{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">in het kader van het verwijderen van verwarmingstoestellen geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende pakkingen die zich tussen ketelleden bevinden, of geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende rem- en frictiematerialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-831\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op sloopterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-832\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of de aanschrijving tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-833\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Plichten van de houder van de sloopvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De houder van de sloopvergunning moet een exemplaar van het rapport als bedoeld in artikel 8.1.2, vierde lid, indien aanwezig, dan wel andere informatie als bedoeld in artikel 8.1.2, derde en vierde lid, die bij de aanvraag om vergunning is verstrekt, ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De houder van de sloopvergunning moet, indien het slopen van asbest waarop de vergunning betrekking heeft krachtens aanneming van werk zal worden uitgevoerd, de aanvang van het slopen van asbest voordat met de werkzaamheden wordt begonnen schriftelijk melden aan het districtshoofd van de Arbeidsinspectie binnen wiens district de werkzaamheden worden uitgevoerd. Hij moet daarbij tevens meedelen welk bedrijf de werkzaamheden uitvoert en het tijdstip waarop met de werkzaamheden wordt begonnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-834\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Plichten van degene die sloopt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan het bouwtoezicht dienen tenminste twee dagen van de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk gescheiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-835\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het gestelde in het tweede lid is niet van toepassing, indien een mededeling, als bedoeld in 8.2.1, eerste en tweede lid, is gedaan of in een geval, als bedoeld in artikel 8.2.2. Ingeval werkzaamheden, als bedoeld in artikel 8.2.2, worden verricht, moeten de werkzaamheden zodanig worden verricht, dat verontreiniging van het milieu met asbest wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Asbest dat vrijkomt bij het slopen moet onmiddellijk worden verzameld en in afgesloten niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal worden opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal waarin asbest als bedoeld in het vierde lid is opgeslagen, moet worden opgeslagen in een afgesloten container of afgesloten opslagplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien asbest als bedoeld in het vierde lid door vorm of formaat niet in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal kan worden opgeslagen, moet het asbest in een afgesloten container worden opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal of containers, waarin asbest is opgeslagen als bedoeld in het vierde, vijfde of zesde lid moeten: op duidelijke wijze worden voorzien van de aanduidingen die zijn voorgeschreven op grond van het Etiketteringsbesluit asbest bevattende artikelen (Warenwet), en zodanig worden gereed gemaakt voor de afvoer van het sloopterrein dat verontreiniging van het milieu met asbest wordt voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-836\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 8.3.3 gelden voor het in het kader van beroep of bedrijf slopen van een tuinbouwkas, voorzover dat slopen betrekking heeft op het verwijderen van asbestbevattende voegkit, de navolgende voorschriften:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bij ministeriele regeling gegeven voorschriften worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de sloopvergunning stelt een afschrift van die vergunning ter hand aan degene die het slopen van een tuinbouwkas uitvoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de sloopvergunning, indien een rapport als bedoeld in artikel 2, onder h van het Asbestverwijderingsbesluit, is opgesteld, stelt het afschrift van dat rapport dan wel van het schriftelijk stuk waarmee naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond waar zich asbest in de tuinbouwkas bevindt, ter hand aan degene die het slopen van de kas uitvoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houder van de sloopvergunning draagt zorg voor de afvoer van het verwijderde, met asbestbevattende voegkit verontreinigd sloopmateriaal binnen een door burgemeester en wethouders in de sloopvergunning gestelde termijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Vrij slopen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-841\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Sloopafval algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1, is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende fracties: de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz 9) steenachtige sloopafval, zonder inbegrip van gips; bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; met PAKS verontreinigde materialen; asfalt; dakgrind; overig afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Welstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1</span><span class=\"lf-art-t\">De advisering door de welstandscommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De advisering over de redelijke eisen van welstand is opgedragen aan Hus &amp; Hiem, welstandsadvisering en monumentenzorg, hierna te noemen: de welstandscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders baseren hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Zo dat nodig wordt geacht kunnen burgemeester en wethouders advies vragen aan de welstandscommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling van de welstandscommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen 3.De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Benoeming en zittingsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 (reglement op de Commissie) bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassingen van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Termijn van advisering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag om een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken; een regulieren bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub b van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie waarin de aanvraag wordt behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Belanghebbenden hebben in toelichtende zin speekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.7</span><span class=\"lf-art-t\">Afdoening bij mandaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te wijzen ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de verschillende categorieën licht-vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria zijn opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.8</span><span class=\"lf-art-t\">Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om bouwvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.9</span><span class=\"lf-art-t\">Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: op het voornemen inspraak is verleend; het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10 Overige administratieve bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.1</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om woonvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om de in artikel 61 van de Woningwet bedoelde vergunning moet worden aangegeven voor welk doel de onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen zal worden gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overdragen vergunningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de vergunning als bedoeld in artikel 61 van de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van zijn rechtsverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overdragen mededeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het kenteken met de woorden ‘onbewoonbaar verklaard’, bedoeld in artikel 31 van de Woningwet, bestaat uit een bord van ten minste 120 mm lang en 70 mm hoog, waarop de tekst met duidelijke letters, van ten minste 15 mm hoog, is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het kenteken wordt van gemeentewege aan de toegangsdeur van de onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor zover het in het tweede lid bedoelde kenteken niet tevens vanaf de weg zichtbaar is, dient er een tweede kenteken met daarop de aanduiding van de woning of woonwagen bevestigd dan wel geplaatst te worden op een van de weg af in het oog vallende plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op de onbruikbaar verklaarde standplaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Handhaving</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bevel tot stilleggen van de bouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bouw stil te leggen indien er wordt gebouwd: zonder bouwvergunning; in afwijking van de bouwvergunning; op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 43 of 44, tweede lid van de Woningwet en er niettemin wordt geconstateerd dat er wordt gebouwd in afwijking van het Bouwbesluit; in afwijking van de voorschriften van de bouwverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bouwtoezicht constateert, dat in afwijking van het bepaalde in artikel 4.14 het bouwwerk in gebruik is genomen, kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar of degene, die het in zijn macht heeft aan de verboden toestand een einde te maken, aanschrijven tot het staken van het gebruik of tot het alsnog voldoen aan alle voorwaarden van de bouwvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Stilleggen van het slopen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders zijn bevoegd sloopwerkzaamheden stil te leggen indien er wordt gesloopt: zonder sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van deze verordening; in afwijking van een sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van deze verordening; zonder melding van het sloopvoornemen, als bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, van deze verordening; in afwijking van de voorschriften die zijn gegeven in de mededeling als bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, van deze verordening; in afwijking van de voorschriften inzake de plichten bij het slopen, opgenomen in de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.5 van deze verordening in afwijking van de voorschriften van het Asbestverwijderingsbesluit, zoals laatstelijk gewijzigd, zijnde de Algemene Maatregel van bestuur, bedoeld in de artikelen 24, 35, vierde lid en 39, derde lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen, alsmede in de artikelen 8, achtste lid, juncto 8, tweede lid, onderdelen d en h en 110, eerste lid van de Woningwet; of in afwijking van artikel 8.4.1 van deze verordening indien en voor zover het vergunningsvrij slopen betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbare feiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de voorschriften genoemd in de artikelen 4.2, 4.5, 4.7, 4.8, 4.9, 4.10, eerste tot en met vierde lid, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14, 4.15, 5.2.1, 5.4.1, 6.1.1, eerste lid, 6.1.7, 6.2.1, eerste lid en tweede lid, 6.2.2, eerste lid, 6.2.3, 6.3.1, 6.3.2, 6a.1.2, 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1, 7.2.2, 7.2.3, 7.3.2, 7.4.1, 7.5.1,7.6.1, 8.1.1, eerste lid, 8.2.1, negende en tiende lid, 8.3.1, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.3.5, 8.4.1, geldt als strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling bodemonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 1.2.6 van de bijlage behorende bij het Besluit indieningsvereisten als bedoelde verkennende bodemonderzoek tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 46 tot en met 52 van de brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 juni 1974, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op grond van genoemde brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 54 en 71 van de brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 juni 1974 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ontheffing, aanschrijving, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 juni 1974, blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een bevel tot sluiting als bedoeld in artikel 67 van de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 juni 1974, blijft van kracht totdat het besluit tot opheffing van dit bevel krachtens artikel 70 van de genoemde brandbeveiligingsverordening onherroepelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span><span class=\"lf-art-t\">aOvergangsbepaling gebruiksvergunning kamerverhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen om verlening van volgens deze verordening gelijkgestelde vergunning welke vóór of op de dag van inwerkingtreding van de wijziging van de bouwverordening zijn ingediend worden behandeld volgend het voordien geldende recht, indien dit voor de betrokkene gunstiger is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling sloopmelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling artikelen 2.1.5, 2.4.1 en 2.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming anderszins, die is ingediend voor het tijdstip waarop de bij raadsbesluit van 14 april 2003, nr 6214 vastgestelde wijziging van deze verordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden voor de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast. Het bovenstaande is slechts van toepassing op de artikelen 2.1.5, 2.4.1 en 2.4.2 voorzover deze in overeenstemming zijn met de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan op verontreinigde grond (Wet van 14 februari 1998, Stb. 1998, 132).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt, met toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet, in werking op de achtste dag na die waarop zij is afgekondigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 17 november 1997 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, met uitzondering van artikel 9.1;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bouwverordening van de gemeente Leeuwarden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage:welstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwverordening 1997Artikel 9.1 WelstandscriteriaBij de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet wordt acht geslagen op de volgende aspecten de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context; massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling; samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gemeenteraad een beleid voor de visuele kwaliteit van de gebouwde omgeving heeft geformuleerd en openbaar gemaakt in planologische maatregelen, beleidsnota's, deelnotities dan wel de daarbijbehorende ontwerpen wordt, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, het bouwwerk aan dat beleid getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordeningvervallen Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordeningvervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Funderingsplanvervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Constructieve en aanverwante gegevensvervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwveiligheidsplan/sloopveiligheidsplanvervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen ten aanzien van tekeningenvervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen ten aanzien van berekeningenVervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingHoofdlijnen van de jurisprudentie -Ingevolge artikel 6 eerste lid van bijlage 1 bij de (Model)bouwverordening dient de schaal van de tekeningen van het bouwwerk 1:100 te zijn. In verband met de grootte van het te bouwen gebouw is in casu niet voldaan aan dit gestelde schaalvereiste. De Voorzitter ARRS: Gelet op de praktische problemen (de gestelde schaaleis maakt de tekeningen volstrekt onhandelbaar) wordt in het niet - geheel - voldoen aan het bepaalde in voornoemd artikel 6 onvoldoende aanleiding gezien om tot schorsing van de bouwvergunning over te gaan. De aanvraag is niet onzorgvuldig beoordeeld. Ook is niet gebleken dat niet is voldaan aan de in artikel 2.1.3 van de (Model-) bouwverordening gestelde eisen ten aanzien van de bij de aanvraag over te leggen bescheiden. Wnd. Vz. ARRS, 7 juni 1993, BR 1993, p. 975, Afvalverwerkingsinstallatie Beilen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager; indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging; een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de energiebron; voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken, op een schaal van 1:1000; een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven; voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte; voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit indieningsvereisten Bijlage 3Gebruikseisen voor bouwwerken Bijlage behorende bij artikel 6.2.1 , eerste lid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vrijhouden van terreingedeeltenDe bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen moeten worden vrijgehouden voor blusvoertuigen, en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt Op het bij het bouwwerk behorende terrein moeten de beplanting, de parkeerplaatsen, de laad- en losplaatsen en de plaatsen waar goederen en afvallen worden opgeslagen of gedeponeerd, zodanig zijn gesitueerd dat bij brand het oprijden en opstellen van de voertuigen en andere hulpmiddelen van de brandweer niet worden bemoeilijkt of belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verbindingsweg, bedoeld in de artikel 2.5.3, eerste en tweede lid en 5.1.2, eerste en tweede lid, moet ten behoeve van het verkeer van de hulpdiensten over de volle breedte en hoogte worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingsweg afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Verlichting/elektrische installatieHet is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen uit het eerste lid, indien de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Installaties voor verwarming en kookdoeleindenIn de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen Een opening ten behoeve van ventilatie, op grond van enige regeling geëist, mag niet worden afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik: door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand; door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het 3.3 bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van: centrale-verwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centrale-verwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 1986, en NEN 3028/C1, uitgave 1986; centrale-verwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999, en in NEN 1078-A (aanvulling op NEN 1078), uitgave 1991; niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999. niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingstoestel met afvoergelegenheid voor het stoken van vaste of vloeibare brandstof te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingstoestel voor het stoken met gas te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffend rookkanaal of gasafvoerkanaal</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor de afvoer van rookHet is verboden een rookkanaal te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal uit te branden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal of gasafvoerkanaal te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin dat rookkanaal of dat gasafvoerkanaal zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal te gebruiken als dit zonder een inrichting tot het opvangen van vonken dreigend gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod voor roken en open vuurHet is verboden te roken of vuur te hebben</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">in een ruimte in gebruik als opslagplaats van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit 2003; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Droge blusleidingTen minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van droge blusleidingen De droge blusleiding moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen gedurende 5 minuten handhaven. Boven de 75 meter moet voor elke 10 meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar moet de droge blusleiding worden getest, zoals in het tweede lid is weergegeven. Resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport aan de commandant van de brandweer worden gezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pompinstallatie voor de droge blusleiding moet voldoen aan het gestelde in de publicatie “Brandveiligheidsinstallaties”, eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NIBRA (zie voor adres de toelichting op artikel 2.6.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pompinstallatie voor de droge blusleiding moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de pompinstallatie voor de droge blusleiding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">BrandweerliftDe brandweerlift moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en goede werking van brandweerliften;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BrandmeldinstallatieDe brandmeldinstallatie moet doeltreffend beheerd, gecontroleerd en onderhouden worden. Aan deze eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien is voldaan aan het gestelde in NEN 2654-1, uitgave 2002</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OntruimingsalarminstallatieDe ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. De ontruimingsalarminstallatie moet in een goede staat verkeren en voldoen aan het gestelde in de publicatie “Brandveiligheidsinstallaties”, eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NIBRA (zie voor adres de toelichting op artikel 2.6.10 De ontruimingsalarminstallatie moet eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zonodig gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van ontruimingsalarminstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechthebbende op het bouwwerk waarin een ontruimingsalarminstallatie is geëist, moet een ontruimingsplan opstellen ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar dient een oefening van het ontruimingsplan plaats te vinden. Bij deze oefening dient ten minste een gedeelte van het bouwwerk ontruimd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door of namens burgemeester en wethouders kunnen tijdstippen worden bepaald waarop de ontruimingsoefeningen moeten plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BrandblusinstallatieMet betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling ToelichtingDe voorkeur verdienen certificaten van een instelling die is erkend door de Stichting Raad voor de Certificatie (RvC) te Driebergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het non-discriminatiebeginsel uit het EEG-verdrag brengt met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere landen van de Europese Unie niet mogen worden geweigerd, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de 'bona fide' instituten in Nederland worden afgegeven. De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische brandblusinstallaties, dat wil zeggen een - niet verlopen – kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Certificaten van het Bureau voor Sprinklerbeveiliging (BvS) te Bilthoven omvatten meer aspecten en hebben momenteel slechts gedeeltelijk betrekking op laatstgenoemde periodieke keuringen. De overige aspecten van deze certificaten hebben betrekking op de kwaliteit en de wijze van aanleg van automatische brandblusinstallaties. Dit zijn aspecten die niet zijn geregeld in de bouwverordening, maar verband houden met de voorschriften van het Bouwbesluit. In de zin van dat besluit vormt de aanwezigheid van een goede automatische brandblusinstallatie namelijk een oplossing die gelijkwaardig kan zijn aan de normaliter voorgeschreven brand- en rookcompartimentering van een gebouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Pompinstallaties t.b.v. brandslanghaspels (hydrofoor)De pompinstallaties moeten ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van pompinstallaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Automatisch werkende vluchtdeurenDe automatisch werkende schuifdeuren moeten gedurende de tijd dat personen in het bouwwerk aanwezig zijn in de stand automatisch, bij een spanningsval in de elektriciteitsvoorziening automatisch openen en in geopende stand blijven staan Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan overeenkomstig het gestelde in de publicatie “Brandveiligheidsinstallaties”, eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NIBRA (zie voor adres de toelichting op artikel 2.6.10.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A Vluchtdeuren van overdruktrappenhuizenDe deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een opschrift, luidende: ‘Bij brandalarm HARD DUWEN’</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteit van transparantenDe transparanten moeten ten minste eenmaal per jaar worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De transparantverlichting, welke aanwezig is of op grond van enig wettelijk voorschrift is geëist, dient altijd goed zichtbaar te zijn en moet branden tijdens aanwezigheid van personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting:In het Bouwbesluit 1992 was het voorschrift opgenomen dat een vluchtrouteaanduiding van een gebruiksfunctie, indien die gebruiksfunctie op grond van enig wettelijk voorschrift een voorziening voor noodstroom moet hebben, de genoemde vluchtrouteaanduiding moet zijn voorzien van verlichting en op de noodstroomvoorziening moet zijn aangesloten. In verband met de komst van het Bouwbesluit 2003 is het onderhavige voorschrift thans opgenomen in het najaar 2002 aan de Model-Bouwverordening 1992 toegevoegde artikel 2.6.9, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de staat van vluchtrouteaanduidi9ngen in bestaande bouwwerken en als aanschrijvingsgrondslag wordt het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de bouwverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">FlessengasinstallatieEen flessengasinstallatie moet blijvend voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gasflessen moeten geplaatst worden, zoals op de bij de gebruiksvergunning behorende tekeningen is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij inpandig gebruik van gasflessen mag de nominale inhoud van de gevulde en lege flessen gezamenlijk niet meer bedragen dan 110 liter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gasfles moet zijn voorzien van een door de Dienst voor het Stoomwezen erkend geldig keurmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afsluiter van een gasfles moet van een door de Dienst voor het Stoomwezen goedgekeurd type zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen gasfles en verbruikstoestel moet een buigzame verbinding voldoen aan de richtlijnen, vermeld in NPR 3378-0, uitgave 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen gasflessenopslag en een gebouw moet ten minste 5 meter bedragen, tenzij tussen de opslag en dit gebouw en de omgeving hiervan een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten bestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rook- en warmteafvoerinstallatieDe rook- en warmteafvoerinstallatie moet voldoen aan het gestelde de publicatie “Brandveiligheidsinstallaties”, eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NIBRA (zie voor adres de toelichting op artikel 2.6.10 De rook- en warmteafvoerinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de rook- en warm-teafvoer-installatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OverdrukinstallatieDe overdrukinstallatie moet voldoen aan het gestelde in de publicatie “Brandveiligheidsinstallaties”, eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NIBRA (zie voor adres de toelichting op artikel 2.6.10 De overdrukinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de overdrukinstallatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">LuchtbehandelingsinstallatieDe luchtbehandelingsinstallatie moet voldoen aan het gestelde in de publicatie “Brandveiligheidsinstallaties”, eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NIBRA (zie voor adres de toelichting op artikel 2.6.10 De luchtbehandelingsinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de luchtbehandelingsinstallatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BrandweeringangEen brandweeringang moet door de brandweer te openen zijn met behulp van het bij de brandweer in gebruik zijnde sleutel- c.q. sleutelkluissysteem dan wel automatisch bij een brandmelding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">RegisterAlle werkzaamheden aan de bovenvermelde installaties moeten in een register worden vermeld. Dit register moet in het bouwwerk ter inzage liggen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefeningBij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van brand Voordat de in het voorgaande lid genoemde werkzaamheden verricht worden in, op of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, dient dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders te worden gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4Gebruikseisen voor bouwwerken niet zijnde een- en meergezinshuizen en woonwagens, behalve voor een- en meergezinshuizen en woonwagens waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners, in combinatie met permanent toezicht op en begeleiding van de bewoners` Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangen en vluchtwegenDe ingangen, doorgangen, uitgangen, nooduitgangen, gangpaden, galerijen, trappen, hellingbanen en vluchtwegen moeten te allen tijde over de minimaal vereiste breedte zijn vrijgehouden van obstakels en steeds voldoende stroef zijn. Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein Een (nood)uitgangsdeur mag bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, mogen niet langer in geopende stand worden gehouden dan voor het verkeer van personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische inrichtingen die de deuren, resp. luiken, loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen. Deze automatische inrichtingen behoeven de goedkeuring van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitentrappen en hellingbanen van bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen moeten worden vrijgehouden van sneeuw en ijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deuren, hekken en andere afsluitingen in vluchtwegen moeten, indien deze niet draaien in de vluchtrichting, gedurende de tijd dat in het gebouw personen aanwezig zijn, in geheel geopende stand worden gehouden en zodanig zijn vastgezet dat deze niet door onbevoegden kunnen worden gesloten (dit geldt niet voor brandwerende deuren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gordijnen in of voor een ingang, doorgang, uitgang en nooduitgang e.d. moeten zodanig zijn aangebracht, dat deze met de deuren meedraaien en in generlei opzicht het openen van de deuren belemmeren en/of verhinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en snoeren moeten in geval deze over de vloer moeten lopen met goede plakstrips worden vastgeplakt en wel zodanig dat struikelen en/of vallen wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rookvorming, veroorzaakt door bij voorbeeld een rookapparaat of koudijs of op andere wijze gemaakt mag nooit een snelle ontruiming verhinderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Stoffering en versieringStoffering en versiering moeten vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80° C bedraagt Vloer- en trapbedekkingen in vluchtwegen en in ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven moeten zodanig zijn aangebracht dat zij niet kunnen verschuiven, omkrullen of oprollen en mogen in generlei opzicht gevaar voor uitglijden, struikelen of vallen kunnen veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gordijnen en andere verticale stofferingen in ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven moeten 0,10 meter vrij van de vloer worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering moet een vrije ruimte van minimaal 2,50 meter overblijven. Deze versiering mag niet gemakkelijk ontvlambaar zijn, in geval van brand mag geen druppelvorming plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met brandbaar gas gevulde ballonnen mogen niet aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen verticaal op te hangen textielproducten moeten in vluchtwegen en in ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven, een navlamduur hebben van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden bepaald volgens de normen NEN-EN-ISO 6940 en 6941, uitgaven 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegepaste bekledingsmaterialen moeten voldoen aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 1775, uitgave 1991, en NEN 1775/A1, uitgave 1997,Klasse TI ten aanzien van vloeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 6065, uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, Klasse 2 ten aanzien van. overige aankleding en versiering; de eis ten aanzien van gordijnen van een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden, bepaald volgens NEN-EN- 6940 en 6941, uitgaven 1995;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 6066, uitgave 1991, en NEN 6066/A1, uitgave 1997, optische rookdichtheid &lt; 2,2 m-1, laatstgenoemde eis geldt niet voor vloeren en tredenvlakken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">InstallatiesDe elektrische verlichting moet aan de volgende eisen voldoen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor het gebruik door personen bestemde ruimten van een gebouw overdag onvoldoende daglicht ontvangen of dergelijke ruimten na zonsondergang worden gebruikt, moet met het oog op het veilig kunnen verlaten van het gebouw in die ruimten tijdens het gebruik daarvan een zodanige elektrische verlichting in werking zijn, dat de verlichtingssterkte op vloerniveau ten minste 10 lux bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor het gebruik door personen bestemde gedeelten van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, overdag onvoldoende daglicht ontvangen of dergelijke gedeelten na zonsondergang worden gebruikt, moet met het oog op het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk op die gedeelten tijdens het gebruik daarvan een zodanige elektrische verlichting in werking zijn, dat de verlichtingssterkte op vloerniveau ten minste 10 lux bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer aan de buitenzijde van de uitgangen van het bouwwerk onvoldoende daglicht aanwezig is, moeten daar lampen van de elektrische buitenverlichting branden (minimaal 10 lux op de vloer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Treden in ruimten die tijdens de aanwezigheid van personen zijn verduisterd, moeten zodanig zijn verlicht dat deze duidelijk zichtbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de aanwezigheid van personen wordt verduisterd, moet in die ruimte, indien er meer dan 50 personen gelijktijdig verblijven, lampen branden van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van andere dan elektrische verlichting is verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Installaties voor verwarming en kookdoeleinden In het bouwwerk mogen geen losse verwarmingstoestellen aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet vast opgesteld verbruikstoestel worden geplaatst. Indien de verbinding door middel van een slang plaatsvindt, dan moet dit een GASTEC goedgekeurde slang zijn. De slang moet met deugdelijke slangklemmen op de slangpilaren bevestigd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BlusmiddelenBij inbouw moet het blusmiddel door middel van een door burgemeester en wethouders goedgekeurd pictogram of door middel van een aanduiding worden aangegeven</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod voor roken en open vuurHet rookverbod c.q. openvuurverbod moet op opvallende plaatsen duidelijk zichtbaar staan aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’; of door een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN-3011, uitgave 1986 Kaarsen moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk ontvlambare, standaards zijn vastgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OpstellingsplannenBij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 0.40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moeten, indien een rij meer dan 4 stoelen bevat en 4 of meer rijen achter elkaar zijn geplaatst, deze zo zijn gekoppeld dan wel aan de vloer zijn bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. De stoelkoppeling moet ten genoegen van burgemeester en wethouders zijn uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang uitkomt, mag ten hoogste bevatten:</p>\n<p class=\"lf-p\">16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is dan 0,45 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,1 meter aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meubelen en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen op en op minder dan 2,50 meter hoogte boven de vloer van een ruimte waarin personen verblijven mogen - voor meubelen gemeten bij gebruik daarvan - in loodrechte projectie op de vloer van de ruimte slechts een zodanige ruimte beslaan dat ten minste:</p>\n<p class=\"lf-p\">0,25 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is;</p>\n<p class=\"lf-p\">0,30 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">0,50 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meubelen en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen in een ruimte waarin personen verblijven, moeten indien de vrije vloeroppervlakte minder dan 0,50 m2 per persoon bedraagt, zodanig zijn aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven dient ten genoegen van burgemeester en wethouders een opstellingsplan aanwezig te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AfvalAfval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal, voorzover de containers binnen het bouwwerk zijn opgesteld Asbakken moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks, worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. De inhoud van deze asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden gedeponeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezige asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Periodieke controleTen minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en de goede werking van en zo nodig gerepareerd, voor zover van toepassing, onderstaande voorzieningen brandhaspels; handbrandblusapparaten; telefooninstallaties; sluiting mechanisme van de brandwerende rolluiken; doorvoeringen en sluitingsmechanismen van afsluitingen in brandwerende scheidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De registratie van de controlewerkzaamheden dient te worden bijgehouden in een speciaal daarvoor bestemd register.</p>\n<p class=\"lf-p\">De met controle belaste functionarissen van de brandweer kunnen tijdstippen bepalen en de wijze aangeven waarop een en ander wordt beproefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage5Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 Maximum toegestane hoeveelheid stoffen voor huishoudelijk en alle ander niet-bedrijfsmatig gebruik Stoffen genoemd onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vloeistoffen Groep F1 A t/m d Conform de Richtlijn betreffende het opslaan voor huishoudelijk gebruik van brandbare vloeistoffen. (opgenomen als bijlage 6, paragraaf 3) Groep F2 E t/m j Conform de hiervoor bij F1 genoemde richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep F3 K 1 tot maximaal 225 liter:conform de hiervoor bij F1 genoemde richtlijnen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 van 225 liter t/m 400 liter 2.1 bovengronds: uitsluitend op de plaatsen, genoemd in de gevallen 3.4.1 at/m 3.4.1 d van de bij groep F1 genoemde richtlijnen: in goed gesloten metalen vaatwerk bestemd tot berging van maximaal 200 liter vloeistof:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 ondergronds: overeenkomstig bijlage 6, paragraaf 1 3 meer dan 400 liter:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 bovengronds: overeenkomstig bijlage 6, paragraaf 2 ondergronds: overeenkomstig bijlage 6, paragraaf 1 Groep F3 L n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep F4 M t/m p n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep Fu Q n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep X R n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximum toegestane hoeveelheid stoffen voor huishoudelijk en alle ander niet-bedrijfsmatig gebruik Stoffen genoemd onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vloeistoffen Groep F1 A t/m d In totaal 1 kilogram, met uitzondering van bij kamertemperatuur aan zelfontbranding onderhevige stoffen Groep F2 E t/m j In totaal 4 kilogram Groep F3 K n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep F3 L n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep F4 M t/m p n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep Fu Q n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep X R n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximum toegestane hoeveelheid stoffen voor huishoudelijk en alle ander niet-bedrijfsmatig gebruik Stoffen genoemd onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vloeistoffen Groep F1 A t/m d Samengeperst of tot vloeistof verdicht: ten behoeve van het gebruik in een installatie: in flessen van maximaal 45 liter tot een totaal van maximum twee flessen; in losse flessen van maximaal 5 liter tot een totaal van maximum 20 liter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep F2 E t/m j Samengeperst of tot vloeistof verdicht tot een maximum van 15 liter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep F3 K n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep F3 L n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep F4 M t/m p n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep Fu Q n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groep X R n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 6a Eisen gebruiksvergunning voor kamerverhuur</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens en bescheiden aanvraag</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Technische eisen met betrekking tot brandveiligheid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikseisen Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning kamerverhuurpandArtikel 1.1 In de aanvraag op te nemen gegevensDe aanvraag om een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6a.1.2 van de bouwverordening moet de volgende gegevens bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De naam en het adres waarop de vergunning gesteld moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adres van het kamerverhuurpand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kadastrale aanduiding van het kamerverhuurpand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal personen waarvoor het kamerverhuurpand is of zal worden ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal kamers die in het kamerverhuurpand aanwezig zijn of zullen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van verwarming van het kamerverhuurpand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelding of in het kamerverhuurpand het volgende aanwezig is: noodverlichtingsinstallatie; vluchtwegaanduiding; ontruimingsalarminstallatie, handbediening; telefoonaansluiting; rookmelders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag in te dienen bescheidenDe aanvraag om een gebruiksvergunning kamerverhuurpand als bedoeld in artikel 6a.1.2 van de bouwverordening moet zijn voorzien van de volgende tekeningen Een bouwkundige plattegrond van elke bouwlaag van het kamerverhuurpand op een schaal 1 : 100, aangevende: de afmetingen van het kamerverhuurpand en de binnen het kamerverhuurpand gelegen ruimten; de aanduiding, overeenkomstig het woordgebruik in het Bouwbesluit, van de functie van elke ruimte of elke groep van bij elkaar behorende ruimten; de hoogteligging van de verschillende vloeren van het kamerverhuurpand; de trappen en de vloerafscheidingen; de deuren en daglichtopeningen in de uitwendige scheidingsconstructies en, voor zover van belang voor het vluchten bij brand, tevens de inwendige scheidingsconstructies; het aanrecht, de wastafel, de opstelplaats van kooktoestel, wasapparatuur, warmwatertoestel en de opstelplaats van stooktoestel of stookruimte; de meterkast(en) of meterruimte; de voorzieningen voor het verversen van binnenlucht, de voorzieningen voor de toevoer van lucht of verbrandingstoestellen en de leidingkokers; de fietsenstalling; de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen zoals de plaats van de brandslanghaspels, draagbare brandblustoestellen, noodverlichtingsinstallatie, vluchtwegaanduidingen (transparanten), ontruimingsalarminstallatie, nooduitgangen , zelfsluitende deuren en rookmelders; de toe te passen brandwerende materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekeningen met alle gevelaanzichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een situatie van het kamerverhuurpand, vermeldende kadastrale aanduiding, de straat en het huisnummer op een schaal van 1 : 1000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BeheersplanVoor een kamerverhuurpand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest, moet een beheersplan worden aangeleverd. In dit beheersplan moet minimaal worden opgenomen de punten; het aantal te verhuren kamers wijze van verhuur / contractvorm wijze van beheer calamiteitenplan contactpersonen bij calamiteiten Paragraaf 2 Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne van een kamerverhuurpand Artikel 2.1 Kamers (verblijfsruimten)De in een kamerverhuurpand gelegen kamers moeten, willen ze geschikt zijn voor gebruik door één persoon, een vloeroppervlakte hebben van tenminste 11 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1,8 m;</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden het aanrecht en het kooktoestel in de kamer gesitueerd, dan zal die ruimte, naast de vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, tevens een vloeroppervlakte van tenminste 2,1 x 1,2 m moeten omvatten voor plaatsings- en gebruiksruimte voor de keukenvoorziening met een minimale hoogte van 2,1 m.;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt één kamer gebruikt door 2 personen dan moet deze kamer een vloeroppervlakte hebben van tenminste 32 m2 met een minimale hoogte van 2,1m en een minimale breedte van 1,8 m.;</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 1 indien: iedere voor kamerbewoning bestemde kamer een vloeroppervlakte heeft van tenminste 7,5 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m. en een minimale breedte van 1,8 m en; b er een vertrek voor gemeenschappelijke gebruik is van: tenminste 17 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m. indien het pand wordt bewoond door drie bewoners en; tenminste 18 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m. indien het pand wordt bewoond door vier bewoners en; tenminste 19 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m. indien het pand wordt bewoond door vijf of meer bewoners en het aanrecht en het kooktoestel worden opgesteld hetzij in een afzonderlijke keuken, hetzij in het voor gemeenschappelijk gebruik bestemd vertrek. er twee kamers in gebruik zijn door één persoon waarbij de totale vloeroppervlakte van de beide kamers gezamenlijk tenminste 11 m2 is met een minimale hoogte van 2,1 m. en een minimale breedte van 1.8 m. en; de minimale vloeroppervlakte van elk van de kamers tenminste 4 m2 is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">ToiletruimteIn een kamerverhuurpand moet voor elke vijf bewoners ten minste één afsluitbare toiletruimte aanwezig zijn</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">BadruimteIn een kamerverhuurpand moet voor elke acht bewoners ten minste één afsluitbare badruimte aanwezig zijn</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel (keuken)Zijn een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel in een aparte keukenruimte (verblijfsruimte) gelegen, dan moet deze een vloeroppervlakte hebben van ten minste 5 m2, waarvan de breedte en ten minste 1,8 en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is. De vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 te rekenen tot en met 4 personen. Voor elke extra bewoner moet de vloeroppervlakte van 5 m2 met ten minste 1 m2 worden vergroot</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Berging, opslagruimte voor huishoudelijk afval en stallingruimte voor fietsen Tot een kamerverhuurpand moet tenminste één, van buiten het kamerverhuurpand toegankelijke, afsluitbare ruimte behoren, met een vloeroppervlakte van tenminste 3,5 m2, waarvan de breedte tenminste 1,5 m en de hoogte boven die oppervlakte tenminste 2,1 m is. De vloeroppervlakte van tenminste 3,5 m2 te rekenen tot en met 4 personen. Voor elke extra bewoner moet de vloeroppervlakte van 3,5 m2 met tenminste 1 m2 worden vergroot Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel mits een (inpandige) bergruimte aanwezig is die voldoende groot is om een aantal fietsen te stallen dat even groot is als het aantal bewoners dat in het pand mag wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel indien op het perceel waarop het pand zich bevindt geen voldoende bergruimte kan of mag worden opgericht, mits de exploitant aantoont dat er voldoende bruikbare stallingsruimte voor fietsen en afvalcontainers is en deze stallingsruimte gebruikt kan worden zonder dat de veiligheid van de bewoners in geval van brand door de gestalde fietsen en containers wezenlijk wordt aangetast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Telefoon-, radio- en televisieaansluitingIn een kamerverhuurpand moet, opdat telecommunicatiesignalen kunnen worden opgevangen, een aansluitpunt hiervoor aanwezig zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming tegen schadelijke en hinderlijke invloeden.Geluidswering tussen ruimten en bescherming tegen geluid van installaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De karakteristieke isolatie-index voor lucht- en contactgeluid (Llu en Lco) tussen verblijfruimten en tussen verblijfsruimte en verkeersruimte, in een kamerverhuurpand, moeten ter beperking van geluidhinder in die verblijfsruimte, ten minste gelijk zijn aan -10 dB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het karakteristieke geluidsniveau van een in een kamerverhuurpand gelegen toilet met waterspoeling, mag ter beperking van geluidsoverlast in een niet tot dat kamerverhuurpand behorende verblijfsruimte, niet hoger zijn dan 40 dBA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouder kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel indien door de aard en samenstelling van de constructie niet aan de gestelde eis kan worden voldaan. Er dienen dan, ter goedkeuring van Burgemeester en Wethouder, zodanige maatregelen te worden getroffen, dat de hinder ten gevolge van zowel lucht als contactgeluid tot een minimum wordt beperkt. Burgemeester en wethouders kunnen de voorwaarde stellen dat de voorzieningen, opgesteld door een erkend adviesbureau, dienen te worden uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud en het weren van schadelijk of hinderlijke gedierte. Het normale onderhoud van een kamerverhuurpand dient zodanig te geschieden dat een kamerverhuurpand zich in een zindelijke staat bevindt In een kamerverhuurpand dient afval op zodanige wijze te worden bewaard dat schadelijk en hinderlijk gedierte niet wordt aangetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 Technische eisen met betrekking tot de brandveiligheid van een kamerverhuurpandArtikel 3.1 Constructieve veiligheidTrappen en vloeren waarover een rookvrije vluchtroute voert: brandwerendheid van 30 minuten met betrekking tot bezwijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Signalering brand Op elke woonlaag dient in de rookvrije vluchtroute een niet-ioniserende rookmelder geplaatst te worden die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking van de ontwikkeling van brandBijdrage tot brandvoortplanting in de rookvrije vluchtroutes (m.u.v. 5%): tenminste klasse 2 voor wanden en plafonds en klasse T1 voor vloeren. Volgens NEN 6065 Bijdrage tot brandvoortplanting in de overige ruimten (m.u.v. 5%): klasse 4 voor wanden en plafonds en klasse T3 voor vloeren. Volgens NEN 6065</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking van uitbreiding van brandDe WBDBO tussen brandcompartimenten dient 60 minuten te zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De WBDBO tussen de subbrandcompartimenten dient 30 minuten te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WBDBO tussen de subbrandcompartimenten en een van rook gevrijwaarde vluchtroute dient 30 minuten te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vluchten en vluchtmogelijkhedenVanuit een subbrandcompartiment dient over ten minste twee onafhankelijke rookvrije vluchtroutes gevlucht te kunnen worden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met één rookvrije vluchtroute indien; de loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste een toegang van het brandcompartiment of het subbrandcompartiment waarin die ruimte ligt, is ten hoogste 15 m. Een besloten ruimte op die route heeft een niet-ioniserende rookmelder die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestrijden van de brandMet het oog op brandbestrijding dient een brandslanghaspel te worden geplaatst. De brandslanghaspel moet op een zodanige locatie worden geplaatst dat alle verblijfsruimten bereikt kunnen worden en de brandslanghaspel direct bereikbaar is vanuit een verblijfsruimte. Als gelijkwaardige oplossing kan worden gezien het toepassen van een draagbaar brandblustoestel van minimaal 6 kg, te plaatsen op iedere woonlaag en direct bereikbaar vanuit een verblijfsruimte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Noodverlichting en vluchtwegaanduidingEen kamerverhuurpand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest moet in de rookvrij vluchtroutes noodverlichting aanwezig zijn welke gedurende 60 minuten een verlichtingssterkte van 10 lux kan geven, alsmede de vluchtwegaanduidingen verlicht e.e.a. volgens NEN-EN 1838, uitgave 1999 en NEN 6088, uitgave 1995 en NEN 6088/A1 uitgave 1997</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OntruimingsalarminstallatieEen kamerverhuurpand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest, moet zijn voorzien van een ontruimingsinstallatie type C, conform NEN 2575 uitgave 2000</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span><span class=\"lf-art-t\">DefinitiesAls een brandcompartiment moet worden aangemerkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het totale gebouw en/of één of meer met elkaar in verbinding staande afzonderlijke besloten ruimten waardoor geen rookvrije vluchtroute voert, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m².</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een subbrandcompartiment moet worden aangemerkt: een verblijfseenheid met een oppervlakte van niet meer dan 40 m2 en /of één of meer met elkaar in verbinding staande overige ruimten waardoor geen rookvrije vluchtroute voert, met een totale gebruiksoppervlakte van minimaal 3.5 m2 en maximaal 40 m2. een kamer, slaapkamer, woonkamer, woonslaapkamer en keuken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een verblijfsruimte moet worden aangemerkt: ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als rookvrije vluchtroute moet worden aangemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een subbrandcompartement, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 Gebruikseisen voor een kamerverhuurpandArtikel 4.1 Verlichting/elektrische installatieHet is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik: door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand; door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van elektrische sterkstroominstallaties voor lage spanning, die voldoen aan de veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, opgenomen in NEN 1010, uitgave 2000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Installaties voor verwarming en kookdoeleindenIn de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/ opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, moeten vrij worden gehouden van brandbare goederen Een opening ten behoeve van ventilatie, op grond van enige regeling geëist mag niet worden afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel op zodanige te plaatsen dat: door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand; door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het derde lid bedoelde gevaar las gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van: centrale verwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centrale verwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 1986; centrale verwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingstoestel met afvoergelegenheid voor het stoken van vast of vloeibare brandstof te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingstoestel voor het stoken met gas te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffend rookkanaal of gas afvoerkanaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor de afvoer van rookHet is verboden een rookkanaal te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal uit te branden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal of gas afvoerkanaal te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin dat rookkanaal of dat gas afvoerkanaal zich bevindt dreigend gevaar levert voor de veiligheid van personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal te gebruiken als dit zonder een inrichting tot het opvangen van vonken dreigend gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">OntruimingsinstallatieDe ontruimingsinstallatie moet ten aller tijde gebruiksklaar zijn en in een goede staat verkeren, e.e.a. volgens de NEN 2575, uitgave 2000</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontruimingsalarminstallatie moet eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vluchtwegaanduidingen (transparanten)Indien op grond artikel 3.7 noodverlichting in het kamerverhuurpand aanwezig is, moet de vluchtwegaanduidingen (transparanten) hierop aangesloten zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Flessengasinstallatie/gasflessenEen flessengasinstallatie voor verwarming of kookdoeleinden is niet toegestaan. Aanwezigheid van flessengas voor ander doeleinden is eveneens niet toegestaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rookvrije vluchtroutes en (nood)uitgangenDe rookvrije vluchtroutes moeten altijd over de minimaal vereiste breedte zijn vrijgehouden van obstakels.Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein Op de vloeren van de rookvrije vluchtroutes zijn losliggende leidingen en snoeren niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een (nood)uitgangsdeur moet bij aanwezigheid van personen in het kamerverhuurpand uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de (nood)uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar op de bij de gebruiksvergunning kamerverhuurpand behorende tekeningen) als zodanig is aangegeven, moet duidelijk zichtbaar het opschrift: \"NOODDEUR VRIJHOUDEN\" en/of \"NOODUITGANG\" zijn aangebracht, volgens NEN 3011, uitgave 1986.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.8 materiaalgebruik in de rookvrije vluchtrouteStoffering en versiering in rookvrije vluchtroutes moeten vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80° bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegepaste bekledingsmaterialen in rookvrije vluchtroutes moeten voldoen aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 1775, uitgave 1991, Klasse T1 t.b.v. vloeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 6065, uitgave 1991, Klasse 2 t.a.v. overige aankleding en versiering;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 6066, uitgave 1991, optische rookdichtheid &lt; 2,2/m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AfvalAfval moet worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal, voor zover de containers binnen het kamerverhuurpand zijn opgesteld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opslag van materialenBuiten de daartoe op de bij de gebruiksvergunning kamerverhuurpand behorende tekening(en) aangegeven ruimten mogen in het kamerverhuurpand geen grote hoeveelheden brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen aanwezig zijn. De kleine hoeveelheden zijn slechts voor eigen gebruik en zijn op doeltreffende wijze afgesloten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Periodieke controle De exploitant draagt er zorg voor dat ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige het nodige onderhoud wordt verricht en een controle wordt gehouden op de reinheid en de goede werking van en zo nodig reparaties worden verricht aan, voor zover van toepassing, onderstaande voorzieningen brandslanghaspels; draagbare brand blus toestellen; telefooninstallaties; sluitingsmechanisme van de zelfsluitende deuren; noodverlichtingsinstallatie en vluchtwegaanduidingen (transparanten); beweegbare onderdelen van (nood)uitgangen, vluchttrappen en vluchtladders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De met controle belaste ambtenaren kunnen tijdstippen bepalen en de wijze aangeven waarop een en ander wordt beproefd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doorlopend toezichtGedurende de tijd dat bewoners in een kamerverhuurpand aanwezig zijn, moet een voor de naleving van de gebruiksvergunning kamerverhuur verantwoordelijk persoon aangewezen zijn die de aanwijzingen van de met controle belaste ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet uitvoeren Door of namens de vergunninghouder moet er doorlopend worden toegezien, dat voor zover van toepassing: rookvrije vluchtroutes of aanduidingen daarvan (transparanten), goed zichtbaar zijn; rookvrije vluchtroutes goed bereikbaar zijn; rookvrije vluchtroutes en het als verlengstuk van de vluchtroute aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein, met de daarbij behorende deuren en (nood)uitgangen, niet versperd zijn door obstakels; rookvrije vluchtroutes worden vrijgehouden van begroeiing, sneeuw en ijs; (nood)verlichting goed functioneert; telefoons goed bereikbaar zijn; brandblusmiddelen goed bereikbaar zijn; het sluiten van rook- en/of brandwerende deuren c.q. luiken niet wordt belemmerd en dat deze voortdurend gesloten zijn; elektrische snoeren, stekkers en toestellen in goede staat verkeren; geen brandgevaarlijke situaties ontstaan door onveilig gebruik van vuur, gas en/of elektriciteit; meldpunten t.b.v. de ontruimingsalarminstallatie goed bereikbaar zijn; gebreken direct worden hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BrandveiligheidsinstructiesDe bewoners van een kamerverhuurpand dienen door of namens de vergunninghouder geïnstrueerd te worden in de voor hun geldende brandveiligheidsinstructies. Tevens dienen de voorschriften met betrekking tot voorkoming van brand en het beperken van ongevallen opgenomen te zijn in het huisreglement welke centraal in de woning is opgehangen Bijlage7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen’;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 1401-1, uitgave 1998 ‘Kunststofleidingensystemen voor vrij verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem’ (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven +1999 - Deel 1. Eisen (Engelstalig)’;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig)’;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden (Engelstalig)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage8Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest Bijlage behorende bij artikel 8.1.2 Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm voorkomt. (N.B. De aanduiding “hechtgebonden” geldt voor het nieuwe produkt. Door slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd afnemen.) Produkt Mogelijk toegepast in Mate waarin het is toegepast Uiterlijk Asbestcement, vlakke plaat Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen Vaak Grijze plaat van 3 tot 8 cm dik, vaak aan een kant “wavelstructuur”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating Decoratieve buitengevels, galerij Vrij algemeen in flats Als vlakke plaat maar aan een kant gekleurde geëmailleerde of gespoten coating Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen Vaak Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat Asbestcement, bloembak Zowel buiten als binnen, balkons Vaak In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner dan een betonbak Asbestcement, golfplaat Daken van schuren en garages Vaak Als golfplaat, in diverse dikten Asbestcement met cellulozevezels (asbestboard) Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen, inpandige kasten Soms Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard Asbestcement, dakleien Imitatieleien In Nederland weinig toegepast Vlakke plaatjes, maar dikker Asbestcement, standleidingen Afvoer toilet Vaak Als luchtkanaal, maar dikker Asbestcement, imitatie marmer Vensterbanken en schoorsteenmantels Soms Als marmer, in breuk- of zaagvlak zijn witte vezels zichtbaar Harde asbesthoudende vinyltegels Toiletten, keukens Soms, meestal bij de bouw gelegd Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt Produkt Mogelijk toegepast in Mate waarin het is toegepast Uiterlijk Afdichtkoord Afdichting schoorstenen, kachelruitjes en deurtjes in oude haarden en allesbranders Regelmatig Wit tot vuilgrijs pluizig koord Asbesthoudend stucwerk Op (vochtige) muren en plafonds Nauwelijks Vezelige korrelstructuur Brandwerend board Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds, trapbeschot Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig Asbestkarton Bekleding zoldering Weinig Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag Keukens, trappen etc. Geproduceerd voor 1993 Zeer vaak Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag Toelichting tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herkennen van asbestAlleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of een materiaal of een product asbest bevat. Wel kun u materialen erkennen waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit overzicht is niet volledig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond ziel) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden gegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Asbesthoudende vinylvloertegels Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd. Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimen zoals toiletten en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een wit ‘gevlamde’ decoratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asbesthoudende vinylvloerbedekking Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot lichtbeige en soms lichtgroen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerdekking: vloerbedekking van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum; buigzaam ziel met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel ziel met een onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte is het van belang het volgende te weten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing en verkoop van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na 1983 is vrijwel geen losgebonden asbest meer toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de onderzijde van de plaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage9Reglement van orde van de welstandscommissie Reglement op de Commissie In dit reglement worden de instelling, de samenstelling, de benoeming en de werkwijze van de Commissie vastgesteld. Dit reglement vindt haar juridische basis in de gemeentelijke Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing van de Commissie Benoeming van de Commissie Taken Taakomschrijving Commissie Wettelijke taken Niet wettelijke verplichte taken Taakomschrijving Commissieleden Werkwijze Bouw-, Woning- en Monumententoezicht Werkwijze van de Commissie Grote en kleine commissie Openbaarheid, locatie en publicatie Commissievergadering Gemandateerde behandeling Spreekrecht Advies Jaarverslag Commissie burgemeester en wethouders vragen second opinion 1 Aanwijzing van de CommissieDe gemeente wijst de G(emeenschappelijke) R(egeling) hûs en hiem aan als Welstandscommissie De Welstandscommissie kent de volgende samenstelling: een voorzitter een secretaris, de rayonarchitect van hûs en hiem ten minste twee (monumenten-)architecten een stedenbouwkundige een gemeentelijke bouwtechnisch deskundige een burgerlid en facultatief andere disciplines, zoals bijv. landschapskunde en dergelijke welke voor een adequate beoordeling van belang worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente wijst de G(emeenschappelijke) R(egeling) hûs en hiem aan als Monumentencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Monumentencommissie kent als vaste bezetting: een voorzitter een secretaris, de monumentenarchitect van hûs en hiem ten minste één monumentenarchitect ten minste één architect ten minste één architectuur-historicus de rayonarchitect van hûs en hiem De Commissie, functionerend als integrale Welstands- en Monumentencommissie adviseert zowel op welstandsaspecten op basis van de Woningwet 2002, als op monumentenaspecten op basis van de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke en provinciale monumentenverordening. In het geïntegreerde advies komt duidelijk naar voren welke aspecten betrekking hebben op de welstand en welke op de aanvraag om monumentenvergunning. De Commissie formuleert één gezamenlijke conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De (integrale) Commissie kent als vaste bezetting ten minste de disciplinaire samenstelling die voor een adequate beoordeling van de welstands- en monumentenaspecten relevant worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie hanteert als toetsingskader de door de gemeenteraad vastgestelde gebiedsgerichte – en objectgerichte criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">De “Regeling van de Commissie”, legt de werkwijze en samenstelling van de Commissie (Welstands- en Monumentencommissie) vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Benoeming van de CommissieDe benoeming van de voorzitter, de secretaris en de leden vindt plaats op voordracht van het Dagelijks Bestuur van de G.R. hûs en hiem door het gemeenteraden van de deelnemende gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Taken2.1 taakomschrijving CommissieDe Commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke taken van de Commissie worden uitgevoerd op grond van de Woningwet 2002, de Monumentenwet 1988 en gemeentelijke en provinciale monumentenverordeningen. De Commissie is voorts beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Wettelijke takenToetsing van vergunningplichtige bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet 2002. Regulier vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen drie weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing van licht-vergunningplichtige bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente pleegt voor licht-vergunningplichtige bouwaanvragen als bedoeld in artikel 44, lid 2 van de Woningwet 2002 zelf de welstandstoets, maar kan in voorkomende gevallen de bouwaanvraag voorleggen aan de commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De licht-vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen twee week na behandeling van een welstandsadvies voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.3 Niet wettelijk verplichte taken.De Commissie krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke Algemene plaatselijke verordening);</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgevraagd adviezen uitbrengen aan burgemeester en wethouders over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, burgemeester en wethouders en burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing van monumentenaanvragen De Commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de monumentenaspecten verbonden aan bouwaanvragen voor monumenten. Bouwaanvragen voor monumenten worden in de regel binnen vier weken na behandeling van een integraal advies voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Taakomschrijving CommissieledenDe leden van de Commissie (voorzitter, secretaris en overige leden) worden geselecteerd op de noodzakelijk geachte materiedeskundigheid en zijn onafhankelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris, de rayonarchitect van hûs en hiem , voert onder regie van de gemeente als gemandateerd lid van de Commissie het (eerste) vooroverleg met de planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van de adviesaanvragen in de Commissie voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter, een materiedeskundige met bestuurlijke ervaring, is verantwoordelijk voor functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij ziet ziet toe dat de Commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijke welstandsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/gastvrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij licht de vergaderorde toe en informeert wie van de aanwezigen bij een agendapunt wil toelichten. Na de fase van de toelichtingen (secretaris/externe toelichters) wordt deze afgerond en vangt de fase van de beraadslaging aan, een fase waaraan alleen de leden van de Commissie deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter draagt er zorg voor dat na de inhoudelijke discussie een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven, resulterend in een conclusie. De voorzitter bewaakt de voortgang van de agenda.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter ziet er op toe dat, in het geval dat één van de leden van de Commissie op een of andere wijze een zakelijke binding heeft met een bouwplan, dit lid in voorkomend geval niet zal deelnemen aan de beraadslagingen en zo mogelijk zal worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het overleg met de gemeente en de pers treedt de voorzitter namens de Commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de Commissie een jaarlijkse inhoudelijk evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijkse verslag van de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Werkwijze Bouw-, Woning- en Monumententoezicht De welstandsprocedure begint met een selectie van bouwplannen in licht-vergunningplichtige en vergunningplichtige bouwaanvragen. Bouw-, Woning- en Monumententoezicht toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de welstands- en monumententoets beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de benodigde bescheiden om het te kunnen toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in de AMvB “‘Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Werkwijze van de Commissie4.1 Grote en Kleine CommissieDe commissie jent een tweetal werkwijzen, één op locatie bij de gemeente (Kleine Commissie) en één op het bureau van hûs en hiem (Grote Commissie).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Openbaarheid, locatie en publicatie CommissievergaderingDe Commissie vergadert in de regel eenmaal per twee weken. De vergaderingen vinden plaats ofwel in het gemeentehuis, dan wel op een andere vaste locatie binnen de gemeente (Kleine Commissie), ofwel op het kantoor van hûs en hiem (grote commissie). De behandeling van de adviesaanvragen is openbaar, tenzij de gemeente op grond van het gestelde in de Wet Openbaarheid van Bestuur, gronden aanwezig acht om de behandeling besloten te doen plaatsvinden. De behandeling van bouwplannen in mandaat is evenzeer openbaar met dezelfde uitzonderingsclausule op grond van de Wet Openbaar Bestuur. De gemeente informeert op verzoek van de aanvrager van een bouwvergunning waar en wanneer behandeling van de Commissie plaatsvindt. Voor zoveel mogelijk zal de agenda van de Kleine Commissie op het gemeentehuis ter inzage worden gelegd en worden gepubliceerd in het lokale huis-aan-huisblad alsook onderdeel vormen van de gemeentelijke website. hûs en hiem informeert op verzoek van de aanvrager van een bouwvergunning, van de gemeente , dan wel van andere belangstellenden waar en wanneer behandeling in de Grote Commissie plaatsvindt. De agenda voor de Grote Commissie wordt daarnaast gepubliceerd op de website van hûs en hiem.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Gemandateerde behandelingDe secretaris van de (Grote) Commissie, de rayonarchitect van hûs en hiem, die tevens de rol van voorzitter van de Kleine Commissie vervult, heeft een mandaat om adviesaanvragen betreffende bouwplannen waarvan het oordeel over de welstands-, monumentenaspecten van de Commissie als bekend mag worden verondersteld te behandelen en van een advies te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plannen kunnen onder regie van de gemeente in een vooroverleg worden besproken. Van dit vooroverleg wordt een verslag opgesteld. Dit verslag wordt openbaar bij de behandeling van de formele adviesaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 SpreekrechtTijdens de vergadering van de Commissie wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden, in die zin dat opdrachtgevers, ontwerpers, gemeentelijke vertegenwoordigers en andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld de vergadering bij te wonen en de planvoornemens toe te lichten. De Commissieleden en toelichtende partijen krijgen daarna de gelegenheid tot het stellen van vragen. Na beantwoording daarvan wordt de toelichtende fase afgesloten en vangt de beraadslaging van de Commissie aan, waarna het advies wordt geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Het adviesDe Commissie brengt heldere en goed beargumenteerde schriftelijke adviezen uit aan het College van Burgemeester en Wethouders, over de vraag of ‘het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand’ (art. 12, lid 1 Woningwet 2003). Dit wordt beoordeeld van de hand van de criteria die daartoe door de gemeenteraad zijn vastgesteld. En welstandsadvies kan de volgende conclusie hebben:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoet De Commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria en/of monumentenbelangen niet in strijd is met redelijke eisen van welstand en/of monumentenzorg. Desgewenst motiveert de Commissie haar advies schriftelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoet mits De Commissie is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De Commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het College het advies overneemt, krijgt de aanvrager voor zover dit nog past binnen de beschikbare vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. Burgemeester en wethouders kunnen ook besluiten om de voorwaarden van het advies op te nemen in de bouwvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoet niet De Commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand en/ of monumentenzorg. Een negatief standpunt houdt in dat indien het College het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend zal moeten worden gewijzigd. Adviseert de Commissie negatief dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze omvat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en/ of monumentenbelangen en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanhouden De Commissie kan het advies aanhouden – waarbij Bouw-, Woning- en Monumententoezicht aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningstermijn – wanneer meer informatie en/ of een andere toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk is. Daarnaast is er sprake van het (in formele zin) aanhouden van een advies, wanneer het een voorlopige planbeoordeling betreft, zoals van toepassing bij een zogenaamd pre-advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Jaarverslag CommissieDe Commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de Commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Second opinionAlvorens een second opinion te vragen, bieden burgemeester en wethouders eerst de Commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies, waarbij wordt aangegeven op welke punten naar de mening van burgemeester en wethouders de houdbaarheid van het advies mogelijk in het geding is. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit ter kennis van de Commissie gebracht. Bij een second opnion wordt de adviesaanvraag voorgelegd aan een elders in Nederland functionerende Commissie. De gemeente neemt daartoe contact op met de Federatie Welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage10Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) Gebruiksfunctie Leden van toepassing Grenswaarden Omvang van de bewaking Aanwezigheid Omvang van de bewaking Kwaliteit Hoogte hoogste vloer (m) Gebruiksoppervlakte m2) Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers Niet automatisch Gedeeltelijk Volledig</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">2.6.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.6.4 2.6.2 2.6.2 2.6.2 2.6.3 2.6.3 2.6.3 Lid 1a 1b 1c 1a 1b 1c 1 Woonfunctie woonfunctie niet gelegen in een woongebouw en niet van een woonwagen * * * - 500 - * Woonfunctie gelegen in een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent toezicht * * * - 1 - * woonfunctie gelegen in een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen zonder permanent toezicht * * * - 1 - * 2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport * * * - 1000 1 * - 5000 - * 5&lt;13 - 1 * 13&lt;50 - - * 50&lt;70 - - * 3 Celfunctie * * * - 1 - * 4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten en een andere gezondheidszorgfunctie voor minder zelfredzame personen * * * - 1 - * 5 Industriefunctie Industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie * * * F F - * * * 6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie * * * 20&lt;50 - - * 50&lt;70 - - * 7 Logiesfunctie Logiesfunctie * * * - 250 - * 5 - - * 8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie * * * 20&lt;50 - - * 50&lt;70 - - * 9 Sportfunctie Sportfunctie * * * 5&lt;13 - - * 13&lt;50 - - * 50&lt;70 - - * 10 Winkelfunctie Winkelfunctie * * * - 5000 - * - 10000 - * 13&lt;50 1000 - * 13&lt;50 5000 - * 13&lt;50 10000 - * 50&lt;70 - - * 11 Overige gebruiksfunctie overige (besloten) gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen * * * - 1000 - * (a 2500 - * 12 Bouwwerk geen gebouw zijnde * * * F F - * * * Voor de betekenis van de symbolen in de tabel zie de toelichting op artikel 2.6.1. Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.2 tot en met 2.6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage11Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5(ontruimingsinstallaties) Gebruiksfunctie Leden van toepassing Grenswaarde Aanwezigheid Kwaliteit Gebruiksoppervlakte (m2)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">2.6.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.6.6 Lid 1b 1 Woonfunctie Woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder zelfredzame personen * * 500 2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport * * 500 3 Celfunctie * * 0 4 Gezondheidszorgfunctie * * 500 5 Industriefunctie Industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie * * F 6 Kantoorfunctie * * 500 7 Logiesfunctie * * 250 8 Onderwijsfunctie * * 500 9 Sportfunctie * * 1000 10 Winkelfunctie * * 1000 11 Overige gebruiksfunctie Overige (besloten) gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen * * 1000 Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer * * 1000 Andere overige gebruiksfunctie * * 1000 12 Bouwwerk geen gebouw zijnde - - - Voor de betekenis van de symbolen in de tabel zie de toelichting op artikel 2.6.5. Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) Gebruiksfunctie Leden van toepassing Aanwezigheid Kwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-269-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.9</span><span class=\"lf-art-t\">2.6.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Woonfunctie Woonfunctie gelegen in een woongebouw en niet van een woonwagen * * 2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport * * 3 Celfunctie * * 4 Gezondheidszorgfunctie * * 5 Industriefunctie Industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie * * 6 Kantoorfunctie * * 7 Logiesfunctie * * 8 Onderwijsfunctie * * 9 Sportfunctie * * 10 Winkelfunctie * * 11 Overige gebruiksfunctie * * 12 Bouwwerk geen gebouw zijnde * * Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer F * Ander bouwwerk geen gebouw zijnde - - Voor de betekenis van de symbolen in de tabel zie de toelichting op artikel 2.6.8. Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbeeldingen</p></div>", "next": 0}