliggende voorziening Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat dubbele vergoedingen voor (meer)kosten worden ge-daan. Daarom bepaalt de Verordening dat geen recht op een tegemoetkoming bestaat voor zover aan-spraak bestaat of kan bestaan op vergoeding op grond van een voorliggende voorziening. Er kan geen limitatief aantal worden gegeven van voorliggende voorzieningen. Twee voorbeelden. Een verhuiskos-tenvergoeding van de woningstichting op grond van artikel 11g van het Besluit Beheer Sociale huursec-tor en de leefvervoersvoorziening op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen, worden als voorliggende voorziening aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbetaling Het is afhankelijk van de kostensoort op welke wijze en wanneer de tegemoetkoming wordt uitbe-taald. In het vigerend Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Oud-Beijerland zijn daarvoor regels neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK11Rapportage en advisering Inleiding Beoordeling medisch advies In artikel 3:9 van de Awb is vastgelegd dat het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat het onderzoek van de externe adviseur en/of de Wmo consulent op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevon-den. Dit betekent dat de gemeente bij het afgeven van een beschikking in het kader van de Wmo 2015 in principe niet mag blindvaren op een deskundigenadvies. Het College moet toetsen of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en gebaseerd is op deugdelijke gegevens. Het advies moet dus toetsbaar zijn voor het College, maar vanzelfsprekend ook in verband met intercollegiale toetsing bin-nen de (externe) adviesorganisatie. Achterliggende gedachte bij de gemeentelijke toetsing is dat het College er zeker van dient te zijn dat het advies het te nemen besluit kan dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medische adviezen/indicatiestelling In het algemeen geldt dat het College allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de des-kundigheid beschikt om de aanspraak op een voorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het College zelf in staat zijn: de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie te kunnen vaststellen (wette-lijk toetsingskader). de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te indiceren en te selecteren aan de hand van de door een arts vastgestelde (medische) beperkingen. zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn die aanleiding kunnen zijn om geen PGB toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">College, zoals gezegd, cliënt zelf laten onderzoeken door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo consulent zal hiertoe via een gesprek de relevante sociaal-medische en ergonomische gege-vens van een cliënt in kaart brengen en vervolgens een advies geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling medisch advies De inhoud van het medische advies wordt beoordeeld aan de hand van de volgende indicatoren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoeksmethode en informatie Hieruit moet blijken op welke datum, manier en plaats door welke adviseur (naam en diens des-kundigheid) onderzoek is verricht. Dat kan door een huisbezoek, een telefoongesprek, maar ook zonder de cliënt te spreken. In dat laatste geval heeft mogelijk alleen dossieronderzoek plaatsge-vonden of heeft de adviseur contact gehad met de behandelende sector, bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelaar. Dat moet blijken uit het advies! Ook moet het advies vermelden of de adviseur zelf (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan, en zo niet, wat daarvan de reden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het advies alleen gebaseerd op een anamnese, dan is het in veel gevallen niet volledig. Uit het advies moet blijken hoe de anamnese zich verhoudt tot resultaten van het (eigen) onderzoek en/of de conclusies die daaraan worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit advies moet blijken wat de deskundigheid is van de adviseur. Dat kan blijken uit de onderteke-ning van het advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de cliënt onder behandeling en is zijn behandelaar niet geraadpleegd, dan moet het advies ver-melden waarom de adviseur dat niet noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies moet gebaseerd zijn op actuele feiten en gegevens. De term 'actueel' laat zich niet als standaard kwantificeren, maar is afhankelijk van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het advies moet blijken volgens welke maatstaven het onderzoek is verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de adviseur intercollegiaal overleg gevoerd, dan moet het advies vermelden waar dat overleg betrekking op had en wat de invloed is geweest op de inhoud en de conclusie(s) van het advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de adviseur (namens het College) een expertiseonderzoek laat uitvoeren, dan mag aan die des-kundige worden gevraagd beperkingen vast te stellen. In die gevallen worden zware eisen gesteld aan de deskundigheid van die adviseur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Probleemanalyse in het advies Hieruit moet inzichtelijk blijken of de cliënt (langdurig) beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaam-heid en maatschappelijke participatie. En zo ja, welke dat zijn en of die beperkingen moeten leiden tot het verlenen van een maatwerkvoorziening waarmee de cliënt in staat wordt gesteld tot zelf-redzaamheid en participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het advies moeten allereerst alle relevante feiten worden vermeld die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en vervolgens moeten deze feiten zijn betrokken in de probleemanalyse en de conclusie(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies moet vermelden wat de stoornis (verlies van functies of anatomische eigenschappen) is en welke beperkingen (problemen bij uitvoeren van activiteiten) daar uit voorvloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies zelf mag geen diagnose bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat het advies vermeldt wat de prognose van de beperkingen is, zo mogelijk met een tijdpad. Een prognose kan progressief of stationair zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud, motivering en gegevens van het advies Het advies moet inzichtelijk en logisch zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies moet zijn voorzien van een deugdelijke en voor derden kenbare schriftelijke motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College moet inzage hebben in de stukken die ten grondslag liggen aan het advies. Denk aan een verklaring van de specialist die door de adviseur is opgevraagd en ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie(s) en ondertekening van het advies De conclusie(s) van de adviseur moeten aansluiten op diens bevindingen en mogen daar zeker niet mee in tegenspraak zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies wordt ondertekend door de adviseur zelf en eventueel (ook) door de adviseur (meestal een arts) onder wiens verantwoordelijkheid het advies tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies moet vermelden dat de strekking ervan is verteld aan de cliënt en of deze zich daarin kan vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK12Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking, terugvordering en terug-betaling Verordening: hoofdstuk 12 Inleiding In hoofdstuk 12 van de Verordening zijn bepalingen opgenomen over het aantasten van rechten van cliënten. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden indien sprake is van de situaties zoals ge-noemd. Deze hebben betrekking op het - door de cliënt - verstrekken van onjuiste inlichtingen. Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het College (kan-bepaling). Bij de toepassing van de be-palingen van dat hoofdstuk hoort een afweging tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belan-gen. Het algemeen belang (terugvordering van gemeenschapsgeld) dient afgezet te worden tegen het individueel belang (niet terugvorderen). Dat deze afweging daadwerkelijk is gemaakt, moet ook blijken uit het terugvorderingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten onrechte verleende of betaalde bedragen als gevolg van schending inlichtingenplicht Als uitgangspunt geldt dat tot terugvordering van de ten onrechte verleende of betaalde bedragen wordt overgegaan als er sprake is van het schenden van de inlichtingenplicht. De hoogte van de terug-vordering wordt gebaseerd op het reeds door de Svb uitbetaalde PGB of de reeds uitbetaalde tege-moetkoming meerkosten. Wanneer een toekenningsbesluit van een maatwerkvoorziening in natura wordt ingetrokken dan wordt de hoogte van de terugvordering gebaseerd op de geldswaarde daarvan. De hoogte daarvan wordt gebaseerd op de datum/periode waarop het intrekkings- of herzieningsbe-sluit betrekking heeft. In voorkomende gevallen kan de cliënt de eventueel opgelegde en betaalde eigen bijdrage terugvragen van het CAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeer dringende redenen Verder kunnen zeer dringende redenen in de persoonlijke of familiare sfeer aanleiding zijn om niet tot terugvordering of verdere invordering over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening: artikel 12.1 Beëindigen Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. In artikel 12.1 van de Verordening staan de situaties waarin het College kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening of de tegemoetkoming meerkosten. Het zich niet houden aan de verplichtingen verbonden aan het gebruik van de maatwerkvoorziening die in bruikleen is toegekend, kan leiden tot beëindiging van die voorziening. Het College zal bij die beëindi-ging wel moeten overwegen of het daarvoor een andere maatwerkvoorziening in de plaats stelt. De verwijtbaarheid in aanmerking nemende brengt dan mee dat het College mag volstaan met slechts het strikt noodzakelijke ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Dat zou ook kunnen betekenen dat de cliënt enige ongemakken voor lief moet nemen. Denk bijvoorbeeld aan col-lectief vervoer voor de korte afstand in plaats van de door het College beëindigde toekenning van de scootmobiel. In geval van overlijden van de cliënt is de termijn van de beëindiging van het PGB be-paald. In geval van het beëindiging van de maatwerkvoorziening zorgt het College voor een algehele afwikkeling van onder meer de rechten en verplichtingen tussen de cliënt (of de erven) en de gemeen-te.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening: artikel 12.2 lid 1 Plicht tot inlichtingen De cliënt die een maatwerkvoorziening heeft ontvangen is verplicht wijzigingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het (voortduren van het) recht op die maatwerkvoorziening, uit eigen beweging en zo spoedig mogelijk (schriftelijk) aan het College door te geven. Het gaat hier om alle ge-gevens en feitelijkheden waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van belang zijn, zoals de staat van een in bruikleen verstrekt voorwerp, gewijzigde burgerlijke staat, verandering in gezins-samenstelling, verhuizing, het feit dat geen gebruik meer wordt gemaakt van de maatwerkvoorziening, etc. Het gaat daarbij ook om de maatwerkvoorziening die in de vorm van een PGB is toegekend. Deze voorwaarden worden opgenomen in de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening: artikel 12.2 lid 2 Herziening en intrekking Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt her-zien/intrekken genoemd. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken van het verstrekken van onjuis-te inlichtingen die tot een ander besluit zou hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Ook kan het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het PGB, uit hoofdstuk 5 van de Verordening of de daarop gebaseerd nadere regels, kunnen leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. Verder geldt overigens de wettelijke bevoegdheid van het College om toekenningsbesluiten te heroverwegen en eventueel over te gaan tot intrekken van dat besluit (zie art. 2.3.10 van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening: artikel 12.3 Terugvordering en verrekenen In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten en/of degene die zijn medewerking heeft verleend aan het ‘misbruik’ van de wet. Namelijk indien opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Er is daarom gekozen de terugvorderingsgronden in de Verordening uit te breiden. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvor-deringsbepaling in de Verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Voor zover sprake is van de wettelijke terugvorderingsbepaling kan het College het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. Denk aan de terugvordering van de te-gemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 11 van de Verordening. Of sprake is van onver-schuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW) zal in de praktijk geen problemen opleveren. Het College zal daarvoor wel een herzienings- of intrekkingbesluit moeten nemen. De Verordening biedt ook de be-voegdheid om over te gaan tot verrekening met een PGB of een tegemoetkoming meerkosten. Wel moet rekening worden gehouden met de individuele situatie. Immers, kan het College - gelet op de ondersteuningsplicht - niet zonder meer over gaan tot volledige verrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK13SLOTBEPALINGEN Citeertitel en inwerkingtreding Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud.Beijerland 2018 en treden op 1 januari 2018 in werking onder gelijk tijdige intrekking van Beleids-regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oud-Beijerland 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vast gesteld te Oud-Beijerland op 19-12-2017.Burgemeester en wethouders van de gemeente Oud-Beijerland,de secretaris: R.S.M. Heintjes de burgemeester:J.H.M. Hermans-VloedbeldBijlage I Onderzoek naar overbelasting van degene die de gebruikelijke hulp dient te verrichten Algemeen De Wmo-consulent onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Reden om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken of activiteiten overneemt in het kader van gebruikelijke hulp, overbelast dreigt te raken (hierna de huisgenoot). Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het (on)evenwicht tussen draagkracht(belastbaarheid) en draag-last (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van li-chamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Factoren die van invloed zijn op de draagkracht: lichamelijke conditie huisgenoot geestelijke conditie huisgenoot wijze van omgaan met problemen (coping) motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak sociaal netwerk Factoren die van invloed zijn op de draaglast: omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken; ziektebeeld en prognose inzicht van persoon in ziektebeeld van de cliënt woonsituatie bijkomende sociale problemen bijkomende emotionele problemen bijkomende relationele problemen Onderzoek naar de draaglast en draagkracht Het kan soms heel duidelijk zijn dat de huisgenoot overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal dit in het gesprek maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) moeten worden uitgediept. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de huisgenoot dienen te worden be-oordeeld door een arts. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoeken van overbelasting Onderzoeksvragen die de Wmo-consulent zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de huisgenoot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat zegt de huisgenoot er zelf over, hoe ervaart hij of zij het ondersteunen en/of bieden van zorg?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de huisgenoot?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de huisgenoot een uitlaatklep? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de huisgenoot even op adem kan komen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe is de relatie tussen de huisgenoot en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de huisgenoot grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de huisge-noot en de cliënt?</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de huisgenoot inzicht in de beperkingen van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit bijvoorbeeld een ziekte of aandoening voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepte-ren) Hoeveel tijd heeft de huisgenoot? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat ondersteuning of zorg (verpleging en verzorging) behoeft? Voorbeeld. Een echtgenoot ondervindt beperkingen terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de ondersteuning of de zorg te plannen of is er continu controle en toezicht nodig?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn) Wat zijn de knelpunten in de ondersteuning en/of de zorg?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de huis-genoot min of meer samen opgesloten zitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifes-teren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een medisch adviseur moet worden neergelegd. Het be-staan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge bloeddruk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewrichtspijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevoelens van slapte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slapeloosheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Migraine, duizeligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spierkrampen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvliegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plotseling hevig zweten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevoelens van beklemming in de hals.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spiertrekkingen in het gezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen. Ongeduld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaak huilen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Neerslachtigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Isolering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbittering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concentratieproblemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rusteloosheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Perfectionisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen beslissingen kunnen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Denkblokkades.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage II Uitgangspunten zorg ouder voor kinderen Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen. hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaar-borgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 3 tot 5 jaar kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehooraf-stand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers; hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en was-sen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven. hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaar-borgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 5 tot 12 jaar kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan bui-tenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activi-teiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan. hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaar-borgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelf-standig gaan wonen). hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage III Checklist betrekken mantelzorg bij het onderzoek Mogelijke mantelzorg 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan de cliënt rekenen op hulp van partner, gezinsleden of van andere mensen die tot het huishouden behoren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Nee Ja → geen hulp of weinig hulp wel hulp: één of meer keer per week wel hulp: dagelijks 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan de cliënt rekenen op hulp van familieleden of vrienden die niet tot het huishouden behoren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Nee Ja → geen hulp of weinig hulp wel hulp: één of meer keer per week wel hulp: dagelijks 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke extra taken heeft de mantelzorg in de loop der tijd op zich genomen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij dagelijkse bezigheden Persoonlijke verzorging Huishoudelijke taken Overige taken, namelijk … (bijvoorbeeld vervoer naar ziekenhuis, emotionele steun) Gevolgen voor andere verantwoordelijkheden en activiteiten van de mantelzorg 1 Met welke andere verantwoordelijkheden en activiteiten worden de (extra) zorgtaken door de verzorger gecombineerd Werk buitenshuis, fulltime/ parttime (uren per week:.…) Opleiding, fulltime/ parttime (uren per week: .…) Zorg voor (andere) huisgenoten (jonge kinderen? ….) Huishoudelijke taken (worden de taken gedeeld?) Zorg voor (andere) familieleden Vrije tijd, hobby’s 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaan de zorgtaken van de verzorger ten koste van de bij vraag 1 genoemde andere taken en verantwoordelijkheden Nee Ja, namelijk … 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaan de extra zorgtaken die de verzorger op zich heeft genomen ten koste van belangrijke voornemens (bijvoorbeeld het volgen van een opleiding, promotie op het werk)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Nee Ja, namelijk … 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de verzorger als werknemer zorgverlof kunnen opnemen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Nee, waarom niet?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ja, hoe lang en hoeveel uren per week?</p>\n<p class=\"lf-p\">Belasting van mantelzorg 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke taken worden door de verzorger als (emotioneel en/of fysiek) belastend ervaren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij dagelijkse bezigheden Persoonlijke verzorging Huishoudelijke taken Overige taken, namelijk … 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om wat voor belasting gaat het?</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooral fysiek belastend Vooral emotioneel belastend Zowel fysiek als emotioneel belastend 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de zorgende persoon last van aanhoudende vermoeidheid door de gegeven hulp (in combinatie met andere taken)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Nee Ja (zie ook checklist draaglast en draagkracht) Mogelijkheden en beperkingen van verzorgers 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke taken is de verzorger goed in staat te verrichten?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij dagelijkse bezigheden Persoonlijke verzorging Huishoudelijke taken Overige taken, namelijk … 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij welke taken is er behoefte aan ondersteuning?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wensen van de verzorger en verwachtingen van de zorgvrager 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke taken wil de verzorger blijven uitvoeren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij dagelijkse bezigheden Persoonlijke verzorging Huishoudelijke taken Overige taken, namelijk...</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan welke zorgtaken hecht de aanvrager het meeste belang?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat vindt de verzorger nodig om in staat te zijn de (extra) zorgtaken op zich te kunnen (blijven) nemen?</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat vindt de cliënt nodig om de verzorger in staat te stellen de zorgtaken op zich te kunnen (blijven)nemen?</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er behoefte aan respijtzorg?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er behoefte aan training of informatie?</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE IV Normtijden en activiteiten huishoudelijke ondersteuning Bij het toepassen van de normtijden en/of activiteiten zijn de beleidsuitgangspunten (algemeen en/of specifiek) van deze beleidsregels onverkort van toepassing. Verder voorziet deze bijlage in veel voor-komende situaties waarin het College kan afwijken van de normeringen (verhogen of verlagen). Voor het overige kan het College in het individuele geval afwijken van de normeringen (verhogen of verla-gen), mits vaststaat dat de cliënt met de te stellen indicatie in voldoende mate zelfredzaam is op het gebied van de huishoudelijke activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Licht huishoudelijke werk in huis (kamers opruimen) 1.1 1.2 1.3 1.4 Activiteiten/taak Afwassen indien geen indicatie maaltijdvoorbereiding Stof afnemen/ragen Bedden opmaken Opruimen Totaal dagelijkse beurt interieur is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de leefeenheid Van toepassing op kamers die in gebruik zijn (normale gebruik van de woning) Normtijd handmatig afwassen: 15 - 30 minuten per keer Normtijd in- en uitruimen vaatwasser: 10 minuten per keer Normtijd totaal licht huishoudelijk werk: 60 - 90 minuten per week Frequentie totaal licht huishoudelijk werk: 3 x per week (in principe maximaal 20-30 minuten per keer) Normtijden opruimen 15 - 40 minuten per keer Leefeenheid zonder kinderen: maximaal 20 minuten per keer Leefeenheid met kinderen &lt; 12 jaar: maximaal 30 minuten per keer Factoren verhogen normtijd psychogeriatrische problematiek/communicatieproblemen Aantal kinderen &lt; 12 jaar Aanwezig zijn van een zogeheten hulphond op grond van de Zvw Allergie huisstofmijt, COPD ed.: uitgangspunt bij allergie eerst sanering van de woning Ernstige beperkingen in gebruik armen en handen Factoren verlagen normtijd Indien niet alle activiteiten noodzakelijk zijn (geen indicatie) Op basis van individuele feiten en omstandigheden zoals het deels zelf uit kunnen voeren van lichte huishoudelijke activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Zwaar huishoudelijk werk (stofzuigen, schoonmaken toilet/badkamer) 2.1 2.2 2.3 2.4 Activiteiten/taak Stofzuigen Schrobben, dweilen soppen: sanitair en keuken Bedden verschonen, inclusief opmaken Opruimen huishoudelijk afval Normtijden alleenstaande seniorenwoning/flat 1 &lt; 2 kamers: 90 minuten per week Normtijden alleenstaande eengezinswoning: 2 &gt; 3 kamers 180 minuten per week Verzorgen van huisdieren valt binnen de bandbreedte van de normtijd Factoren verhogen normtijd in grote woningen Hoge bezettingsgraad Hoge vervuilingsgraad COPD problematiek (na sanering) Aanwezigheid jonge kinderen Factoren verlagen normtijd Indien niet alle activiteiten noodzakelijk zijn (geen indicatie) Op basis van individuele feiten en omstandigheden 3 Wasverzorging (kleding/linnengoed) 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 Activiteiten/taak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleding en linnengoed sorteren Kleding en linnengoed wassen Centrifugeren, ophangen, afhalen Was drogen machine Vouwen, strijken Was opbergen Normtijd 1 persoon: 60 minuten per week Normtijd 2 personen: 90 minuten per week Frequentie: 1 x per week Frequentie verhogen: leefeenheid met kleine kinderen maximaal 3 x keer per week Factoren verhogen normtijd Aantal kinderen &lt; 16 jaar: normtijd + 30 minuten per kind per week Bedlegerige cliënten: normtijd + 30 minuten per week Extra bewassing door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, ed.: normtijd + 30 minuten per week Factoren verlagen normtijd Indien niet alle activiteiten noodzakelijk zijn (geen indicatie) Op basis van individuele feiten en omstandigheden 4 Boodschappen dagelijks leven 4.1 4.2 4.3 Activiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Boodschappenlijst samenstellen Boodschappen doen Boodschappen opruimen Frequentie: 1 x per week Normtijd: 60 minuten per week Factoren frequentie 2 x per week met de normtijd + maximaal 30 minuten leefeenheid meer dan 4 personen kinderen &lt; 12 jaar Overige factor: is de afstand tot winkel(s) groot, dan kan er aanleiding zijn om meer tijd te indiceren Factoren verlagen (norm)tijd Indien niet alle activiteiten noodzakelijk zijn (geen indicatie) Op basis van individuele feiten en omstandigheden 5 Maaltijdverzorging (bereiding broodmaaltijd en/of warme maaltijd) 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 Activiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Broodmaaltijden klaarzetten Tafel dekken en afruimen Koffie/thee zetten Afwassen (machine-handmatig) Warm eten bereiden (voorbereiden en koken) Opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad Afwassen en opruimen Frequentie broodmaaltijd: 1 x per dag maximaal 7 x week Normtijd broodmaaltijd bereiden: 15 minuten per keer Frequentie warme maaltijd bereiden: 1 x per dag maximaal 7 x per week Normtijd warme maaltijd: 30 minuten per keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Factoren verhogen normtijd Aanwezigheid kinderen &lt; 12 jaar binnen leefeenheid: normtijd + 20 minuten per keer Factoren verlagen normtijd Indien niet alle activiteiten noodzakelijk zijn (geen indicatie) Op basis van individuele feiten en omstandigheden 6 Opvang en verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 Activiteiten/taak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wassen en aankleden Hulp bij eten en/of drinken Maaltijden voorbereiden Sfeer scheppen, spelen Voedingsactiviteiten Normtijd: tot maximaal 40 uur per week. Bij kinderen &lt; 6 jaar gecombineerd met Huishoudelijke Ondersteuning. Opvang van kinderen kan alleen in het geval van zeer bijzondere omstandigheden tijdelijk worden geïndiceerd omdat opvang in principe niet binnen het bereik van de Wmo 2015 valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Factoren verhogen of verlagen normtijd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantal kinderen Leeftijd kinderen Gezondheidssituatie/functioneren kinderen/huisgenoten Aanwezigheid van gedragsproblematiek (verhogen) Samenvallende activiteiten (verlagen) Normering activiteiten verzorging kinderen (de ouder(s) ondervinden beperkingen) Totaalactiviteit: de normtijd wordt vermenigvuldigd met het aantal keer per dag en/of per week Activiteiten combineren. Als kinderen op hetzelfde tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar bed brengen: normtijd: 10 minuten per kind per keer Uit bed halen: normtijd: 10 minuten per kind per keer Wassen en kleden: normtijd: 30 minuten per dag per kind Eten en/of drinken geven: normtijd: 20 minuten per maaltijd Babyvoeding (flesje/potje): normtijd: 10 minuten per keer per kind Naar school/crèche brengen en halen: normtijd: 15 minuten per keer per gezin 7 Advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 Activiteiten/taak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Instructie omgaan/gebruik apparaten/middelen zoals stofzuiger, wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera) Instructie licht huishoudelijk werk Instructie wasverzorging Instructie boodschappen doen Instructie koken Normtijd en frequentie: 30 minuten per keer, 3 x keer gedurende maximaal 6 weken Factoren verlagen of verhogen normtijd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatieproblemen 8 Dagelijkse organisatie van het huishouden (niet zijnde begeleiding) 8.1 8.2 8.3 Activiteiten/taak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichte administratieve werkheden t.b.v. de cliënt Organisatie huishoudelijke activiteiten Plannen en beheren van middelen m.b.t. huishouden Normtijd totaal: 30 minuten per week met een frequentie van 1 x keer week Factoren verhogen en/of verlagen normtijd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatieproblemen Aantal huisgenoten met name bij kinderen &lt; 16 jaar (psychosociale) problematiek bij meerdere huisgenoten 9 Hulp bij ontregelde huishouding door psychische stoornissen (niet zijnde begeleiding) Psychosociale begeleiding (tevens observeren, signaleringsfunctie) 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 Activiteiten/taak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Formuleren doelen/bijstellen doelen m.b.t. het huishouden Helpen handhaven/verkrijgen/herkrijgen structuur in het huishouden Helpen handhaven vergroten zelfredzaamheid m.b.t. budget Begeleiden ouder bij opvoeding kind (niet zijnde jeugdhulp) Begeleiding kinderen (niet zijnde jeugdhulp) Normtijd en frequentie (in combinatie met advies, instructie en voorlichting): 30 minuten per week maximaal 3 x per week gedurende maximaal 6 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage V Beschrijving categorieën Categorie 1: niet-complex en wel-voorspelbaar Bij deze categorie gelden de volgende kenmerken: bij deze cliënten is meestal geen of in beperkte mate 3 Mogelijk gedragsproblemen en/ of psychiatrische problematiek staan niet op de voorgrond en zijn niet bepalend voor de in te zetten ondersteuning sprake van gedragsproblematiek; bij deze cliënten is meestal geen of in beperkte mate sprake van psychiatrische problema-tiek het beperkingenbeeld verandert niet of meestal langzaam de cliënten hebben ten aanzien van sociale redzaamheid hulp nodig betreffende deelname aan het maatschappelijk leven, besluitnemings-/oplossingsvaardigheden, uitvoeren van eenvoudige taken en dagelijkse routine. Betreffende de communicatie is veelal toezicht of stimulatie nodig. Er is vaak sprake van een beginnend verlies van regie over het dagelijks leven. indien persoonlijke verzorging nodig is, is deze verzorging routinematig en over het alge-meen door één persoon uit te voeren; er is geen hoog risico op escalatie/gevaar 4 Gedacht kan worden aan weglooprisico, agressie en geweld: risico op fysieke gevaren zoals ernstige epilepsie, verslikken etc..</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuningsdoelen bij deze categorie zijn doorgaans gericht op: stabilisatie; begeleiding bij achteruitgang; ontlasten mantelzorger; eventueel gericht op inslijpen van gedrag of lichte vooruitgang daarvan; bieden van dagstructuur en -invulling; het zoveel mogelijk handhaven van zelfredzaamheid, capaciteiten en vaardigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning voor deze cliënten kan in overwegende mate op afspraak worden geboden (plan-baar) en is om die reden doorgaans uitstelbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Categorie 2: complex en/of onvoorspelbaar Deze categorie wordt onderverdeeld in:</p>\n<p class=\"lf-p\">2A: een niet-complexe situatie waarbij de noodzakelijke ondersteuning van de cliënt onvoorspelbaar is;</p>\n<p class=\"lf-p\">2B: een complexe situatie waarbij de noodzakelijke ondersteuning van de cliënt voorspelbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">AD 2A: niet complex en onvoorspelbaar Bij deze categorie gelden de volgende kenmerken: bij deze cliënten is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; bij deze cliënten is meestal geen of in beperkte mate sprake van psychiatrische problematiek het beperkingenbeeld verandert niet of meestal langzaam de cliënten hebben ten aanzien van sociale redzaamheid ondersteuning nodig betreffende deel-name aan het maatschappelijk leven, besluitnemings-/oplossingsvaardigheden, uitvoeren van eenvoudige taken en dagelijkse routine. Betreffende de communicatie is veelal toezicht of stimu-latie nodig. Er is vaak sprake van een beginnend verlies van regie over het dagelijks leven. indien er persoonlijke verzorging nodig, is deze verzorging routinematig en over het algemeen door één persoon uit te voeren; er is geen hoog risico op escalatie/gevaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan in categorie 1 is er bij de categorieën 2A veelal sprake van een multi-probleemsituatie waardoor er tussentijds ondersteuning op afroep of ondersteuning buiten de reguliere te plannen momenten noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">AD 2B: complex en voorspelbaar Bij deze categorie gelden de volgende kenmerken: bij deze cliënten is meestal sprake van matige of ernstige * gedragsproblematiek. bij deze cliënten is meestal sprake van matige of ernstige* psychiatrische problematiek. bij deze cliënten is afstemming noodzakelijk met andere domeinen (onderwijs, WLZ, ZVW, jeugd, participatie, enz.). bij deze cliënten is ten aanzien van sociale redzaamheid ondersteuning nodig betref-fende deelname aan het maatschappelijk leven, besluitnemings-/oplossingsvaardigheden, uitvoeren van eenvoudige taken en dagelijkse routine. deze cliënten beschikken in het algemeen over een beperkte zelfregie. Daarom kan er naast ondersteuning en stimulatie er ook een (tijdelijke) noodzaak zijn van het overnemen van ta-ken; indien persoonlijke verzorging nodig is, is deze ondersteuning specialistisch en moet mo-gelijk met twee personen worden uitgevoerd; er is hoog risico op escalatie/gevaar**; op het gebied van de communicatie is veelal veel stimulatie of overname nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Categorie 3: complex en onvoorspelbaar Bij deze categorie gelden de volgende kenmerken: bij deze cliënten is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek. bij deze cliënten is meestal sprake van matige of ernstige psychiatrische problematiek. bij deze cliënten is afstemming noodzakelijk met andere domeinen (onderwijs, WLZ, ZVW, jeugd, participatie, enz.). bij deze cliënten is ten aanzien van sociale redzaamheid ondersteuning nodig betreffen-de deelname aan het maatschappelijk leven, besluitnemings-/oplossingsvaardigheden, uitvoeren van eenvoudige taken en dagelijkse routine. deze cliënten beschikken in het algemeen over een beperkte zelfregie. Daarom kan er naast ondersteuning en stimulatie ook een (tijdelijke) noodzaak zijn voor het overnemen van taken; indien persoonlijke verzorging nodig is, is deze verzorging specialistisch en moet mogelijk met twee personen worden uitgevoerd; er is hoog risico op escalatie/gevaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het gebied van de communicatie is veelal veel stimulatie of overname nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage VI concrete werkdoelen en activiteiten Begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf Het gaat om werkdoelen en activiteiten die samenhangen met het resultaat dat wordt beschreven in het Ondersteuningsplan Doelen hebben betrekking op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Domein Financiën Het voeren van de eigen (financiële) administratie Het hebben van inzicht in de financiële situatie, waaronder het inkomens- en uitgavenpatroon Het hebben van een geordende (financiële) administratie Het verwerken van post Het beheren van de financiën, waaronder het tijdig betalen van rekeningen Het in balans hebben van inkomsten en uitgaven Huisvesting Het zelfstandig bewonen van een leefbare, geordende en schone woonruimte Het kunnen vinden van passende woonruimte Het behouden van passende woonruimte Huiselijke relaties Het hebben van gezonde huiselijke relaties Het voorkomen van en de-escaleren van verstoorde huiselijke relaties Het hebben van een goede, open communicatie met de leden van het huishouden Geestelijke gezondheid /verslaving Het psychisch zelfstandig kunnen functioneren Het bewust van de eigen psychische toestand Het kunnen voeren van regie over het leven Het volgen van therapie/behandeling Het tijdig en correct gebruiken van medicatie Het voorkomen en/of verminderen van destructief gedrag Het beheersbaar maken en houden van verslavingsproblematiek, zoals het gebruik vanmiddelen Zelfzorg (lichamelijke gezondheid + activiteiten dagelijks leven) Het zichzelf kunnen verzorgen en het kunnen zorgen voor een goede lichamelijke gezondheid Het bezoeken van medische behandelaars Het tijdig en correct gebruiken van medicatie Het hebben van een goede conditie Het gebruik maken van gezonde voeding Het wassen van het eigen lichaam Het dragen van schone kleding Het doen van boodschappen Het uitvoeren van eenvoudige huishoudelijke taken Sociaal netwerk Het hebben van en beroep kunnen doen op een gezond sociaal netwerk Het opbouwen van een gezond sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteunen van een sociaal netwerk Het in staat zijn een beroep te doen op het sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kunnen aangaan van sociale relaties Het voorkomen van overbelasting van het sociaal netwerk Het aanleren van en oefenen met het sociaal netwerk (w.o. mantelzorger) hoe om te gaan met de gevolgen van de beperkingen van de cliënt Dagbesteding en maatschappelijke participatie Het naar vermogen actief kunnen deelnemen aan de maatschappij Het aanbrengen van dagstructuur Het kunnen plannen en uitvoeren van taken Het nakomen van afspraken Het voorkomen en verminderen van overlast Het hebben van een zinvolle dagbesteding (relatie met BG groep en P-wet)</p></div>", "next": 0}