{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onder de noemer “Rijswijk schakelt over” is een communicatiecampagne gestart. Vanuit deze campagne is ingezet op energiebesparing door bewustwording om het energieverbruik te verlagen. In samenwerking met de energiefixers is ingezet op energiebesparende maatregelen en het verminderen van energiearmoede. In 2024 is het Woningisolatieprogramma van start gegaan met een ondersteuningsaanbod voor VvE’s en individuele woningeigenaren om aan de slag te gaan met woningisolatie. De voorgenomen jaarlijkse reductie van energieverbruik met gemiddeld 1,4% is ruim behaald. In de periode 2014 – 2023 is de energievraag in Rijswijk met ongeveer 24,5% gedaald. Daarbij moet opgemerkt worden dat de energietekorten in 2021 en de daarbij behorende prijsstijgingen hebben bijgedragen aan de bewustwording en de actiebereidheid om energie te besparen. Ruim driekwart van de reductie heeft plaatsgevonden in de periode 2021-2023. Dit is niet alleen bereikt door isolatiemaatregelen maar ook door veranderend gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale initiatieven op het gebied van zonne-energie en bodemwarmte hebben zich vooral aangediend bij nieuwbouw en herontwikkelingsprojecten. Dit is in minder mate het geval geweest bij bestaande bouw. Lokale initiatieven in de bestaande bouw op het gebied van woningisolatie komen voornamelijk vanuit VvE’s en in mindere mate vanuit verenigingen. De gemeente biedt hierop ondersteuning en adviseert VvE’s ook over het ‘activeren’ van de VvE om met alle eigenaren binnen de VvE aan de slag te gaan met verduurzaming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overstap naar alternatieve warmtebronnen is voor de buurten in Rijswijk West een verkenning gestart naar de haalbaarheid van het warmtenet. Dit heeft meer tijd gevraagd dan voorzien, waardoor de planning uit de Transitievisie Warmte niet is gehaald. Het opstellen van de uitvoeringsplannen is daardoor nog niet aan de orde geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De communicatie richting de samenleving is vooral gericht op het informeren over energiereductie en de ontwikkeling rondom warmtenetten. Participatie heeft in mindere mate plaatsgevonden. Wel is de adviesraad Energietransitie opgericht, een groep inwoners die de gemeente adviseert over de beleidsontwikkeling op het gebied van de energietransitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Participatie en communicatie Voor de ontwikkeling van het Warmteprogramma 2025 hebben we een reeks participatieactiviteiten georganiseerd om inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners te betrekken. De participatie had als doel om bewustwording en betrokkenheid te creëren, ruimte te bieden voor vragen en zorgen, en input op te halen voor de verdere planvorming. De activiteiten richtte zich op het informeren, raadplegen en in gesprek gaan met inwoners via inloopavonden en een webinar. De communicatie voor deze participatiemomenten vond plaats via diverse kanalen zoals social media en lokale media. Het Warmteprogramma werd tekstueel uitgelegd op banners, en mondeling via presentaties en gesprekken, met extra nadruk op praktische vragen zoals kosten, planning en aanpassingen aan woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de vijf fysieke bijeenkomsten en één digitale sessie kwamen vooral vragen naar voren over de praktische consequenties van de warmtetransitie: kosten, timing en benodigde aanpassingen aan woningen. Samengevat: de haalbaarheid en betaalbaarheid. Hoewel de bijeenkomsten bewust informeel en interactief waren opgezet, werd duidelijk dat er veel behoefte is aan duidelijke en toegankelijke informatie over concrete stappen. Ook kwamen enkele inwoners met initiatieven en ideeën die in de toekomst mogelijk verder uitgewerkt kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de participatieactiviteiten gericht op inwoners en ondernemers is de Adviesraad Energietransitie Rijswijk meerdere keren betrokken geweest bij het proces en levert zij formeel advies. Sinds 2022 heeft de gemeente de Adviesraad Energietransitie Rijswijk (hierna adviesraad). De adviesraad bestaat uit inwoners die het College van burgemeester en wethouders gevraagd en ongevraagd advies geeft op het gebied van de energietransitie. Op die manier helpt de adviesraad de gemeente om beleid beter aan te laten sluiten op wat er leeft in de samenleving. Met de adviesraad is op verschillende momenten bijgepraat over het proces en de beleidsontwikkeling in het Warmteprogramma. In deze gesprekken zijn vragen en ideeën uitgewisseld. De adviesraad geeft voor vaststelling van het Warmteprogramma formeel advies op het ontwerp Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvattend hebben de participatieactiviteiten geleid tot waardevolle inzichten die meegenomen worden in het vervolgtraject. Uitgebreide informatie over hoe inwoners, ondernemers en de interne gemeentelijke organisatie zijn betrokken en wat er met hun inbreng is gedaan, staat in het participatieverslag dat als bijlage bij dit Warmteprogramma is bijgevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Milieueffectrapportage In de Omgevingswet is bepaald dat er voorafgaand aan bepaalde besluiten een procedure moet worden doorlopen voor het opstellen van een onderzoek naar de gevolgen voor het milieu. De procedure noemen we een plan-mer en de uitkomsten van het onderzoek komen te staan in een MER (de milieueffectrapportage). Een plan-mer is verplicht voor de vaststelling van het Warmteprogramma, als dat Warmteprogramma kaders stelt voor projecten die genoemd staan in bijlage V van het Omgevingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit Warmteprogramma staan 4 activiteiten opgenomen die genoemd staan in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dat is de aanleg van het warmtenet, tijdelijke warmtestations op aardgas, geothermische boring en bodemenergie. Van kaders is sprake als het programma criteria of voorwaarden bevat voor de goedkeuring of uitvoering van projecten door het bevoegd gezag, dat uiteindelijk toestemming moet geven voor een project13. Voorbeelden daarvan staan opgenomen in de Handreiking mer in de warmtetransitie van het NPLW en zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een locatiekeuze (of locatiecriteria).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tracékeuze van een warmtenet (of criteria hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdspaden of faseringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de maatregelen te begrenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van uitvoering te beschrijven die relevant is voor een later project-mer-(beoordelings)plichtig besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van de Omgevingsvisie Rijswijk is recent een plan-mer opgesteld. Met het doorlopen van de verplichte procedure zijn de milieueffecten voor de aanleg van het warmtenet, geothermische boring en bodemenergie in kaart gebracht. Voor het Warmteprogramma is een plan-mer-beoordeling uitgevoerd. Met een plan-mer-beoordeling wordt in beeld gebracht of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden, waardoor het wenselijk is om een plan-mer op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies- en ingenieursbureau Tauw heeft de plan-mer-beoordeling uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 3. De uitkomst van de plan-mer-beoordeling is op hoofdlijnen als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bijna alle thema’s (behalve voor stikstof) worden er geen aanzienlijke milieueffecten verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door toegepaste mitigerende maatregelen kunnen negatieve milieugevolgen van de geplande activiteiten aanzienlijk worden beperkt. De uitzondering hierop is stikstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor stikstof is nader onderzoek nodig om te berekenen wat de stikstofneerslag van de activiteiten uit het Warmteprogramma zijn in Natura-2000 gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Rijswijk zijn geen Natura 2000-gebieden aangewezen. Wel liggen er enkele gebieden op relatief korte afstand van de gemeente, dit zijn: Meijendel &amp; Berkheide (circa 10 kilometer), Westduinpark &amp; Wapendal (circa 8 kilometer) en Solleveld &amp; Kapittelduinen (circa 8 kilometer). Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden zullen effecten zoals verstoring door licht en geluid, verdroging van de bodem en verzuring niet van toepassing zijn. Wel kan er sprake zijn van stikstofdepositie in deze gebieden als gevolg van activiteiten uit het Warmteprogramma. Om aan te tonen dat er geen stikstofuitstoot neerkomt in de Natura 2000-gebieden is een stikstofdepositieberekening nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stikstofuitstoot van de activiteiten uit het Warmteprogramma, bijvoorbeeld de tijdelijke warmtestations, maar ook graafwerkzaamheden voor de aanleg van een warmtenet, zullen op de lange termijn zorgen voor een vermindering van de stikstofuitstoot doordat gebouwen aardgasvrij verwarmd worden. Voorheen konden dergelijke toekomstige effecten tegen elkaar worden weggestreept, dat werd ‘intern salderen’ genoemd. Recente jurisprudentie van de Raad van State bepaalt dat voor intern salderen op projectniveau voortaan een natuurvergunning nodig is. Dit is aan de orde op het moment dat er een vergunning wordt verleend voor de uitvoering van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de conclusies van de plan-mer-beoordeling is ervoor gekozen om geen plan-mer op te stellen voor het Warmteprogramma. Bij het opstellen van dit Warmteprogramma is gebruiktgemaakt van de plan-mer op de Omgevingsvisie en de plan-mer-beoordeling. Bij de uitwerking van projecten die benoemd staan in dit Warmteprogramma en in bijlage V van het Omgevingsbesluit worden de milieueffecten opnieuw in beeld gebracht met een project-mer. [13] Bron: Plannen en programma's en de milieueffectrapportage | Informatiepunt Leefomgeving, geraadpleegd 15-04-2025 8.4 Wie hebben er meegedacht?</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van het Warmteprogramma zijn verschillende partijen betrokken. De professionele partners hebben meegedacht in de Warmteprogramma Klankbordgroep. De leden van de klankbordgroep zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Warmtebedrijf HVC Woningcorporatie Rijswijk Wonen Netbeheerder Stedin Woningcorporatie Vidomes Ook is afgestemd met regiogemeenten in de Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag (RES), met name met de buurtgemeenten van Rijswijk in het zogenaamde RES-cluster Haaglanden. De leden van het RES-cluster Haaglanden zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Rijswijk Gemeente Den Haag Gemeente Leidschendam-Voorburg Gemeente Delft Gemeente Wassenaar Verder heeft regelmatig afstemming plaatsgevonden met de adviesraad Energietransitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Bronnen Voor het opstellen van dit Warmteprogramma is gebruik gemaakt van de onderstaande bronnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBS (2022), Aantal aardgasaansluitingen op wijk- en buurtniveau, 2022. Via URL: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2023/42/aantallen-aardgasaansluitingen-op-wijk-en-buurtniveau-2022 CBS, Regionale klimaatmonitor, via URL: https://klimaatmonitor.databank.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">CE Delft (2023), MKBA Bodemenergie.</p>\n<p class=\"lf-p\">DNE research (2024), Nationaal Trendrapportage warmte.</p>\n<p class=\"lf-p\">EBN (2025), Energie in cijfers 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Utrecht (2025), Data-analyse voor de onderbouwing van de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaateffectatlas, Kaartviewer, via URL: https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaateffectatlas, buurtdashboard, via URL https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/buurtdashboard.</p>\n<p class=\"lf-p\">KNMI (2023), KNMI’s23 klimaatscenario’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">KNMI (2025), De staat van ons klimaat 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">KNMI, Klimaatdashboard. Via URL: https://www.knmi.nl/klimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mentink Procesmanagement (2025), Onderbouwing huidige en toekomstige warmte- en elektriciteitsvraag Rijswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mentink Procesmanagement (2025), Onderbouwing Warmtestrategie Rijswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">PBL (2024), Klimaat en Energieverkenning 2024 PBL (2025), Startanalyse aardgasvrije buurten 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">PBL (2025), Gebruikershandleiding. Toelichting op het gebruiken en interpreteren van de resultaten van de actualisatie van de Startanalyse 2025 Rijksoverheid (2019), Schakelen naar de toekomst – IBO bekostiging elektriciteitsinfrastructuur RVO (2024), Marktinformatie isolatiematerialen, isolatieglas en Hr-ketels 2010-2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">RVO (2025), Monitor Verduurzaming Gebouwde Omgeving 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tauw (2025), PlanMER-beoordeling warmteprogramma gemeente Rijswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tauw, CE Delft, Klimaatverbond (2024), Handreiking Koelte in het Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO (2021), Energievraag van ruimtekoeling in woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNO (2025), Energieverbruik en energiebesparing in de bestaande woningbouw en utiliteitsbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 De opgave van de koudevraag in Rijswijk Samenvattting De gevolgen van klimaatverandering worden steeds duidelijker: hittegolven nemen toe en zomers worden warmer. Binnen de warmtetransitie ligt de focus vaak op het duurzaam verwarmen van gebouwen, wat in de winter gunstig is, maar in de zomer is er in toenemende mate behoefte aan koeling. Dit vormt een urgente opgave voor Rijswijk, zoals opgenomen in de RAAK-strategie (Rijswijkse Adaptatiestrategie en Aanpak voor Klimaatverandering 2023–2030).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit rapport beschrijft de integratie van hitte en het koudevraagstuk binnen het Warmteprogramma. Het schets eerst het haalbare ambitieniveau voor het meenemen van de gevolgen van hitte in Warmteprogramma, waarbij de structuur van de bestaande handreiking van CE Delft &amp; Tauw “Koelte in het Warmteprogramma”1, als uitgangspunt wordt genomen. Het geeft vervolgens ook een analyses van hitte in Rijswijk en biedt handelingsperspectief met richtlijnen en tools.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen handelingsperspectief hitte voor Rijswijk vanuit RAAK: Pas een strategie toe van hitteadaptatie in de gebouwde omgeving. Hanteer de voorkeursvolgorde: a. de omgeving aanpassen; b. warmte weren; c. warmte afvoeren; d. efficiënte actieve koeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pas ook maatregelen toe die de overlast en risico's van hitte voorkomen, langs drie sporen: Gebied, Gebouw en Gebruiker. Het is belangrijk om voor het hittevraagstuk de gebouwde stad aan te passen, de openbare ruimte aan te passen én de gebruikers (inwoners) beter weerbaar te maken tegen de gezondheidsrisico's van hitte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen voor koudevraag bij woningbouw in het Warmteprogramma Collectieve koeling i.c.m. met warmte-koude-opslag (WKO): Zet vooral in op WKO als voorkeursstrategie in top 5-buurten met het hoogste koudevraag én de aanwezigheid van hittestress.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkom warmtelozing naar buitenlucht, vooral in de hitte-eilanden: Koelsystemen met buitenunits (zoals luchtwarmtepompen en airco’s) zijn onwenselijk in druk bebouwde woongebieden. Ze verhogen het lokale hitte-eilandeffect.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kies bij nieuwbouw standaard voor systemen met warmte- en koudevoorziening: Bij nieuwbouw en (her)ontwikkelingen is er voorkeur aan het toepassen van warmteoplossingen die zowel verwarmen als koelen, i.c.m. eigen energieproductie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prioriteer warmtenetten in bestaande woningen: hoewel de koudevraag vanwege klimaatopwarming toeneemt, blijft deze relatief beperkt in de meeste buurten waar hittestress nog beperkt aanwezig is (gebieden buiten de zogenaamde hitte-eilanden) en waar de koudevraag ten opzichte van de totale energievraag laag is (~10%). Hierdoor blijft een midden temperatuur warmtenet in de meeste buurten een geschikte oplossing voor veel woningen in Rijswijk. Denk aan sociale woningcomplexen die ook versneld verduurzaamd moeten worden. Dit is mits er aanvullende hitte maatregelen worden getroffen om oververhitting in de toekomst te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwetsbare doelgroepen analyse: In de buurten waar gekozen is voor warmte strategieën zonder koeling, onderzoek of er toch kwetsbare doelgroepen zijn, die alsnog een actieve vorm van koeling nodig hebben, bijvoorbeeld door broze gezondheid. Gebruik eventueel tools als hittelabel voor woningen met oververhittingsberekeningen. Door gebrek aan specifieke data per woning, is een dergelijke analyse momenteel niet uitvoerbaar. Ook verdient het aanbeveling om sociaal-maatschappelijke aspecten mee te nemen, zoals de financiële draagkracht van huishoudens, vooral in de sociale huursector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanscherping TOjuli eis: De eis voor de temperatuuroverschrijding berekening (TO-juli) bij woningbouw is verlaagd van 1,0 tot 1,2 (indexgetal). Deze verlaging is een zorg, want een indexgetal &gt;1,0 geeft feitelijk aan dat er dan sprake is van temperatuuroverschrijding. Nieuwe klimaatscenario’s zijn daarin niet meegenomen en voorspellen meer hittestress. Er wordt in de TO-juli berekening geen rekening gehouden met omgevingsfactoren als hitte-eiland effect. Aanbevolen wordt om alsnog 1,0 eis aan te houden, als een veilige temperatuuroverschrijding grens voor woongebouwen. Indien mogelijk aangevuld met een omgevingsanalyse gevoelstemperaturen (PET-kaarten). Pas bij woningen in een hitte-eiland en overschrijding (&gt;1,0) altijd een aanvullende hitteberekening, zoals GTO.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen voor koudevraag bij utiliteitsgebouwen in het Warmteprogramma Geef voorkeur aan bodemenergiesystemen in buurten met het hitte-eiland effect: Deze systemen leveren warmte en koeling zonder extra warmtelozing naar de buitenlucht en voorkomen een negatieve bijdrage aan hittestress.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperk vooral in hitte-eiland Plaspoelpolder, toepassing van systemen met buitenluchtwarmtelozing: Vermijd systemen zoals split-airco’s en luchtwarmtepompen, tenzij afdoende afscherming en spreiding is geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik synergiën: Utiliteitsgebouwen hebben vaak een hogere en ook constantere koudevraag dan warmtevraag, dat is juist omgekeerd bij woningen, pas hier slimmer synergiën toe waar dat mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Neem netcongestie en piekbelasting mee in de afweging: Actieve koeling verhoogt de netbelasting. Geef daarom voorkeur aan oplossingen die ook passieve koeling gebruiken, en/of systemen die bodemkoeling met buffering mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen TOjuli eis: Temperatuuroverschrijding berekening (TO-juli) geldt in tegenstelling tot woningbouw niet voor utiliteitsfunctie. Er is verder geen andere wettelijke eis tegen oververhitting in utiliteitsgebouwen. Onderzoek inzet extra tools bij utiliteitsgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding De gevolgen van klimaatverandering worden steeds tastbaarder: hittegolven nemen toe en zomers worden warmer. Binnen de warmtetransitie ligt de focus vaak op het duurzaam verwarmen van gebouwen. Daarbij worden woningen beter geïsoleerd, wat in de winter gunstig is, maar in de zomer juist kan leiden tot oververhitting. Geïsoleerde gebouwen houden namelijk ook warmte vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door klimaatopwarming én het stedelijk hitte-eilandeffect, vooral in dichtbebouwde wijken, neemt het risico op hittestress toe. Dit vormt een urgente opgave voor Rijswijk, zoals bevestigd in de RAAK-strategie (Rijswijkse Adaptatiestrategie en Aanpak voor Klimaatverandering 2023–2030). In lijn met de ambitie om hitte aan te pakken – zowel in de openbare ruimte als op gebouwniveau – wordt hitte, en de bijbehorende koudevraag, als integraal onderdeel beschouwd van het Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding In het Warmteprogramma maken we keuzes voor de lange termijn. Daarbij is het essentieel om rekening te houden met een warmer klimaat en een toenemende vraag naar koeling. Langdurige hitteperiodes brengen gezondheidsrisico’s met zich mee, vooral voor kwetsbare groepen zoals ouderen, chronisch zieken, jonge kinderen en mensen in sociaal isolement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijswijk kent een aantal hitte-eilanden met veel verouderde woningen. Er is vaak sprake van matige isolatie en gebrek aan ventilatie of andere gebouw gebonden maatregelen tegen hittestress. Deze woningen zijn gevoelig voor oververhitting. Tegelijk vinden juist in deze wijken veel nieuwbouw en renovatieprojecten plaats die voor meer verdichting zorgen en ook toename van het hitte-eiland effect. Het Warmteprogramma biedt kansen om hitteadaptatie te integreren met de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Maatregelen zoals zonwering, nachtventilatie en vergroening zijn belangrijk om hittestress te beperken. In sommige situaties is echter ook actieve koeling noodzakelijk. Niet alle warmteoplossingen kunnen dit bieden: bodemenergiesystemen zijn in staat om ook te koelen, terwijl bij veel warmtenetten koeling niet mogelijk is. Het is daarom verstandig om de koudevraag al in een vroeg stadium mee te nemen in de afweging van warmtestrategieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel Dit rapport beschrijft de integratie van hitte en het koudevraagstuk binnen het Warmteprogramma. Het schetst eerst het haalbare ambitieniveau voor het meenemen van de gevolgen van hitte in Warmteprogramma, waarbij de structuur van de bestaande handreiking van CE Delft &amp; Tauw “Koelte in het Warmteprogramma”[1], als uitgangspunt wordt genomen. Het geeft vervolgens ook een analyses van hitte in Rijswijk en biedt handelingsperspectief met richtlijnen en tools. [1] https://ce.nl/publicaties/handreiking-koelte-in-het-Warmteprogramma/ 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitieniveaus hitte in het Warmteprogramma Binnen de aanpak van CE Delft &amp; Tauw: “Koelte in het Warmteprogramma” wordt een onderscheid gemaakt tussen drie ambitieniveaus, elk met een eigen focus en mate van integratie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitieniveau Brons:</p>\n<p class=\"lf-p\">Identificatie en benoeming van hitteproblemen. Hierbij ligt de nadruk op het in kaart brengen van hittegevoelige buurten, door het gebruik van hittekaarten (bijvoorbeeld via Klimaateffectenatlas buurtdashboard of een eigen klimaatatlas).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitieniveau Zilver:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het thema hitte kan een rol spelen bij de prioritering van buurten als in de eerste selectie van warmteoplossingen. Hiernaast kan een koppeling worden gemaakt met preventieve maatregelen om hitte in de gebouwen te weren, zoals zonwering, verbeterde ventilatie en gebiedsmaatregelen (Ladder van Koeling, zie aanvulling 5 voor toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambitieniveau Goud:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit niveau gaat een stap verder van voorgaande ambitieniveaus door het implementeren van geavanceerde koudevraag-modelberekening. Dit maakt het mogelijk om in detail iets te zeggen over energiegebruik per pand, netimpact en de kosten van koude.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welk ambitieniveau is momenteel haalbaar voor Rijswijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit rapport wordt primair ingezet op het Zilver+ -niveau . Deze keuze is mede ingegeven doordat ambitieniveau Goud momenteel niet haalbaar is, doordat kennis over het modelleren van koudevraag en het bijbehorende kostenplaatje nog grotendeels in ontwikkeling is. Voor de berekening van de gemiddelde warmtevraag kan hier worden teruggevallen op veel statistische data, maar voor de koudevraag analyse is deze data helaas beperkt beschikbaar. Er is echter onlangs in februari 2025, door PBL een eerste actualisatie van de Startanalyse gemaakt. De koudevraag wordt daarin in beeld gebracht (hoeveelheid energie in GJ per woningequivalent, niet het daadwerkelijke energiegebruik per pand op basis van de keuze voor warmte- en koudetechniek). Hier is tevens nog geen rekening houden met omgevingsfactoren (zoals schaduw, aanwezigheid van groen en/of het hitte-eiland effect).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit rapport bouwt voort op de koudevraag analyse van PBL. Dit kan worden aangevuld met andere bronnen zoals CBS en TNO, om iets te kunnen zeggen hoe de vraag naar koeling in Rijswijk toeneemt. De PBL analyse kan daarnaast gevalideerd worden aan de hand van deze extra bronnen en gecombineerd worden met een gebiedsanalyse van hittestress en andere ruimtelijke factoren zoals aanwezigheid van groen. Aan de hand daarvan kan een prioritering per wijk worden voorgesteld, waar koeltevraagstuk het grootst is, en welke oplossingsrichtingen vanuit de warmtestrategieën per buurt/wijk het best passen, om naast de warmtevraag ook de koudevraag te adresseren. In dichtbebouwde wijken met het hoogste koudevraag kan geprioriteerd worden door te kiezen voor collectieve koelteoplossingen. Voor collectief koelen geldt dat sommige warmtestrategieën daarin ook kunnen voorzien. Daarnaast kan er ook worden gekeken naar een combinatie met hitte mitigerende oplossingen zoals passieve koeling (e.g. zonwering, nacht ventilatie) en individuele actieve koeling (airco's) in situaties waar bijvoorbeeld collectief koelen onhaalbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door gebrek aan data kunnen geen nadere analyses gemaakt worden met exacte koudevraag per pand op elk moment van de dag/nacht. Deze data is wel van belang om te bepalen welke technieken het meeste rendement opleveren. Daardoor kunnen ook de laagste maatschappelijke kosten momenteel niet worden uitgerekend. Ook kan de impact op het elektriciteitsnet niet in detail worden bepaald. Daardoor is het hoogste ambitieniveau (Goud) onhaalbaar. Het is wel raadzaam om in de toekomst een dergelijke diepte-analyse te maken, waarin de exacte kosten voor de keuzes van koeltetechnieken integraal worden meegenomen in de keuze van warmtetechnieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvatting van de keuze Rijswijk heeft hoge ambities als het gaat om aanpak van hitte, en daarbij hoort ook de gevolgen van hitte meenemen in het Warmteprogramma. Het op data-analyse en tools hoogst haalbare op dit moment is het Zilver-ambitieniveau, wat een pragmatische eerste stap is voor het Rijswijkse Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effecten van klimaatopwarming op hitte In het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 hebben landen met elkaar vastgelegd dat de opwarming in 2100 beperkt moet worden tot ruim onder de 2 °C sinds de negentiende eeuw. Het is streven was daarbij 1,5 °C wereldwijd. In 2024 heeft echter mondiale klimaatopwarming voor het eerst de limiet uit het Parijsakkoord bereikt. Gemiddeld werd het wereldwijde temperatuur 1,6 °C warmer in 2024, dan voor de industrialisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaatopwarming in Nederland Het is moeilijk om precies te voorspellen hoe het klimaat op lange termijn ontwikkeld, maar KNMI verwacht voor Nederland vooral langere en intensere hitteperiodes. Gemiddelde temperatuurstijging in Nederland bedroeg 2,3 °C in 2023 ten opzichte van de negentiende eeuw. Dit komt doordat het Europese continent is het snelste opwarmde werelddeel. In Europa wordt een gemiddelde temperatuurstijging waargenomen tussen 2 en 3 °C, sinds de negentiende eeuw, wat bijna het dubbele is van wat we nu al kunnen waarnemen op de wereldschaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de waarnemingen, heeft het KNMI in 2023 vier klimaatscenario’s ontwikkeld op basis van wereldwijde klimaatmodellen van het IPCC, zie aanvulling 4 Deze scenario’s zijn gebaseerd op de hoeveelheid uitstoot van broeikasgassen en de mate van neerslagverandering. In alle vier de scenario’s krijgen we te maken met een toenemende jaargemiddelde temperatuur, zie Figuur 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De temperaturen verschillen per scenario, maar wat voor alle scenario’s geldt is dat we meer zomerse dagen krijgen. In zowel 2050 als in 2100 de opwarming het grootst in de zomer en het kleinst in de winter en de lente. Dit komt door meer droogte in de zomer en uitdroging van de bodem. In de Hoge uitstoot scenario’s neemt in De Bilt het aantal zomerse dagen per jaar toe van 28 (in het huidige klimaat) tot 49 (rond 2050) en tot 89 (rond 2100). In de Lage uitstoot scenario’s komen er per jaar 40 zomerse dagen voor. De zomers krijgen daarnaast meer tropische nachten, met een minimumtemperatuur van 20°C of hoger. Ondanks dat de opwarming in de zomermaanden relatief meer is vergeleken met winterperioden, stijgen de gemiddelde temperaturen. Door al deze toename, zal in de zomermaanden de vraag naar koeling in de gebouwde omgeving versneld toenemen, en de warmtevraag in de wintermaanden juist afnemen. Vooral de vraag naar koeling wordt een uitdaging, omdat dit onderwerp nog relatief weinig aandacht kreeg in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 1 Gemiddelde jaartemperatuur: waarnemingen (zwart) en de vier KNMI’23-klimaatscenario’s (2050 en 2100, in drie kleuren (Ln en Ld vallen samen)). Zie aanvulling 3 met meer toelichting op de 4 scenario’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsanalyse klimaatadaptatie en hitte in Rijswijk Beleidskaders rondom energievraag en maatschappelijke kosten werden in Nederland en ook in Rijswijk tot nu toe gedomineerd door de focus op de winterperiode, terwijl door klimaatopwarming juist zomerperiodes meer een uitdaging vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie De landelijke ambitie voor klimaatadaptatie is vastgelegd in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Hierin stelt Nederland zich ten doel om in 2050 en daarna een klimaatbestendige inrichting te hebben. Het Deltaplan adviseert daarnaast om een klimaatbestendige inrichting te gebruiken bij alle ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder nieuwbouw en ook aanpassingen aan de bestaande gebouwen voor de energietransitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit DPRA is afgesproken dat decentrale overheden (gemeenten en provincies) vanaf 2019 lokale klimaatstresstesten maken en deze iedere 6 jaar actualiseren. In onze gemeentelijke strategie RAAK is dit beleidsuitgangspunt overgenomen en in 2023 vastgesteld door de raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaatstresstesten gemeente Rijswijk Volgens de laatste klimaatstresstesten voor onze gemeente, uitgevoerd in 2020-2022, blijkt dat hittestress het meest urgente en groeiende problematiek vormt in onze gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is hittestress en hoe wordt dat bepaald?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hittestress is een mate van fysiologisch stressniveau dat optreedt, wanneer de omgevingstemperatuur gedurende langere tijd hoog is, zoals bij tropische nachten met waargenomen buitentemperatuur van 30 °C of hoger. Deze luchttemperaturen worden op basis van de KNMI scenario’s bepaald. Hittestress ontstaat door een combinatie van de hoge luchttemperatuur, intense zonnestraling en een gebrek aan verkoeling, zoals schaduw of wind. Vooral kwetsbare groepen zoals ouderen, kinderen en mensen met chronische aandoeningen zijn gevoelig voor hittestress. Symptomen kunnen variëren van vermoeidheid en uitdroging tot ernstige hitteberoerte en kans op sterfte. Het is belangrijk om maatregelen te nemen, zoals woning koel houden, voldoende water drinken, schaduw opzoeken en fysieke inspanningen vermijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevoelstemperatuur of Perceived Equivalent Temperature (PET) is niet hetzelfde als luchttemperatuur en is in feite een maatstaf voor een hittestressniveau, zie tabel 2 hieronder, die rekening houdt met verschillende factoren zoals luchttemperatuur (dat bepaald wordt door de KNMI-scenario’s), luchtvochtigheid, windsnelheid en straling om de ervaren temperatuur door mensen te bepalen. PET is een met andere woorden een maat om verschillende microklimaten of stedelijke locaties met elkaar te vergelijken. Volgens in 2020 ontwikkelde standaarden van RIVM voor de stresstesten voor hitte[2], wordt in Nederland een gevoelstemperatuur tussen 18 en 23 °C als comfortabel beschouwd, terwijl hogere waarden kunnen leiden tot hittestress, zoals ook in tabel 3 hieronder is gepresenteerd. [2] https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2019-0008.pdf KNMI’14 vs.KNMI’23 scenario’s Eerste klimaatstresstesten voor gemeente Rijswijk waren uitgevoerd op basis van KNMI’14 scenario’s. KNMI'23-klimaatscenario's geven echter een gedetailleerd en actueel beeld van de verwachte temperatuurstijgingen in Nederland, vooral in de zomer. Vanaf 2025 worden in Rijswijk nieuwe klimaatstresstesten uitgevoerd, op basis van de geactualiseerde scenario’s. We verwachter echter niet dat de eerdere conclusies ten aan zien van hittestress significant anders zullen zijn. Wel verwachten we dat vooral warmste zomerdag temperaturen hoger zullen liggen, waardoor kans op hittestress nog meer zal toenemen. In onderstaande tabel 3 zijn de belangrijkste kwantitatieve verschillen tussen KNMI’14 en KNMI’23 scenario’s voor het onderdeel hitte weergegeven, alsook de waarnemingen van afgelopen periodes van 30-jaar gemiddelden (i.e. tussen 1981-2010 en ook tussen 1991-2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 3: KNMI’23 versus KNMI’14 scenario’s Voor hitte voorspellen de nieuwe scenario’s van KNMI’23 een hogere marge van onzekerheid, met gemiddelde jaartemperatuurstijging (t.o.v. 1981-2010) van 1,3°C tot 4,8°C tegen het einde van de eeuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddelde zomertemperatuur kan volgens KNMI’23 veel meer gaan stijgen, met een hogere marge tussen 1,4 °C en 5,6 °C versus 1,3 en 4,3 °C. Gemiddelde temperatuur op een warmste zomerdag, stijgt volgens KNMI’23 tussen 2°C tot 7,4°C, versus 2,2 °C tot 5,7 °C volgens KNMI’14. Vooral de bovengrens van de KNMI’23 voorspelt warmere zomers in vergelijking met KNMI’14. De nieuwe klimaatscenario’s worden in de Aanvulling 4: KNMI’23 scenario’s verder toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal hittegolven kan volgens KNMI’23 flink toenemen van gemiddeld 1 per jaar naar 4 tot 5 per jaar, en de maximumtemperaturen tijdens hittegolven zullen stijgen. In 2019 werd in Nederland al voor het eerst 40 °C gemeten. In het hoogste scenario van KNMI’23 rond 2100 (Hd) kan 40 °C bijna elk jaar voorkomen. Door deze extreme hitte en ook toename van hitteperioden, kunnen ook de temperatuuroverschrijdingen in woningen vaker optreden. Hierdoor zal hittestress niet alleen in de openbare ruimte een probleem zijn, maar steeds vaker ook in de gebouwen. De toename in tropische nachten, met een minimumtemperatuur van 20°C of hoger, zal ervoor zorgen dat onze gebouwen in de nachturen onvoldoende kunnen afkoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoelang hittegolven dan duren en hoe intens ze zijn, is nog niet uitgebreid onderzocht. Het KNMI zal hier naar verwachting de komende tijd uitgebreider naar kijken op basis van de data die is meegeleverd bij de klimaatscenario’s. In lage-uitstootscenario (Ld) zal dat bijna niet voorkomen maar in een hoge-uitstootscenario, komt dat tegen de eeuwwisseling elk jaar voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvallend is dat de baanbreedte van de KNMI’23 scenario’s is een stuk groter dan die van oude KNMI’14 scenario’s, dat komt door de onzekerheidsgraad van de klimaatmodellen en ook hoe de CO2 uitstoot zicht gaat ontwikkelen. Daarnaast krijgen drukke stadscentra steeds meer te maken met hitte-eiland effect, waar temperaturen tot 3 tot 10 graden hogen kunnen liggen. We moeten naast openbaar gebied ook de gebouwde omgeving voorbereiden op perioden van hitte om daardoor de leefbaarheid in Rijswijk te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsanalyse hitte Rijswijk huidige situatie Het thema hittestress omvat niet alleen stijging in de buitentemperatuur, maar ook de gevoelstemperatuur en speelt met name een belangrijke rol in bebouwd stedelijk gebied. Stedelijke gebieden worden door hoger temperaturen overdag en ’s nachts zogenaamde hitte-eilanden genoemd, waar temperaturen tot 10 graden hoger kunnen liggen dan in de niet stedelijke omgeving, met veel open ruimte en groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Globaal zijn er op dit moment 4 hitte-eilanden in Rijswijk te onderscheiden: Bogaard Stadscentrum, Plaspoelpolder, Oud-Rijswijk en Rijswijk Buiten, zie onderstaande figuur 2. In de volgende hoofdstukken wordt een voorlopige analyse weergegeven in welke mate in deze buurten hittestress een probleem vorm in Rijswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 2: Hitte-eilanden in Rijswijk o.b.v. huidige PET-kaart. Bron: Rijswijkse Klimaatatlas 2025 (binnenkort verwacht) Disclaimer:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt vanaf dit jaar gewerkt aan een nieuwe stresstest hitte voor Rijswijk, met een uitgebreid overzicht per buurt, echter op dit moment is dat nog niet beschikbaar. De bedoeling is dat deze buurtanalyses met de actualisatie van Klimaatatlas Rijswijk pas na 2026 beschikbaar komen. In dit hoofdstuk wordt daarom een eerste quickscan hitte in openbaar gebied gepresenteerd, op basis van nieuw kaartmateriaal voor Rijswijk incl. PET-kaarten (bron: klimaatatlas Rijswijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaspoelpolder In Plaspoelpolder is er op dit moment sprake van een aanzienlijk hoog risico op hittestress. De voornaamste reden is dat groenvoorzieningen ontbreken en percentage groen tussen 10-20% ligt. Ook is grijspercentage in deze buurt erg hoog, tussen 80% en 90%. Hierdoor vormt dit gebied het grootste hitte-eiland van Rijswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaspoelpolder, zie kaart in figuur 3 hieronder, is voor het grootste deel op dit moment een echte werklocatie met hoofdzakelijk utiliteitsgebouwen. Het Middengebied is aangewezen als bedrijventerrein met ruimte voor MKB-bedrijven). Het Kesslerparkgebied, de randen en het Havenkwartier worden de komende jaren omgevormd tot gemengd wonen-werken functies (inclusief plinten met buurtvoorzieningen en educatie). Utiliteitsgebouwen kennen een relatief hogere koudevraag dan woningen. Koeling in kantoren is vaak standaard aanwezig. Echter wordt er vaak gebruik gemaakt van koeltechnieken die de buitenlucht verwarmen, en dat draag negatief bij aan het lokale hitte-eiland effect. In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de rol van de actieve koeling en ook mogelijke alternatieven die relevant zijn voor het Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 3: Kaart Plaspoelpolder, bestaande uit: het Middengebied, Kessler Park en het Havenkwartier Figuur 4: overzicht hittestress met gevoelstemperaturen in Plaspoelpolder De gevoelstemperaturen op zomerse warmste dag bereiken (rond 12.00 uur) op veel plekken waarden tussen 35-41 °C en op een aantal plekken zelfs boven 41 °C, d.w.z. extreme hittestress, zie ook tabel 2 hierboven. De verwachting is dat dit beeld in de rest van het gebied toeneemt en ook verder oploopt richting 50 °C in 2050.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oud Rijswijk In oud stadscentrum, Oud Rijswijk is door versteende inrichting van stedelijk gebied, minder ruimte voor groenvoorzieningen, en dat vertaalt zich ook hier in hogere mate van hittestress. In de meeste straten bereikt gevoelstemperatuur meer dan 41 °C (d.w.z. extreme hittestress). Ook hier is de verwachting dat dit oploopt tot extreme hittestress van meer dan 50 °C in 2050.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 5: overzicht hittestress met gevoelstemperaturen in Oud Rijswijk Bogaard stadscentrum Ten noorden van het Wilhelminapark tot aan het winkelcentrum De Boogaard ligt het nieuwe stadscentrum van Rijswijk. Hier is sprake van veel verstening en daarmee een hoge mate van oplopende temperaturen. Dat gebied gaat eigenlijk door tot de Plaspoelpolder buurt. De gevoelstemperaturen, bereiken hier ook op veel plekken tussen meer dan 41 °C, zie figuur 6. Echter, zijn er ook in de nabijheid een aantal koelere plekken aanwezig, zoals Bogaardplein en groene zones langs de Sir Winsten Churchilllaan en Prinses Beatrixlaan. Tevens ook hier is de verwachting dat dit oploopt tot extreme hittestress van meer dan 50 °C in 2050.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 6: overzicht hittestress met gevoelstemperaturen in de Bogaard Stadscentrum Rijswijk Buiten Het Masterplan Rijswijk Buiten voorzag in de ontwikkeling van het plangebied tot een aantrekkelijke en duurzame leefomgeving. Helaas, zoals ook in de onderstaande figuur 7 is getoond, is de leefomgeving niet klimaatadaptief gerealiseerd. Op veel plekken bereiken de gevoelstemperaturen waarden tussen 35 °C en 41 °C (grote hittestress niveau). Er zijn ook gebieden met waarden boven 41 °C (extreme hittestress niveau). De meeste nieuwbouw ontwikkeling vond plaats in de afgelopen 10 jaar. De meeste kansen voor het opnemen van klimaatadaptieve maatregelen doen zich voor in de eerste fasen van projectontwikkelingen (initiatief, verkenning en ontwerpfase). Dit is momenteel enkel nog van toepassing op het deelgebied Pasgeld. De gemeente bevindt zich op dit moment in ontwerp fase van projectvorming, waarbij de kans om tot klimaatadaptieve planinrichting te komen, nog groot is. N.B. Voor dit deelgebied is gebruik gemaakt van PvE van Bouwadaptief, zie aanvulling 2, wat is vertaald naar een klimaatadaptief en natuurinclusief ontwikkelkader. Dit is onlangs door de gemeenteraad vastgesteld. Dit plangebied is in de afbeelding hieronder niet getoond, maar de verwachting is dat het project volledig klimaatadaptief wordt uitgevoerd Figuur 7: overzicht hittestress met gevoelstemperaturen in Rijswijk Buiten 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsanalyse hitte Rijswijk in 2050 Door verdere klimaatopwarming en andere factoren, zoals hoge dichtheid aan de bebouwing en gebrek aan groen in de openbare ruimte (en hitte-eilanden ook in de omliggende gemeenten) zal het hittestressniveau in openbaar gebied in Rijswijk toenemen, zoals ook wordt weergegeven in figuur 8. Hier is de gevoelstemperatuur op een hete dag in 2050 in Rijswijk weergegeven uitgaand van sterke klimaatverandering (Hoge uitstoot scenario). Rijswijk wordt dan naar verwachting één grote hitte-eiland, met nog enkele koelteplekken in de landgoederen zones.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 8: PET-kaart in 2050 op een hete dag. Bron: Rijswijkse Klimaatatlas 2025 (binnenkort verwacht) Al deze factoren leiden tot meer hittestress in Rijswijk en niet alleen buiten op straat, maar vooral ook binnen de woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder aanvullende maatregelen voor hitte mee te nemen in de keuzes van warmtetechnieken, en bij voortzetting van klimaatverandering volgens een hoog emissiescenario, is het reëel te verwachten dat Rijswijk rond 2050 grotendeels zal functioneren als één grootstedelijk hitte-eiland. Daarnaast neemt richting 2050 het aantal kwetsbare ouderen in Rijswijk toe. Deze groep is extra gevoelig voor hitte, zeker in woningen zonder mogelijkheden voor goede nachtventilatie of actieve koeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Energievraag voor ruimtekoeling in woningen De energievraag voor ruimtekoeling in woningen is momenteel relatief beperkt, maar vertoont een duidelijke groei. TNO schat dat het gemiddelde elektriciteitsverbruik voor airconditioners (bij 100% vollast) in woningen in 2022 (in heel Nederland) ongeveer 1,6 petajoule (PJ) bedroeg, wat neerkomt op circa 2% van het totale elektriciteitsverbruik van woningen. In 2021 was dit nog maar 0,9%. Naar verwachting zal dit in 2030 toenemen tot 4 PJ (gemiddeld, zie toelichting hieronder), oftewel gemiddeld 5% van het totale elektriciteitsverbruik van woningen. [3] [3] https://topsectorenergie.nl/nl/kennisbank/factsheets-koudetechnieken/ Tabel 4: Gemiddeldes en de onder- en bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval van het aandeel elektriciteitsgebruik voor koeling ten aanzien van het totale elektriciteitsgebruik van huishoudens (bron TNO, 2024) Deze toename wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging in het aantal huishoudens met airconditioners. In 2021 beschikte bijna 20% van de huishoudens over een airco, en TNO verwacht dat dit percentage in 2030 zal stijgen tot ruim 40%, dit vormt dan 5% van het totale elektriciteitsgebruik door huishoudens.[4] [4] https://publications.tno.nl/publication/34643172/0QzXXhpm/TNO-2024-R11165.pdf Energievraag voor ruimtekoeling in utiliteitsgebouwen In utiliteitsgebouwen is de koudevraag doorgaans hoger dan in woningen, vanwege grotere interne warmtelasten en hogere bezettingsgraden. Volgens het CBS werd in 2023 (in Nederland) ongeveer 5.204 gigawattuur (GWh) aan koude geleverd in de utiliteitsbouw, tegenover 1.362 GWh in woningen. Dit benadrukt de noodzaak om bij utiliteitsgebouwen specifieke aandacht te besteden aan koelstrategieën.[5] Gezien de hogere koudevraag is het belangrijk om warmteoplossingen te implementeren die ook actieve koeling kunnen bieden. In woon-werk gebieden met veel kantoren, zoals Plaspoelpolder, waar veel utiliteitsgebouwen zijn gevestigd, is het raadzaam om systemen te overwegen die zowel aardgas loze verwarming als koeling kunnen leveren, zonder warmtelozing naar de omgeving, zoals warmte-koudeopslag (WKO).[6] [5] https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/diversen/2025/hernieuwbare-koude-volgens-europese-richtlijn-hernieuwbare-energie/5-uitkomsten [6] https://klimaatverbond.nl/publicatie/hittestress-en-koudevraag-inregelen-op-het-nieuwe-klimaat/?utm_source=chatgpt.com Theoretische koudevraag per buurt in PBL-Startanalyse Rijswijk De koudevraag is in de Startanalyse van PBL[7] voor Rijswijk ook in beeld gebracht. PBL maakt in deze berekening een aanname dat iedere woning en utiliteitsgebouw een koudevraag heeft. Het is uitgedrukt als een percentage koudevraag ten opzichte van het totaal energieverbruik per woningequivalent (in GJ/jaar). Het wordt weergegeven voor het jaar 2023 en 2030 (PBL-scenario) en neemt in de komende jaren toe door klimaatverandering. Zie nadere toelichting in aanvulling 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">[7] https://kaartviewer.startanalyse2025.nl/ Figuur 10: Energieverbruik koude in 2023 (R’23) Figuur 11: Energieverbruik koude in 2030 (R’30) Deze berekende koudevraag betreft een theoretisch modelresultaat en is niet gelijk aan het feitelijk elektriciteitsverbruik. Individueel gedrag, gebouwspecifieke kenmerken en de invloed van directe omgeving (groen, water, schaduw) zijn niet meegenomen. De cijfers bieden echter wel waardevolle richting voor beleidsvorming en strategische keuzes per buurt in Rijswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hitteadaptatie in de gebouwde omgeving Passieve hittemaatregelen in openbaar gebied Vanuit groenbeheer wordt in Rijswijk een afweging gemaakt tussen groen en stenen bij alle nieuwe projecten. Daarnaast wordt de komende jaren geïnvesteerd in de volgende maatregelen in het openbaar gebied:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergroening van straten door het planten van nieuwe bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergroening van openbare parkeerplaatsen met grasbetontegels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opknappen van straatwerk met aandacht voor beter onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangepast parkeerbeleid om plaats te maken voor de vergroeningsopgave 3-30-300 richtlijn voor gebouwde omgeving (bestaande verblijfsruimtes) In het Groenbeleidsplan is 3-30-300 regel als een groene richtlijn opgenomen. Wanneer de leefomgeving voldoet aan deze 3-30-300 richtlijn, zoals in figuur 9 visueel en hieronder tekstueel uitgelegd, is de gebouwde omgeving koeler en is de luchtkwaliteit beter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 9: schematische weergave 3-30-300 richtlijn De eerste regel houdt in dat vanuit de verblijfslocatie ten minste 3 bomen zichtbaar moeten zijn van behoorlijke omvang. Onderzoek toont aan dat zichtbaar groen belangrijk is voor de mentale gezondheid en het welzijn van mensen. Daarnaast zorgen de bomen voor verkoeling, door verdamping en ook door schaduw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede regel is dat er binnen een straal van 500 meter minimaal 30% boomkroonbedekking aanwezig moet zijn. Dit geeft koeling en verbetert de luchtkwaliteit in de omgeving. Deze tweede regel weegt het zwaarst (50%) in de totale score op de 3+30+300 regel in de Steenbreek IVN Atlas.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde regel stelt dat elke verblijfslocatie binnen 300 meter van een park moet liggen, dit is 5 tot 10 minuten loopafstand. Dit houdt dus in dat er sprake moet zijn van openbaar toegankelijk groen, geen omkaderde privéterrein of privétuin waar enkel langs te lopen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ladder van Koeling als integraal ontwerpprincipe voor nieuwbouw (woongebouwen) Voor de toekomstige invulling is het van belang dat er naast de openbare ruimte ook in de gebouwde omgeving meer verkoelende maatregelen worden toegevoegd (denk aan minder verstening, meer groen en schaduw). In sommige situaties zal naast passieve koeling ook nog steeds actieve koeling nodig zijn om in de koudevraag te voorzien. Echter, het toepassen van gebiedsgerichte en passieve hittemaatregelen zoals, hierboven weergegeven, kan een aanzienlijke bijdrage leveren aan het verlagen van de energievraag. Gebruik daarom het Ladder van Koeling-principe als integraal ontwerpprincipe voor nieuwbouwontwikkelingen (aanvulling 7): a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgen voor een verkoelende omgeving (bijv. met bomen of groen dak). b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Warmte weren (bijvoorbeeld met screens of zonwering). c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passief koelen (bijvoorbeeld met nachtventilatie). d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Actieve koeling (bijvoorbeeld met warmtepomp).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsrichtlijnen BENG en TO-juli norm voor nieuwbouwontwikkelingen Voor alle nieuwe ontwikkelingen en grootschalige transformaties zal op gebouwniveau de BENG-norm van toepassing zijn. Ten aanzien van woongebouwen is er een TO-juli eis van 1,2 opgenomen in BENG-norm. Het is een dimensie loze indexgetal. Bij een index boven 1 wordt uitgegaan dat er sprake is van temperatuuroverschrijving. De eis was oorspronkelijk 1,0 maar later werd dit verruimd naar 1,2.</p>\n<p class=\"lf-p\">We denken niet dat deze grenswaarde voldoende is om bij alle toekomstige nieuwbouwplannen in Rijswijk richting 2050 en daarna hittestress in de gebouwen te voorkomen, gezien de nieuwe KNMI 2023 scenario’s voor de klimaatopwarming en ook reeds waargenomen hitteontwikkelingen. Deze greswaarde wordt namelijk nog steeds berekend op basis van oude klimaatscenario’s. Ook de aanwezigheid en verwachtte toename van het stedelijke hitte-eilandeffect in Rijswijk wordt niet meegenomen in deze berekeningsmethodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wenselijk om in vervolguitwerking van het Warmteprogramma, aanvullende hittepreventieve maatregelen voor de gebouwen voor te schrijven in gebieden die nu al leiden aan hittestress. Voor alle nieuwe ontwikkelingen binnen de hitte-eilanden, zoals hierboven al uitgebreid omschreven, wordt gedacht aan volgende richtlijn gekoppeld aan TO-juli berekening :</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij TO-juli uitkomst van 0,0 – 1,0: deze waarde geeft aan dat de kans zeer aannemelijk is dat de opwarming van de gebouw, ook als die zich in een hitte-eiland bevindt, in de zomer beperkt kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">TO-juli uitkomst van 1,0 en hoger: deze waarde geeft aan dat een aanpassing in het nieuwbouwplan wenselijk is en aanvullende maatregelen nodig zijn, zie richtlijnen voor actief koelen en passief koelen, die hieronder nader worden toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik bij overschrijding (TO juli &gt;1,0 ) extra oververhittingsberekeningen (zoals GTO of gebouwsimulaties of andere tools voor temperatuuroverschrijding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Houdt rekening met hittestress en andere omgevingsfactoren (bezonning,schaduw etc.). Er wordt in de TO-juli berekening geen rekening gehouden met omgevingsfactoren als hitte-eiland effect. Aanbevolen wordt om alsnog 1,0 eis aan te houden, als een veilige temperatuuroverschrijding grens voor woongebouwen. Indien mogelijk aangevuld met een omgevingsanalyse gevoelstemperaturen (PET-kaarten). Pas bij woningen in een hitte-eiland en overschrijding (&gt;1,0) altijd een aanvullende hitteberekening, zoals GTO.</p>\n<p class=\"lf-p\">Actieve koelsystemen Een actief koelsysteem is een systeem dat elektrische energie gebruikt voor koeling, zoals een airco. In de huidige systematiek van de BENG- en TO-juli-berekening krijgen deze systemen standaard een TO-juli-waarde van 0,0, wat suggereert dat er geen risico op oververhitting meer is. Wij achten deze veronderstelling onwenselijk voor nieuwe ontwikkelingen binnen onze stad, en in het bijzonder in het plangebied. Daarom hanteren wij als beleidsuitgangspunt dat de oververhittingsberekening in eerste instantie zonder toepassing van actieve koeling wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de energetische impact hebben veel actieve koelsystemen een negatieve invloed op het stedelijk klimaat en milieu. Dit komt door: de toepassing van milieubelastende koudemiddelen met een hoog aardopwarmingsvermogen (GWP); warmtelozing naar buitenlucht, wat negatief kan bijdragen aan het hitte-eilandeffect; en de toenemende druk op het elektriciteitsnet tijdens warme periodes, waardoor netcongestie kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsrichtlijnen voor koeling maatregelen voor woongebouwen Om een leefbare en klimaatadaptieve stad te behouden, formuleren we de volgende richtlijnen: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passieve maatregelen eerst (zie overzicht in Aanvulling 7: Passief koelen ) Ontwerpen moeten primair gericht zijn op passieve koeling, zoals zonwering, natuurlijke ventilatie, groen/blauwstructuren en bouwkundige warmtewering. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Actieve koeling is ondergeschikt Toepassing van actieve koeling mag pas overwogen worden wanneer passieve maatregelen aantoonbaar onvoldoende zijn. In berekeningen wordt standaard uitgegaan van een situatie zonder actieve koeling. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperking van warmtelozing in de openbare ruimte Actieve koelsystemen die warmte lozen op de buitenlucht worden ontraden in dichtbebouwde en hittestressgevoelige gebieden. Hier geven we de voorkeur aan bodem- of watergebaseerde systemen, of collectieve oplossingen met warmte-terugwinning. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koelsystemen en ruimtelijke inpassing Buitenunits van airco’s en luchtwarmtepompen mogen zo min mogelijk directe thermische belasting op aangrenzende publieke ruimten veroorzaken. Bij de ruimtelijke positionering is aandacht voor het voorkomen van de oververhitting van straat- of gevelmilieu. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekomstbestendige netbelasting Vanwege netcongestie in stedelijke gebieden stimuleren wij het gebruik van laagenergetische of energiezuinige koelsystemen die slim sturen op beschikbare netcapaciteit, of gekoppeld zijn aan opslagoplossingen. Dit geldt met name voor systemen die ook gebruik worden om gebouwen in de winter te verwarmen Beleidsrichtlijnen opnemen van koudevraag in het Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">De noodzaak om gebouwen te koelen neemt toe door een warmer wordend klimaat. Vooral in hittestressgevoelige gebieden zoals Plaspoelpolder, Oud-Rijswijk en Bogaard Stadscentrum, is het belangrijk om bij het kiezen van een warmteoplossing ook te kijken naar koeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderstaande Tabel 5 geeft een overzicht van warmtestrategieën zonder gebruik van aardgas, zoals toegepast in de Startanalyse van het PBL. De nadruk ligt op de mogelijkheid tot koelen, gezien de toenemende koudevraag en hittestress, vooral in stedelijke gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke punten om als beleidsrichting mee te nemen in het Warmteprogramma:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen bodemgebonden systemen bieden standaard ook passieve koeling, die zeer geschikt is voor hittegevoelige gebieden, zoals hitte-eilanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Luchtwarmtepompen kunnen vaak actief koelen, maar veroorzaken tegelijkertijd warmtelozing in de buitenruimte, wat het stedelijk hitte-eilandeffect versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passieve maatregelen blijven essentieel, ongeacht het koelsysteem, en moeten altijd als eerste stap worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5: Koelmogelijkheden van duurzame warmtetechnieken met actieve koeling als optie (zie toelichting in aanvulling 8) PBL-Warmtestrategie Variant Actieve koeling Passieve koeling Opmerkingen S1: Elektrische warmtepomp Luchtwarmtepomp (S1a) Ja, mogelijk (afhankelijk van model) Niet mogelijk Warmtelozing naar buiten, risico op hittestress, geluidshinder S1: Elektrische warmtepomp Bodemwarmtepomp (S1b) Ja, mogelijk mogelijk Geschikt voor passieve en actieve koeling, geen warmtelozing S3: (Z)LT-warmtenetten Bronnet / WKO / 5e generatie (S3a/b/d/e/g Ja, mogelijk mogelijk Collectieve systemen met koude- én warmtelevering via bodemenergie S4: Klimaatneutraal gas Hybride lucht/water systemen (alle varianten) Beperkt mogelijk (afhankelijk van model) Niet mogelijk Alleen enkele modellen geschikt; vaak beperkt koelvermogen Samenvatting beleidsrichtlijnen voor woongebouwen (hitteadaptatie in Warmteprogramma) Geef prioriteit aan bodemenergie met koelmogelijkheid: In hittegevoelige gebieden zoals Plaspoelpolder zijn bodemgebonden systemen S3 (zoals WKO) de voorkeursoptie vanwege hun potentie voor passieve en actieve koeling zonder warmtelozing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkom warmtelozing in de openbare ruimte: Koelsystemen met buitenunits (zoals luchtwarmtepompen en airco’s) zijn onwenselijk in druk bebouwde gebieden. Ze verhogen het lokale hitte-eilandeffect.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor buurten met veel energievraag (en koudevraag), kies waar mogelijk voor collectieve systemen en combineer ze indien mogelijk met wamte- en koudevoorziening. Op basis van huidige kennis is momenteel geen inzicht mogelijk in de maatschappelijke kosten van koudevoorzieningen. Onderzoek of dit in de toekomst wel kan worden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Neem in de toekomst netcongestie en piekbelasting mee in de afweging. Actieve koeling verhoogt de netbelasting. Geef daarom voorkeur aan oplossingen zoals passieve systemen en bodemkoeling met buffering, in buurten waar energievraag hoog is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koeling in utiliteitsgebouwen en het Warmteprogramma Utiliteitsgebouwen – zoals kantoren, scholen, winkels en zorginstellingen – hebben vaak een hogere en constantere koudevraag dan woningen. Dit komt door: interne warmtelasten (zoals verlichting, apparatuur en bezetting), beperkte nachtventilatie, grote glasoppervlakken en platte daken, hogere eisen aan comfort en bedrijfscontinuïteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het Warmteprogramma zich richt op de verduurzaming van de warmtevraag in de gebouwde omgeving, wordt het steeds belangrijker om koeling in utiliteitsbouw als volwaardig onderdeel mee te nemen in de planvorming en ook in de keuzes van de warmteoplossingen. Niet alle warmtesystemen kunnen ook koelen (zie ook tabel 5 en toelichting in aanvulling 8). Bodemgebonden systemen (zoals WKO) zijn vaak wél haalbaar voor nieuwe utiliteitsgebouwen, wat passieve en actieve koeling combineert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inadequate koeling in utiliteitsgebouwen kan leiden tot gezondheidsklachten en verminderde productiviteit. In utiliteitsgebouwen staat comfortdirect onder druk bij oplopende binnentemperaturen. Actieve vormen van koeling worden daarom meestal als standaard toegepast bij utiliteitsgebouwen Volgens studies van CE Delft en TNO neemt de koudevraag in utiliteitsbouw naar verwachting sterk toe richting 2050, mede als gevolg van klimaatverandering, toenemende verstedelijking en strengere isolatienormen. Dit vertaalt zich in de relatieve daling van de warmtevraag ten opzichte van de koudevraag. In sommige sectoren (zoals ICT) kan de koudevraag zelfs dominanter worden dan de warmtevraag[8].</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeker in sterk verharde stedelijke gebieden – zoals de Plaspoelpolder – wordt verwacht dat de koudevraag in utiliteitsgebouwen de komende decennia versneld toeneemt, ook vanwege het hitte-eiland effect. Actieve koeling draagt bij aan de elektriciteitsvraag, vooral tijdens piekuren. Dat heeft gevolgen voor netbelasting, zeker in gebieden zonder netverzwaring of met beperkte teruglevercapaciteit van zonne-energie. [8] https://ce.nl/publicaties/kansen-voor-warmte-koudenetten/ Geen TOjuli-eis voor utiliteitsfuncties In tegenstelling tot woningbouw geldt de TOjuli-eis uitsluitend voor woonfuncties. Er is op dit moment geen wettelijke eis tegen oververhitting in utiliteitsgebouwen. Dat betekent dat: er geen norm is voor oververhittingsrisico bij vergunningverlening, comfort en hittestress minder geborgd zijn in het bouwproces, gemeenten en gebouweigenaren zelf beleid moeten opstellen om hitte te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit maakt het des te belangrijker om binnen het Warmteprogramma ook voor utiliteitsbouw beleidsmatige richtlijnen of voorwaarden te formuleren, zeker in hittegevoelige gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsrichtlijnen voor koeling maatregelen voor utiliteitsgebouwen Voor het meenemen van koeling in utiliteitsbouw binnen het Warmteprogramma, worden de volgende richtlijnen aanbevolen: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houd bij de warmtekeuzes rekening met hoge vraag voor koeling in utiliteitsbouw, met name in het hitte-eiland van Plaspoelpolder. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stimuleer bodemenergiesystemen (WKO) die warmte en koeling leveren zonder extra warmtelozing naar de buitenlucht en voorkomt een negatieve bijdrage aan hittestress. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperk toepassing van systemen met buitenluchtwarmtelozing (zoals split-airco’s en luchwarmtepompen), tenzij afdoende afscherming en spreiding is geborgd. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik andere oververhittingsberekeningen (zoals GTO of gebouwsimulaties of andere tools voor temperatuuroverschrijding). En houdt rekening met hittestress en andere omgevingsfactoren (bezonning, schaduw etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanscherping beleidsrichtlijnen voor utiliteitsgebouwen in hitte-eilanden Bedrijventerreinen, zoals Plaspoelpolder in Rijswijk, zijn voorbeelden van een woon-werkgebied met veel utiliteitsgebouwen, en behoort tot de warmste hitte-eilanden van de regio, zoals ook eerder in gebiedsanalyses is weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt op dit moment geen ontwikkeling van een warmtenet voorzien, maar er is hier wel potentie voor bodemenergie. Dat biedt kansen voor warmteoplossingen die ook kunnen koelen, zonder warmte emissies naar de directe omgeving, zodat het hitte-eiland effect niet verder toeneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsrichtlijnen utiliteitsbouw in hittegevoelig gebied van Plaspoelpolder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koeling en verwarming combineren via bodemenergiesystemen (WKO)In utiliteitsgebouwen in Plaspoelpolder zetten we in op het gebruik van bodemenergiesystemen die zowel verwarming als (passieve) koeling leveren. Deze systemen zorgen niet voor thermische belasting van de buitenruimte en zijn toekomstbestendig qua netcapaciteit. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorrang voor passieve en bodemgebonden koelingActieve koeling met lucht-lucht warmtepompen of airco’s is in dit gebied onwenselijk vanwege de bijdrage aan hittestress. In nieuwe en te renoveren utiliteitsgebouwen wordt passieve koeling of bodemgebonden koeling als uitgangspunt gehanteerd. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen warmtelozing naar openbare ruimte om hittestress te beperkenBuitenunits die voelbare warmte lozen in de straatruimte zijn in hittegevoelige gebieden van Plaspoelpolder niet toegestaan. Alternatieven zijn installaties met bodemlus, collectieve WKO’s of interne warmteherverdeling. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke eisen aan installatielocatiesIndien koelsystemen worden toegepast, moeten deze zodanig gepositioneerd worden dat zij geen thermische belasting op publieke ruimte of aangrenzende percelen veroorzaken. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sturing op netbelastingVanwege netcongestie in Rijswijk wordt het gebruik van systemen met energieopslag, vraagsturing of slimme tijdafhankelijke regeling sterk aangeraden. f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stimuleer innovatieve concepten die passieve warmte en koeltechnieken combineren. Stimuleer toepassing van innovatieve technieken, zoals het Earth, Wind &amp; Fire-systeem. Deze duurzame techniek heeft zich in de praktijk bewezen en werk ook met een WKO.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hitteadaptatie strategie in het Warmteprogramma De onderstaande kaartanalyse combineert de hittestresskaart (gevoelswarmte in openbaar uit gebiedsanalyses) met de gebouw gebonden koudevraag uit de PBL-startanalyse (in aanvulling 9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze analyse volgt een andere prioritering, voor de keuze in warmteoplossing i.c.m. koelingsmogelijkheid, dan in PBL-startanalyse. Buurten die zowel een hoge kans op hittestress vertonen als een relatief hoge functionele koudevraag (per woning/utiliteitsgebouw), verdienen namelijk een hogere prioriteit in het Warmteprogramma van Rijswijk. In deze buurten is de behoefte aan structurele koelmaatregelen het grootst, zowel in de openbare ruimte als aan of in gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 1 2 : Analyse gebouw gebonden koudevraag (PBL) i.c.m. hittestress in openbaar gebied In onderstaande tabel worden voor de top 5-prioriteit buurten in Rijswijk de vanuit het koeltevraagstuk aanbevolen warmtestrategieën weergegeven. Dat zijn buurten met hoge gevoelstemperaturen (hitte-eilanden) en waar de koeltevraag het hoogst is (&gt;10% van de totale energievraag per woningequivalent, aanvulling 9). (*) De Broekpolder is in deze analyse aangemerkt als toekomstige prioriteitsbuurt, ondanks een iets lagere absolute waarde van hittestress nu, kan dat snel veranderen. De ligging tussen Plaspoelpolder en Hoornwijck maakt deze wijk kwetsbaar voor hitte en gevoelig voor regionale warmteophoping. Ook hier stijgt de koudevraag volgens PBL richting 2030 significant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn er buurten waar het hitte-eiland effect minder aanwezig, of er minder sprak is van bestaande hittelozing door utiliteit. Voor deze buurten is de inzet van individuele elektrische warmtepompen (PBL-scenario S1) ook een mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Julianapark / Te Werve / randen Rijswijkse bos– Relatief lage koudevraag, gemengd woongebied met voldoende ruimte voor individuele verduurzaming. Individuele warmtepomp is hier passend, mits woningverbetering en zonwering worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoorzicht, Wilhelminapark en Elsenburg (koeltevraag hoog maar omgeven door een koelteplek met lage bebouwingsdichtheid) – Vrijstaande en/of laagbouw in groene setting maken individuele warmte- en koelingstechnieken goed toepasbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oud-Rijswijk / Leeuwendaal– Jaren ‘30 buurten met hoge bebouwingsdichtheid, smalle straten en weinig ruimte voor groene koelteplekken, geschikt voor individuele warmtepomp mits voldoende capaciteit voor warmtelevering (denk aan goede isolatie en ventilatie) worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoekpolder / Eikelenburg / Strijp – Veel nieuwbouw en voldoende isolatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hittemitigatie (preventieve aanpak van hitte) Een effectieve hitte-aanpak gaat verder dan alleen het aanpassen van de gebouwde omgeving aan een hogere koudevraag, door het opnemen van koeltetechnieken in het Warmteprogramma. Er zal parallel aan deze hitteadaptatie strategie in het Warmteprogramma ook een integraal hittemitigatie aanpak voor onze gemeente worden ontwikkeld, op drie schaalniveaus (de 3G’s):</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied :</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijswijk heeft momenteel veel groen in openbare gebieden maar ook hitte-eilanden, zoals bij gebiedsanalyse hierboven in kaart gebracht. Het kernpunt van ons groenbeleid is moet daarom gericht zijn op het behoud en waar mogelijk de intensivering van groene structuren. Om hittestress in de openbare ruimte te verminderen, zijn naast groenvoorzieningen ook watergangen nodig om koelere plekken te creëren. Onze beleidsambities omvatten het behoud van bestaande bomen en het inrichten van schaduwrijke koelteplekken binnen 300 meter loopafstand. Hierbij hanteren we het principe 3-30-300, zoals uitgelegd in aanvulling 1. Voor alle nieuwe ontwikkelingen worden gebiedspaspoorten toegepast, met hittepreventieve en natuurinclusieve maatregelen in openbaar gebied (maatwerk aanpak).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw:</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de openbare ruimte zijn er veel mogelijkheden om hitte op gebouwniveau aan te pakken. Denk aan preventieve maatregelen zoals zonwering, zomernachtventilatie, en gebruik van passieve koeling. Hoewel er nog geen concrete beleidsafspraken en beleidstools zijn uitgewerkt, wordt gedacht aan het toepassen van een nieuw tool, zogenaamde gebouwpasspoorten, voor het opnemen van richtlijnen voor hittepreventieve maatregelen op gebouwniveau. Dit wordt i.c.m. de OSKA-koelladder toegepast, vooral bij nieuwbouw en volg de voorkeursvolgorde, zoals aangegeven in Aanvulling 5: Ladder van Koeling principe en ook aanvulling 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiker:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit schaalniveau richt zich op de maatregelen voor de gebruiker van de gebouwen (lees onze inwoners). Hierbij hoort de bescherming van kwetsbare groepen door middel van een Lokaal Hitteplan, met gerichte communicatie en interventies. Voor Rijswijk wordt momenteel een dergelijk aanpak uitgewerkt volgens de handreiking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS). Voor woningen is in RAAK een ambitie opgenomen om een hitte label uit te werken (zie aanvulling 3). De berekening maak een preventieve aanpak van kwetsbare woningen mogelijk. Er ontbreek echter voldoende data over de huishoudens (zoals BRP-data), zodat de locatie van kwetsbare doelgroepen zoals broze ouders in kaart kan worden gebracht. Er ontbreekt ook data met specifieke gebouwkenmerken en maatregelen per woning. Dergelijke data is arbeidsintensief, maar wel mogelijk middels fysieke waarnemingen en locatiebezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling 1: Groenbeleidsplan Rijswijk en 3-30-300 richtlijn Het nieuwe Groenbeleidsplan Rijswijk is via deze link te raadplegen: https://storymaps.arcgis.com/stories/cfed28a434b3495f9e3fd1cb561116c5 Aanvulling 2: Convenant Bouwadaptief inclusief Programma van Eisen Zuid-Holland wil voorop lopen op het gebied van klimaatadaptief bouwen. In 2018 is het Convenant Klimaatadaptief Bouwen opgesteld dat ondertekend is door diverse partijen, zoals bouwbedrijven, gemeenten (waaronder Rijswijk), de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Vanuit het convenant wordt gezamenlijk opgetrokken om de Zuid-Hollandse delta zo adaptief mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, droogte, hittestress, bodemdaling en overstromingen en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een klimaatadaptieve inrichting van alle nieuwbouwplannen in Rijswijk dient aan bepaalde (minimale) eisen te voldoen, zie figuur hieronder. Gebruik als leidraad PvE Bouw adaptief. Het is online te raadplegen via https://bouwadaptief.nl/uploads/PvE-inclusief-bijsluiter.pdf Aanvulling 3: Hittelabel voor bestaande woningen Bron: Handreiking Hitte in Bestaande Woningen - Klimaatadaptatie Aanvulling 4: KNMI'23 scenario's Aanvulling 4: KNMI’23 scenario’s De KNMI’23-klimaatscenario’s vertalen de nieuwe inzichten en onderzoeksresultaten uit het meest recente IPCC-rapport (2021) naar Nederland. Met behulp van klimaatmodellen zijn de gevolgen van de uitstoot van CO2 door mensen op het toekomstige klimaat berekend. De KNMI’23-klimaatscenario’s bestaan uit vier paden die een mogelijk toekomstig klimaat in Nederland rond 2050, 2100 en 2150 beschrijven. De scenario’s zijn gebaseerd op de hoeveelheid uitstoot van broeikasgassen (en daarmee de wereldwijde opwarming) en de mate van neerslagverandering in Nederland. Er wordt geen uitspraak gedaan over de waarschijnlijkheden van de vier scenario’s. Ieder scenario is een mogelijkheid. De vier scenario’s (het eerste figuur hieronder) geven als het ware de hoekpunten waarbinnen het Nederlandse klimaat in de toekomst waarschijnlijk zal veranderen. Zo weten we hoe door klimaatverandering het Nederlandse weer zal veranderen. De mate waarin huidige en toekomstige generaties te maken krijgen met hogere temperaturen staat in figuur onderaan weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling 5: Ladder van Koeling principe Aanvulling 6: Percentage groen alle buurten van Rijswijk Aanvulling 7: Passief koelen De meest voorkomende passieve koelingsmaatregelen worden hieronder weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzicht passieve (niet groene) koelingsmaatregelen op gebouwniveau: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitenzonwering: Buitenjaloezieën, luifels en zonneschermen kunnen direct zonlicht blokkeren en voorkomen dat warmte het gebouw binnendringt. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurlijke ventilatie: Door ramen en ventilatieroosters strategisch te openen, kan frisse lucht door het gebouw stromen en warmte afvoeren. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nachtventilatie: Het openen van ramen en ventilatieroosters 's nachts om koelere lucht binnen te laten en warmte af te voeren. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reflecterende dakbedekking: Reflecterende materialen op het dak weerkaatsen zonlicht en verminderen de warmteopname. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelisolatie: Extra isolatie aan de buitenkant van het gebouw helpt om warmte buiten te houden. f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonnepanelen als zonwering: Zonnepanelen kunnen strategisch worden geplaatst om schaduw te bieden en tegelijkertijd energie op te wekken. g.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seizoensopslag van koude (WKO): Het opslaan van koude in de WKO-bronnen is ook een voorbeeld van passief koelen. h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thermische massa: Thermische massa functioneert als een natuurlijke warmtebuffer. Het kan de piektemperaturen in een gebouw verlagen en daarmee het comfort verhogen zonder actieve koelsystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordelen van passief koelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De besparing in elektriciteitsgebruik door passief koelen ten opzichte van actief koelen zal afhangen van verschillende factoren, zoals het type gebouw, bezonning, bezettingsgraad en de maatregelen die worden toegepast voor het verbeteren van de energieprestatie (denk aan verbeterde isolatie, etc.). Over het algemeen kunnen passieve maatregelen de koudevraag en uiteindelijk de energievraag tijdens hitteperioden met 20-50% verminderen. Dit heeft niet alleen financiële voordelen, maar draagt ook bij aan het verminderen van de CO2-uitstoot, het verbeteren van de energie-efficiëntie en daarmee ook de impact op het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling 8: De koelmogelijkheden van de warmtestrategieën in de Startanalyse Tabel: Koeltemogelijkheden van de warmtestrategieën in de Startanalyse (PBL, 2025) Uit de tabel van RVO-startanalyse blijkt dat koeling mogelijk is bij zowel individuele als collectieve opties (S1, S3 en S4). Bij bodemwarmtepompen is passieve koeling in de zomer soms zelfs vereist om de warmteopslag op te laden voor de winter. Een aandachtspunt bij luchtwarmtepompen is de plaatsing van de buitenunits, die extra warmte de straat of tuin in blazen en geluidshinder kunnen veroorzaken. Of actieve koeling wordt ondersteund, hangt af van het model; in de all-electric variant is koeling vaak mogelijk, terwijl hybride warmtepompen meestal geen koelmogelijkheid hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De warmtestrategie met een lage temperatuur warmtebron (S3) kent veel varianten, waarvan sommige ook koude kunnen leveren. Deze varianten worden aangeduid als ZLT-netten, 5e-generatie-netten, WKO-netten en bronnetten. Klassieke warmtenetten leveren uitsluitend warmte en kunnen niet in de koudevraag voorzien, tenzij een apart koudenet wordt aangelegd. Voor kleinschalige warmtenetten is dit soms een optie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De technieken die geschikt zijn voor koeling werken met vloerverwarming of ventilatie-convectoren. Niet elke vloerverwarming is geschikt voor koeling en het verkoelende effect is beperkt. Ook met vloerkoeling moeten bewoners maatregelen treffen om de hitte buiten te houden, bijvoorbeeld door zonwering. Er bestaan ook radiatoren die geschikt zijn of geschikt te maken zijn voor zowel warmte- als koudeafgifte, meestal met een ventilator.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koeling en Netcongestie Actieve, individuele koeling verhoogt het elektriciteitsverbruik van woningen. Als koelinstallaties gelijktijdig draaien, kan dit het elektriciteitsnet belasten. Omdat in de Startanalyse Aardgasvrij alleen de nationale kosten voor het invullen van de warmtevraag worden berekend, worden mogelijke netverzwaringskosten door koeling niet meegerekend. In hoeverre airco’s en andere koelinstallaties een probleem vormen voor de netcapaciteit hangt af van factoren zoals het tijdstip van gebruik, of woningen zelf stroom opwekken met zonnepanelen en of er slimme aansturing wordt toegepast. De netbeheerder kan adviseren hoe er ‘netbewust’ gekozen kan worden voor zowel warmte- als koudetechnieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling 9: Koudevraag en prioritering per buurt Disclaimer koudevraag PBL-startanalyse In deze analyse wordt in onderstaande tabel gebruik gemaakt van PBL kengetallen die gebruikt zijn in PBL-startanalyse en er wordt verondersteld dat alle gebouwen een koudevraag hebben (gedefinieerd als een vraag naar ruimtekoeling) en dat deze oploopt wanneer de buitentemperatuur toeneemt. Er is rekening gehouden met een toenemende behoefte aan koeling door klimaatopwarming. Daarbij maakt PBL wel onderscheid naar de effecten van klimaatopwarming, er wordt alleen gebruik gemaakt van KNMI 2014 scenario’s en niet de nieuwe KNMI 2023 scenario’s. Er wordt uitgegaan van een stijging van twee graden Celsius van de gemiddelde temperatuur in 2050, ten opzichte van de periode 1981-2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om een theoretische, functionele koudevraag, waar - in PBL berekeningen - geen elektriciteitsvraag uit voortkomt. Deze vraag zal afhankelijk zijn van de koelteoplossing (e.g. airco, warmtepomp etc.) Kortom, er worden in de PBL-analyse geen maatregelen genomen om tot koude-levering te komen. Uitzondering zijn varianten van S3 waar in de zomer koude wordt geleverd uit een WKO-systeem als onderdeel van het warmtenet. S4 is uitgesloten in deze analyse omdat het geen rol speelt in Rijswijks Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde typen bedrijfsgebouwen, zoals zorginstellingen, winkels en kantoren, worden wel maatregelen genomen om te koelen. Dat is onderdeel van het normale bedrijfsproces. De kosten van die maatregelen en het bijbehorende energieverbruik zijn opgenomen in de berekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buurten met een substantiële koudevraag naast een warmtevraag zijn geschikt voor toepassing van WKO-systemen, mits de ondergrond daarvoor geschikt is. Gebouwen met een koudevraag kunnen efficiënt gebruikmaken van warmtepompen die in beperkte mate ook voor koeling kunnen worden ingezet. Dat stelt wel weer eisen aan het warmteafgiftesysteem in gebouwen: vloerverwarming is meer geschikt dan LT-radiatoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nationale kosten om in deze koudevraag te voorzien, zijn door PBL niet berekend. De koudevraag is per gebouw per jaar berekend. Er is geen gedetailleerd inzicht en de uitsplitsing in de vraag per seizoen. Daarin zijn de effecten van de omgeving niet meegenomen. De effecten van veel steen en asfalt in de omgeving, of juist van veel naburig groen of water, zijn dus niet terug te zien in de berekende koudevraag. De koudevraag is een getal dat afhangt van de fysieke eigenschappen van het gebouw. De feitelijke koudevraag van een bewoner kan anders zijn. Hoeveel koeling nodig is, hangt bijvoorbeeld af van hoe vaak de bewoners aanwezig zijn, hoe de thermostaat wordt ingesteld en welke aanvullende maatregelen inwoners zelf nemen om de hitte buiten te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur: Percentage theoretische koudevraag in 2023 t.o.v. totale energievraag in Rijswijk m.u.v. uitgesloten buurten Soortzicht, Wilhelminapark en Elsenburg Figuur: Percentage theoretische koudevraag in 2030 t.o.v. totale energievraag in Rijswijk m.u.v. uitgesloten buurten Soortzicht, Wilhelminapark en Elsenburg Analyse koudevraag per buurt voor het Warmteprogramma Rijswijk Deze analyse is opgesteld als onderlegger bij het Warmteprogramma van de gemeente Rijswijk en richt zich op de theoretische, functionele koudevraag (ruimtekoeling) per buurt, zoals berekend in de PBL Startanalyse. De analyse geeft richting aan de evaluatie van PBL-startanalyse en inzet van warmte- en koeltechnieken in de gebouwde omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentebreed beeld koudevraag De gemiddelde koudevraag in Rijswijk bedraagt in 2023 circa 9%, met een lichte stijging naar gemiddeld 11% richting 2030. Dit beeld komt ook overeen met het gemiddelde koudevraag in onze regio Z-H. De hoogste stijgers in de koudevraag in Rijswijk, zijn hieronder weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel:Buurten met sterkste stijging koudevraag &gt; 2,5% in periode 2023-2030 De hoogste absolute percentages koudevraag (&gt;11%) vinden we in tabel onderaan. Er wordt in die tabel ook een koppeling gemaakt met de keuzes in PBL-startanalyse voor de warmtestrategie. We zien in deze tabel dat in de buurten met het hoogste koudevraag door PBL overwegend gekozen is voor een strategie die niet kan koelen. In buurten waar collectieve warmtenetten (S2) oplossingen worden voorzien, is actieve koeling geen onderdeel van de collectieve infrastructuur. Alleen voor de buurt Broekpolder is de keuze gemaakt voor een WKO met collectieve koeling. Een logische vraag zou zijn, waarom dezelfde strategie niet is gekozen bij andere buurten, met een vergelijkbare of zelfs een nog veel hogere koudevraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de keuze van PBL-startanalyse lijkt het koeling vraagstuk simpelweg niet te zijn meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Rijswijk verdient het aanbeveling om aanvullend aan de PBL-warmtestrategie, ook aandacht te besteden aan collectieve koelstrategieën.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Kanttekeningen en data-inperking PBL-analyses De berekende koudevraag betreft een theoretisch modelresultaat en zal niet altijd gelijk zijn aan het feitelijk elektriciteitsverbruik per woningequivalent. Individueel gedrag, gebouw specifieke kenmerking en de directe omgeving (groen, water, schaduw) zijn niet meegenomen in het PBL-rekenmodel. De cijfers bieden echter wel waardevolle richting voor beleidsvorming en keuzes in het Warmteprogramma in relatie tot de koudevraag. Lokale en ruimtelijke validatie van PBL-data is echter raadzaam, zoals blijkt i.r.t. de uitschieters (Spoorzicht, Wilhelminapark en Elsenburg).</div>\n<p class=\"lf-p\">Tabel:Overzicht buurten met hoogste gebouw gebonden koudevraag met PBL-warmtestrategieën Gebruikte bronnen PBL Startanalyse 2025 (https://kaartviewer.startanalyse2025.nl/app/map/main/101/info) Klimaateffectatlas en buurtdashboard (www.klimaateffectatlas.nl) Klimaatatlas Rijswijk (Arcadis, nog in concept 2025) Handreiking Koelte in het Warmteprogramma (Tauw, CE Delft, Klimaatverbond, 2024) KNMI-klimaatscenario's 2023 TNO, Energievraag van ruimtekoeling in woningen, 2021 Bijlage 2 Participatieverslag Warmteprogramma 2025 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding In deze bijlage staat beschreven welke participatie-activiteiten we hebben ondernomen om onze inwoners en ondernemers te betrekken bij het onderwerp ‘Warmteprogramma Rijswijk’. In dit verslag gaan we in op: de aanleiding (hoofdstuk 2); de doelen van participatie in het Warmteprogramma (hoofdstuk 3); onze werkwijze en aanpak (hoofdstuk 4); de resultaten van de inloopavonden en de webinar (hoofdstuk 5); het meenemen van resultaten in visie- en planvorming (hoofdstuk 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding Het Warmteprogramma is een belangrijke stap opweg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in Rijswijk in 2050. Gedurende dit proces zetten we duidelijk in op het betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente vindt het belangrijk om inwoners goed te informeren over wat de Warmtetransitie inhoudt. Dit doen wij door middel van duidelijke en toegankelijke communicatiekanalen, zoals nieuwsbrieven, sociale media en informatiebijeenkomsten. We vinden het belangrijk dat inwoners begrijpen waarom de warmtetransitie nodig is en welke gevolgen dit met zich meebrengt. De gemeente hecht er veel waarde aan dat inwoners de kans krijgen om hun stem te laten horen over de warmtetransitie in Rijswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naarmate we dichter richting 2050 komen zullen er meer beslissingen moeten worden genomen. De energietransitie gaat dan steeds meer van visie en planvorming richting de uitvoering. De mate van communicatie en participatie zullen meebewegen en meer en meer op buurtniveau plaats gaan vinden. Ook zal de participatie toenemen. Dit doen we door het aantal momenten beperkt te houden maar de participatiemomenten die we inzetten wel breed uit te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelen van de participatieactiviteiten Warmteprogramma Voor het Warmteprogramma zijn meerdere fysieke en een digitale participatiebijeenkomsten georganiseerd, waar inwoners hun ideeën en betrokkenheid kunnen delen. We willen daarmee als gemeente een open dialoog creëren en is het de bedoeling dat inwoners zich betrokken voelen, informatie kunnen vinden, vragen kunnen stellen, hun mening kunnen geven en ideeën kunnen bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces van de warmtetransitie is dynamisch en kan zich mede ontwikkelen op basis van de input van inwoners. Draakvlak is cruciaal voor uitvoering van de warmtetransitie. Dat betekent dat wij als gemeente een taak hebben om in het beleid rekening te houden met zorgen en wensen van inwoners, zodat het aansluit op hun beleving en behoeften. Participatie is daarvoor onmisbaar. De eerste stap daarin is inwoners informeren en meenemen in wat de opgave voor de komende periode is.</p>\n<p class=\"lf-p\">We hebben ingezet op participatieniveau meeweten/informeren met de mogelijkheden om input en vragen mee te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Het doel van de participatie bestaat uit drie delen a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste beoogde resultaat is nieuwsgierigheid en betrokkenheid te wekken van veel verschillende inwoners en bedrijven , liefst van verschillende leeftijden, leefsituaties, achtergronden en inkomenscategorieën. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede willen we in gesprek met inwoners en bedrijven over de Warmtetransitie. De gesprekken kunnen gaan over de Warmtetransitie in het algemeen en in de hele gemeente, maar kunnen zich ook toespitsen op wat dat betekent voor de eigen buurt of woning. Door in gesprek te gaan en vooral door veel te luisteren, leren we wat er speelt in de verschillende buurten, hoe inwoners en bedrijven denken over het aardgasvrij maken van woningen en gebouwen en welke vragen, ideeën en zorgen er leven. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot nemen we de opbrengsten van de participatiebijeenkomsten mee in het vervolgtraject van het Warmteprogramma. Hierbij spelen vragen zoals; waar moet de gemeente rekening mee houden, welke kenmerken van buurten zijn langsgekomen, welke zorgen leven er, welke actuele problemen en/of plannen spelen er in een buurt? Welke inwonersinitiatieven zijn er in de gemeente/buurten die relevant zijn voor de uitvoering van het Warmteprogramma?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkwijze en aanpak 4.1 Aanpak Onze participatiedoelen voor het Warmteprogramma bereiken we door:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Informeren en betrekken van inwoners via heldere, aansprekende en actiegerichte inloopavonden met informatiebanners en het organiseren van een webinar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ontmoeten en consulteren van inwoners bereiken we door onze participatieavonden een open karakter te geven. Het zijn inloopavonden waar wij met minimaal vier teamleden uit het team Energie &amp; Klimaat aanwezig waren om met inwoners in gesprek te gaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zorgen voor bekendheid en zichtbaarheid van de informatieavonden en de webinar. Hiervoor hebben we actieve doelgerichte communicatie ingezet via communicatiekanalen zoals het Rijswijksdagblad en socialmedia.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Werkwijze Voor de participatie inzet bij het Warmteprogramma hebben we binnen de participatiemix gekozen voor het niveau meeweten en informeren . We hebben voor dit niveau gekozen omdat we willen inzetten op interactieve bijeenkomsten die gericht zijn op het informeren van bewoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties over het Warmteprogramma. We zoomen hierbij in op de opgave waar Rijswijk voor staat en de randvoorwaarden waar we rekening mee moeten houden (bijvoorbeeld juridische kaders en uitvoeringsaspecten).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijeenkomsten waren fysiek en interactief. Dit houdt in dat het inloopavonden waren waar bewoners gedurende de bijeenkomsten op elk moment naar binnen konden lopen. Tijdens de bijeenkomsten hebben we inwoners geïnformeerd over de ontwikkeling van het Warmteprogramma. Dit hebben we gedaan door de informatie die in het Warmteprogramma staat in duidelijke en korte samengevatte teksten en figuren weer te geven op 8 banners. Naast deze informatieve banners hebben we ruimte geboden aan inwoners om vragen te stellen en opmerkingen mee te geven. Ondanks dat we gekozen hebben voor het niveau meeweten en informeren , waren de interactieve bijeenkomsten een belangrijk moment om een beeld te krijgen van de vragen, zorgen en het enthousiasme dat leeft in de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de inloopavonden hebben we ervaren dat vragen en interesse van inwoners vooral gericht is op de praktische consequenties van de het Warmteprogramma voor hun woning. Veel gestelde vragen waren: wat gaat mij dit kosten, wanneer gaat er in mijn wijk iets gebeuren en welke aanpassingen vraagt dit in mijn woning? Daarnaast is op verschillende avonden de behoefte geuit voor een presentatie. Mede hierdoor is besloten een digitale informatieavond in de vorm van een webinar te organiseren. Deze webinar is meer toegespitst op de praktische vragen die we tijdens de inloopavonden veelvuldig zijn gesteld. Dat wil zeggen informatie gericht op wat het Warmteprogramma voor bewoners van Rijswijk gaat betekenen, wat inwoners kunnen verwachten en wat ze zelf al kunnen doen om zich voor te bereiden op de veranderingen. In vergelijking met de informatie op de banner van de inloopavonden is het beleidsmatige aspect van het Warmteprogramma in de webinar minder uitgediept.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Adviesraad Energietransitie Het betrekken van de adviesraad Energietransitie doen we door op verschillende momenten gedurende het opstellen van het Warmteprogramma in contact te staan met de Adviesraad Energietransitie en door nog voor het vaststellen van het Warmteprogramma een formeel advies over het ontwerp Warmteprogramma te vragen aan de adviesraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviesraad Energietransitie is op verschillende momenten tijdens het opstellen van het Warmteprogramma geïnformeerd. Zo is er in maart 2025 een presentatie aan de adviesraad gehouden over de inhoud en het proces van het Warmteprogramma en heeft in juli 2025 de adviesraad de eerste conceptversie kunnen inzien om zich voor te kunnen bereiden op de formele adviesvraag over het Warmteprogramma in september 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzicht communicatie en berichtgeving Om inwoners, ondernemers en andere stakeholders te informeren over de participatieactiviteiten is een communicatieplan geschreven. In dit plan staat omschreven met welk doel, op welke manier en welk moment we communicatie inzetten voor de inloopavonden van het Warmteprogramma. De communicatie uitingen voor het warmteprogramma worden gedaan via de gemeentelijke communicatie afdeling en kanalen. Via deze kanalen wordt gecommuniceerd over veel verschillende onderwerpen. Dit betekent dat deze kanalen niet specifiek zijn toegespitst op de doelgroepen binnen de energietransitie en dat er in de planning afstemming moet plaatsvinden met andere onderwerpen. Dit heeft gezorgd voor vertraging in het tijdspad waarop de aankondigingen voor de inloopavonden en de webinar moesten plaatsvinden. Dat de aankondigingen terecht kwamen tussen de andere uitingen van de gemeente, maakt dat deze niet direct opvielen wat mogelijk effect heeft gehad op het bereik van de inloopavonden en de webinar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder staat een opsomming van de communicatie uitingen en momenten waarop met behulp van verschillende communicatiekanalen ruchtbaarheid is gegeven aan de inloopavonden en de webinar Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1 Website Rijswijk Schakelt over Via de website van ‘Rijswijk Schakelt Over; zijn in April 2025 de data van de inloopavonden gecommuniceerd. Op deze manier konden bezoekers van de website zien wanneer er op welke plek in Rijswijk een inloopavond Warmteprogramma plaats zou vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Nieuwsbericht website Rijswijk.nl Op de Website van de gemeente is per 24 april 2025 een bericht geplaats over het doel van de inloopavonden met daarbij de verschillende data en locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Rijswijks dagblad Op 23 april 2025 is er een stuk gepubliceerd in het Rijswijksdagblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Rijswijk Regel Recht In Rijswijk Regel Recht zijn 4 berichten geplaats met informatie over de avonden en data met tijdstip en locaties. In week 18, 19, 20 en week 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Social media Instagram tijdlijn bericht, op 30 april 2025 Instagram en Facebook stories op 30 april 2025 Facebook tijdlijnbericht op 2 mei 2025 Instagram en Facebook stories op 8 mei 2025 Instagram en Facebook stories op 19 mei 2025 5.6 Screencast scherm in de hal van Huis van de stad Op alle screencast monitoren in het Huis van de Stad heeft van 6 t/m 27 mei een bericht gedraaid over de inloopavonden met data, tijdstippen en locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Banners Tijdens de informatieavonden zijn banners gebruikt waarop kort en bondig en met behulp van figuren plaatjes en infographics is weergegeven wat het Warmteprogramma precies inhoud. Deze Banners zijn als bijlage 1 toegevoegd aan dit document.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Webinar Om bewoners en ondernemers op de hoogte te stellen van de datum en het tijdstip waarop de webinar is gehouden zijn er twee communicatie momenten geweest. Deze momentenwaren op 19 juni 2025 en 24 juni 2025. De kanalen en data die hiervoor gebruikt zijn, waren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bericht op Rijswijk Regelt Recht op donderdag 19 juni Een Facebook verhaal op donderdag 19 juni en maandag 23 juni Een Instagram verhaal op donderdag 19 juni en maandag 23 juni Een nieuwsbericht Rijswijk.nl op donderdag 19 juni 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevindingen Participatieactiviteiten 6.1 Bereik Er waren per informatiebijeenkomst gemiddeld tussen de 30 en 40 aanwezigen. Alleen de bijeenkomst in Stadscentrum Boogaard werd minder bezocht. Hier waren slecht 3 inwoners op afgekomen. Voor de Webinar hadden zich 17 personen ingeschreven waarvan er 8 daadwerkelijk aanwezig waren tijdens de Webinar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Bevindingen De inloopavond boden ruimte voor waardevolle gesprekken. Door het open karakter en de ruimtelijke opzet liepen bezoekers rond en ontstonden vanzelf momenten waarop we met inwoners in gesprek zijn geweest. Aanwezigen hadden veel vragen over de Warmtetransitie. Onderwerpen die veel aan bod kwamen waren vragen over de aansluiting op WarmtelinQ, wat kunnen we als inwoners nu al zelf doen, wat zijn de kosten en hoe werkt een warmtenet. Samengevat waren de meeste vragen onder te brengen in de categorie haalbaarheid en betaalbaarheid. Ook kwamen enkele inwoners met ideeën en inzichten waar ze in de toekomst samen met de gemeente mee aan de slag willen gaan. Denk dan aan het opzetten van een LT-warmtenet voor een buurt of het opzetten van een warmtebedrijf. Circa de helft van de aanwezigen heeft zich ingeschreven voor de nieuwsbrief Rijswijk Schakelt Over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de webinar waren drie momenten ingebouwd waarbij deelnemers konden reageren. Hieruit kwamen 3 reacties. Deze gingen over de betaalbaarheid van de overstap naar duurzaam verwarmen, de zorgen om een mogelijke monopolypositie van het toekomstige warmtebedrijf en in welke mate de aanleg van een warmtenet zorg voor overlast in de stad. Samenvattend komen deze reacties overeen met de informatie die we hebben opgehaald bij de inloopavonden. Over het algemeen gaan de meeste vragen en zorgen van bewoners over de haalbaarheid en betaalbaarheid van de Energie en warmtetransitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviesraad Energietransitie is op drie momenten betrokken geweest bij het opstellen van het Warmteprogramma. Bij de eerste twee momenten is een presentatie gegeven over het Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het eerste bijeenkomst in maart 2025 ging de presentatie voornamelijk over de opbouw en inhoud van het Warmteprogramma tot op dat moment en over het formele proces voor de ontwikkeling van het Warmteprogramma. Over de inhoud van het Warmteprogramma kwamen diverse vragen die varieerden tussen hele praktische vragen over betaalbaarheid, hoe om te gaan met diverse type woningen en of koeling nog wordt opgenomen tot zeer technische vragen over warmtekavels en Gigajoules per hectare. Hierop is door de aanwezige leden van team Energie &amp; Klimaat zoveel mogelijk antwoord gegeven en zijn aanbevelingen van de adviesraad zoveel en daar waar mogelijk meegenomen in de verdere uitwerking van het Warmteprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de tweede bijeenkomst in juli 2025 is opnieuw een presentatie gegeven aan de adviesraad en is het eerste concept Warmteprogramma vooraf met de raad gedeeld zodat zij zich al een beeld kunnen vormen voor het formele advies dat gevraagd zal worden in september 2025. Na de presentatie waren er vanuit het team dat het Warmteprogramma opstelt twee specifieke vragen aan de adviesraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe kunnen we inwoners activeren om de overstap te maken naar duurzame manier van verwarmen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe kunnen we effectieve ondersteuning bieden aan initiatieven in de wijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviesraad heeft hierop diverse suggesties gedaan die wij mee zullen nemen in verdere participatie tijdens het uitvoerende deel van de Warmtetransitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is tijdens de tweede bijeenkomst van de adviesraad een werkgroep warmteprogramma samengesteld om definitieve afspraken te maken voor het formele advies van september.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Fotoverslag inloopavonden en webinar Informatieavond 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dinsdag 13 mei 2025 Centrum voor Jeugd en Gezin Rijswijk West.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatieavond 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Donderdag 15 mei 2025 Informatiecentrum Boogaard Rijswijk Centrum Informatieavond 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maandag 19 mei 2025 Huis van de Stad Huis te Lande, Stationskwartier, te Werve, Rembrandskwartier (vanwege drukte geen foto van publiek) Informatieavond 4:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maandag 26 mei 2025 Wijkcentrum Ottoburg Oud Rijswijk, Leeuwnedaal, Cromvliet, Bomenbuurt Informatieavond 5:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dinsdag 27 mei 2025 ROC Mondriaan Pasgeld, Vrijeban Informatieavond 6: Webinar Warmteprogramma Woensdag 25 juni 2025 Energy Cave aan het Kessler Park 1 in Rijswijk.Geheel Rijswijk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot Dit participatieverslag beschrijft de opzet, doelen, en resultaten van vijf participatiebijeenkomsten en een webinar die zijn georganiseerd voor het opstellen van het Warmteprogramma. De participatiebijeenkomsten, uitgevoerd in mei 2025, richtte zich op het informeren van bewoners over de koers die de gemeente volgens de huidige inzichten denkt te gaan volgen voor de overstap naar het duurzaam verwarmen van de bebouwde omgeving. De informatiebijeenkomsten zijn zo verspreid mogelijk door Rijswijk gehouden om zoveel mogelijk inwoners de kans te geven om aanwezig te kunnen zijn. Door de informatieavonden een open karakter te geven is het gelukt om zowel informatie te brengen als, doormiddel van diepgaande gesprekken, informatie op te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opkomst op vier van de vijf avonden bedroeg tussen de 30 en 40 personen. Gezien onze vooraf bepaalde doelstelling is dit een goede opkomst. Vooraf is besloten de inloopavonden informerend en praktisch in te richten. Hiervoor is gekozen vanwege het visievormend karakter van het Warmteprogramma. Door de informatieavonden op deze manier vorm te geven was de verwachting dat het bereik van de inloopavonden vooral beperkt zou blijven tot mensen met een boven gemiddelde interesse in het onderwerp. Dit bleek tijdens de inloopavonden ook het geval te zijn. Met een webinar is een digitale participatiemogelijkheid geboden die tegemoet kwam aan het verzoek van een presentatie die door inwoners op de inloopavonden is geuit. Deze webinar is opgenomen en op de website van Rijswijk Schakelt geplaatst zodat bewoners die de inloopavonden en/of de webinar hebben gemist, alsnog de mogelijkheid hebben om informatie over het Warmteprogramma Rijswijk tot zich te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waardevolle inzichten en betrokkenheid van de Rijswijkse inwoners bij de participatiebijeenkomsten en de gesprekken met en het advies van de Adviesraad Energietransitie hebben ons een completer beeld gebracht. Uit de bijeenkomsten komt naar voren dat mensen die langs zijn geweest vragen hebben over de haalbaarheid en de betaalbaarheid. We realiseren ons dat dit belangrijke randvoorwaarden zijn om aan de slag te gaan en mensen mee te krijgen in de transitie. Verder constateren we dat vragen van inwoners vooral betrekking hebben op de aanpassingen in de woning en in de buurt. Dat sluit niet altijd aan bij het visievormend karakter van het Warmteprogramma maar nemen we wel mee met onze planvorming in de toekomst wanneer de warmtetransitie meer richting de uitvoering zal gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1: Banners informatieavonden 8.1 Bijlage 2: Data, locaties, tijdstippen en bemensing Inloopavonden Datum Webinar 25 juni 2025: 19:30 – 20:30 uur Bijlage I Overzicht Informatieobjecten Regelingsgebied /join/id/regdata/gm0603/2025/RG7gio15d2ab64-6b58-4df1-b844-37b99f2d9bb6/nld@2025-12-05;7 individuele warmtepomp /join/id/regdata/gm0603/2025/7giod91c16e4-26f5-4afa-bd05-894dbab69b2e/nld@2025-12-05;8 warmtepomp of zeer lagetemperatuur warmtenet /join/id/regdata/gm0603/2025/7gio2f81c215-99be-4480-9e1f-9b933f0b8762/nld@2025-12-05;9 /akn/nl/act/gemeente/2025/CVDR749100 /akn/nl/act/gemeente/2025/CVDR749100/nld@2025-12-05 /join/id/stop/work_006 Warmteprogramma Rijswijk true /tooi/id/gemeente/gm0603 jci1.3:c:BWBR0037885&amp;artikel=3.4</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingswet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">JCI /tooi/id/gemeente/gm0603 Warmteprogramma Rijswijk /tooi/def/concept/c_f4f1867a /tooi/def/concept/c_638d8062 /join/id/stop/regelingtype_010 /tooi/def/thes/kern/c_28ecfd6d</p></div>", "next": 0}