{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De relatie met de stedenbouwkundige en architectonische context van de wijk als geheel ontbreekt. Het ensemble is als het ware een apart eiland in de structuur. De openbare ruimte en de woningen zijn als samenhangend geheel ontworpen. De eenheid in kleur- en materiaalgebruik versterkt het thematische karakter van het gebied. De woningen zijn opgericht uit licht metselwerk en zijn afgedekt met een pannendak. Accenten in kleur- en materiaalgebruik komen voor, maar zijn afgestemd op het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria Raampoort/Raamsingel/Raamhof - Uden De architectuur en de directe openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze samenhang dient te worden behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ensemblewaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw. Veranderingen moeten passen binnen de (stijl)kenmerken, het imago en de expressiviteit van het ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevelopbouw en -indeling en de repetitie van de samenstellende elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen, aanpassingen en toevoegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de ensemblewaarde en dient als uitgangspunt. Licht metselwerk in twee kleuren en donkere kappen bepalen het beeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging van accenten in kleur- en materiaalgebruik zijn mogelijk, mits de ensemblewerking blijft gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke stedenbouwkundig patroon dient in de toekomst leesbaar te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande oriëntatie van de bebouwing op de openbare ruimte dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen kunnen niet individueel plaatsvinden, maar altijd in onderlinge samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lentemorgen/kleurrijk lint – Uden (zuid) Het kleurrijk lint is een doorgaande route door Uden-Zuid tussen Eikenheuvel en Volkel, die primair bedoeld is voor het langzaam verkeer; auto’s zijn hier ondergeschikt. De route heeft over de hele lengte een herkenbaar, karakteristiek profiel en een opvallende inrichting die gekenmerkt wordt door bijzondere vormen heldere kleuren. Beplanting en verharding hebben een duidelijk eigen gezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kleurrijk lint wordt begeleid door (half-)vrijstaande woningen die opvallen door onconventionele architectuur en kleurgebruik. Het beeld van de woningen langs de route wordt gekenmerkt door een grote variatie, samen met één speels en kleurrijk geheel vormend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen langs het kleurrijk lint hebben de volgende kenmerken : -de woningen staan in een golvende rooilijn ten opzichte van de route; de kavels zijn relatief smal en diep; de kavels worden zo veel mogelijk twee aan twee gekoppeld, samen ontsloten vanaf één inrit; de woningen op dergelijke kavels dienen een zekere verwantschap in sfeer en architectuur te hebben; hoogtes, (dak-)vormen en kleuren kunnen verschillen; incidenteel ligt aan een route een bestaande woning; de architectuur van de woningen is modern, opvallend, verassend, en heeft bij voorkeur een grote plasticiteit; er is ruimte voor experimenten in bouw-, woon- en dakvorm; er wordt een gevarieerde bebouwingshoogte mogelijk gemaakt; de woningen zijn kleurig, wit of lichtgrijs en hebben als die zichtbaar is, een pastelkleurige dakbedekking; architectonische accenten op beeldbepalende locaties van een hogere orde dienen van een hoge ruimtelijke kwaliteit te zijn; op beeldbepalende locaties van een lagere orde zijn zijgevels niet toegestaan en moet ontsiering door garages, schuttingen etc. voorkomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw centrumring Het betreft het nieuwe zwembadcomplex Pastoor Spieringsstraat en het gebouw “de Wel” met de kenmerkende toren.“ aan de Pastoor Spieringsstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De centrumring is de belangrijkste ontsluitingsroute rond het Udense Winkelcentrum. De bebouwing is divers van karakter. Met name aan de randen van het centrum staat afwijkende of bebouwing zoals de toren van gebouw “de Wel” en het zwembadcomplex in de Pastoor Spieringsstraat. Dit zijn bijzondere gebouwen en vormen van (hoog-)stedelijke hoogbouw Een betrekkelijk groot deel van de bebouwing kan worden getypeerd als appartementengebouwen van 3 of 4 bouwlagen met in het centrumgebied win kels of kantoren in de plint. De laatste jaren zijn er nieuwe gebouwen gerealiseerd zoals appartementen in combinatie met stadswoningen. De meer recente gebouwen laten bezitten meer geleding in gevels en zijn vaak voorzien van zorgvuldig aangebrachte architectonische details.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria nieuwbouw centrumring - Uden 1 De architectuur en de directe openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze samenhang dient te worden behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De ensemblewaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw. Veranderingen moeten passen binnen de (stijl)kenmerken, het imago en de expressiviteit van het ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De gevelopbouw en -indeling en de repetitie van de samenstellende elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen, aanpassingen en toevoegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de ensemblewaarde en dient als uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het oorspronkelijke stedenbouwkundig patroon dient in de toekomst leesbaar te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De bestaande oriëntatie van de bebouwing op de openbare ruimte dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Veranderingen kunnen niet individueel plaatsvinden, maar altijd in onderlinge samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 het aanbrengen van schermen en hekwerk op of aan balkons (al dan niet inpandig) die ten koste gaan van de tranparantie of een verstorend effect hebben of het bestaande materiaal- en kleurgebruik is niet toegestaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Lankes Volkel Dit cluster is een relict van een vroeger agrarisch gehucht. Tegenwoordig overheerst de woonfunctie. Het historisch waardevolle gebied bevat een aantal waardevolle boerderijen. De bebouwing is gericht op de tussenliggende groene ruimten. Het bebouwingscluster manifesteert zich als groene enclave te midden van een bedrijventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria Lankes – Volkel 1 De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende historische bebouwing. De karakteristiek van de bebouwing uit zich onder andere in de bouwmassa, de kapvorm, de mate van detaillering, het kleur- en materiaalgebruik en de variatie daartussen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij een aanpassing of wijziging van de bebouwing dient zorgvuldig omgegaan te worden met de historische en cultuurhistorische waarde van de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Nieuwe, herkenbaar eigentijdse invullingen of toevoegingen dienen te passen bij het bestaande karakter en geïnspireerd te zijn op de bestaande historische bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden is uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De bestaande samenhang, afwisseling en vormgeving van de kappen in de omgeving dient gehandhaafd te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De bestaande hoofdvorm en bouwmassa is leidend bij veranderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Samenvoeging van bouwmassa’s is ongewenst. De oorspronkelijke parcellering moet herkenbaar blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 De oorspronkelijke kapsituatie en de oorspronkelijke bouwvorm moeten leesbaar blijven bij verandering aan de bouwmassa.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Traditionele kapvormen, zoals een zadeldak (eventueel met wolfseind), schilddak en mansardekap zijn uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Bij panden die een stedenbouwkundig geheel vormen dienen toevoegingen per woning ondergeschikt te zijn aan de hoofdstructuur en de ritmiek van het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Ingrepen op begane-grondniveau mogen de harmonie van de individuele gevel als geheel niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 De oorspronkelijke gevelopbouw en traditionele indeling van de gevels dienen gerespecteerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 De oorspronkelijke ornamenten en detailleringen in de gevel dienen herkenbaar en zinvol te blijven. Bij verbouwing en renovatie dient zorgvuldig omgaan te worden (herstel, interpretatie of reactie) met de ornamentiek zoals: overstekken, daklijsten, siermetselwerk, lijsten en speklagen en de specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het indi-viduele pand en de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 Veranderingen in materiaal- en kleurgebruik van de individuele bebou-wing dient in relatie te staan met de gevelwand als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik dienen afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen voorop staan: de daken moeten gedekt zijn met riet of gebakken donkere pannen en de gevels dienen te bestaan uit rode/bruinrode baksteen of wit pleisterwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heuvelstraat - Volkel De Heuvelstraat maakt onderdeel uit van de eerste planmatige woonuitbreiding van de kern Volkel. Het ensemble bestaat uit woningen die zijn gebouwd in de jaren 50 van de vorige eeuw. Het betreffen uitsluitend halfvrijstaande woningen die in een regelmatig patroon zijn gerangschikt. De kenmerkende wederopbouwarchitectuur is de basis voor de ensemblewaarde. De toepassing van schoon metselwerk en oranje pannen is kenmerkend, evenals de plaats van de dakkapellen. Detaillering is onder meer toegepast in de vorm van bakstenen bogen en hanenkammen boven de deur- en raamopeningen en de sobere bovenlichten boven de voordeuren. De raampartijen zijn relatief geringe van omvang. Alle woningen zijn voorzien van een zadeldak met een nokrichting parallel aan de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria Heuvelstraat - Volkel De ensemblewaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw. Veranderingen moeten passen binnen de (stijl)kenmerken, het imago en de expressiviteit van het ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevelopbouw en -indeling en de repetitie van de samenstellende elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen, aanpassingen en toevoegingen. Met name de rangschikking van dakkapellen en de situering van dakramen is kenmerkend in dit ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen mogen het beeld van de bouwblokken, met name de duidelijke ritmiek, niet verstoren, wel versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is de huidige verticale, eenvoudige gevelopbouw van de individuele woningen; het principe van gaten in het metselwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de ensemblewaarde en dient als uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ambachtelijk gedetailleerd metselwerk dient te worden gehandhaafd De bestaande oriëntatie van de bebouwing op de openbare ruimte dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen kunnen niet individueel plaatsvinden, maar altijd in onderlinge samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aert Willemstraat - Volkel De bebouwing in dit ensemble dateert uit de jaren 50 van de vorige eeuw. Deze tijd werd gekenmerkt door schaalvergroting en verdergaande industrialisatie. De architectuur van de woningen is traditioneel en laat zich het best omschrijven met het principe ‘gaten in metselwerk’. Ambachtelijk metselwerk en relatief kleine gevelopeningen in het metselwerk zijn kenmerkend. De duidelijke ritmiek van de bouwblokken is bepalend voor het straatbeeld. De rust in het bebouwingsbeeld ontstaat door een eenvoudige hoofdbouwmassa en de eenheid in kapvormen. Ook het eenduidige kleur- en materiaalgebruik is bepalend. De bebouwing is eenvoudig van opzet, massa en detaillering en vertoont daardoor veel samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De karakteristiek van dit ensemble heeft betrekking op de gebogen gevelopeningen en de toepassing van licht metselwerk boven de deuropeningen. De nokrichting ligt parallel aan de weg. Deze architectonische details onderscheiden het ensemble van andere woonbuurten uit de zelfde tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tweetal woonblokken uit het begin van de jaren 60 behoort eveneens tot het ensemble. Het betreft de woonblokken die op een relatief grotere afstand van de Aert Willemsstraat liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel door renovaties het karakteristieke beeld enigszins is verstoord, en de detaillering en gevelopbouw van de woningen enigszins afwijkt van de woningen uit de jaren 50 van de vorige eeuw, dragen deze woningen bij aan de karakteristiek (wederopbouwstijl) van het ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria Aert Willemstraat - Volkel Het stedenbouwkundig patroon dient in de toekomst leesbaar te blijven, De bestaande oriëntatie van de bebouwing op de openbare ruimte dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen mogen het beeld van de bouwblokken, met name de horizontale massaopbouw en de duidelijke ritmiek, niet verstoren, wel versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is de huidige verticale, eenvoudige gevelopbouw van de individuele woningen; het principe van gaten in het metselwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op- en aanbouwen moeten ondergeschikt zijn aan de hoofdbouwmassa, het gevelbeeld en/of het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ambachtelijk gedetailleerd metselwerk dient te worden gehandhaafd Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de ensemblewaarde en dient als uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen kunnen niet individueel plaatsvinden, maar altijd in onderlinge samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pastoor van Houtstraat - Odiliapeel De woningen in dit ensemble kenmerken zich door de eenvoudige massaopbouw, bestaande uit één bouwlaag met een kap. De woningen dateren uit de jaren 50 van de vorige eeuw en de architectuur is traditioneel. De architectuur kenmerkt zich door ambachtelijk metselwerk en kleine gevelopeningen. De woningen zijn zeer gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eenheid binnen het ensemble ontstaat door de eenvoudige gevelopbouw, de eenheid in kapvorm en kaprichting en de positie van de schoorstenen. Alle woningen zijn afgedekt met een zadeldak met een nokrichting die min of meer parallel aan de weg loopt. Ook het materiaal- en kleurgebruik is uniform, bestaande uit schoon metselwerk en oranje pannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De situering ten opzichte van de straat is kenmerkend en doet denken aan een zaagtandstructuur. De woningen staan enigszins gedraaid ten opzicht van de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria Pastoor van Houtstraat - Odiliapeel Het stedenbouwkundig patroon dient in de toekomst leesbaar te blijven, De bestaande oriëntatie van de bebouwing op de openbare ruimte dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen mogen het beeld van de bouwblokken, met name de duidelijke ritmiek, niet verstoren, wel versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is de huidige, eenvoudige gevelopbouw van de individuele woningen; het principe van gaten in het metselwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande mate aan geslotenheid van de gevel is uitgangspunt. Nieuwe gevelopeningen kunnen dit beeld teniet doen en zijn derhalve ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op- en aanbouwen moeten ondergeschikt zijn aan de hoofdbouwmassa, het gevelbeeld en/of het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ambachtelijk gedetailleerd metselwerk dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de ensemblewaarde en dient als uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen kunnen niet individueel plaatsvinden, maar altijd in onderlinge samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtestraat - Odiliapeel Dit ensemble dateert uit de jaren 50 van de vorige eeuw en bestaat uit enkele vrijstaande woningen die regelmatig zijn gerangschikt. De duidelijke ritmiek in de straatwand is kenmerkend en wordt nog eens extra benadrukt door de eenduidige architectuur van de individuele panden. Met name de positie van de schoorstenen en de plaats van de dakkapellen dragen bij aan de eenheid. De eenduidige en eenvoudige massaopbouw dragen bij aan de rust in het straatbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria Rechtestraat - Odiliapeel De ensemblewaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw. Veranderingen moeten passen binnen de (stijl)kenmerken, het imago en de expressiviteit van het ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevelopbouw en -indeling en de repetitie van de samenstellende elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen, aanpassingen en toevoegingen. Met name de rangschikking van dakkapellen en schoorstenen is kenmerkend in dit ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen mogen het beeld van de bouwblokken, met name de duidelijke ritmiek niet verstoren, wel versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de complexwaarde en dient als uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is de huidige eenvoudige gevelopbouw, waarbij de gevelopeningen zijn gerangschikt in één horizontale lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ambachtelijk gedetailleerd metselwerk dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande oriëntatie van de bebouwing op de openbare ruimte dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen kunnen niet individueel plaatsvinden, maar altijd in onderlinge samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Beeldkwaliteitplannen 6.46.4.1 Vigerende beeldkwaliteitplannen 6.4Voor diverse gebieden binnen de gemeente Uden zijn beeldkwaliteitplannen opgesteld. De door de raad vastgestelde beeldkwaliteitplannen zijn op de in het welstandsbeleid opgenomenwelstandskaart opgenomen. Op het moment dat een nieuw beeldkwaliteitplan door de raad wordt vastgesteld zal deze op de welstandskaart worden verwerkt. In die zin is welstandskaart een visualisatie met een overzicht van het geldende welstandsbeleid is het een dynamisch document.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/BEELDBEPALENDE PANDEN In hoofdstuk 6 is reeds aangegeven dat voor de monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden in de historische dorpsgebieden/bebouwingslinten en in de historische bebouwingsclusters altijd ambitieniveau A van toepassing is. Echter, er komen in Uden ook monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden voor die buiten een ensemble liggen. Dit wil niet zeggen dat hierbij sprake is van welstandsvrije objecten. Voor deze monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeldbepalende panden zijn specifieke welstandscriteria opgesteld, die hierna zijn weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria monumenten en cultuurhistorisch waardevolle/beeld-bepalende panden buiten een ensemble Plaats/situering/karakteristiek Bij een aanpassing of wijziging van de bebouwing dient zorgvuldig omgegaan te worden met de historische en cultuurhistorische waarde van de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe, herkenbaar eigentijdse invullingen of toevoegingen dienen te passen bij het bestaande karakter en geïnspireerd te zijn op de bestaande historische bebouwing of dienen een contrast te vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Massa/vorm De bestaande hoofdvorm en bouwmassa is leidend bij veranderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvoeging van bouwmassa’s is ongewenst. De oorspronkelijke parcellering moet herkenbaar blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke kapsituatie en de oorspronkelijke bouwvorm moeten leesbaar blijven bij verandering aan de bouwmassa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelopbouw Reclame-uitingen zijn niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingrepen op begane-grondniveau mogen de harmonie van de individuele gevel als geheel niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke gevelopbouw en traditionele indeling van de gevels dienen gerespecteerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleur, materiaal en detaillering De oorspronkelijke ornamenten en detailleringen in de gevel dienen herkenbaar en zinvol te blijven. Bij verbouwing en renovatie dient zorgvuldig omgaan te worden (herstel, interpretatie of reactie) met de ornamentiek zoals: overstekken, daklijsten, siermetselwerk, lijsten en speklagen en de specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen in materiaal- en kleurgebruik van de individuele bebouwing dient in relatie te staan met de gevelwand als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik dienen afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen voorop staan: de daken moeten gedekt zijn met riet of gebakken donkere pannen en de gevels dienen te bestaan uit rode/bruinrode baksteen of wit pleisterwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Welstandscriteria VEEL VOORKOMENDE KLEINE BOUWPLANNEN (objectcriteria) 8.1 Algemeen Met ingang 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingevoerd, wat tot gevolg heeft dat de bouwvergunning krachtens de Woningwet opgaat in de omgevingsvergunning van de Wabo. Door de komst van de Wabo is de huidige categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken vervallen. Dit heeft tot gevolg dat bouwactiviteiten als vergunningplichtig of als vergunningvrij kunnen worden aangemerkt. Voor welke bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist, staat in het Besluit omgevingsrecht (Bor) omgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 in bijlage II bij dit Besluit geeft feitelijk voortzetting aan de categorie bouwvergunningvrije bouwwerken uit het vervallen Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is verdwenen. Er bestaan alleen nog omgevingsvergunningplichtige activiteiten en categorieën van activiteiten die omgevingsvergunningvrij zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3 is een nieuw type vergunningvrije bouwwerken opgenomen, waarbij alleen het «bouwen» als omgevingsvergunningvrij is aan te merken. Het planologische vergunningvereiste uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo blijft voor dit bouwen bestaan, indien het bouwen strijdig is met bijvoorbeeld het bestemmingsplan of de beheersverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 in bijlage II bij het Bor stelt een aantal ‘algemene voorwaarden’ voor Het vergunningvrij zijn van een bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vier categorieën van gevallen is het al dan niet vergunningvrij zijn afhankelijk van het gemeentelijk welstandsbeleid. Het gaat om de volgende categorieën van gevallen: — bepaalde bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied op een afstand van minder dan 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied (artikel 2); — dakramen, daklichten, lichtstraten of gelijksoortige daglichtvoorzieningen in het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, waarbij de constructie maximaal 0,60 meter buiten het dakvlak uitsteekt (artikel 2); — erf- of perceelsafscheidingen met een hoogte tussen 1,00 en 2,00 meter op een afstand van minder dan 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied (artikel 2); — dakkapellen aan de voorzijde of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak (artikel 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">De objectcriteria zijn opgenomen als bijlage bij voorliggende welstandsnota. De objectcriteria gelden uitsluitend voor de gebieden in Uden waarvoor een welstandstoets geldt. In welstandsvrije gebieden vindt geen welstandstoetsing plaats, dus ook niet aan de objectcriteria. De objectcriteria zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van een monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Toepassingen objectcriteria De objectcriteria gelden uitsluitend voor de gebieden in Uden waarvoor een welstandstoets geldt. In welstandsvrije gebieden vindt geen welstands-toetsing plaats, dus ook niet aan de objectcriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandstoetsing De objectcriteria geven inzicht in wanneer een veel voorkomend (klein) bouwplan in ieder geval voldoet aan redelijke eisen van welstand. (dit geldt niet voor bouwplannen aan of bij een monument) Repressieve welstandstoetsing Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester en wethouders degene die tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen (behoudens in welstandsvrije gebieden). Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand indien sprake is van excessen, dat wil zeggen buitensporigheden in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Vaak heeft dit betrekking op het negeren van de omgeving van het bouwwerk, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is. De excessenregeling is beschreven in paragraaf 2.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">De excessenregeling geldt alleen voor vergunningvrije bouwwerken. Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de objectcriteria zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Bij afwijkingen daarvan zullen burgemeester en wethouders desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is. In welstandsvrije gebieden is geen repressieve welstandstoets mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwillige welstandstoetsing Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningvrij bouwwerk dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria kunnen dus ook dienen als adviserend kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Richtlijnen reclametekens De gemeente Uden heeft ervoor gekozen een reclamebeleid te ontwikkelen en vast te stellen. Net als bij veel voorkomende kleine bouwwerken geeft dit beleid inzicht in de wijze van toesten door de welstandscommissie.Reclame heeft een dusdanige invloed op de kwaliteit van de leefomgeving dat de gemeente Uden hiervoor een aantal richtlijnen heeft opgesteld die de welstandscommissie zal hanteren bij de beoordeling van aanvragen hieromtrent. Voor reclame-uitingen dient altijd een reclamevergunning aangevraagd te worden, tenzij sprake is van een welstandsvrij gebied. Indien in de welstandscriteria van een bepaald ensemble of van een monument of cultuurhistorisch waardevol/beeldbepalend pand iets gezegd wordt over reclame geldt dit naast de hiervoor genoemde reclamerichtlijnen. Bij strijdigheid gelden de gebiedsgerichte welstandscriteria. De richtlijnen met betrekking tot reclametekens zijn opgenomen als bijlage bij voorliggende welstandsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Begrippenlijst Onderstaande begrippenlijst behoort bij het algemeen deel, juridisch en organisatorisch kader en basisdeel welstandsnota. Voor de objectcriteria is een aparte begrippenlijst opgesteld. aanbouw grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een of meerdere gevel(s) van een gebouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtererfgebied erf aan de achterkant en aan de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw; achterkant de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw, voor zover die zijde niet direct grenst aan de weg of openbaar groen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Antennedrager antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne;.</p>\n<p class=\"lf-p\">Antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie; archetype oorspronkelijke, originele vorm van een bepaalde bouwstijl; asymmetrische kap zadeldak waarbij het dakvlak aan één zijde doorloopt tot aan de gevel van de daaronder gelegen bouwlaag; bebouwingstype een zone met bebouwing die door zijn verschijningsvorm en/of situering binnen een bepaald kader valt (zoals aangegeven op de kaart), waarvoor veelal specifieke welstandscriteria zijn opgesteld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijbehorend bouwwerk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak; bijgebouw een niet voor bewoning bestemd gebouw dat door plaatsing, inrichting en indeling uitsluitend bestemd is voor berg- of werkruimte, garage, magazijn of werkplaats: carports worden hier mede onder begrepen; blinde wand of gevel gevel of wand zonder raam, deur of andere opening; bouwblok een aan alle zijden door straten en wegen begrensde groep gebouwen; bouwlaag de eerste bouwlaag of een verdieping van een gebouw; een onderhuis, zolderverdieping of vliering worden hier niet onder begrepen; bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; carport afdak om de auto onder te stallen, meestal bij een woning; complex element binnen een bebouwingstype wat bij aanpassingen, gezien de samenhang, in zijn totaliteit moet worden beschouwd; compositie ordening van verschillende onderdelen van een bouwwerk of situering van een gebouw ten opzichte van de omringende bebouwing; continuïteit ononderbroken samenhang, doorlopend verband; dakenlandschap het aanzicht van een geheel aan daken en dakvormen; dakhelling de hoek tussen het dak en de aanliggende vloer; dakkapel uitbouw op een hellend dakvlak; daknok hoogste punt van een schuin dak; dakopbouw een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert; dakraam raam in een hellend vlak; dakvoet laagste punt van een schuin dak; detail ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam; diversiteit verscheidenheid; ensemble architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden binnen een bebouwingstype; erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; erker ondergeschikte toevoeging van ten hoogste één bouwlaag aan de gevel van een gebouw; expressief sterk sprekend; geleding verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, inspringingen of andere gevelkenmerken en geveldetailleringen;</p>\n<p class=\"lf-p\">gevel buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel); grondgebonden woning woning waarbij de begane grond en ingang zich op het maaiveld bevinden; harmonie overeenstemming, bevredigende samenvoeging dat een aangenaam geheel vormt; hoofdgebouw gebouw of gedeelte daarvan dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; hoogbouw bebouwing van meer dan vier bouwlagen; horizontaliteit het domineren van horizontale lijnen in de gevel van de bebouwing; identiteit eigen karakter, individueel kenmerk van een bouwwerk of bouwstijl; incidenteel slechts één of enkele malen voorkomend; individualiteit het geheel aan eigenschappen en hoedanigheden die een bouwwerk onderscheiden of kenmerken; individueel gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw; imago stereotype mening bij het grote publiek omtrent iets, algemeen gevormd beeld (van de bebouwing); karakter kenmerkende vorm en uiterlijk (van de bebouwing), typering; kavel grondstuk, kadastrale eenheid; kern centrum van een dorp of stad; kop in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld van een gebouw; landmark een bouwwerk dat kenmerkend is in het aangezicht van een stad of dorp en structurerend werkt binnen het bebouwde gebied; langskap kap waarbij de noklijn parallel aan de weg ligt; lessenaarsdak dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak; lint langgerekte weg met daarlangs bebouwing; mansardedak dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel, waardoor een geknikte vorm ontstaat; markant in het oog vallend; massa volume van een gebouw of bouwdeel; nok horizontale snijlijn van twee dakvlakken dan wel de hoogste lijn van het dak; ondergeschikt voert niet de boventoon; ontsluiting de toegang tot een gebied; openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; oriëntatie de richting van een gebouw (waarmee de meeste relatie bestaat); ornament versiersel; overkapping bekapping, overdekking, overspanning; overstek bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel; plaatmateriaal bouwmateriaal dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex, multiplex), kunststof (trespa) of staal;</p>\n<p class=\"lf-p\">plint een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw; projectmatig gezamenlijke en gelijktijdige ontwikkeling en bouw van een aantal bouwwerken; oorspronkelijk in beginsel, het begin uitmakende van een bepaalde bouwstijl of idee; renovatie vernieuwing van een gebouw; rooilijn lijn die de grens aangeeft waarlangs maximaal gebouwd mag worden; samenhang de omstandigheid dat of de wijze waarop verschillende zaken met elkaar in verband staan; schilddak dak met vier hellende vlakken, bestaande uit twee grote en twee kleine vlakken; schuur bijgebouw ten behoeve van opslag; situering plaats van een bouwwerk in zijn omgeving; sober niet overvloedig, eenvoudig, zonder opsmuk; solitair op zichzelf staand, uitzondering op de omgeving; stempel (stedenbouwkundig) een bebouwingscluster welke meerdere keren binnen een bepaald gebied voorkomt; straatbeeld beeld dat een straat oplevert; structuur rangschikking van elementen (stedenbouwkundige structuur: rangschikking van bouwwerken, wegen, waterlopen, e.d.); traditioneel gebouwd volgens oude gewoonten; uitbouw aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is, en ten dienste daarvan functioneert; vergroven grof of grover maken (minder gedetailleerd); verticaliteit het domineren van verticale lijnen in de gevel van de bebouwing; voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een bouwwerk loopt; voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; voorgevelrooilijn voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening; voorkant de voorgevel, het woonerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde direct grenst aan de weg of openbaar groen; woonwagen voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst; zadeldak dak met twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen; zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk; zijkant de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Bronvermelding Naar een gemeentelijke welstandsnota, werkdocument met model en toelichting; Vereniging van Nederlandse Gemeentes; 2000 Welstandsbeleid, Raamwerknota; Welstandszorg Noord-Brabant; december 2001 Spelregels voor bouwen en verbouwen, volgens de Woningwet per 1 januari 2003; Ministerie van VROM; september 2002 Model-Sneltoetscriteria Gemeenten Uden-Veghel; Gemeenten Uden en Veghel, februari 2007 Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden; jaargang 2002 Gewijzigde woningwet, meer vrijheden, nieuwe procedures, brochure voor professionals; ministerie VROM; 2002 De KAN-bepaling Een handreiking voor gemeenten en welstandscommissies, Vereniging Bouw – en Woningtoezicht Nederland / Federatie Welstand, Januari 2013 Bijlage 1 Objectcriteria Gemeente Uden OBJECTCRITERIA Inleiding Dit onderdeel is grotendeels gebaseerd op de gestandaardiseerde welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen, die op landelijk niveau zijn ontwikkeld. Door middel van een voorzichtige standaardisering van de advieslijn ten aanzien van veel voorkomende kleine bouwplannen wordt helderheid en consistentie nagestreefd voor de aanvrager, de gemeente en de welstandscommissie. Getracht is een consensus te bereiken die na opmerkingen van diverse partijen uiteindelijk heeft geleid tot een ‘grootste gemene deler’. Op deze manier ontstaat een verzameling gestandaardiseerde criteria, waarop in principe elke gemeente delen van haar welstandsbeleid kan baseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaardisering brengt met zich mee, dat deze objectcriteria in hoofdzaak geschreven zijn voor gebiedstypen die een universeel karakter kennen en in de meeste gemeenten voorkomen. Met name geldt dit voor binnen de kernen gelegen gebieden. Daarnaast kent iedere gemeente haar eigen ‘couleur locale’ met streekeigen gebieden in een geheel eigen verschijningsvorm, zoals oude dorpskernen en de buurtschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van sneltoetscriteria naar objectcriteria In de vorige welstandsnota werden de criteria uit dit hoofdstuk ‘sneltoetscriteria’ genoemd. Deze criteria golden voor lichtvergunningplichtige bouwwerken. Deze bouwwerken konden met behulp van de sneltoetscriteria ambtelijk getoetst worden. Indien aan de sneltoetscriteria werd voldaan, dan was een advies van de rayonarchitect niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van de Wabo 4) is de lichte bouwvergunning komen te vervallen. Een bouwwerk is óf omgevingsvergunningvrij, óf omgevingsvergunningplichtig. Ook de ambtelijke toetsing aan de sneltoetscriteria is hierdoor niet meer mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sneltoetscriteria zijn echter niet compleet overbodig geworden. Deze criteria vormen een bruikbaar toetsingskader voor onderdelen van nieuwe hoofdgebouwen. Indien bijvoorbeeld een nieuw hoofdgebouw met aan de voorzijde een dakkapel aan redelijke eisen van welstand wordt getoetst, dan wordt in eerste instantie het bouwwerk in zijn geheel beoordeeld. Maar om te beoordelen of de dakkapel aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan getoetst worden aan de criteria in dit hoofdstuk. De criteria vormen in dit geval een leidraad, een uitgangspunt, waar van af kan worden geweken. Omdat de term ‘sneltoetscriteria’ geassocieerd wordt met ambtelijke toetsing, is ervoor gekozen voortaan te spreken over ‘objectcriteria. Indien een bouwwerk welstandsvrij is dan gelden de criteria uit dit hoofdstuk vanzelfsprekend niet. Voor de bouwwerken die niet welstandsvrij zijn vormt dit hoofdstuk nog een toetsingskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingen en gebruik De objectcriteria kunnen gebruikt worden voor: preventieve toetsing van vergunningplichtige bouwplannen repressieve toetsing van vergunningvrije of welstandsvrije bouwplannen vrijwillige toetsing van vergunningvrije of welstandsvrije bouwplannen Preventieve welstandstoetsing Alle vergunningplichtige bouwplannen dienen getoetst te worden aan het bestemmingsplan, de bouwverordening, het bouwbesluit en aan redelijke eisen van welstand. Wanneer een bouwplan niet aan de objectcriteria voldoet of wanneer er sprake is van een bijzondere situatie, waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van deze criteria dan kan de welstandscommissie met inachtneming van de gestelde objectcriteria en met onder andere de gebiedsgerichte of de algemene welstandscriteria beoordelen of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze manier kunnen vergunningplichtige bouwwerken die in eerste instantie niet voldoen aan de objectcriteria alsnog door de welstandscommissie bezien worden in relatie tot de context van het gebied waar het bouwplan geplaatst wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een bijzondere situatie is in ieder geval altijd sprake in door het Rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezichten en bij, op of aan door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Repressieve welstandstoetsing Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester en wethouders degene die tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand indien sprake is van excessen, dat wil zeggen buitensporigheden in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaak heeft dit betrekking op het afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden, armoedige materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie hiervoor de gebiedsgerichte welstandscriteria). De excessenregeling geldt niet voor vergunningvrije en welstandsvrije bouwwerken. Vergunningvrije en welstandsvrije bouwwerken die voldoen aan de objectcriteria zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Bij afwijkingen daarvan zullen burgemeester en wethouders desgevraagd beoordelen of het bouwwerken in ernstige mate met die criteria in strijd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten Bij het opstellen van de objectcriteria zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Relatie met het bestemmingsplan In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is geregeld dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen slechts mag en moet worden geweigerd als deze niet voldoet aan de bouwverordening, het bouwbesluit bestemmingsplan of redelijke eisen van welstand. De welstandstoetsing dient alleen betrekking te hebben op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Jurisprudentie heeft uitgewezen dat als het bestemmingsplan een bouwwerk toestaat, dit welstandshalve niet meer afgewezen kan worden op basis van plaatsing en maatvoering. Hierbij moet wel onderscheid worden gemaakt in impliciete normen (d.w.z. niet uitputtend, bijvoorbeeld ten aanzien van de plaatsing van gebouwen), en expliciete normen (bijvoorbeeld een maximaal toegestane nokhoogte). Expliciete normering in het bestemmingsplan dient bij de welstandstoetsing zonder meer in acht te worden genomen; er mogen dan geen beperkende welstandseisen worden gesteld. Bij impliciete bouwmogelijkheden kan het welstandstoezicht ten opzichte van het bestemmingsplan wel aanvullend werken, mits de bouwmogelijkheden niet geheel teniet gaan en duidelijk is dat de wetgever niet bewust van normering in het bestemmingsplan heeft afgezien. Dit laatste moet dan expliciet blijken uit het bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is het mogelijk dat welstandscriteria een aanvullende werking hebben op het geregelde in het bestemmingsplan of Bouwbesluit .Voor de opgenomen objectcriteria is ervan uitgegaan dat het bestemmingsplan altijd maatgevend is. Dat wil echter niet zeggen dat er geen objectcriteria over plaatsing en maatvoering zijn opgenomen, maar dat deze dan betrekking hebben op de visuele kwalitatieve hoedanigheid van het bouwwerk. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft functie, plaatsing en maatvoeringen van kleine bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor- en achterkant benadering De voor- en achterkant benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen kwetsbaarder dan het bouwen aan de achterkant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder voorkant wordt in dit verband verstaan de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar het openbaar toegankelijk gebied. Onder achterkant wordt in dit verband verstaan de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zij-erf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar het openbaar toegankelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘openbaar toegankelijk gebied’ vallen wegen, pleinen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer (brandgangen en dergelijke). Het begrip ‘weg’ wordt nader verklaard in de Wegenverkeerswet. Bij het begrip ‘openbaar groen’ moet worden uitgegaan van hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. ’Gekeerd naar het openbaar toegankelijk gebied’ impliceert dat tussen het gebouw of het erf en het openbaar toegankelijk gebied een directe feitelijke relatie is. Die relatie is er niet wanneer tussen het gebouw of het erf en het openbaar toegankelijk gebied andere begrenzende elementen aanwezig zijn, zoals het erf van de buren, bos of (bij)gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de opgenomen definities wordt overigens nog niet de vraag beantwoord welke gevels nu als voor-, achter- en/of zijgevel moet worden aangemerkt. Voor het antwoord op die vraag is bepalend welke gevel in het concrete geval als voorgevel moet worden beschouwd. Wanneer is vastgesteld welke gevel de voorgevel is, kan vervolgens eenvoudig worden bepaald welke gevel de achtergevel is en dus ook welke gevels zijgevels zijn. Er zijn gevallen denkbaar waarin discussie kan ontstaan. In dergelijke gevallen moet voor het bepalen welke gevel de voorgevel is, primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn, zoals die in het bestemmingsplan of in de bouwverordening is aangegeven. Ook dan nog kan twijfel bestaan, bijvoorbeeld in sommige gevallen in het agrarisch buitengebied. In dat geval zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede aan de hand van de jurisprudentie kunnen daarvoor als aanknopingspunten worden gehanteerd de systematiek van huisnummering (waar zich het huisnummer bevindt), de zijde van het gebouw waar zich de voordeur of hoofdingang bevindt, de plaats waar de brievenbus is aangebracht en de plaats waar zich de hoofdontsluiting van het perceel bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de goede orde wordt erop gewezen dat voor de toepassing van dit besluit een gebouw slechts één voorgevel heeft. Onder verwijzing naar de jurisprudentie inzake het vergunningvrij bouwen bij hoekwoningen kan dus niet gesteld worden dat een hoekwoning, waarbij sprake is van twee voorgevelrooilijnen, ook twee voorgevels heeft. ‘Objectieve’ objectcriteria De intentie van de Woningwet 2) is dat gemeenten een beter toetsbaar, objectiever en transparanter welstandsbeleid formuleren en uitvoeren. Dit betekent dat enerzijds een grote duidelijkheid moet zijn over het welstandstoezicht, en anderzijds dat de criteria een bepaalde eenduidigheid moeten hebben; m.a.w. ‘objectief’ toetsbaar moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoeft niet te betekenen dat de objectcriteria altijd 100% meetbaar, dus absoluut van aard, zijn. Absolute criteria leveren slechts één mogelijk resultaat op terwijl objectieve objectcriteria ook relatief van aard kunnen zijn, dus naar verhouding meer mogelijke oplossingen bieden in relatie tot omgeving, tijdsbeeld en/of gewenste ontwikkelingen. Omdat veel van deze factoren locatieafhankelijk zijn, is het opstellen van absoluut meetbare criteria niet eenvoudig. Absoluut meetbare criteria met betrekking tot materiaal, kleur en detailleringen kunnen bijvoorbeeld alleen per gebied of bouwstijl geformuleerd worden. Waar door de omgevingsafhankelijke factoren absoluut meetbare criteria niet mogelijk zijn, worden relatieve criteria gebruikt, waarbij veelal wordt verwezen naar vergelijkbare kenmerken van het hoofdgebouw, belendende bebouwing of bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Helderheid en herkenbaarheid van gebouwen Een gebouw heeft vaak een herkenbare hoofdvorm, of is opgebouwd uit meerdere in samenhang ontworpen delen. Elk deel is meestal zelf ook weer zorgvuldig opgebouwd uit massa’s en vlakken, en die zijn vervolgens ook zelf weer in samenhang met de rest ontworpen. Bij de toetsing van plannen wordt gekeken of deze samenhang en zorgvuldigheid in het plan aanwezig zijn, dan wel gerespecteerd worden. In de objectcriteria is dit thema als uitgangspunt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de objectcriteria is meestal uitgegaan van een standaardplan voor het betreffende bouwwerk. Alle uitzonderingen daarop verdienen extra aandacht en worden dus beoordeeld door een welstandscommissie op redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Precedentwerking In vele gevallen wordt door de aanvrager verwezen naar eerder uitgevoerde en dus vaak goedgekeurde bouwwerken. Een dergelijk bouwwerk kan als precedent werken voor overige bouwplannen. Dit levert voornamelijk bij uitgevoerde bouwwerken die achteraf niet voldoen aan redelijk eisen van welstand problemen op. Hierdoor wordt de ongewenste willekeur van de welstandscommissie alleen maar versterkt. Door een gebiedsgericht beleid te voeren kan de gemeente voor een groot deel beargumenteerd afwijken van de verwijzingen naar eerder uitgevoerde bouwwerken. Bouwaanvragers kunnen dan alleen nog verwijzen naar eerder uitgevoerde bouwwerken in de omgeving. Dit sluit niet alle precedentwerking uit. Ook in de directe omgeving zijn vaak voorbeelden aan te dragen die niet voldoen aan redelijk eisen van welstand. Het op deze manier uitsluiten van precedentwerking van ‘slechte’ voorbeelden is dan ook een illusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers zullen altijd met voorbeelden aankomen. Om hierin te sturen kunnen in het gebiedsgericht of objectgericht welstandsbeleid objectcriteria beleidsrichtingen worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw beleid is maatgevend (uitsterfregeling) Het nieuwe beleid is maatgevend. Eerder toegestane bouwwerken kunnen niet verwijderd worden maar zullen langzamerhand verdwijnen (uitsterven) doordat het nieuwe beleid bepalend is. Het door bouwaanvragers verwijzen naar deze eerder toegestane exemplaren gaat niet meer op, de gemeente heeft namelijk een duidelijk standpunt ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe beleid ten aanzien van bouwplannen dient dan wel duidelijk te worden vertaald in welstandscriteria waaraan consequent getoetst dient te worden. Indien er alsnog afgeweken wordt van de opgenomen welstandscriteria dient dat goed beargumenteerd te worden. Deze afwijkingen zullen bovendien beschouwd worden als nieuwe uitzonderingen/mogelijkheden. Het gevaar blijft dus dat er nieuwe precedentvoorbeelden ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan- en uitbouwen Omschrijving en uitgangspunten Een aan- of uitbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw. Het bestemmingsplan treedt bij de vergunningplichtige aan- en uitbouwen in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Aan- en uitbouwen worden in grote aantallen gerealiseerd. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een aan- of uitbouw aan de achterkant (achtererf of zij-erf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). Om het straatbeeld te respecteren en intact te houden dient er bij de mogelijke toepassing van aan- en uitbouwen aan de voorkant een bufferzone aanwezig te zijn tussen gevel en straat. De gemeente streeft in gebieden naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen. Belangrijk is dat de contour en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw of bouwblok zichtbaar blijven en dat de aan- of uitbouw qua uitstraling en volume ondergeschikt is aan het oorspronkelijke gebouw. Ten behoeve van de aanbouw dient de overgang naar/scheiding tussen de naastliggende hoofdbebouwing met aanbouw gelijkvormig en duidelijk aangegeven te worden (bijvoorbeeld door een gemetselde muurdam). Bij hoekaanbouwen dienen de gevels van de achter- en zijaanbouw gelijk te lopen, waardoor een aaneensluitende hoekoplossing ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen in het voorerf of het naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zij-erf Een aan- of uitbouw in het voorerf of het naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zij-erf is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan. Een aan- of uitbouw aan de voorgevel is altijd van grote invloed op het straatbeeld. De onderstaande criteria zijn de beoordelingsuitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan een bestaande aan- of uitbouw) Plaatsing en aantal: geen aan- of uitbouw aan de voorgevel afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorgevellijn minimaal 2,50 m. -de aan- of uitbouw aan de voorgevel mag de zijgevellijn niet overschrijden, geen hoekaanbouw -de achtergevel van de aan- of uitbouw aan de zijgevel dient bij voorkeur niet gelijk te lopen met de achtergevellijn van hoofdgebouw, maar juist te verspringen -er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig Maatvoering: -hoogte niet hoger dan eerste bouwlaag / vloer 1ste verdieping van hoofd gebouw diepte maximaal 3.00 m. gemeten vanaf oorspronkelijke zijgevel oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk zij-erf is bebouwd Vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond plat afgedekt gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw -geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten Materiaal en kleur: -materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw -bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens (muurdam) of m.b.v. scheidende penant Welstandscriteria voor aan- en uitbouwen in het achtererf of niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zij-erf Een aan- of uitbouw in het achtererf of niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zij-erf is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: de aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen secundaire aan- of uitbouw (bijvoorbeeld aan bestaande aan- of uitbouw) Plaatsing en aantal: -afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot voorgevellijn minimaal 2,50 m. -aan- of uitbouw aan de achtergevel mag de zijgevellijn niet overschrijden, tenzij er sprake is van een hoekaanbouw (geen hoekaanbouw als zij-erf grens aan weg of openbaar groen) -bij een hoekaanbouw dienen de achter- en zijaanbouw op elkaar aan te sluiten -er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig Maatvoering: -hoogte in ieder geval niet hoger dan eerste bouwlaag / vloer 1ste verdieping van hoofdgebouw -breedte maximaal 100% van de breedte oorspronkelijke achter- of zijgevel van hoofdgebouw, tenzij sprake is van een hoekaanbouw. diepte maximaal 4,00 m. gemeten vanaf oorspronkelijke gevel oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk voor- of Zij-erf is bebouwd Vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, - helling en nokrichting geen doorgetrokken dakvlak van hoofdgebouw over aan- of uitbouw gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw -geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten Materiaal en kleur: -materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw -bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens (muurdam) of m.b.v. scheidende penant van voldoende breedte Bijgebouwen en overkappingen Omschrijving en uitgangspunten Een bijgebouw of overkapping is een grondgebonden gebouw van één bouwlaag. Een bijgebouw staat los op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een bijgebouw of overkapping aan in het achtererfgebied (achtererf of zij-erf als deze niet gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied). De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van de bijgebouwen en overkappingen: materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dakoverstekken of versieringen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor bijgebouwen en overkappingen in het voorerf of het naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijerf Een bijgebouw of overkapping in het voorerf of het naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zij-erf is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: -geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld aan een reeds bestaande aan- uitbouw of bijgebouw) Plaatsing en aantal: geen bijgebouw of overkapping op het voorerf afstand tot voorgevellijn minimaal 2,50 m en voor overkappingen minimaal 1,00 m. afstand tot gevels minimaal 2.00 m. voor bijgebouwen niet meer dan twee bijgebouwen en/of overkappingen op het gehele erf Maatvoering: hoogte maximaal 3 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein oppervlakte tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk achter- of zij-erf is bebouwd Vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekig plattegrond overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open. plat afgedekt gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw -geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten Materiaal en kleur: -materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen. -bij integratie met erfafscheiding materiaal en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding Welstandscriteria voor bijgebouwen en overkappingen in het achtererf of niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zij-erf Een bijgebouw of overkapping in het achtererf of niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zij-erf is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: -geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld aan een reeds bestaande aan- uitbouw of bijgebouw) Plaatsing en aantal: afstand van tot voorgevellijn minimaal 2,50 m. afstand tot gevels minimaal 2.00 m. voor bijgebouwen niet meer dan twee bijgebouwen en overkappingen op het gehele erf Maatvoering: hoogte maximaal 3 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein bij toepassing van kap goothoogte maximaal 3 m. en nokhoogte maximaal 4,50 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein -oppervlakte maximaal 30 m² tot in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijk achter- of zij-erf is bebouwd Vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekig plattegrond overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open. -plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, - helling en nokrichting gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw -geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten Materiaal en kleur: -materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen Kozijn en gevelwijzigingen Omschrijving en uitgangspunten Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. In principe mag de samenhang en de ritmiek in straatwanden niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar groen vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19de eeuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van de objectcriteria is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate aan) detaillering is voornamelijk afhankelijk van het gebiedsgerichte beoordelingskader. Wijzigingen in de gevel die contrasteren met het hoofdgebouw of de directe omgeving zullen altijd aan de welstandscommissie voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor kozijn- of gevelwijzigingen Een kozijn- of gevelwijziging is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en aantal: -niet aan voorgevel of zijgevel als zijerf/-gevel gekeerd is naar de weg of openbaar groen Maatvoering: oorspronkelijke maatvoering kozijn en ramen behouden diepte van negge gelijk aan bestaande situatie de oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden Vormgeving: -gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architectuur/tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel -een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en –indeling van de gehele gevel, m.a.w. verticale of horizontale indeling van gevel handhaven samenhang en ritmiek van de straatwand worden niet verstoord de gevel van begane grond en verdieping(en) blijft samenhangend de hoofdindeling komt overeen met de oorspronkelijke indeling indeling raamhout behouden in naar de openbare ruimte gerichte gevels geen toepassing van tussen dubbel glas geplaatste imitatieroedes toegevoegde of vervangende beweegbare delen zijn mogelijk gevelopeningen niet geblindeerd met panelen of schilderwerk bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen in originele staat of in ieder geval in overeenstemming met op de vormentaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten Materiaal en kleur: -materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw -stalen kozijn en raamhout vervangen door aluminium, alleen aluminium kan de dimensionering en profilering van staal benaderen -in principe geen toepassing van kunststof bij vervanging van houten kozijnen, tenzij bestaande profilering en oppervlaktestructuur behouden blijven -geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik Dakkapellen Omschrijving en uitgangspunten Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom naar een dakkapel aan de achterkant (op het achter- of zijdakvlak als het zij-erf of de zijgevel niet gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied). In een dergelijk geval kan een dakkapel binnen bepaalde grenzen vergunningvrij zijn. Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domineren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. In plaats van een dakkapel kunnen ook dakramen worden aangebracht. Deze zijn minder dominant in het straatbeeld. Ook voor dakramen geldt het streven naar herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor dakkapellen in het voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Een dakkapel aan de voorkant of naar het openbaar gebied gekeerde zijkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: -de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok, mits de gemeente ervoor gekozen heeft om een eerder geplaatste dakkapel als trendsetter aan te wijzen de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw Plaatsing en aantal: -bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt -bij individuele hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel -minimaal 1.00 m. dakvlak boven en ter weerszijden van de dakkapel, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) afstand tot goot minimaal 0.50 m. en maximaal 1.00 m. niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak Maatvoering: -hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim -breedte in totaal maximaal 1/3e van de breedte van het dakvlak, gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of einde dakvlak met overstekken, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) Vormgeving: plat afgedekt gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw -geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten. Boeiboord maximaal 25 cm hoog Materiaal en kleur: -materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw -geen toepassing van dichte panelen in het voorvlak; bij binnenwanden eventueel een ‘dubbele stijl’ toepassen -zijwanden dakkapel in donkere kleur of afgewerkt in kleur van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor dakkapellen in het achterdakvlak of niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Een dakkapel in het achterdakvlak of niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: -de dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok -de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw Plaatsing en aantal: -bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt -bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding achtergevel -minimaal 0.50 m. dakvlak boven en ter weerszijden van de dakkapel, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel) afstand tot goot minimaal 0.50 m. bij meerdere dakkapellen/dakramen een tussenruimte van minimaal 00 m. maximaal twee dakkapellen per woning op het betreffende dakvlak; deze dienen gelijkvormig aan elkaar te zijn Maatvoering: -hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim Vormgeving: in principe plat afgedekt gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw -geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten. Boeirand maximaal 25 cm hoog Materiaal en kleur: -materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw -materiaal- en kleurgebruik van kap bij aangekapte dakkapel gelijk aan kap hoofdgebouw -voorvlak grotendeels gevuld met glas, beperkte toepassing van dichte panelen -zijwanden dakkapel in donkere kleur of afgewerkt in kleur van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor dakkapellen per kapvorm Bij een aantal afwijkende kapvormen zijn naast bovenstaande objectcriteria voor de voor- en achterkant een aantal aanvullende welstandscriteria van toepassing. In geval van combinaties van verschillende dakvormen zal door de welstandscommissie per situatie een afweging gemaakt worden van de toelaatbare uitbreidingen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zadeldak met hellingshoek &lt;30° Soms geeft een zadeldak door de flauwe helling weinig tot geen gelegenheid om een dakkapel toe te passen. Door de flauwe helling wordt de bovenzijde van de dakkapel namelijk (nagenoeg) gelijk met de nok. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast, daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30° welstandshalve ongewenst. Een reguliere dakkapel is hier dus niet goed mogelijk. Objectcriteria voor dakkapellen zijn hier niet van toepassing; plaatsing zal door de welstandscommissie worden getoetst op redelijke eisen van welstand. Als de vrije hoogte onder de nok tenminste 2.00 meter bedraagt kan soms een oplossing worden gevonden door de nok te verplaatsen en te verhogen. Dan spreken we van een dakopbouw. Plaatsing zal door de welstandscommissie worden getoetst op redelijke eisen van welstand.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt, en dienen behandeld te worden als het zadeldak. Hierbij dienen de wolfseinden gerespecteerd te worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zadeldak met vliering De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen op dakvlak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Schild-, tent- of piramidedak Het karakter van deze kapvormen, met naar de nok toelopende hoekkepers, vereist een zeer beperkte afmeting van de dakkapel. Bij situering van de dakkapel dient respect te zijn voor de hoekkepers en dient minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Mansardedak Een daktoevoeging aan de achterkant is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In beide gevallen dient de bovenaansluiting met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaats te vinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Lessenaardak Voor dakkapellen op lessenaardaken gelden dezelfde uitgangspunten als voor zadeldaken. Afhankelijk van de hoek van het dak en de nok- en goothoogte gelden verschillende regels. Wanneer de hoek kleiner is dan 30° is een dakkapel welstandshalve niet wenselijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Asymmetrisch dak Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een asymmetrisch dakvlak een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. Het advies hier is omzetten naar het andere dakvlak. In het algemeen worden dakkapellen onder in het dakvlak toegepast. Door de grootte van het dakvlak ontstaat hiermede een goed en evenwichtig beeld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Erfafscheidingen Omschrijving en uitgangspunten Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een erfafscheiding tussen buren moet in de eerste plaats door beide kanten worden gewaardeerd. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Vooral in nieuwbouwwijken is dit een belangrijk punt, omdat het groen hier de eerste jaren nog niet volgroeid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving. Het buitengebied vraagt bijvoorbeeld om andere erfafscheidingen dan de woongebieden. Erfafscheidingen moeten op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting wekt bij velen het gevoel op van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide hekwerken en beplantingen hebben een open en vriendelijke uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor erfafscheidingen Het plaatsen van een erf- of perceelafscheiding is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering: -hoogte maximaal 2.00 m. als erfafscheiding wordt geplaatst tenminste 1 meter achter de voorgevel(rooi)lijn. Bij plaatsing verder naar voren: hoogte maximaal 1.00 m. Indien de erfafscheiding op het zijerf direct grenst aan de weg of het openbaar groen dan mag de hoogte max. 2 meter bedragen achter de achtergevellijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving: -vormgeving afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde objectcriteria voor erf- en perceelafscheidingen -haagplanten zoals liguster, buxus of haagbeuken, volledig te begroeien gazen hekwerken, of ander natuurlijk materiaal -geleding houten erfafscheiding afgestemd op erfafscheiding van belendend perceel of reeds bestaande erfafscheiding in de omgeving rechte vormgeving, geen toogvormen Indien de erfafscheiding grenst aan de openbare weg of aan het openbaar groen dient deze voor 90% open te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal en kleur: -kleur en materiaal aansluitend op erfafscheiding van naburig perceel, tenzij deze niet voldoet aan de hier genoemde objectcriteria voor erf- en perceelafscheidingen -geplaatst achter de voorgevellijn op de zij- of achtererfgrens als deze niet gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied -metselwerk conform het hoofdgebouw, waarboven mogelijk metalen stijlen in donkere kleur of schotten van houten planken tussen gemetselde penanten -geen felle contrasterende kleuren Dakramen Omschrijving en uitgangspunten Een dakraam is een raam aangebracht in het dakvlak, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak behouden blijft en dakbedekking rondom aanwezig is. Dakramen zijn niet erg dominant in het straatbeeld, maar kunnen door verschil in grootte en plaatsing binnen één dakvlak toch storend zijn. Dakramen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakraam mag dus niet ten koste gaan van de eenheid van het dakvlak. Bij meerdere dakramen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Daarbij moet de ruimte tussen het dakraam en goot of nok voldoende zijn. Ook de onderlinge afstand tussen verschillende dakramen moet voldoende zijn om het dakvlak als eenheid te respecteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor dakramen In veel gevallen zullen dakramen vergunningvrij zijn. In die gevallen waarbij dat niet het geval is geldt het navolgende. Een dakraam is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en aantal: -bij meerdere dakramen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn -bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel -minimaal 0.50 m. dakvlak boven, onder en ter weerszijden van het dakraam, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van het dakraam (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/voet van het dakraam) bij meerdere dakramen een tussenruimte van minimaal 0.50 m. maximaal twee dakramen op voordakvlak en vier dakramen op achter- en zijdakvlak tot in totaal maximaal 50% van het oppervlak van het betreffende dakvlak is bebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering: oppervlakte maximaal 2.00 m² per dakraam bij meerdere dakramen identieke maatvoering aanhouden Vormgeving: -eenvoudige vormgeving, geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden kozijn en profielen Materiaal en kleur: -eenvoudig en bescheiden kleurgebruik, geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik Zonnepanelen en –collectoren Omschrijving en uitgangspunten Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking. Deze voorzieningen worden in toenemende mate ontwikkeld en toegepast. Inmiddels is er zodanig ervaring mee opgedaan dat een zorgvuldige vormgeving en plaatsing mogelijk zijn. Zonnecollectoren of panelen die niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied hebben weinig ontsierende invloed. De situering van zonnepanelen of -collectoren wordt echter bepaald door de optimale stand ten opzichte van de zon. Voorkeur van de gemeente voor situering aan de achterzijde kan daarom niet van doorslaggevende aard zijn bij de beoordeling van dergelijke bouwaanvragen. Alleen in beschermde stads- en dorpsgezichten, op monumenten of beeldbepalende panden lijkt een alternatieve situering aan minder belangrijke zijden of op tuinbergingen een voor de hand liggend alternatief. Zonnecollectoren of -panelen kunnen in het ontwerp van een gebouw worden geïntegreerd. Als losse toevoeging kunnen ze echter heel storend werken. Bij meerdere collectoren/panelen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor zonnepanelen of -collectoren Een zonnepaneel of -collector is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: -op het dakvlak zijn geen dakramen of -kapellen gesitueerd Plaatsing en aantal: -bij meerdere panelen/collectoren regelmatige rangschikking op horizontale of verticale lijn in een bepaalde ordening -op schuine daken: geheel binnen het dakvlak en de hellingshoek gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. -op platte daken: geheel is gelegen binnen een hoek van 15 graden vanaf de dakrand, met een minimumafstand tot de dakrand van 0,5 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving: paneel/collector integraal opgenomen in het ontwerp van het bouwwerk paneel/collector vormt qua vormgeving een geheel met de installatie voor het opslaan van water of voor de opwekking van elektriciteit, zo niet dan is de installatie in het bouwwerk geplaatst Materiaal en kleur: -de kleur overeenkomstig met het achterliggende dakvlak of anders zwart, antraciet of donker grijs Spriet-, staaf- en schotelantennes Omschrijving en uitgangspunten Het gaat hier om antennes die van wezenlijk belang zijn voor het kunnen zenden en/of ontvangen van radio-, televisie- en andere communicatiesignalen. Onder spriet- of staafantennemast worden niet begrepen calamiteitensirenes en antenne-installaties ten behoeve van mobiele telefonie. Antennes kenmerken zich door een zeer eigen technische vormgeving die vooral aan de voorzijde storend kan zijn voor het straatbeeld. De gemeente streeft dan ook naar plaatsing van antennes achter het hoofdgebouw, in ieder geval onzichtbaar vanaf de weg of openbaar groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Antennes kunnen vrijstaand worden geplaatst of op/aan een bouwwerk worden aangebracht. Een antenne dient een ondergeschikt element te blijven ten opzichte van de omringende bebouwing. Als losse toevoeging kunnen ze storend werken op het uiterlijk van een gebouw. Met name de hoogte, de bouwkundige uitwerking en detaillering van antennes mogen geen zwaar stempel op de omgeving drukken. Een zorgvuldige plaatsbepaling kan een goed middel zijn om deze voorzieningen in te passen in de omgeving. Het heeft de voorkeur een antenne achter het hoofdgebouw en in ieder geval achter de voorgevellijn te plaatsen. Daarnaast is de maatvoering en een zorgvuldige kleurkeuze van belang. De antenne dient altijd ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw of het erf waarop deze geplaatst wordt en in ieder geval niet de boventoon te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor spriet-, staaf- en schotelantennes Een spriet-, staaf- of schotelantenne is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en aantal: -antennes bij voorkeur aan een achtergevel bevestigd, in ieder geval achter de voorgevellijn geplaatst -niet aangebracht aan monumenten of als beeldbepalend aangewezen panden bij gestapelde woningbouw op het platte dak bij gestapelde woningbouw op of aan het balkon geplaatst binnen het verticale en horizontale vlak van het balkon en niet aan de gevel of kozijn -maximaal één spriet-, staaf- of schotelantenne aan, op of bij een woning/pand Maatvoering: -hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing aan gevel binnen bijzondere beeldbepalende gebieden zoals een dorpskern of centrumgebied (welstandsniveau 1) maximaal 00 m. vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak hoogte spriet- of staafantenne bij plaatsing aan gevel binnen overige gebieden zoals een bedrijventerrein, sportcomplex of woonwijk maximaal 00 m. vanaf het snijpunt met het aangrenzende dakvlak doorsnede schotel maximaal 2.00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving: -antenne en bijbehorende voorzieningen (mast, bedrading, tuidraden etc) als één geheel vormgegeven -indien zichtbaar vanaf de weg of het openbaar groen zo onzichtbaar mogelijk (een minimum aan dwarssprieten kan hiertoe bijdragen) -beperken van aantal tuidraden. Bij bevestiging aan gevel geen tuidraden (stabiliteit wordt behaald uit de bevestiging aan de gevel) Materiaal en kleur: -materiaal en kleur onopvallend en aanvaardbaar in relatie tot de omgeving, geen felle, contrasterende kleuren maar antraciet of donker grijs Rolhekken, luiken en rolluiken Omschrijving en uitgangspunten Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving een rommelig aanzien geven. Daarom stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor woningen is het toepassen van rolhekken, luiken en rolluiken vergunningvrij. Voor gebouwen anders dan woningen en woongebouwen echter niet altijd. Juist in winkelgebieden zijn de problemen met deze anti-inbraak en -vandalisme voorzieningen het grootst. De gemeente streeft er daarom naar dat rolhekken, luiken en rolluiken de uitstraling van een pand niet negatief beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria voor rolhekken of (rol)luiken Een rolhek, luik of rolluik is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande objectcriteria wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing: -minimaal 1,00 m teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie (pui) aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits: voor minimaal 70% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur/gevel aan de buitengevel, mits: plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is voor minimaal 90% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel Bijlage 2 Richtlijnen reclametekens reclametekens Hoewel niet behorend tot de categorie bouwplannen waarvoor Sneltoetscriteria moeten worden opgesteld, is toch gekozen om voor reclame een aantal richtlijnen en uitgangspunten te formuleren. Reclame heeft een dusdanige invloed op de kwaliteit van de leefomgeving dat de gemeente uden hiervoor een aantal richtlijnen heeft opgesteld die de welstandscommissie zal hanteren bij de beoordeling van aanvragen hieromtrent. Voor reclame-uitingen dient altijd een reclamevergunning aangevraagd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 inleiding Reclame is niet meer weg te denken uit onze samenleving. De invloed van reclame op ons dagelijks leven is de afgelopen decennia steeds groter geworden. Er is vrijwel geen medium dat gevrijwaard is van reclameboodschappen. Vrijwel elke (al dan niet virtuele) omgeving zal vroeg of laat met reclame-uitingen worden geconfronteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame kan veel verschillende vormen aannemen. de traditionele vorm, een wervende boodschap, heeft inmiddels een subtielere pendant gekregen in de vorm van sponsoring. Veel non-profitorganisaties blijven in leven dankzij de ‘steun’ van de commercie. Maar ook commerciële bedrijven zien in het verhuren van reclameruimte een aantrekkelijke tweede bron van inkomsten. Zo kan een stadsbus een rijdend billboard worden en worden literatuurprijzen vernoemd naar uitgeverijen van tijdschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een belangrijk onderscheid te maken tussen plaatsgebonden en nietplaatsgebonden reclame. Waar niet-plaatsgebonden reclame slechts tot doel heeft de consumptie van een bepaald product te bevorderen, of aan te zetten tot een bepaalde handeling, is het doel van plaatsgebonden reclame in eerste instantie de aanwezigheid van de producent, de persoon, het bedrijf of instantie achter de reclame, in een bepaalde omgeving herkenbaar te maken. Dit is een van de oudste vormen van reclame: het uithangbord, de gevelbelettering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de openbare ruimte treffen we voornamelijk plaatsgebonden reclame aan. niet-plaatsgebonden reclame wordt, in nederland, slechts zeer restrictief toegelaten: Een beperkt aantal billboards op de belangrijkste verbindingsassen van een stad, het logo van de voornaamste geldschieter op de gevel van een woontoren. Verder zijn er de al eerder genoemde mobiele reclame-uitingen en kan de argeloze voorbijganger overal worden geconfronteerd met tijdelijke reclamemanifestaties, flyers en (illegaal) plakwerk. Plaatsgebonden reclame heeft in de openbare ruimte een duidelijke functie: zowel producent als consument zullen erbij gebaat zijn wanneer de consument snel zijn weg naar de producent weet te vinden. Er is in die gevallen zowel een privé-belang als een gemeenschappelijk belang te onderkennen. Voor niet-plaatsgebonden reclame in de openbare ruimte is het gemeenschappelijk belang afwezig of op zijn minst zeer twijfelachtig. Bij alle reclame-uitingen is er bovendien een tegengesteld belang aan te wijzen: dat van de ruimtelijke kwaliteit van onze dagelijkse leefomgeving. Een overdaad aan reclame tast die kwaliteit aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandszorg bewaakt de ruimtelijke kwaliteit van onze dagelijkse leefomgeving. reclame-uitingen in de openbare ruimte zijn dan ook onderwerp van welstandstoetsing. Om in de gebouwde omgeving het fenomeen reclame beheersbaar te houden is het voor gemeenten van belang hierover een afgewogen beleid voor te formuleren. Deze algemene notitie kan de eerste aanzet voor dat beleid zijn. bovendien verschaft hij duidelijkheid omtrent de wijze waarop de welstandscommissie in voorkomende gevallen toetst. Elke aanvraag wordt echter, zoals de wet dat eist, individueel beoordeeld zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame is een uitermate precedentgevoelig fenomeen en heeft de neiging, onder de druk van de concurrentie, steeds groter en opzichtiger te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juist daarom is het formuleren van een beleid zeer belangrijk. afwijkingen van het beleid zullen al snel tot een vervaging van de normen leiden en het begrip van de burger voor de wijze van beoordelen zal hierdoor afnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus van groot belang dat een gemeentelijke visie op de grenzen en mogelijkheden van reclametoepassing in een hanteerbaar beleid wordt omgezet, en dat dit beleid op standvastige wijze wordt gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 beoordelingsaspecten Bij het vaststellen van normen voor reclametekens, is het zinvol onderscheid te maken tussen de verschillende gebieden in een gemeente. Een woonwijk vraagt een andere benadering dan een winkelgebied of een beschermd dorpsgezicht. Maar ook het buitengebied zal ernstig aangetast worden bij plaatsing van reclametekens die op een bedrijventerrein gebruikelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 gebiedsindeling Met betrekking tot het toepassen van reclametekens gaat deze notitie uit van de volgende indeling: bebouwde kom; woongebieden; winkelgebieden; beschermd stads- of dorpsgezicht; bedrijventerrein; sportterreinen; buitengebied; overgangsgebieden en verbindingsassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per gebied zal een eigen beleid geformuleerd worden met zijn eigen uitgangspunten en normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 algemene voorwaarden In het algemeen geldt dat reclametekens alleen aanvaardbaar zijn indien zij een directe relatie hebben met de gekozen situering, de afmetingen en kleuren afgestemd zijn op het karakter van de directe omgeving en zij niet groter zijn dan voor een goede leesbaarheid voor die situering noodzakelijk is. De reclametekens dienen qua afmetingen en plaatsing op de gevelopzet afgestemd te worden. De hierna te noemen maximum maten dienen in dit licht bezien te worden; Er zullen zich situaties voordoen waarbij ook deze maximummaten de welstand nog te zeer zullen verstoren. Het toepassen van losse letters en aanlichten van reclameteksten verdient de voorkeur boven het toepassen van lichtbakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij lichtbakken is het raadzaam een donker fond te kiezen met heldere letters, ook i.v.m. de verkeersveiligheid (verblindingeffecten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Merkreclames zijn alleen denkbaar indien het bedrijf slechts één product voert; te denken valt b.v. aan een autodealer. Dit om een wildgroei aan tekens te voorkomen. Tenslotte: ook een reclame vraagt om een zorgvuldige vormgeving en een goede integratie in de gebouwde context.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bebouwde kom 3.1 woongebieden In een gebied dat hoofdzakelijk is ingericht voor woondoeleinden passen geen reclametekens. er ontbreekt immers een relatie tussen het woonmilieu en reclame-uitingen. woningen met praktijkruimte Een uitzondering hierop vormen woningen met een praktijkruimte voor het uitoefenen van een vrij beroep, zoals een arts, architect of verzekeringsadviseur. In dergelijke gevallen is een bescheiden aanduiding aanvaardbaar. maximale oppervlakte 0.20 m2 alleen naam en aard van het bedrijf met eventueel openingstijden, en/of een vignet (geen merkreclames!). aanlichten van de reclametekst verdient de voorkeur boven lichtreclame. bevestiging tegen gevel t.p.v. de bedrijfstoegang. bij aanwezigheid van voortuinen is plaatsing van een bord in de tuin denkbaar, mits zorgvuldig (als tuinmeubel) vormgegeven, geïntegreerd in het tuinontwerp. het toepassen van lichtbakken is dan niet geschikt, beperkte aanlichting wel. totaalhoogte maximaal 1.20 m. -kleuren dienen terughoudend gekozen te worden. bedrijfsbebouwing met positieve bestemming Voor bedrijfsbebouwing met een positieve bestemming in een woonomgeving gelden de volgende uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen aanduidingen die betrekking hebben op naam en aard van het bedrijf zijn toelaatbaar. Het voeren van een merkreclame is alleen mogelijk indien het bedrijf slechts één merkproduct verkoopt (denk b.v. aan een autodealer).</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen zal al snel door een te veel aan reclames een onrustig totaalbeeld ontstaan. per 10 meter gevelbreedte aan straatzijde is 1 m2 reclame mogelijk. Per gebouw dient in principe niet meer dan 1 reclameteken gelijktijdig zichtbaar te zijn. Uitzondering hierop kan gemaakt worden voor gebouwen die gevels aan meer dan één straat hebben. Het aantal tekens blijft dan 1 per naar de straat gekeerde gevel. Bij een grotere gevelbreedte dan 15 m zijn twee reclametekens denkbaar. De reclame dient te worden aangebracht op begane grond niveau, in ieder geval onder de verdiepingsramen. Uiteraard gelden ook hier weer de algemene uitgangspunten m.b.t. vormgeving, kleurstelling en plaatsing t.o.v. het gevelvlak. Het integreren van vrijstaande bescheiden reclametekens in de voortuin is denkbaar mits plaats, vormgeving en kleur worden afgestemd op de omgeving. Het toepassen van lichtbakken is dan niet geschikt, beperkte aanlichting wel. de maximale hoogte van een dergelijk element is sterk afhankelijk van de situatie, doch mag de 2,25 m niet overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 winkelgebieden In gebieden met een uitgesproken winkel- en/of promenadekarakter zijn de mogelijkheden tot reclamevoering ruimer dan in woongebieden. gezien de grote vormverscheidenheid van winkelgebieden en reclames, is het niet mogelijk richtlijnen te formuleren die 100% uitsluitsel geven over de aanvaardbaarheid van reclames. Algemeen kan gesteld worden dat de reclames op winkelniveau, d.w.z. het begane grond niveau, geplaatst dienen te worden, zodat er een directe en logische relatie tussen het reclameteken en de functie ontstaat en de overlast voor eventuele bovenwoningen beperkt wordt. In beginsel dient de oppervlakte van reclametekens al of niet verlicht, de 2 m2 per 10 meter gevelbreedte aan de straatzijde, niet te overschrijden. plaatsing tegen de luifel, is beter dan plaatsing op de luifel. de hoogte van de reclame dient op die van de luifel afgestemd te worden met een maximum hoogte van 0,5 m. Bij een plaatsing evenwijdig aan de luifel is een lengte van maximaal 60% van de winkelbreedte denkbaar. Loodrecht op de luifel mogen geen reclametekens aangebracht worden. Loodrecht onder de luifel bestaat vaak de mogelijkheid op bescheiden, maar effectieve wijze reclame te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen luifel aanwezig is, kan een lichtbak met bovenstaande afmetingen op de gevel aangebracht worden, mits qua afmetingen en plaatsing afgestemd op de gevelopzet. loodrecht op de gevel is er per 6 m winkelbreedte een reclame mogelijk met een maximale oppervlakte van 0,75 m2, met een maximale hoogte en breedtemaat van 1,25 m. Per gebouw van minder dan 10 meter breedte aan de straatzijde, dient in principe niet meer dan één reclameteken gelijktijdig zichtbaar te zijn. een uitzondering is te maken voor gebouwen die gevels aan meer dan één straat hebben. het aantal tekens blijft dan één per naar de straat gekeerde gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 beschermd stads- of dorpsgezicht Het vaststellen van een beschermd stads- of dorpsgezicht heeft het behoud van de cultuurhistorische waarden van een dergelijk gebied ten doel. Om een harmonie met deze waarden te bereiken dienen reclame-uitingen in zijn algemeenheid gekenmerkt te worden door een gebruik van traditionele middelen, materialen, vormen en kleuren. voorbeelden van traditionele middelen zijn het uithangbord en het beletteren van kroonlijsten of luifels boven entree of etalagepartijen. Uiteraard is het van groot belang dat de reclameaanduiding op harmonieuze manier opgenomen wordt in de architectuur van het pand of zelfs daartoe bijdraagt. Felle kleuren, grote ongelede vlakken met reclameboodschappen evenals lichtbakken zijn storend doordat zij onvoldoende passen in de traditionele karakteristiek. het aanlichten van losse letters op gevel of luifel biedt een goed alternatief voor lichtbakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 bedrijventerreinen Bij bedrijventerreinen kan een onderscheid gemaakt worden tussen verschillende soorten boodschappen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 naam-, beroeps- en/of productaanduiding met een directe relatie tot het betreffende bedrijf;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 verwijzingsreclame c.q. routeborden op het bedrijventerrein;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 gezamenlijke presentatie van de bedrijven m.b.t. bijvoorbeeld masten bij de entree van het terrein;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1 Gezien de grotere schaal van de gebouwen en het utilitaire karakter, is een grotere hoeveelheid reclame denkbaar. Uitgangspunt blijft dat de reclame op een logische plaats tegen het gebouw aangebracht dient te worden, b.v. bij de entree, en afgestemd dient te zijn op de massaopzet en gevelopzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien plaatsing tegen een gevel niet mogelijk is, b.v. bij glasvliesgevels, de reclametekst boven of in de buurt van de entree aanbrengen. Ook is een plaatsing op de dakrand dan mogelijk, indien uitgegaan wordt van losse letters. Los geplaatste ornamenten zijn denkbaar, mits zorgvuldig vormgegeven, geplaatst bij de toegang tot het bedrijf en qua hoogte afgestemd op het kantoorgedeelte van het bedrijf met een maximum hoogte van 3,50 m. Per bedrijf is maximaal één merkreclame toelaatbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2 Routeborden in één uniform kader zijn mogelijk. Per terrein zal een dergelijk kader moeten worden ontwikkeld en vormgegeven. Alleen naamsaanduidingen van het bedrijf en de branche, c.q. beroepsaanduiding zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3 Een gezamenlijke presentatie bij de entree van het bedrijventerrein is denkbaar, eventueel in combinatie met een plattegrond en routebeschrijving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zorgvuldige vormgeving is dan essentieel. De hoogte dient beperkt te blijven tot 5 m maximaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Sportterreinen Sportterreinen zijn meestal in een ‘groene’ omgeving gesitueerd. Het aanbrengen van reclames, niet gericht op het complex zelf, is slecht passend en niet aanvaardbaar. Naamsreclame voor de sportvereniging zelf is i.v.m. de bereikbaarheid wel mogelijk, mits deze aanduidingen qua maat, vormgeving en kleurstelling zijn afgestemd op het karakter van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient aanbeveling één uniform systeem te ontwikkelen. Reclameuitingen, gericht op het complex zelf, zijn denkbaar (borden rond het (voetbal)veld, naamsaanduiding op kantine) indien de naar de natuur gekeerde zijde donker van kleur is en de hoogte gerekend vanaf maaiveld maximaal 1,20 m bedraagt. Het toepassen van lichtreclame dient verder beperkt te blijven tot één lichtreclame per vereniging, aangebracht op het clubgebouw met een maximale afmeting van 1,00 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Buitengebied Reclameborden, aankondigingen en verwijzingsborden horen niet thuis in het buitengebied. Ze passen slecht bij het karakter van de omgeving en vormen een visuele vervuiling. Zeker nu het recreatieve karakter van het buitengebied meer aandacht krijgt, is het van belang het karakterverschil tussen de bebouwingskernen en het buitengebied te bewaren c.q. te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1 algemene voorwaarden Gebieden die een bijzondere landschappelijke kwalificatie in het bestemmingsplan of streekplan toegekend hebben gekregen zijn in principe niet geschikt om enige vorm van reclame toe te laten. Ter bescherming van het landschapsschoon en ter behoud van het specifieke karakter van deze gebieden is een zeer terughoudend beleid noodzakelijk. Lichtreclames passen niet in het buitengebied en zullen met name 's avonds als zeer dominant en opzichtig ervaren worden. Daarom is het plaatsen van lichtreclames in het buitengebied in principe niet toelaatbaar. Verwijsborden zijn in beginsel niet toegestaan, evenals niet perceelsgebonden reclameborden en algemene merktekens. de vormgeving, kleurstelling en plaatsing dienen in harmonie met de omgeving te zijn. Dus geen felle kleurwisselingen en schreeuwende kleurcombinaties. een donker fond met lichtkleurige letters is met name in het buitengebied van belang. onbebouwd perceel de oppervlakte mag maximaal 0,5 m2 bedragen; de hoogte van het bord mag niet hoger reiken dan 1,25 m boven maaiveld; maximaal 1 bord per terrein; geen lichtreclames c.q. aanlichting; vrijstaand op een bebouwd perceel oppervlakte per reclameobject maximaal 1 m2; de maximale breedte van het reclameobject is 2 m; de bovenkant van het opschrift mag niet hoger reiken dan 2,5 m boven het maaiveld. Bij aanwezigheid van b.v. een aarden wal geldt het peil van de weg en/of het bedrijfspand als maaiveld; -de afmetingen mogen in totaal niet meer dan 2 m2 bedragen. deze oppervlakte wordt in mindering gebracht op de maximaal toelaatbare reclame op het gebouw (4 m2, zie 3.6.5); per terrein maximaal 2 reclameobjecten toegestaan; een dubbelzijdige reclame wordt gezien als twee reclameobjecten; geen lichtreclames c.q. aanlichting; de plaatsing van de reclame dient een directe relatie met de toegang en/of ingang van het bedrijf te hebben; op of aan een gebouw -de totale oppervlakte van het opschrift mag niet meer dan 5% van de geveloppervlakte bedragen met een maximum van 4 m2. hierbij telt reclame op het perceel mee (zie 5.4); -per gebouw is maximaal één opschrift dat aan straatzijde zichtbaar is toelaatbaar. Een uitzondering kan gemaakt worden voor gebouwen die gevels aan meer dan één straat hebben. Het aantal opschriften is dan één per naar straat gerichte gevel; -per gebouw is maximaal 1 lichtreclame toelaatbaar met een maximale oppervlakte van 1 m2. Uitzondering kan gemaakt worden voor gebouwen die gevels hebben aan meer dan één straat; -de opschriften dienen te zijn opgenomen in de architectonische opbouw</p>\n<p class=\"lf-p\">van de gevel en daaraan zo mogelijk bij te dragen. plaats, afmeting en kleur worden mede daardoor bepaald. Het is zeker niet ondenkbaar dat in bepaalde gevallen de maximale afmetingen nog te ruim zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Overgangsgebieden en verbindingsassen Met overgangsgebieden worden de zones bedoeld waar de andere gebieden (woon- en winkelgebieden, beschermde gezichten, bedrijventerreinen, sportterreinen en buitengebied) aan elkaar grenzen. Deze gebieden vallen vaak samen met verbindingsassen, waar het verkeer de enige duidelijk aanwijsbare functie is. De vorm van de buitenruimte wordt hier dan ook in mindere mate door bebouwing bepaald. Niet bij elke overgang is een dergelijk gebied aanwezig; sommige ruimtelijkfunctionelestructuren sluiten naadloos op elkaar aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsgebieden zijn vanwege hun mono-functionele karakter en, meestal, grote verkeersstromen, geschikte plaatsen voor het maken van tijdelijke reclame voor bijvoorbeeld evenementen en voorstellingen. Ook zullen zich in deze zones vaak informatiedragers bevinden, zoals gemeente- en wijkplattegronden. Wanneer de gemeente besluit medewerking te verlenen aan de plaatsing van dragers voor wisselende reclame-uitingen (billboards) dan zullen deze gebieden daarvoor in het algemeen de meest aangewezen plekken zijn. Overigens zal ook hier een zorgvuldige plaatskeuze en afstemming op de omgeving noodzakelijk blijven en blijft een welstandstoetsing dus ook nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Schema’s BUITENGEBIED BEDRIJVENTERREIN BIJZONDERHEDEN -De hierboven genoemde maten zijn maximum totaalmaten. Bij combinatie van verschillende mogelijkheden (bij a en c) is een middeling nodig, b.v. 60% van de maximum maat genoemd in a, en 40% van de maat genoemd bij b. -Reclame-uitingen dienen naar het bedrijventerrein zelf gericht te zijn. Bij ligging langs grote doorgaande verbindingsassen is op de gevel gericht naar deze as geen reclame mogelijk, tenzij de gevel qua uitstraling is afgestemd op die belangrijke zichtlocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">BEBOUWDE KOM SPORTTERREINEN</p></div>", "next": 0}