{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Friesche veen 1 1 Zuidlaardermeer / Foxholstermeer - 3 Totale schatting 91 Lauwersmeer - 10 B Oude diep in Marumerlaag 14 4 Roegwold (incl. Schildmeer) - 10 8 Oldambtmeer - 9 4 Hondshalstermeer 1 Bad Nieuweschans 9 2 * bij deze studie inclusief 12 km wijken en kanalen bij het Fochteloërveen, en exclusief de delen in de Onlanden. ** inclusief Leekstermeer 6.3Beoordeling Gunstige staat van Instandhouding Op landelijk niveau scoort de bever op alle beoordelingsaspecten gunstig en is de GSVI bereikt (Lammertsma et al. 2019; Jansman et al. 2016). Op lokaal niveau, net zo relevant voor dit beverbeheerplan, is dit bijna zo (zie tabel 6.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een genetisch gezonde populatie op kortere termijn, van 125 bevers, is er ruim voldoende areaal natuurlijk verspreidingsgebied in Groningen en Drenthe, zeker als de aangesloten gebieden in Friesland, Zuid Drenthe en het Eemsland (Duitsland) erbij worden gerekend. De beoordeling van het aspect ‘leefgebied’ is daarom ‘gunstig’. Dit areaal is echter niet overal bezet. De beoordeling van het aspect ‘natuurlijk verspreidingsgebied’ is daarom ‘matig ongunstig’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de huidige populatie is, met naar schatting 125-180 dieren in 2019, ‘matig ongunstig’. In potentie zullen de aantallen niettemin nog fors toe kunnen nemen (zie paragraaf 6.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geschatte aantal bevers dat zich binnen de momenteel voor bevers geschikte gebieden kan vestigen is niet voldoende, zeker niet in het licht van de door Jansman et al. (2016) geformuleerde minimumomvang van 1225-1880 dieren. Het ligt niet in de rede dat grote oppervlaktes terrein in het projectgebied om deze reden omgezet zullen gaan worden in geschikt beverhabitat. Daarom is het van belang actief toe te werken naar aansluiting en uitwisseling met deelpopulaties in de rest van Nederland en Duitsland (Lammertsma et al. 2019). In strikt juridische zin is aansluiting bij de rest van de Nederlandse populatie overigens belangrijker dan bij de Duitse (L. Boerema pers. med.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.2. Een beoordeling van de Staat van Instandhouding op landelijk niveau (2017), en op het niveau van de betreffende populatie. Groen = ‘gunstig’, oranje = ‘matig ongunstig’, en rood is ‘ongunstig’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4Samenvattend Op dit moment is er een nog kleine populatie, net voorbij de minimumgrens van 125. Deze populatie voldoet aan de minimale grens van omvang voor behoud op korte termijn. De populatie is nog kwetsbaar op langere termijn. Groei naar een grotere omvang, een meer complete verspreiding en verbindingen met de metapopulatie in de rest van Nederland en Duitsland is wenselijk. Voor beide is het perspectief aanwezig en gunstig.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Beverbeheer in Groningen en Drenthe tot 2025 In de voorgaande hoofdstukken zijn de inzichten verzameld op basis waarvan in dit hoofdstuk keuzes worden gemaakt om de bescherming van bevers te borgen en tegelijkertijd vlot en effectief op te kunnen treden bij schades of grote schaderisico's in het veld. Ook beogen we hier richting te geven aan wenselijke maatregelen om de bescherming te optimaliseren en we stellen daar een taakverdeling bij voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afwegingskader is de regelgeving, zoals beschreven in hoofdstuk 5 ‘’ juridische context’’. Hieruit komt naar voren dat er drie zaken uiterst relevant zijn, als het gaat om ontheffing van bepalingen in de Wet natuurbescherming: 1) wat is de reden? 2) is er een alternatief? en 3) wat betekent het voor de gunstige staat van instandhouding? Met name de eerste twee aspecten kunnen verschillen binnen het studiegebied. Daarom is er een zonering gemaakt, en worden de belangen, de alternatieve maatregelen van inrichting en beheer en de effecten op de staat van instandhouding steeds expliciet benoemd voor elk van deze zones. In paragraaf 7.2 is deze bespreking per zone gegeven, maar eerst geven we in 7.1 een samenvattende visie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1Samenvattende visie Op basis van te verwachte populatieontwikkeling in Groningen en Drenthe en ervaringen met schadebestrijding in Limburg en in het buitenland is de volgende visie geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Groningen en Drenthe dient te worden ingezet op beverbeheer om problemen vóór te zijn en draagvlak te behouden. De vier pijlers daarvan zijn: professioneel advies bij conflicten en communicatie over de bever en zijn leefwijze preventieve maatregelen reserveren budget voor tegemoetkoming bij schade ingrijpen bij onacceptabele nat- en vraatschade of in geval van gevaar voor veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de situatie dat beveraanwezigheid tot grote calamiteiten met de veiligheid kan leiden in grote delen van het studiegebied is een zonering in de ruimte en een bijbehorende fasering in de tijd essentieel. Benadrukt wordt dat dit vooralsnog een tijdelijke keuze is. In de komende vijf jaar leggen we de focus op het accommoderen van de bever in geschikte gebieden van de beekdalen op de hoge zandgronden en de daar naadloos bij aansluitende laagveengebieden rond het Zuidlaardermeer en de Onlanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groningen en Drenthe zullen bijdragen aan duurzame instandhouding van de bever voor Nederland in de vorm van een groot oppervlak, onderling verbonden, geschikt leefgebied, met name in de beekdalen, de grote meren en de laagveenmoerassen. Hiertoe is het nodig dat de aansluiting met de metapopulatie wordt gerealiseerd, en dat zullen we dan ook trachten te realiseren. In deze gebieden is de bever naar verwachting op haar beurt van meerwaarde voor de biodiversiteit, waterkwaliteit en waterretentie, waarbij onderkent wordt dat activiteiten van de bever lokaal kunnen conflicteren met andere natuurwaarden. Er zullen in de komende decennia (lokaal, gericht en proportioneel) investeringen moeten worden gedaan om tot een duurzaam beverbeheer te komen. Die investeringen zullen hier goed te verantwoorden zijn. Bij voorkomende problemen zal allereerst worden ingezet op het zo veel mogelijk duurzaam oplossen van problemen door grondverwerving en/of herinrichting, maar andere vormen van mitigatie behoren ook tot de mogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In veel van de onder NAP gelegen delen van het beheersgebied zijn de investeringen om beveraanwezigheid veilig te kunnen tolereren, groot in verhouding tot de hoeveelheid leefgebied die er daar door bevers bevolkt kan worden. Deze investeringen en de benodigde inspanningen zijn ook te hoog om op korte termijn te kunnen realiseren. Om die reden wordt ervoor gekozen om gedurende de beheerperiode (2020-2025) geen beveraanwezigheid toe te staan in duidelijk omgrensde en logisch samenhangende gebieden onder NAP. Door in voorkomende gevallen bevers daar weg te vangen en te verplaatsen naar strategische locaties wordt de aansluiting met de meta populatie versneld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog los van de ethische en juridische bezwaren, staat deze zonering op gespannen voet met ander beleid, zoals de vervolmaking van het NNN, of beleidsvisies, zoals de stroomgebiedbenadering en de Hunzevisie. De beheerplan periode wordt benut om de kosten en de consequenties in beeld te brengen van verschillende scenario’s om stap voor stap de rode zone kleiner te maken, met de ambitie dat tenminste het hele NNN toegankelijk wordt voor bevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige delen van Groningen en Drenthe (het Hogeland en de Veenkoloniën) bevatten veelal voor bevers suboptimaal leefgebied. Dit is met name zo omdat er weinig bos begroeiing, veel verharde oevers, een sterk door mensen gestuurd waterbeheer is, en/of de optimale leefgebieden ver uit elkaar liggen. Een sterk door mensen gestuurd waterbeheer is positief voor de bever omdat door de wateraanvoer een zekere minimum diepte van water gegarandeerd wordt maar tegelijkertijd is de speelruimte voor bevers om hierop invloed uit te oefenen beperkt. Mede gezien de gemaakte strategische keuzes om in deze gebieden het primaat bij de landbouw te leggen en vooral in te zetten op technische oplossingen voor het waterbeheer die weinig ruimte vragen (Stuurgroep Water 2000+ et al. 2002), is het daarom onduidelijk in hoeverre deze delen een belangrijke bijdrage zullen kunnen gaan leveren aan de hoeveelheid geschikt leefgebied voor de bever. Afhankelijk van de mate waarin bevers in deze gebieden de ruimte zullen krijgen om hun rol als ‘ecosystem engineer’ te spelen zal ook de positieve bijdrage van de bever aan de biodiversiteit in deze gebieden beperkt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">We verwachten een periode van aanpassing en ‘leren leven met de bever’: In de komende jaren komen de spanningsvelden het duidelijkst naar voren. Daarna zal wellicht een fase volgen waarin de belangrijkste problemen zijn opgelost en gewenning optreedt (Campbell-Palmer et al. 2016). Er zal worden gezorgd voor een heldere informatievoorziening, digitaal en in de persoon van een beverbeheerder. Waar problemen optreden zal snel en adequaat kunnen worden opgetreden. Uiteraard is er aandacht voor maatwerkoplossingen om tot zoveel mogelijk duurzame oplossingen te komen. Verder wordt gekozen voor mitigatie van de effecten (Kurstjens &amp; Niewold, 2011). Alleen in het uiterste geval (in specifieke situaties en volgens vastgestelde criteria, zoals die ook elders in het land worden gehanteerd; d.w.z. na herhaald ingrijpen met minder ingrijpende alternatieven of bij onacceptabele situaties) zullen probleemdieren worden weggevangen om elders te worden uitgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het werkgebied zullen de komende jaren dus mogelijk dieren vanuit de lage gronden (onder zeeniveau) naar de hogere zandgronden in Drenthe worden verplaatst tot alle beschikbare opties zijn benut. Bijplaatsen in gebieden die al vrijwel vol zijn, is niet ethisch verantwoord omdat dit onnatuurlijke verstoring van bestaande territoria geeft. Ook blijft herplaatsen een stressvolle exercitie voor bevers of beverfamilies. Er wordt niet gekozen voor het actief bijplaatsen van onverwante bevers uit een andere populatie. Dit zou de populatiegroei versnellen en minder tijd bieden om aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doden van bevers is vooralsnog niet of slechts als uiterste optie aan de orde. Voor doding zal alleen worden gekozen in specifieke goed omschreven situaties, voor specifieke individuen, als een aantal afgesproken stappen eerst zijn gezet en andere opties zijn uitgeput. Ze zijn beschreven per zone in paragraaf 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toekomst zal de beverpopulatie in Groningen, Drenthe en de rest van Nederland naar verwachting zodanig zijn toegenomen dat ook andere vormen van populatiebeheer bediscussieerd dienen te worden. We onderkennen dat de populatie nog in ontwikkeling is, dat we nog moeten leren leven met de bever en dat er nog allerlei onbekende variabelen zijn die maken dat de plannen ongetwijfeld zullen moeten worden herzien na verloop van tijd. Om die reden is dit beverbeheerplan een plan voor bepaalde tijd (2020-2025) met een zorgvuldige evaluatie na 2,5 jaar. Tijdens deze eerste plan periode wordt ingezet op leren, experimenteren en dus ook goed documenteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de visie is dat er door samenwerking meer mogelijk is. De overige uitgangspunten zijn: met veiligheid wordt niet gemarchandeerd, allereerst wordt ingezet op preventie, en het lokaal en naar redelijkheid duurzaam oplossen van ecologische knelpunten of problemen op locaties waar bevers herhaaldelijk schade of veiligheidsrisico’s veroorzaken, daar horen inrichtingsmaatregelen bij, maar ook goede voorlichting en monitoring, indien moet worden ingegrepen, wordt in principe de minst ingrijpende maatregel gekozen, de afweging vindt niettemin plaats op grond van een ruimtelijke zonering, het op grote schaal en ongericht preventief aanbrengen van gaas, beton, stortsteen, staal in de keringen is o.a. vanuit kostenoogpunt geen bevredigend alternatief, in deze plan periode wordt ingezet op leren, experimenteren en documenteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2Zonering van beverbeheer en processchema bij overlast en schade De beheergebieden van de waterschappen Hunze &amp; Aa's en Noorderzijlvest zijn onderverdeeld in drie verschillende zones van beverbeheer (zie figuur 7.1, de Beverbeheerkaart).</p>\n<p class=\"lf-p\">De categorie “bever groot risico” betreft heel specifieke gebieden die qua waterveiligheid kritisch zijn. Grote delen van het bestaande natuurnetwerk zullen tot de categorie “bever-welkom” behoren, daar waar de verwachte baten van de bever groot zullen zijn en geen noemenswaardige veiligheidsrisico’s en verwachte kosten van schade zijn. De rest categorie betreft “bever met aandacht” gebieden, waar bevers wel overlast kunnen veroorzaken maar die qua veiligheid en schade minder kritisch zijn. In deze paragraaf wordt per zone besproken wat de belangen zijn, de alternatieven en de impact van ingrijpen op de Staat van Instandhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per zone is een processchema gegeven. Indien relevant is onderscheid gemaakt in drie categorieën van schades die bevers kunnen veroorzaken en welke partij in welk geval verantwoordelijk is voor het oplossen van het probleem. Mocht zich een probleem voordoen dat niet conform protocol / stroomschema kan worden opgelost, dan kan hiervoor een ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming bij de provincies worden aangevraagd. De provincies Groningen en Drenthe maken ook bij conflicterende belangen tussen de bever en andere (Natura_2000) natuurdoelen de eindafweging. “Bever groot risico”- Rode zone Ten eerste onderscheiden we een zone die qua waterveiligheid kritisch is. Het belang hierbij is een publiek belang van waterveiligheid13Waterveiligheid staat voor de bescherming tegen overstromingen. Het begrip waterveiligheid wordt overigens zelfs in een speciaal boekje met begrippen over waterveiligheid niet gedefinieerd (van Eijsbergen et al. 2016)!. Aanwezigheid van de bever in de keringen leidt onmiddellijk tot risico’s op calamiteiten. Die risico’s zijn bij hoge waterstanden nog eens extra groot, omdat 1) de bevers gedwongen worden verder omhoog te graven, 2) er meer water in de boezem staat wat er met groter verval zal uitstromen bij falen van de kering en 3) berijdbaarheid en toegankelijkheid van de kades is verslechterd door verzadiging van het profiel. Omdat de aanwezigheid van de dieren niet op de schaal van honderden meters of meerdere kilometers is te sturen, is ook de aanwezigheid van bevers in de onmiddellijke nabijheid van de keringen kritisch. Om die reden is het belangrijk om de randlengte van de “bever groot risico” zone klein te houden ten opzichte van het oppervlak. In de praktijk betekent dit dat er niet teveel ‘rafelranden’ en ‘uitzonderingen’ gemaakt moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De drie alternatieven om in deze gebieden de publieke veiligheid te waarborgen, zijn Rood-a) het ‘beverproof’ maken van kades en keringen, Rood-b) het frequent controleren en herstellen van opgetreden graverij en Rood-c) het handhaven van een nulstand. Zie tabel 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief Rood-a:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij alternatief a) gaat het om ca. 1133 km kering in de lage delen van de provincie Drenthe en Groningen, waarvan ca. 15 km (1,4 %) als beverproof kan worden aangemerkt in de huidige situatie. De kosten om deze keringen allemaal ‘beverproof’ te maken liggen in de tientallen tot honderden miljoenen14het bedrag ligt ruwweg tussen de 50 en de 250 miljoen euro indien respectievelijk gaas of betonnen matten worden toegepast, waarbij het nog de vraag is of dit technisch allemaal realiseerbaar is. Over een periode van 25 jaar zou een investering van ca. twee miljoen per jaar gemoeid zijn aan additionele kosten, wanneer voor het toepassen van gaas zou worden gekozen. De waterschappen zien in deze zone echter over grote lengtes kering een noodzaak voor nog duurdere varianten (stalen damwanden).. De hoeveelheid geschikt en beschermd leefgebied voor bever (figuur 2.3 en tabel 6.1) die daarmee zonder risico’s voor mensen door bevers extra kan worden ingenomen is afhankelijk van de gekozen grenzen van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief Rood-b Het frequent controleren en herstellen van de graverij is in theorie mogelijk, maar is niet een sluitende oplossing in de praktijk. Bij hoge waterstanden zijn de keringen niet meer goed toegankelijk, veel gaten kunnen met de huidige middelen niet ontdekt worden, en iedere dag kunnen er nieuwe gaten op relatief onvoorspelbare plekken worden gegraven. Bij dit alternatief wordt bewust een groot risico genomen op calamiteiten. Dat risico wordt onacceptabel groot geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 7.1 Kaart Beverbeheer. Onderverdeling van de beheergebieden van de waterschappen Hunze &amp; Aa's en Noorderzijlvest in drie verschillende zones van beverbeheer. Noot: in figuur 2.1 zijn ter vergelijking de contouren van de beschermde natuurgebieden in Groningen en Drenthe gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief Rood-c Het handhaven van een nulstand is een alternatief dat al in beeld was bij de eerste plannen voor herintroductie van de bever in Nederland (van Wijngaarden 1966; van der Ouderaa &amp; Boere 1983). In de praktijk betekent het dat er een inspanning wordt gepleegd om te voorkomen dat dieren zich in het “bever groot risico“ gebied gaan bewegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevers worden aan de rand van het gebied ontmoedigd om ernaar toe te migreren. Dat kan bijvoorbeeld door faunapassages minder geschikt te maken voor bevers. Voor het handhaven van een nulstand moeten bij open verbindingen over water levend vangende vallen worden opgezet, analoog aan wat er bij de bestrijding van beverratten gebeurd in een zone langs de Nederlandse grens. Ze worden hiermee ontmoedigd om in “bever groot risico“ gebied te komen, maar het is onvermijdelijk dat er dieren op zullen duiken. In dat geval zal tot wegvangen worden overgegaan. Bij wegvangen kunnen de dieren in de eerste jaren (deze beheerplan periode) worden teruggeplaatst in “bever welkom gebied’. Door gericht te verplaatsen wordt het proces van aansluiting bij de centraal-zuidelijke Nederlandse of Duitse populaties met die in Groningen/Drenthe versneld, hetgeen gunstig is voor de levensvatbaarheid van de beverpopulatie in Nederland (Lammertsma et al. 2019). Actief verplaatsen is mogelijk totdat alle beschikbare leefgebied is bezet. Het heeft geen zin om bevers te dicht bij reeds gevestigde territoria uit te zetten (Faunabeheereenheid Limburg 2017). Het is zelfs zéér ongewenst, omdat uit ervaring in de Biesbosch en de Gelderse Poort is gebleken dat het leidt tot hoge sterfte bij de uitgezette dieren en lage voortplanting bij de bevers die er al zitten (V Dijkstra pers. med.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegvangen van dieren is technisch overigens lastig (B. Zoer pers. med. en W van Eerden pers. med.). Een gevestigde familie is makkelijker te vangen dan zwervende exemplaren. Vangen met kooien kan 2 tot 3 weken in beslag nemen. Het vangen met kooien is een zeer arbeidsintensief proces, maar andere opties zijn nog ongunstiger en ingewikkelder (denk bijv. aan een net op de bodem van een watergang). Omdat het wegvangen van dieren technisch lastig is, en in sommige situaties ook niet te lang mag duren in verband met de waterveiligheid, kan doding aan de orde zijn wanneer vangen niet lukt. Als er geen acuut gevaar is, wordt het vangen met kooien minimaal een week geprobeerd alvorens eventueel kan worden besloten het dier af te schieten. In situaties met zeer acute veiligheidsrisico’s en waarbij de factor tijd cruciaal is kan worden overgegaan tot het direct doden van een bever. Op termijn zal dat altijd en overal gaan gebeuren, n.l. als er geen plekken meer tot herplaatsing zijn. Een gedetailleerde werkinstructie van Waterschap Limburg (Faunabeheereenheid Limburg 2017) voor het vangen en doden van bevers wordt in het kader van de ontheffingsaanvraag overgenomen en staat samengevat in bijlage 5 van dit plan “het Beverprotocol Groningen en Drenthe”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effect op Staat van Instandhouding- Rode zone De alternatieven a en b maken het mogelijk dat bevers alle kerngebieden bereiken en bevolken. Door de investeringen in preventie kunnen ca. 29 territoria extra worden gerealiseerd in beschermd en geschikt gebied onder NAP. Dat kan gezien worden als een ecologische plus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze investeringen zijn echter onmogelijk op de korte termijn te realiseren en wij achten ze ook niet in verhouding staan tot de geringe hoeveelheid leefgebied die extra wordt gerealiseerd. Alternatief Rood-c gaat weliswaar ten koste van het beoordelingsaspect ‘natuurlijke verspreiding’ van de Staat van Instandhouding, maar daar staat verhoogde veiligheid tegenover, geringere kosten (of zelfs baten) en duidelijkheid. Daarom wordt voor dit alternatief rood-c, zonering en het handhaven van een nulstand, gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de voorgestelde zonering (figuur 7.1) kunnen de territoria in midden en west Groningen ('t Roegwold, Oldambtmeer, Hondshalstermeer, Bad Nieuweschans en in het Marumerlaag) door dit beheer niet worden gerealiseerd (tabel 6.1B; het gaat om 29 geschatte territoria, of 24 % van het potentieel). Er rest dan nog een beperkte lengte regionale kering waar voortdurende zorg nodig is om tijdig mogelijk optredende graverij door bevers te ontdekken. Het waterschap schat de risico’s op deze wijze als ‘beheersbaar’ in. Het gaat om resterende stukken kwetsbare kade die handhaving en realisatie van territoria in de Onlanden, het Paterswoldse meer en delen van het Zuidlaardermeergebied (het Foxholstermeer en de Onnerpolder), mogelijk maken (tabel 6.1A, naar schatting 15 territoria).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het gericht verplaatsen van individuen wordt het proces van aansluiting bij de centraal-zuidelijke Nederlandse of Duitse populaties met die in Groningen/Drenthe versneld, zodat er geen negatief effect is op de GSVI. Zelfs in het geval dat er onverhoopt moet worden overgegaan tot het doden van een specifiek individu dat zich moeilijk levend laat vangen (de allerlaatste stap in het Stroomschema Beverprotocol), dan is deze mortaliteit naar verwachting maar een fractie van de natuurlijke mortaliteit en is het effect op de populatieontwikkeling verwaarloosbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in een latere fase (2025) meer ervaring en kennis over het omgaan met bevers in laag Nederland is opgedaan, of als de kades geïntegreerd met andere werkzaamheden kunnen worden aangepakt is het passend om de zonering te herzien15Noot: In grote delen van Nederland is een benadering met een rode zone niet aan de orde omdat er geen dwingende reden is van openbaar belang, of omdat er alternatieven voorhanden zijn die niet buiten-proportioneel zijn. Bijvoorbeeld : 1) In alle watersystemen met vrij afstromend water zijn de problemen met waterveiligheid afwezig of van een andere orde. 2) In de laaggelegen polders van Flevoland zijn de problemen met waterveiligheid beduidend minder prangend dan in de laaggelegen delen van Groningen omdat het watersysteem er robuust is en er veel geschikte locaties zijn waar bevers kunnen graven zonder dat dit de waterveiligheid compromitteert.Maar het is niet zo dat een rode zone verder nergens in Nederland zal moeten worden overwogen en ook verder nergens nodig zal blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn delen van Nederland waar een dergelijke benadering met een rode zone vooralsnog niet aan de orde is, eenvoudig omdat er niet over is nagedacht. Het wordt alle waterschappen in Laag Nederland dringend geadviseerd om te beoordelen waar er risico's zijn en hoe die kunnen worden beheerst.. Zoals boven benoemd, wordt de beheerplan periode benut om de kosten en de consequenties in beeld te brengen van verschillende scenario’s om - stap voor stap- de rode zone kleiner te maken, met de ambitie dat tenminste het hele NNN toegankelijk wordt voor bevers. In de huidige landschappelijke context en met de huidige inzichten is de waterveiligheid echter het beste gewaarborgd met de (al dan niet tijdelijke) instelling van een rode zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Processchema aanwezigheid bever in de rode zone Aan de grens: waar mogelijk belemmeren van toegang. Nader afspraken te maken tussen Provincie en Waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overal: permanent wegvangen en verplaatsen. Doden in uiterste geval of als verplaatsen geen optie meer is. “Bever-welkom”- Groene zone Ten tweede onderscheiden we “Bever-welkom” gebieden. Deze gebieden zijn gedefinieerd door alle beschermde natuurgebieden en het natuurnetwerk Nederland (zie figuur 2.1). Enkele delen daarvan zijn echter uitgezonderd, daar waar de benodigde investeringen om de waterveiligheid te waarborgen buitenproportioneel zijn. Dit betreft bijvoorbeeld ’t Roegwold en het Lauwersmeer. De “bever welkom” zone betreft bij uitstek gebieden waar de ecologische sleutelrol van de bever tot zijn recht zal komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wordt niettemin niet uitgesloten dat er ook in deze gebieden de noodzaak ontstaat om in te grijpen bij ongewenste bever activiteit. Alle wettelijke belangen kunnen hier van belang zijn. Binnen het natuurnetwerk spelen weliswaar geen economische belangen, maar peilbeïnvloeding binnen de bever welkom gebieden kunnen leiden tot natschade daarbuiten. Ook lopen er kades, droge infrastructuur en onderhoudspaden in deze zone, zodat graverij tot gevaar voor waterveiligheid of persoonlijke veiligheid kan leiden. Tenslotte kunnen er conflicterende belangen spelen met andere (Natura_2000) natuurdoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn drie alternatieven om met dergelijke conflicten om te gaan die elkaar niet uitsluiten. Groen-a) Vervolmaking van de natte natuurgebieden door verschuivingen binnen Natuurnetwerk Nederland (incidenteel misschien grondverwerving) en het beverproof maken van kaden, Groen- b) mitigatie van de problemen met standaard of maatwerk oplossingen, Groen –c ) ingrijpen door wegvangen en/of doden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effect op Staat van Instandhouding- Groene zone In de “Bever-welkom” gebieden zijn ecologische principes leidend, met waterveiligheid als enige harde randvoorwaarde. Ingrijpen door wegvangen en doden is overal de allerlaatste optie, maar wordt in de “bever-welkom” gebieden vooral als theoretische mogelijkheid gezien. De maatregel groen-c heeft geen effect op de GSVI als het gaat om wegvangen en verplaatsen en een verwaarloosbaar effect bij doding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de meeste situaties moet echter een oplossing te vinden zijn waardoor wegvangen en/of doden niet nodig is. Alleen voor het belang waterveiligheid en bij acuut gevaar wordt hierop een uitzondering gemaakt. Bij conflicten met andere belangen is het aan de provincie om per situatie hier een afweging te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de alternatieven Groen-a en Groen-b zijn de effecten op de GSVI neutraal tot positief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Processchema conflicten bever met andere functies in de groene zone Vraatschade + in natuurgebied met specifieke cultuurhistorie → eigen risico terreinbeheerder of particuliere eigenaar, zelf actie ondernemen (raster, antivraatmiddel) Graafschade * + bij voorkomende problemen lokaal en naar redelijkheid kiezen voor duurzame oplossingen en preventie → grondverwerving, dijk terugleggen, vooroever creëren, kade/dijk “beverproof “maken. Provincie en Waterschap. bij onverhoopte problemen: + in dijken of kanaaloevers → ingrijpen waterbeheerder/ Rijkswaterstaat op basis van Beverprotocol Groningen en Drenthe (bijlage bij dit plan, hierna 'beverprotocol'), evt. dieren wegvangen/doden + in beekoevers/ taluds/ schouwpaden → zo nodig ingrijpen waterbeheerder op basis van beverprotocol + bij droge infrastructuur (weg, spoorlijn) → ingrijpen eigenaar op basis van ontheffing of beverprotocol * Peilverandering en natschade * Binnen Natuurnetwerk: mitigatie (dam verlagen, leveler aanbrengen of schrikdraad plaatsen, verdieping voor hol of burcht aanbrengen, aanvullend onderhoud waterloop, ingrijpen via beverprotocol door Waterschap) →grondverwerving (logische afronding nat natuurgebied/ beekdal), actie voor Provincie, evt. tijdelijke natschade meenemen in aankoopprijs →bij waterlopen die niet op legger staan (tertiaire watergangen in natuurgebied) is waterschap niet verantwoordelijk voor maatregelen, maar de terreinbeheerder. Eventueel ingrijpen mag conform gedragscode/ beverprotocol van terreinbeheerder (*). →indien niet mogelijk, dam permanent verwijderen, actie voor terreinbeheerder →bij waterlopen die niet op legger staan (tertiaire watergangen in landbouwgebied) is waterschap niet verantwoordelijk voor maatregelen, maar de eigenaar. Ingrijpen mag via een ontheffing van de provincie. * * het is van belang dat terreinbeheerders, weg- en infrastructuurbeheerders (Rijkswaterstaat, Prorail) dit beverprotocol Groningen en Drenthe in hun gedragscodes opnemen. “Bever met aandacht”- Oranje zone Ten derde onderscheiden we gebieden waar de bever grote economische schade kan doen aan de landbouw, en waar de risico’s voor de persoonlijke veiligheid van mensen door het wegzakken van machines en voertuigen relatief groot zijn. Het zijn gebieden buiten de \"bever-welkom\" en de “bever groot risico” zone. In die gebieden heeft de landbouw het primaat en zijn de watersystemen ingericht met overwegend weinig ruimte vragende technische maatregelen. In deze gebieden maakt een uitgekiend peilbeheer het mogelijk om economisch rendabele landbouw uit te voeren. Graverij en dammenbouw door bevers in deze gebieden kan op korte termijn weliswaar voor grotere variatie in abiotiek zorgen, maar de bijbehorende overlast is in grote delen van deze zone ongewenst, en zal door mensen regelmatig weer hersteld worden (sloten uitbaggeren, oeverholen herstellen, oeverkanten rechttrekken, dammen verlagen of verwijderen), al dan niet met ontheffing of vrijstelling op grond van een gedragscode. In de huidige situatie heeft er al een kaalslag langs de oevers van de wijken plaatsgehad in de voormalige veenkoloniën, omdat terreineigenaren vestiging van de bever trachten te ontmoedigen. Het valt dus te bezien hoe omvangrijk de positieve effecten van de bever in deze gebieden kan zijn. De toekomst moet dat uitwijzen. Alles wat er aan bevers zich permanent in deze gebieden vestigt, of er succesvol doorheen weet te trekken kan bezien worden als een ‘ecologische plus’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijke maatregelen van inrichting en beheer om de gevolgen van beveractiviteiten te voorkomen, te niet te doen of te verminderen zijn samengevat in hoofdstuk 3 en in Campbell-Palmer et al. (2016) en Dijkstra &amp; Polman (2018). In essentie gaat het om Oranje-a) het beschermen van gewassen, bomen, Oranje-b) het ‘beverproof maken” van keringen en oevers, Oranje-c) het frequent controleren en herstellen van oevers en schade alsmede het uitkeren van compensatie bij vraat- of natschade, Oranje-d) het mitigeren van schade door lokaal maatwerk (zoals het verdiepen van een watergang, het graven van een nevenslootje, toepassen leveler of dam verlagen), Oranje-e) Vervolmaking van de natte natuurgebieden door verschuivingen binnen het NNN of grondverwerving, Oranje-f) verjaging en beheersjacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze maatregelen zijn geen strikte alternatieven, maar eerder opeenvolgende treden van een virtuele ‘escalatie ladder’ (FBE Limburg 2017). We adviseren de ontwikkeling van een 'beverpakket' om terreineigenaren te faciliteren bij het bieden van ruimte voor bevers. In een dergelijk pakket zullen een aantal van de hieronder genoemde mitigerende maatregelen een plek kunnen krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel Oranje-a. Schade voorkomen door rasters en antivraatmiddel. Afhankelijk van de waarde van het gewas of de bomen lonen deze maatregelen meer of minder in financiële zin. De kosten van de maatregel hebben een acceptabele verhouding tot het belang van de bescherming van bevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel Oranje-b. Oevers kunnen onaantrekkelijk worden gemaakt om in te graven door het talud te verflauwen en opslag te verwijderen. Als de eerste 10m uit de oever uit productie worden genomen, scheelt dit ruwweg 90% van de problemen (Campbell-Palmer et al. 2016). Omdat het om grote lengtes watergang gaat zijn de kosten hiervan in potentie hoog. De waarde van landbouwgrond in de Veenkoloniën ligt in de orde van 40.000 €/ha. Het is onbekend hoe groot de beverterritoria in dergelijk landbouwgebied gaat worden, en over welke lengte watergang de bevers oeverholen gaan graven in aanvulling op de hoofdburcht. Maar iedere km waarlangs een oeverzone van 10 m uit productie wordt genomen, kost ongeveer € 10.000 en gaat ten koste van landbouwgrond. In sommige gevallen is het aanleggen van een vooroever misschien wel mogelijk. Bijvoorbeeld als maatregel voor de Kaderrichtlijn Water (aanleg natuurvriendelijke oever). Opslag verwijderen is goedkoper, maar heeft repercussies voor andere aspecten van de biodiversiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel Oranje-c. Dit is een groep van maatregelen waarbij niet aan de oorzaak wordt gewerkt, maar die in belangrijke mate aan draagvlak bijdraagt. In essentie komt het erop neer dat adequaat kan worden ingegrepen als er verzakkingen optreden, bomen of dammen in de watergang liggen en dat er compensatie is als er vraatschade optreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitkeren van vraatschade gebeurt via het Faunafonds, BIJ12 zonder schadedrempel. Provincie Limburg kiest er voor om niet tot uitkering van natschade over te gaan, omdat terreineigenaren en waterschappen in staat worden gesteld in te grijpen bij ongewenste dammenbouw om de schade te voorkomen. In Drenthe en Groningen moet die keuze nog worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel Oranje-d. Het mitigeren van schade door maatwerk oplossingen zal vaker kunnen worden ingezet als er deskundige hulp en goede voorlichting voorhanden is. De inzet van een beverbeheerder of een beverdeskundige uit haar netwerk is hier gepast. Maatwerk hoeft niet veel te kosten; zo heeft het aanbrengen van een wand van betongaas direct rondom een beverburcht bij Spijkerboor een duurzame oplossing opgeleverd voor nog geen € 4000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beste oplossing is situatie afhankelijk en er is een behoefte aan een beter inzicht van consequenties van voor de hand liggende keuzes. Zoals beschreven in § 3.4 is het met de huidige kennis goed aannemelijk te maken dat het in sommige situaties aan te bevelen kan zijn om al in een vroeg stadium van dammenbouw in te grijpen en daarmee de bever te sturen in gedrag of uiteindelijke locatiekeuze. Het is het beste om per situatie te beoordelen wat de beste handelwijze is en dit systematisch en proefondervindelijk aan te pakken. Dit is een uitwerking van het in § 7.1 gekozen uitgangspunt om in deze plan periode in te zetten op leren, experimenteren en documenteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel oranje-d heeft daarom een experimentele vorm waarin de gevolgen worden vergeleken van de volgende behandelingen: vroeg ingrijpen door een dam die van invloed zal zijn op landbouw en stedelijk gebied direct te verwijderen, vroeg ingrijpen door een dam die van invloed zal zijn op landbouw en stedelijk gebied direct te verwijderen, én door direct grond weg te nemen voor de ingang van het hol zodat over een lengte van 10-20 m een diepte van 1 meter wordt gecreëerd; later in te grijpen, pas op het moment dat onacceptabele natschade daadwerkelijk optreedt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontwikkelingen worden vergeleken met situaties waar gewoon laten zitten en niets doen tot de mogelijkheden behoort in “bever-welkom” en “bever met aandacht” gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel Oranje-e. Slechts in incidentele en heel specifieke gevallen zal grondverwerving voor de vervolmaking van het natuurnetwerk een oplossing zijn in deze zone. Verschuivingen binnen het NNN zijn aannemelijker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel Oranje-f. Wegvangen/verplaatsen, verjaging en doding. Waar geen duurzame oplossingen mogelijk blijken, is verjaging en doding aan de orde. Wegvangen en verplaatsing, wegvangen en doden of ter plekke doden zijn allemaal oplossingen die (voor de korte termijn) werken. Hoe lang het werkt is afhankelijk van de vraag of een nieuwe territoriumvestiging op dezelfde of een minder kwetsbare plek zal plaatsvinden. Voor de komende tijd kiezen we eerst voor verjagen en evt. wegvangen. Wanneer verplaatsen van de bevers niet meer mogelijk is omdat de beschikbare territoria vol zitten, komt ook doden in beeld. Bij een grotere beverpopulatie en het geschikt blijven van de locatie zal een weggevangen of gedode bevervestiging echter snel vervangen worden door nieuwe bevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effecten op de GSVI.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de “bever met aandacht” gebieden is waterveiligheid de harde randvoorwaarde, en zijn overwegingen van landbouwkundige aard en persoonlijke veiligheid leidend. Als er binnen de grenzen van wat redelijk is ruimte kan worden gelaten voor bevers, bijvoorbeeld door maatwerk, dan wordt daar op ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de bever in potentie overal in Oranje zone (de “bever met aandacht gebieden”) geschikt leefgebied kan maken, betekent dit niet dat al dit areaal ook door bevers bevolkt zou moeten zijn voor een gunstige Staat van Instandhouding. Volgens de EU richtlijn (European Commission 2007) wordt Nederland geacht te zorgen voor voldoende geschikt leefgebied om een duurzame populatie te kunnen herbergen. In dit beverbeheerplan kiezen we ervoor om dit te realiseren binnen de “bever welkom” zone. Daar is in de afgelopen decennia veel –en succesvol- geïnvesteerd om het natuurlijk leefgebied te herstellen. Afhankelijk van hoe goed we erin slagen om ook in de onderhavige oranje zones draagvlak voor de bever te behouden, kunnen er daar meer of minder territoria worden gerealiseerd. Dan is de ecologische plus groter. Hiertoe is vertrouwen nodig bij terreineigenaren op een consistent en op lange termijn stabiel beleid, waarbij zij zelf ook voldoende ondersteund worden met kennis, middelen en mogelijkheden om problemen adequaat op te lossen. Het is een ervaringsfeit dat het hierbij ten zeerste helpt als niet alleen de lasten, maar ook lusten (bijvoorbeeld een financiële tegemoetkoming middels een ‘beverpakket’) aan terreineigenaren ten deel vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 7.1 Overzicht van de verschillende alternatieven per zone met het belang, het effect op de GSVI, het risico, en een inschatting van de kosten. Deze maatregelen zijn geen strikte alternatieven, maar eerder opeenvolgende treden van een virtuele ‘escalatie ladder’. Met betrekking tot de GSVI (uitgedrukt in meer (+) of minder (-) territoria gerealiseerd) is het scenario waarin alle territoria in de “bever welkom zone” worden gerealiseerd de referentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Alternatief Effect op GSVI (aantal territoria) Kosten Risico Opmerking Rode zone: belang is met name waterveiligheid Rood-a keringen 'beverproof' + zeer hoog 0 Rood-b controle &amp; herstel + hoog (onacceptabel) hoog Rood-c nulstand hanteren 0 beperkt 0 Groene zone: alle wettelijke belangen kunnen een reden vormen Groen-a Verschuiving binnen NNN, keringen 'beverproof', grondverwerving + hoog 0 dient ook andere doelen, bijv. waterretentie Groen-b mitigatie volgens gedragscode + beperkt 0 Groen-c bij hoge uitzondering wegjagen of wegvangen 0 beperkt 0 Oranje zone: de belangen zijn met name de schade aan gewas, en de persoonlijke veiligheid Oranje-a weren/rasteren 0 beperkt 0 Oranje-b Oevers aanpassen, grond uit productie nemen + hoog 0 natuurpakket 'bever' Oranje-c controleren, herstellen en schade uitkeren + hoog aanwezig Oranje-d mitigatie volgens gedragscode en maatwerkoplossingen + beperkt 0 natuurpakket 'bever' Oranje-e bij uitzondering grondverwerving + hoog 0 dient ook andere doelen, bijv. waterretentie Oranje-f verjagen, wegvangen, doden (op termijn) 0 beperkt 0 Processchema conflicten bever met andere functies in de Oranje zone Vraatschade + bij particulieren → eigen risico particulier, zelf actie ondernemen (raster, antivraatmiddel) * + bij bedrijfsmatige land- of bosbouw → Faunafonds Graafschade ** + in dijken of kanaaloevers → ingrijpen waterbeheerder/ Rijkswaterstaat op basis van beverprotocol Groningen en Drenthe (bijlage bij dit plan), evt. dieren wegvangen/doden + in beekoevers/ taluds/ schouwpaden → zo nodig ingrijpen waterbeheerder op basis van beverprotocol + in agrarisch perceel → grondverwerving oeverstrook (na)bij natuurnetwerk door Provincie, anders zo nodig ingrijpen op basis van ontheffing + bij particulier (visvijver, tuin) → eigen risico, zelf actie ondernemen* + bij droge infrastructuur (weg, spoorlijn) → ingrijpen eigenaar op basis van beverprotocol ** Peilverandering en natschade ** + alle waterlopen →mitigatie (dam verlagen, leveler aanbrengen of schrikdraad plaatsen, aanvullend onderhoud waterloop, ingrijpen via protocol door Waterschap) + bij waterlopen die niet op legger staan (haarvaten van het systeem) is het waterschap indirect verantwoordelijk voor maatregelen. → Ingrijpen door eigenaar conform gedragscode/ beverprotocol op basis van ontheffing van de provincie (**). →indien niet mogelijk, dam permanent verwijderen en/of wegvangen/doden, actie voor waterschap * bij grote problemen bij particulieren (landgoederen, golfbanen, waterwingebieden etc.) is bemiddelende rol van een externe beverdeskundige nuttig. ** het is van groot belang dat terreinbeheerders, weg- en infrastructuurbeheerders (Rijkswaterstaat, Prorail) het beverprotocol Groningen en Drenthe in hun gedragscodes opnemen. En dat deze voor particulieren werkzaam wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschil tussen de groene en oranje zone Voor de duidelijkheid beschrijven we in deze paragraaf het verschil tussen de groene en de oranje zone. In de oranje zone heeft de landbouw het primaat. Snel handelen door het waterschap is mogelijk op grond van een oordeel van de hydroloog.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de groene zone heeft de bever het primaat. Bij ingrijpen is een schriftelijke motivatie door de hydroloog nodig en de beheerders worden uitdrukkelijk betrokken. Wegvangen/doding is niet aan de orde in de groene zone, tenzij bij acuut gevaar door een hol in de waterkering, waar geen andere oplossing is. De belangen zijn anders in de groene zone en de redenen om in te grijpen zijn dat soms ook. Veelal zal daardoor de afweging ook anders uitvallen. Tenslotte hebben duurzame oplossingen, die kostbaar kunnen zijn, in de groene zone meer rendement dan elders. Dergelijke duurzame oplossingen krijgen in de groene zone eerder prioriteit (mits redelijk en proportioneel) omdat de investeringen hier goed zijn te verantwoorden. De zonering brengt focus aan en vergoot de mogelijke handelingssnelheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3Kostenverdeling In deze paragraaf worden de kostenposten benoemd die met het beverbeheer zullen zijn gemoeid (zie tabel 7.2). In de volgende paragrafen worden ze concreet gemaakt. Voor wat de uitvoering betreft is nadere afstemming nodig, omdat het wenselijk is dit samen met andere betrokken partijen te doen. Er is een indicatie gegeven van de partijen die bij de uitvoering een rol zouden kunnen spelen. Een handvat voor de discussie hierover is gegeven in bijlage 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Merk op dat er ook baten zijn van beverbeheer, waarvan de omvang overigens moeilijk geschat kan worden. De baten zijn benoemd in hoofdstuk 3 en moeten niet worden veronachtzaamd of gebagatelliseerd (Buckley et al. 2011).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die worden gemaakt voor het oplossen van problemen die worden veroorzaakt door beschermde fauna worden gedragen door de beheerder of gebruiker van een gebied. Het Waterschap gaat over het onderhoud van de wateren en agrariërs over de bescherming van landbouwgewassen. Hieruit volgt dat het Waterschap de kosten draagt voor ingrijpen ten aanzien van bevers in hoofdwatergangen, en de agrariër in beginsel de kosten draagt voor schadebestrijding ten aanzien van beschermde dieren op landbouwgronden. De agrariër kan bij vraatschade aan landbouwgewassen door de bever wel een beroep doen op het Faunafonds (Bij12) voor een tegemoetkoming in de kosten. Het Waterschap maakt ook kosten voor monitoring, (duurzaam) schadeherstel, en communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie draagt bij vanuit haar verantwoordelijkheid voor de soortbescherming, door goede informatievoorziening te faciliteren. De provincie ondersteunt waar er mogelijkheden zijn om in redelijkheid en proportionaliteit inrichtingsmaatregelen te nemen die lokale problemen naar duurzaam oplossen (bijvoorbeeld door te bemiddelen en te faciliteren bij herbegrenzen of grond verwerven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 7.2. De diverse kostenposten van het beverbeheer in Groningen en Drenthe met een voorstel voor de beoogde uitvoerder ervan (€/jaar). Baten zijn gegeven in tabel 3.1. De tabel maakt een onderscheid in de kosten ten gevolge van de bever, die samenhangen met het vaststellen van het Beverbeheerplan en - protocol (in rood font) en de kosten die met name de waterschappen ook zonder het vaststellen van dat plan moeten maken (in zwart font). De projectpartners gaan het beverbeheer binnen vijf jaar evalueren en ook de kosten ervan vormen dan een belangrijk aandachtspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Item Kosten/jaar Kosten voor Toelichting Professioneel advies, voorlichting &amp; educatie Beverbeheerder, met taken: € 35.000,- provincies De keuze om een beverbeheerder aan te stellen is een beleidsmatige keuze die voor een groot deel berust op de verantwoordelijkheden van de provincies voor de soortbescherming. loket, voorlichting en educatie; ondersteunt waterschappen en particulieren bij ingrijpen (maatwerk); beheert preventiefonds; ondersteunt bij wegvangen en verplaatsen; coördineert monitoring en coördineert en evalueert rapportages over inzet ontheffingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Budget voor communicatie over beverbeheer. Bv. voor maken/uitbouwen website. € 10.000,- waterschappen en provincies Goede informatie voorziening richting boeren, TBO's en particulieren. Aanvullend aan nationaal kenniscentrum Bever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Preventie &amp; adequaat ingrijpen Fonds voor preventieve maatregelen € 10.000,- provincies Problemen voorkomen of duurzaam oplossen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Werk aan beverdammen € 30.000,- waterschappen Geen nieuwe post; taak ligt bij de waterschappen. Ook zonder vaststellen Beverbeheerplan worden deze kosten gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schadeherstel kaden € 50.000,- waterschappen Geen nieuwe post; taak ligt bij de waterschappen. Duurzame oplossingen waar redelijk en proportioneel. Dit bedrag is een schatting gebaseerd op de ervaringen van Hunze en Aa's en ervaringen elders in het land. De verwachte populatiegroei van de bever is meegenomen. Zonder Beverbeheerplan nemen de kosten overigens naar verwachting nog meer toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten wegvangen en verplaatsen € 10.000,- waterschappen Taak van de waterschappen daar het met het oog op de waterveiligheid gebeurt. De beverbeheerder ondersteunt. Voor eventuele additionele kosten in het uitzetgebied (bv een kunstburcht), staan de provincies aan de lat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming schade Vraatschade € 5.000,- provincies Verantwoordelijkheid provincies, uitkering via BIJ12 Monitoring &amp; Onderzoek Ecologische monitoring p.m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoring van de verspreiding en omvang van de populatie gebeurt al door diverse partijen (waterschappen, TBO's, NEM).</p>\n<p class=\"lf-p\">Effectgericht onderzoek € 15.000,- provincies Aanvullend onderzoek is nodig naar het effect van ingrijpen (bv. onderzoek naar beste manier om dammenbouw indien nodig te voorkomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoring Bever en kades € 20.000,- waterschappen De waterschappen voeren deze werkzaamheden nu al uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evaluatie Beverbeheerplan na 5 jaar € 4.000,- provincies Kosten voor zorgvuldige evaluatie en bijstelling van het provinciale beleidskader voor het beverbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4Professioneel advies, voorlichting en educatie Professioneel advies en een goede voorlichting zijn een eerste vereiste om tot effectieve bescherming te komen. Er is veel meer mogelijk als mensen het waarom, hoe en wat begrijpen. Draagvlak voor de bescherming begint al in het onderwijs, en daarom is ook educatie hier expliciet genoemd. Via de scholen kunnen ook veel ouders worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er komt een informatieloket en een aanspreekpunt. Hiertoe wordt een beverbeheerder aangesteld als persoon die alle informatie paraat heeft om goede voorlichting en advies te geven. Hij of zij voert regie en laat de verschillende betrokken partijen de taken uitvoeren die het beste bij hun passen. Zo hebben het Waterschap, de provincies en de TBO’s elk hun eigen informatiekanalen voor externe communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beverbeheerder is iemand die onafhankelijk op kan treden en bijdraagt aan transparantie, communicatie en samenwerking. De beverbeheerder wordt gevoed met informatie uit het Netwerk Ecologische Monitoring en draagt daar ook aan bij. Hij of zij adviseert over de te nemen maatregelen in situaties waarin ingrijpen gewenst is en coördineert de monitoring van meldingen en ingrijpen i.h.k.v. dit plan (zie § 7.7). Hij of zij heeft toegang tot middelen uit een preventie fonds voor acuut handelen en is beschikbaar voor advies. Zij/hij is de kennisbank en aanspreekpunt voor Noord Nederland, heeft een rol bij voorlichting en educatie en stuurt vrijwilligers aan. De aanstelling van een beverbeheerder vergroot snelheid van handelen, soepelheid en beoogt kosten effectiviteit met zich mee te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatie protocol De communicatie tussen partners in het beverbeheer is open en transparant. De beverbeheerder heeft een goede informatiepositie en is op de hoogte van situaties waar conform dit plan wordt ingegrepen. Vanuit zijn rol kan zij/hij bevraagd worden, maar ook zelfstandig bijdragen aan het voorkomen van schade en overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij conflicterende belangen in de beschermde gebieden wordt steevast gebruik gemaakt van de expertise van de verantwoordelijke terreinbeheerder door met elkaar in overleg te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er aanleiding is voor een schriftelijke inschatting door hydroloog of beverdeskundige, zoals benoemd in het werkprotocol, dan wordt de afweging daarin gedeeld met de beverbeheerder en waar relevant met de terreinbeheerders. In de groene zone gebeurt dit voorafgaand aan het ingrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks rapporteert de beverbeheerder de belanghebbenden en geïnteresseerden over het gevoerde beheer in het beheerplangebied. Aan het eind van de beheerplanperiode wordt een evaluatie van het beheer(-plan) opgesteld (zie § 7.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5Inrichtingsmaatregelen De provincie financiert of regisseert het oplossen van de knelpunten bij ecologische verbindingen. Het gaat hier o.a. om de in paragraaf 2.3 geïdentificeerde aandachtspunten met betrekking tot ecologische barrières. Binnen de provincie Groningen en Drenthe is het opheffen van knelpunten staand beleid i.h.k.v. ontsnippering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kostenpost met betrekking tot inrichting betreft het lokaal, naar redelijkheid, herstellen en graafwerend maken van keringen waar zich problemen voordoen. Het gaat er met name om de nog resterende stukken kwetsbare kade rond de Onlanden, het Paterswoldse meer, het Foxholstermeer, en de Onnerpolder goed te blijven controleren en waar nodig tegen graverij door bevers te beschermen. Maar uiteraard blijft ook aandacht nodig voor alle andere keringen in het plangebied waar bevers bij aanwezig zijn. Deze kosten hoeven niet onmiddellijk te worden gemaakt maar worden over jaren gespreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de aanleg van hoogwatervluchtplaatsen hoort bij de inrichtingsmaatregelen. De kosten kunnen beperkt blijven als men er van uit gaat dat grond lokaal beschikbaar is, dat er per jaar één vluchtterp wordt aangelegd en dat een kraan het werk in enkele uren uit kan voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een budget gereserveerd voor overige duurzame oplossingen (bijvoorbeeld voor alternatieve burchtlocaties en overig maatwerk). Een dergelijk fonds voor overige mitigatie is jaren aanwezig geweest bij het Groninger Landschap, en daar is vrijwel niets van uitgegeven. Zeer structurele duurzame oplossingen door herbegrenzing van NNN, en evt. toekomstige grondaankopen zijn kostbaarder dan vanuit dit preventiefonds kan worden gefinancierd. Daar staat echter tegenover dat de uitgaven ook heel duidelijk meerdere doelen dan beverbescherming alleen zullen dienen, zoals versterking van het NNN, waterretentie, de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, CO2 vastlegging etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6Beheermaatregelen Bij beheermaatregelen gaat het om de in de processchema's benoemde ingrepen als weren, rasteren, werk aan dammen, schade herstel, maatwerkoplossingen bij particulieren, en ingrijpen in de populatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werk aan beverdammen en het schadeherstel aan kades zijn reguliere taken van het Waterschap waar nu ook al kosten voor worden gemaakt. De verwachte populatiegroei van de bever is meegenomen. Zonder Beverbeheerplan nemen de kosten overigens naar verwachting nog meer toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">De organisatie en financiering van het wegvangen en verplaatsen van bevers berust bij de waterschappen, met hulp van de beverbeheerder en in samenwerking met betreffende TBO’s waar het om beschermde gebieden gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het doden van specifieke individuen, selectief en strikt gecontroleerd, wijst de Provincie de Waterschappen en/of de TBO’s als uitvoerder aan, die op haar beurt een bevoegd persoon aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachting is dat de kosten ten aanzien van bevers bij de waterschappen buiten de groene gebieden beperkt zullen blijven, omdat op basis van de geschetste aanpak adequaat kan worden ingegrepen. 'Adequaat' is echter niet 'ideaal' in de optiek van het Waterschap, en er moet dan ook nog gesproken worden over de vraag of de provincie een financiële bijdrage levert aan die kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving (door de provincie) hoort ook bij beheer, ook al is het niet expliciet in het kostenoverzicht opgenomen. Het is eigenlijk meer mensen beheer, maar er moet wel aandacht voor zijn. Voor een rechtvaardige handhaving is het cruciaal dat de regels helder zijn gecommuniceerd middels goede voorlichting (zie 7.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7Monitoring en nadere kennis opdoen Monitoring is noodzakelijk om zes redenen: 1) om onverhoopt optredende risicovolle situaties vroegtijdig te onderkennen, 2) om te beoordelen waar er mogelijkheden zijn om dieren naartoe te verplaatsen, 3) om een oordeel te kunnen vellen over de vraag hoe de beverpopulatie zich verhoudt tot het gestelde instandhoudingsdoel, 4) hoe vaak er van de ontheffing gebruikt wordt gemaakt, 5) wat de effectiviteit van de genomen maatregelen was, en 6) om inzicht te krijgen in de kosten en baten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een spin-off van goede monitoring is dat adequate informatie beschikbaar zal zijn voor uitvoerders en loonwerkers, zodat zij volgens een gedragsprotocol kunnen werken in de nabijheid van beverburchten. Goede informatie is nodig voor evaluatie en helpt ook om de bestuurders van de waterschappen en provincie inzicht te geven in de problematiek en de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">We onderscheiden de ecologische monitoring, de monitoring van kades, effect gerichte monitoring en monitoring t.b.v. de evaluatie van het plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie wordt door verschillende afdelingen en instituten verzameld, maar moet uiteindelijk centraal beschikbaar komen. De beverbeheerder heeft hier de regie in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologische monitoring Zoals in hoofdstuk twee is benoemd wordt de verspreiding op kilometerhok niveau reeds gevolgd in het kader van het NEM. Erg belangrijk hierbij zijn de waarnemingen van waterschapsmedewerkers die veelvuldig langs de waterkant zijn. Zij geven jaarlijks per kilometerhok beveraanwezigheid aan en waar bekende burchten liggen. Medewerkers van TBO’s en vrijwilligers kunnen een grote aanvullende rol spelen, door waarnemingen in te voeren in de NDFF. Coördinatie van de ecologische monitoring berust bij het NEM. Concreet gaat het vooral om een jaarlijkse bepaling van het aantal territoria, waarnemingen van solitaire dieren, en de verspreiding. De beverbeheerder wordt gevoed met informatie uit het NEM, maar draagt daar aan bij waar nodig en wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoring kades De monitoring van kades is een reguliere taak van het Waterschap waar in bevergebied extra aandacht voor is. Gevallen van graverij worden geregistreerd in tijd en ruimte, met een indicatie van de omvang en kosten van herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effect gerichte monitoring: nadere kennis opdoen over maatwerk oplossingen Afhankelijk van de situatie kan vroeg ingrijpen de bever sturen in zijn gedrag, waardoor het dier wordt verleid zijn omgeving hieraan zelf aan te passen (bijv. door een waterbodem verlaging voor de ingang van het hol of de burcht) of een minder kwetsbare locatie te kiezen. Het kan er echter ook toe leiden dat de bever aldus wordt ‘weggepest’ en kiest voor een nóg ongunstiger plek. Het is het beste om per situatie te beoordelen wat de meest passende handelwijze is en dit systematisch en proefondervindelijk aan te pakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 7.2 is beschreven dat in een experimentele vorm de gevolgen zullen worden vergeleken van drie verschillende manieren van omgaan met een dam die van invloed zal zijn op landbouw en stedelijk gebied en de ontwikkelingen te vergelijken met situaties waar niets wordt gedaan. Dit gebeurt op een systematische manier. De beverbeheerder begeleidt dit, of zorgt voor begeleiding door (een) praktisch deskundige(n), die de gedocumenteerde effecten ook zal analyseren en documenteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoring t.b.v. de evaluatie van het plan Het is nodig om de inzet en het resultaat van het ingrijpen bij conflicten vast te leggen, al was het maar omdat hierover aan de EU moet worden gerapporteerd. Maar het is nog belangrijker om te evalueren in hoeverre het beverbeheer op deze manier bijdraagt aan het voorkomen/beperken van schade en overlast door bevers. En hoe het kan worden geoptimaliseerd. De kosten en baten van het beverbeheer vormen een belangrijk aandachtspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de transparantie zijn er jaarlijkse rapportages door de beverbeheerder. Deze rapportages omvatten het volgende: hoe vaak en waar/welke zone de aanwezigheid van bevers leidt tot meldingen, wie/welke organisatie is de melder per melding moet duidelijk zijn of het gaat om voorlichting, schade of overlast wat is de grootte van de schade/mate van overlast, het gegeven advies/genomen maatregel (gerelateerd aan het protocol en reden van ingrijpen) eventueel aanvullend advies/maatregel (welke maatregelen blijken uiteindelijk doeltreffend?) kosten van advies/maatregelen Aan het eind van de beheerplan periode wordt het beverbeheer integraal geëvalueerd. De evaluatie omvat de hierboven verzamelde informatie uit de ecologische monitoring, de monitoring van kades, de meldingen, de effect gerichte monitoring en het aantal keer dat van de ontheffing gebruik is gemaakt. Een onderzoek naar de mogelijkheden voor het verkleinen van de rode zone is onderdeel van die evaluatie. De beverbeheerder voert de regie over het tot stand komen van deze evaluatie. In het document wordt een kwalitatieve inschatting gemaakt van de baten van het beheer, in termen van vermeden kosten. De baten van beveraanwezigheid worden ook kwalitatief benoemd. De rapportage geeft antwoord op de vraag in hoeverre het beverbeheer op deze manier bijdraagt aan het voorkomen/beperken van schade en overlast door bevers en hoe zij het beste kan worden bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Literatuur Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) (2015) Soortenbeschermingsprogramma voor de Europese bever (Castor fiber) in Vlaanderen. Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), Brussel Bastmeijer, K. 2018. Onderzoek naar de betekenis van ‘de gunstige staat van instandhouding’, met name in het kader van de beoordeling van ontheffingsaanvragen onder de Wet natuurbescherming. Legal Advice for Nature.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bayoumi A, Meguid M A. (2011) Wildlife and safety of earthen structures: A review. J Fail Anal Prev 11:295–319. doi: 10.1007/s11668-011-9439-y BCM (2007) Populatieontwikkeling en veiligheid. Nader onderzoek naar de relatie tussen graverij van muskusratten en de veiligheid van waterkeringen. DHV, Amersfoort, the Netherlands BCM. (2007) Preventieve Maatregelen Tegen Graverij van Muskusratten En Beverratten. DHV, Amersfoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">BCM (2006) Gevolgen van graverij door muskusratten en beverratten voor de veiligheid van waterkeringen. DHV, Amersfoort Bos D, E. Klop, Hemert H van, et al (2016) Beheer van Muskusratten in Nederland. Effectiviteit van bestrijding op grond van historie en een grootschalige veldproef. Deel 1 - Samenvatting tussenrapportage. Altenburg &amp; Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden Bronsveld J, van Poelwijk H, Prudon B (2010) Beverprotocol ( Castor fiber ) Waterschap Rivierenland. Tiel Bijlsma R, Klous MCG (2016) Faunavoorzieningen A28 Groningen-de Punt. Inrichtingsplan Faunavoorzieningen. SWECO, Groningen Campbell-Palmer R, Gow D, Campbell R, et al (2016) The Eurasian Beaver Handbook. Ecology and management of Castor fiber, 1st edn. Pelagic Publishing, Exeter, UK Dijkstra V, Hollander H (2016) Bevers in regionale watersystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dijkstra V, Polman E (2018) Oplossen en preventie van beverschade. VOORBEELDENDOCUMENT BEVERMAATREGELEN. Zoogdiervereniging, Nijmegen Dijkstra, V, 2019. Beverpopulatie blijft groeien. Nature Today bericht van 7 november 2019. https://www.naturetoday.com/intl/nl/nature-reports/message/?msg=25620 Dijkstra V, Poortinga M (2016) De bever in het rivierengebied Vilmar Dijkstra &amp; Marjan Poortinga. Bureau van de Zoogdiervereniging, Nijmegen Dornbusch, M., 1988. Bestandsentwicklung und aktueller Status des Elbebibers. Sonderdruck aus Berichte der Akademie für Naturschutz und Landschaftspflege (12): 241-245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elliott M, Blythe C, Brazier RE, et al (2017) Beavers – Nature’s Water Engineers.</p>\n<p class=\"lf-p\">European Commission (2007) Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive 92/43/EEC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Faunabeheereenheid Limburg (2017) Faunabeheerplan Bever 2017-2020 (versie mei 2017). Faunabeheereenheid Limburg, Roermond Grobben R (2013) Aanbrengen en opvolgen van alternatieve peilregulerende maatregelen ten behoeve van de waterbeheersing op waterlopen met beveractiviteit. ANB Heidecke, D., 1984. Untersuchungen zur Ökologie und Populationsentwicklung des Elbebibers, Castor fiber albicus Matschie, 1907. Teil 1. Biologische und Populationökologische Ergebnisse. Zool. Jb. Syst. 111: 1-41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jansman H, de Groot A, Broekmeyer M, Lammertsma D (2016) Status Bever in Nederland. Kaders om te komen tot bevermanagement. Wageningen Environmental Research (Alterra), Wageningen Kieftenburg A (2019) Plan van Aanpak meettechnieken beverholen: naar handelingsperspectief voor waterkeringbeheerders. Delft Kuipers JJ (2005) Invloed grote gravers op taludstabiliteit van bandijken Verantwoording. Waterschap Rivierenland, Tiel Kurstjens G (2014) Beverbeheer in Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kurstjens G, Calle P (2009) Ecologische effecten van bevers op hun leefomgeving in Limburg. Natuurhistorisch Maandbl 98:71–75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kurstjens G, Niewold F (2011) De verwachte ontwikkelingen van de beverpopulatie in Nederland: naar een bevermanagement. Kurstjens ecologisch adviesbureau/Niewold Wildlife Infocentre, Beek_Ubbergen/Doesburg Lammertsma DR, Jansman HAH, Groot GA De (2019) Naar een gunstige staat van instandhouding van de ( deel ) populatie bevers in de provincies Groningen en Drenthe. Wageningen Environmental Research (WENR), Wageningen Nederpel A, Jungermann N (2013) Veiligheidsklassen regionale waterkeringen. Actualiseren normering regionale waterkeringen. HKV, Lelystad Niewold FJJ (2007) Graverij van bevers in rivierdijken in de Gelderse Poort. Een onderzoek naar risicofactoren en preventieve maatregelen. Alterra, Wageningen Nooren MJ (2006) Uit de gebieden van Staatsbosbeheer. De Levende Natuur 107:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ottburg FGWA, Swaay CAM van (2014) Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn. WUR, Wageningen Pater WH (2020) Verkenning beverschade aan dijken. State of the Art Engineering BV Provincie Groningen (2016) Natuurvisie provincie Groningen. Provincie Goningen, Groningen Reinhold J, Smeets B (2014) 15 jaar bevermonitoring Flevoland: 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">RvO (2014) Soortenstandaard Bever Castor Fiber, Versie 2.0. RvO Nederland, Ministerie van EZ, Den Haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schwab G (2014) Handbuch für den Biberberater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Shirley MDF, Harrington LA, Mill AC (2015) A model simulating potential colonisation by Eurasian beaver ( Castor fiber ) following reintroduction to Scotland.</p>\n<p class=\"lf-p\">SNH (2015) Beavers in Scotland - A Report to the Scottish Government. Scottish Natural Heritage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soulé, M.E. (1987) Viable Populations for Conservation. Cambridge University press., Cambridge.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stuurgroep Water 2000+, 2000+ SW, Stuurgroep Water 2000+ (2002) Over leven met water Stroomgebiedsvisie Groningen / Noord- en Oost-Drenthe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stuyck J, Casaer J, Mergeay J (2012) Advies betreffende de grootte van een duurzame populatie bever ( Castor fiber ). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel Synbiosis Alterra (2009) Profieldocument Bever (Castor fiber) H1337. https://www.synbiosys.alterra.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">TAW (1985) De muskusrat en zijn gevaren voor de waterkering. TAW Tolkamp H, Gubbels R (2009) Beverwerk altijd positief? Stromend water of beken afgewisseld met vijvers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Unie van Waterschappen (2014) Pilot preventieve maatregelen tegen graverij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Unie van Waterschappen (2012) Gedragscode flora- en faunawet voor waterschappen. Unie van Waterschappen, Den Haag van Benthem M (2015) Detection of cavities in levees caused by the muskrat and other mammals by use of geophysical methods. van der Ouderaa A, Boere G (1983) Bevers in Nederland? Een onderzoek naar de mogelijkheden tot herintroductie van de Bever in Nederland. SBB/RIN, Utrecht van Eijsbergen E, Poot K, van de Geer I (2016) Water veiligheid Begrippen Begrijpen 2.0. Ministerie van Verkeer en Waterstaat en STOWA, Den Haag van Wijngaarden A (1966) De Bever Castor fiber in Nederland. van Winden A (2009) Bevers in de Ardennen; hun invloed op de waterafvoer. Natuurhistorisch Maandbl 98:90.</p>\n<p class=\"lf-p\">WSRL-Werkgroep Preventieve Maatregelen Ontwerp-RandvoorwaardenPreventieve Dierlijke Graverij. Tiel Zurowski, W. &amp; B. Kasperczyk, 1986. Characteristics of a European Beaver Population in the Suwalki Lakeland. Acta Theriologica (31) 24: 311-325 Groningen, 8 juli 2025Gedeputeerde Staten van Groningen:René Paas, voorzitterHans Schrikkema, secretarisBijlage1Oppervlakte tabellen habitat en beheer Tabel met oppervlaktes (ha) van habitat geschiktheid (zie figuur 2.3). ‘Core habitat’ is alle gebied in Groningen en Drenthe, binnen 20m van permanent water inclusief dat water zelf, waarbij niet onaannemelijk is dat bevers er voldoende voedsel kunnen vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legenda Oppervlak (ha) beschermd gebied * en geschikt habitat nabij water (‘Core habitat’) 11398 beschermd gebied * en geschikt habitat 22436 geschikt habitat nabij water (‘Core habitat’ buien beschermd gebied) 3093 geschikt habitat 4049 water + 20 meter buffer 104146 Overig 213539 totaal 358662 * Beschermd gebied staat voor begrensde natuur binnen Natuurnetwerk Nederland (NNN, inclusief overige Natuur), de Natura_2000 gebieden en alle eigendom van terreinbeherende organisaties (TBO’s, Groninger Landschap, NMM en SBB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel met oppervlaktes (ha) per zone van beverbeheer (zie figuur 7.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zone Oppervlak (ha) Bever groot risico 101059 Bever met aandacht 208959 Bever welkom 44698 Bijlage2Lengte kwetsbare kade in verhouding tot theoretisch te realiseren aantal territoria Tabel bijlage 2. Het aantal km kwetsbare kade in een selectie van watersystemen (met paars omcirkeld in het onderstaande kaartje) en de bijbehorende schatting van het aantal beverterritoria dat in die watersystemen verwacht mag worden (verantwoording in § 4.3 en § 6.2). potentieel Lengte kade Gebiedsnaam # territoria beverproof lengte kwetsbare kade (km) verhouding A Eelderdiep en Peizerdiep 13 niet gemeten Drentse Aa 24 niet gemeten Hunze 21 niet gemeten Ruiten Aa 14 niet gemeten Fochteloerveen 2 niet gemeten Bargerveen 2 niet gemeten Reitdiep 0 niet gemeten Onlanden 9 40 39 4 Paterswoldsemeer -Friesche veen 3 28 9 Zuidlaardermeer/Foxholstermeer 3 75 25 Totale schatting 91 B Lauwersmeer 10 18 23 2 Oude diep in Marumerlaag 4 51 13 Roegwold (incl. Schildmeer) 8 110 14 Oldambtmeer 4 122 31 Hondshalstermeer 1 10 10 Bad Nieuweschans 2 28 14 Bijlage3Handvat voor discussie over organisatie &amp; samenwerking Op grond van de reeds beschikbare informatie (hfdst 1 t/m 6), de vooralsnog gemaakte keuzes en de processchema's (hfdst 7) is het duidelijk dat er afstemming wenselijk is om tot een passende uitvoering te komen. De provincies en waterschappen willen het beverbeheer in Groningen en Drenthe graag samen met andere betrokken partijen doen. Er is daarom over dit concept beheerplan met een klankbordgroep van belanghebbenden en de betrokken bestuurders van de opdrachtgevers overlegd. Daarna is het zaak om samen vorm te geven aan de organisatie van dat beverbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bijlage benoemt daarom alle betrokken partijen en biedt een opzet voor een eventuele organisatiestructuur, als handvat voor de discussie over de beoogde organisatie en samenwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Gezamenlijke inspanning De samenwerkende partijen financieren en organiseren gezamenlijk de aanstelling van een beverbeheerder en stellen een digitaal loket (website met mogelijkheid voor daadwerkelijk telefonisch contact met de beverbeheerder) voor de burger in bij beverproblemen. De beverbeheerder zorgt voor professioneel advies bij conflicten en communicatie over de bever en zijn leefwijze. Hij of zij kan beschikken over enig budget voor mitigatie en ander beverbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de decentralisatie van vrijwel alle natuurbeleidstaken naar de provincies ligt het voor de hand dat de beverbeheerder van de provincies mandaat krijgt om actie te ondernemen, en bindende adviezen te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Provincie De provincies zorgen voor een fonds voor beverbeheer d.w.z. lokale, proportionele, duurzame, (al dan niet preventieve) maatregelen bij voorkomende of te verwachten problemen in ‘bever-welkom’ en ‘bever met aandacht’ gebied, alsmede kosten voor onderzoek en monitoring.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincies regisseren overleg met terreineigenaren en onderzoeken met hen de bereidwilligheid en mogelijkheden voor duurzame oplossingen (vergoedingen of eventuele verschuivingen binnen NNN) bij percelen die natschade ondervinden door beverdammen en die binnen het natuurnetwerk liggen. De provincie is bevoegd gezag bij afweging van bevers versus andere natuurbelangen in ‘bever-welkom’ gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincies verlenen ontheffing voor wegvangen/ transporteren en in het uiterste geval doden van bevers (specifieke individuen in goed gedefinieerde omstandigheden).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Waterschappen Het waterschap werkt op basis van de aan dit plan gekoppelde beverprotocol. Hierin is duidelijk beschreven wanneer wel en niet (zie ook processchema) en op welke manier problemen die door bevers worden veroorzaakt opgelost worden. De veldmensen van de waterschappen spelen een belangrijke rol in de monitoring van bevers. Het waterschap verzorgt haar deel van de gezamenlijke communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterschappen worden door de provincie aangewezen om het wegvangen en herplaatsen van bevers uit te voeren wanneer daar noodzaak toe ontstaat, in de beschermde gebieden altijd in overleg en bij voorkeur samen met de betreffende TBO(’s). Voor het doden van specifieke individuen, selectief en strikt gecontroleerd, op basis van dit beheerplan en het beverprotocol, wijst de Provincie de Waterschappen en/of de TBO’s als uitvoerder aan, die op haar beurt een bevoegd persoon aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Bij12/Faunafonds Het Faunafonds/BIJ12 vergoedt alle erkende vraatschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Terreinbeheerders (Staatsbosbeheer, het Groninger Landschap, het Drentse Landschap, Natuurmonumenten), Landschapsbeheer en particulieren De meeste bevers zullen leven in terreinen van de vier grote terreinbeheerders. Doorgaans dragen de bevers in positieve zin bij aan het behalen van natuurdoelstellingen, bijv. die van Natura 2000 of de Kaderrichtlijn Water. Soms kunnen er ook in natuurgebieden conflicten bestaan tussen de bever en andere natuurwaarden. De terreinbeheerders nemen het nieuwe beverprotocol van de waterschappen ook op in hun gedragscode om te kunnen ingrijpen in geval van schade aan natuur- of cultuurdoelen. In overleg met provincie en waterschap kan besloten worden tot ingrijpen, waarbij provincie eindafweging maakt als Bevoegd gezag. Terughoudendheid is het devies zoals is beschreven in paragraaf 7.1. Concreet betekent dat ook dat het doden van bevers in natuurgebieden voorlopig niet aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terreinbeheerders hebben goede contacten met vrijwilligers in het veld en met andere specialisten. Zij dragen bij aan de monitoring van bevers en hebben een grote rol in de communicatie over de bever. Bevers zijn aantrekkelijke dieren om (wildernis)verhalen over te vertellen en tijdens gerichte (kano) excursies te observeren. Particuliere natuurbeheerders en TBO's kunnen door grondverwerving meewerken aan de realisatie van het Nieuwe Natuur Netwerk en daarmee aan de uitbreiding van leefgebied voor de bever. Terreinbeheerders nemen zelf maatregelen in geval van vraatschade aan cultuurhistorische elementen in hun gebieden of eventuele natschade in tertiaire watergangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gezamenlijke partijen vragen een TBO om de aanstelling van de beverbeheerder te verzorgen en te gaan fungeren als loket voor de burger bij beverproblemen. Deze loketfunctie wordt mede concreet gemaakt door het aanmaken van een gezamenlijke website voor beverbeheer op basis van dit plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie vraagt de TBO’s om de waterschappen te assisteren bij wegvangen en herplaatsen van bever, i.i.g. als daar noodzaak toe ontstaat in beschermde gebieden. Voor het doden van specifieke individuen, selectief en strikt gecontroleerd, op basis van dit beheerplan en het beverprotocol, wijst de Provincie de TBO’s en/of de Waterschappen als uitvoerder aan, die op haar beurt een bevoegd persoon aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Particuliere terreinbeheerders en boeren zullen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het herbergen en beschermen van bevers, mits zij voldoende worden ondersteund met kennis en middelen, een consistent en op lange termijn stabiel beleid, en de mogelijkheid om problemen adequaat op te lossen. Vrijwilligers en organisaties voor landschapsbeheer zullen worden gevraagd om hun kennis en ervaring in te zetten om de particuliere terreinbeheerders en boeren te helpen deze uitdaging op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 Rijkswaterstaat (en andere overheden) Rijkswaterstaat, Prorail en gemeenten wordt verzocht om het nieuwe beverprotocol van waterschappen ook in haar gedragscode op te nemen om te kunnen ingrijpen in geval van graafschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7 Beverdeskundigen Op verzoek van de provincie en waterschappen kan de beverbeheerder of een andere beverdeskundige uit haar netwerk worden ingezet om problemen op te lossen in afstemming met (particuliere) grondeigenaren, terreinbeheerders, waterschappen en provincie. Speciale aandacht gaat uit naar particuliere grondeigenaren die doorgaans geen beroep kunnen doen op het Faunafonds bij vraatschade. Dit geldt ook voor graafschade bij agrariërs en natschade in tertiaire watergangen. Hoewel vraatschade in principe de verantwoordelijkheid van de particulier is, kan in specifieke gevallen hulp geboden worden bij overlast (door advies, maatwerk, rasters, anti-vraatmiddel etc.). De beverdeskundigen kunnen tevens aandacht schenken aan voorlichting omtrent de bever. Daarnaast kunnen beverdeskundigen betrokken worden bij het oplossen van problemen met schade door samen met partners knopen door te hakken over de wijze van ingrijpen. In sommige situaties spelen beverdeskundigen deze rol in het kader van het beverprotocol, en dan is het prettig wanneer er een definitie van de term 'beverdeskundige' bestaat. Die definitie is daarom in een tekstvak aan het eind van het bever protocol gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beverbeheerder is of wordt zelf een beverdeskundige. Zij/hij stimuleert en ondersteunt bij scholing van (toekomstige) beverdeskundigen. De overige taken van de beverbeheerder zijn samengevat in § 7.4 en tabel 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8 Overleg/ samenwerking Jaarlijks wordt een beveroverleg ingepland onder de noemer ‘beveroverleg Groningen en Drenthe’. Daarin participeren naast de provincies Groningen en Drenthe en de beide waterschappen ook de beverbeheerder, de terreinbeherende organisaties, Rijkswaterstaat en LTO. De Bosgroep wordt uitgenodigd als belangenbehartiger van particuliere (landgoed)eigenaren. Als belangenbehartiger van dieren worden de dierenwelzijnsorganisaties gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4Aandachtspunten langs de beoogde verbindingszones Tabel bijlage 4. Een overzicht van de aandachtspunten die met name voor de bever relevant kunnen zijn. De aandachtspunten zijn met een zwarte ster weergegeven in figuur 2.4 en moeten in het veld nader beoordeeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provincie code Locatie Naam Omschrijving Drenthe G253 Munnikevaart G266 Oostingslaan G678 Schansweg G741 Bakkeveenseweg G423 Oranjekanaal Noordzijde G639 Orvelterveld G643 Orvelterstraat P123 Suikerveen – Gijsselterweg De N375 doorkruist natuurgebiedje het Suikerveen ter plaatse van de kruising met de Gijsselterweg/Barriere Wegen P133 Ir Wic van Veelenweg - 1ste Dwarsdiep De N378 kruist het 1ste Dwarsdiep via een duiker(brug) met stuw Eigendom provincie Drenthe en gemeente Gasselte/ waterschap Dollardzijlvest/Barriere Wegen/Stuw (in watervoerende duiker)/Steile taluds (1:1) G731 Noordveenkanaal ZZ G745 Noordveenkanaal NZ G746 Vledderdiep G603 Moersloot G604 Foxel G693 Van Echtenskanaal NZ P103 Buinen - kanaal Buinen-Schoonoord De N374 kruist het kanaal Buinen-Schoonoord via een lange watervoerende duiker (ca. 170m) Eigendom provincie Drenthe/ waterschap Hunze en Aa Barriere Wegen G426 Westdorperstraat G428 Rozendael R776 RV de Hunze G329 Kanaaldijk G330 Marsdijk R759 Ruimsloot R761 RV Drentse Aa De Poll R802 Groningen 24c Reitdiep V. Starkenborghkanaal / Dorkwerd 24d Hoogkerk N355 - Provinciale weg Gron – Zuidhorn A R K N L M 17b Lauwerzijl N388 – Stadsweg 17c Visvliet N355 17e Lutjegast V. Starkenborghkanaal / Visvlieterdiep D B +I +II 23a Onstwedde N365 – Kampweg J E 26c Jipsinghuizen N976 H G P 26b Vlagtweddde N976 4a Witte Molen Noord-Willemskanaal stuw/sluis 19a Meerweg N861 – Meerweg 3 10 S IV 12e Boerakker 2 N388 / Matsloot 18b Pasop N978 – Pasop Bijlage5Beverprotocol Groningen en Drenthe Inleiding Aanleiding en doel Met dit door provincie goedgekeurde beverprotocol, is op voorhand een vrijstelling van een aantal verboden uit de Wet natuurbescherming voor de periode van 5 jaar geregeld, mits conform dit protocol wordt gewerkt en dit protocol onderdeel uitmaakt van een door GS vastgestelde generieke ontheffing. In dit \"Beverprotocol Groningen Drenthe\" wordt beschreven hoe, waar en wanneer maatregelen om beverproblemen te voorkomen of te mitigeren mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelgroep voor dit protocol bestaat uit medewerkers werkzaam bij het beheer van de infrastructuur van het waterschap en partijen die namens en onder regie van het waterschap werkzaamheden verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit beverprotocol is de concepttekst van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) en Waterschap Vechtstromen overgenomen, die was geschreven op basis van een aantal bestaande notities (beverprotocollen van waterschappen Limburg, Zuiderzeeland en Rijn en IJssel; en de Soortenstandaard Bever van het RVO.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek, monitoring en rapportage Het gebruik van de ontheffing (werken volgens dit Beverprotocol Groningen Drenthe) wordt gedocumenteerd en jaarlijks ter beschikking gesteld aan de provincies. Bij het uitvoeren van werkzaamheden aan een burcht/hol of beverdam worden de werkzaamheden geregistreerd en worden vooraf en aan het eind foto’s gemaakt. In de registratie wordt in ieder geval vermeldt: datum, tijd en plaats en wie de beslissingen heeft genomen waar het protocol van spreekt (teamhoofd, hydroloog en betrokken beverdeskundige). Bewoonde burchten worden minimaal jaarlijks geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedszonering De beheergebieden van de waterschappen Hunze &amp; Aa's en Noorderzijlvest (en een klein deel van WF in de prov. Groningen) zijn onderverdeeld in drie verschillende zones van beverbeheer (zie de Beverbeheerkaart, figuur 7.1 van het Beverbeheerplan). Per zone is een processchema gegeven. Indien relevant is onderscheid gemaakt in drie categorieën van schades die bevers kunnen veroorzaken en welke partij in welk geval verantwoordelijk is voor het oplossen van het probleem. Mocht zich een probleem voordoen dat niet conform protocol / stroomschema kan worden opgelost, dan kan hiervoor een separate ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming bij bevoegd gezag (provincie) worden aangevraagd. De provincies Groningen en Drenthe maken bij conflicterende belangen tussen de bever en andere (N2000) natuurdoelen de eindafweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkwijze/periode in de oranje en groene zones van beverbeheer Gevoelige periode in de oranje en groene zones (van 1 mei tot en met 31 augustus): opzettelijk verstoren van vaste rust- of verblijfplaats mag alleen als hier directe noodzaak voor geldt vanwege openbare veiligheid. In deze periode kan het immers om een zogend vrouwtje gaan. Overige jaarperiode in de oranje en groene zones: opzettelijk verstoren van vaste rust- of verblijfplaats mag alleen als de primaire waterschaptaak in het geding is (zie afwegingskader).</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkprotocollen De handelwijze zelf wordt in dit \"Beverprotocol Groningen Drenthe\" gegeven, voor die gevallen die de waterschappen aangaan. Ze staan beschreven in de volgende paragraaf als werkprotocollen. In de werkprotocollen wordt aangegeven op welke wijze voorzorgsmaatregelen worden genomen en op welke wijze handelingen of activiteiten moeten worden uitgevoerd waarmee een negatief effect op bever, beverburcht of beverleefgebied zo veel mogelijk wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om de volgende mogelijke situaties met conflicterende belangen: hol of burcht in waterkering; beverdam of afgeknaagde boom in watergang; hol of burcht in oever watergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen Wanneer niet exact gewerkt kan worden volgens de handelwijze uit dit beverprotocol, wordt een ecologisch werkprotocol16In het algemeen zullen dergelijke schriftelijke beoordelingen de volgende inhoud hebben: wie heeft de analyse gemaakt en wanneer, plaats en locatie van handelen, foto van de omstandigheden, wat is de reden om in te grijpen, welke alternatieven zijn gewogen en waarom zijn die afgevallen, of er acuut gevaar is, en wie er zijn geïnformeerd. opgesteld door een (externe) beverdeskundige of een interne ecoloog. Een definitie daarvan is gegeven na het stroomschema bij dit protocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij terugkerende problemen op een locatie wordt een externe beverdeskundige óf een (interne) ecoloog ingeschakeld en wordt een plan gemaakt waarbij in kaart gebracht wordt of voldoende alternatieven aanwezig zijn voor de bever en hoe die alternatieven gerealiseerd of verbeterd kunnen worden. Het eventueel wegvangen van een bever valt onder de werking van dit beverprotocol in de rode en de oranje zone. Doding valt ook onder de reikwijdte van dit protocol, maar slechts als alle andere opties zijn uitgeput. Mocht doding aan de orde zijn, dan gaat het om specifieke individuen in specifieke goed omschreven situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkprotocollen Werkprotocol 'Hol of Burcht in waterkering' Afwegingskader Graafactiviteiten van de bever in waterkeringen zijn om veiligheidsredenen niet acceptabel. De kering moet wettelijk en vanwege de openbare veiligheid altijd weer op sterkte gebracht worden. Zodra een dergelijke situatie zich voordoet, hoeft er daarom geen afweging plaats te vinden of de kering hersteld moet worden of niet. Ten behoeve van de veiligheid treffen we waar mogelijk en zo nodig structurele maatregelen om te voorkomen dat de bever een waterkering of oever langs de waterkering gebruikt als woonplaats. Er is dus een onderscheid in situaties die ofwel acuut optreden vereisen ofwel minder urgent zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen indien sprake is van een ACUUT VEILIGHEIDSRISICO:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevers worden verjaagd door voorzichtig het hol of burcht te ontmantelen (laag voor laag afgraven, vanaf de uitgang naar de kamer(s) te werken en eventueel aanwezige bevers de kans te geven weg te zwemmen). Daarna wordt het hol dichtgemaakt en wordt gecontroleerd op nieuwe graafschade. Het kan voor komen dat een bever zich gaat verdedigen. Het kan nodig zijn om gaas of iets dergelijks te verwerken in de waterkering om verdere graafschade te voorkómen. In situaties met zeer acute veiligheidsrisico’s en waarbij de factor tijd cruciaal is kan worden overgegaan tot het direct doden van een bever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen indien er GEEN ACUUT VEILIGHEIDSRISICO is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen acuut gevaar voor een dijkdoorbraak bestaat, is er tijd om zorgvuldig te werk te gaan en zal gebruik gemaakt worden van de ontmoedigingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van herhaalde graverij, met groot risico voor de veiligheid of onevenredige schade, kan worden overgegaan tot de maatregel vangen en verplaatsen of vangen en doden. Doden is alleen toegestaan als verplaatsen geen optie meer is. Door het ongeschikt maken van de locatie voor bevers kan voorkomen worden dat op de locatie zich opnieuw een bever zal vestigen Maatregelen ‘Ontmoedigingsmaatregel’ Het hol meerdere malen dichtmaken met de bedoeling de bever op deze plek te ontmoedigen de plek nog langer te blijven gebruiken, dient op de volgende wijze uitgevoerd te worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hol, inclusief gangenstelsel wordt in kaart gebracht door vanaf de waterkant de oever in te werken. Alle ingangen vanaf het water worden (desnoods vanuit het water) opgespoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke ingang van het hol wordt voor 75% versperd met boomstammetjes of 5-10 cm dikke takken. De methode staat of valt wel met het goed in kaart brengen van alle ingangen. De grond wordt niet aangestampt of verdicht, er moet altijd lucht in het hol kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een hol voor 75% is dichtgezet wordt er dagelijks op graaf- of vraatactiviteiten gecontroleerd. Is de ingang naar het hol weer open gemaakt dan wordt het dichtzetten herhaald. Worden er geen graaf- of vraatactiviteiten meer gesignaleerd dan wordt de inspectie nog minimaal 3 dagen voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pas als de dichtgezette ingang 3 dagen achtereen niet meer is open gemaakt kan er vanuit worden gegaan dat er geen bever meer in het hol aanwezig is. Het gehele hol en gangenstelsel wordt dan zorgvuldig blootgelegd. Indien blijkt dat er nog een bever aanwezig is dan krijgt deze de mogelijkheid om naar het water te vluchten, waarna het geheel wordt opgevuld met grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Technische ontwikkelingen en innovatieve methoden kunnen ingezet worden om zo goed mogelijk in beeld te krijgen of nog bevers aanwezig zijn. Met deze methoden kan dan ervaring worden opgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht de bever blijven terugkomen dan kan er betongaas verwerkt worden in de oever. Vervolgens dient een plan gemaakt worden voor het inrichten van een alternatieve locatie voor een hol of burcht voor de bever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangen en verplaatsen van bevers Vangen gebeurt met vangkooien of schepnet zoals beschreven in het Eurasian Beaver Handbook (Campbell-Palmer et al. 2016). Een solitair dier wordt na wegvangen direct elders uitgezet in geschikt gebied. Bijplaatsing in bezet gebied is niet verantwoord. Bij families eerst alle dieren vangen en opvangen (er is dus een opvangkooi nodig!) en dan pas gezamenlijk uitzetten, liefst in een kunstburcht, zoals bij de herintroductie destijds. In de kunstburcht worden eerst houtsnippers aangebracht die uit het hok in de opvang komen, zodat hun geur er al aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doden van bevers Bevers doden gebeurt zo humaan mogelijk door een schot in het hoofd met het juiste type geweer in een ‘killing pen’ of door een ervaren schutter binnen gepaste afstand met het juiste type geweer en kogels. Een gedetailleerde werkinstructie van Waterschap Limburg voor het vangen en doden van bevers wordt voor de lokale situatie aangepast in het kader van de ontheffingsaanvraag. Hier staat een samenvatting daarvan. De gedetailleerde versie is te vinden in Faunabeheereenheid Limburg (2017). De uitvoering van bever doding binnen het bever beheer is voorbehouden aan medewerkers van de Waterschappen of de TBO’s. De werkzaamheden worden goed voorbereid en de uitvoerend medewerker heeft alle benodigde papieren in bezit. De dieren worden in het veld of in een kooi gedood volgens werkinstructies. Werkwijze en hulpmiddelen staan hierin omschreven. Gedode bevers worden ter beschikking gesteld voor onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkprotocol 'Beverdam of afgeknaagde boom in watergang' Bevers bouwen dammen om de ingang van hun burcht of oeverhol permanent onder water te zetten, om een waterdiepte van ongeveer 100 cm voor de ingang te garanderen, of om het foerageergebied (oeverlengte) te vergroten (onderzoek in Limburg, 2013, mond. mededeling Vilmar Dijkstra). Vooral in de winterperiode knagen bevers bomen langs beekoevers om, waarbij de bast en twijgen als voedsel dient. Het bouwen van dammen en/of het omvallen van bomen in de watergangen kan al snel leiden tot wateroverlast op aangrenzende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingskader Het teamhoofd van de afdeling Waterbeheer bekijkt welke strategie gevolgd kan worden voor de eventuele aanpak van de beverdam of afgeknaagde boom. Strategieën:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstuwing is acceptabel17Acceptabel verwijst naar de situatie waarin het Waterschap de resulterende waterstanden binnen de vastgestelde normen kan blijven houden. → geen maatregelen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstuwing is bespreekbaar → risico-inschatting maken (stap 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstuwing is niet acceptabel → maatregelen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verantwoordelijkheid van het teamhoofd wordt een risico-inschatting gemaakt voor verschillende afvoerregimes (in het groene gebied gebeurt dit schriftelijk door een hydroloog). Op basis hiervan bepaalt het teamhoofd of de dam/boom (gedeeltelijk) verwijderd moet worden. Hierbij hanteert hij de volgende uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Natschade aan bebouwing of aan infrastructurele weken is niet acceptabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verminderde werking van (riool-) overstorten is niet acceptabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verminderde drooglegging van aanliggende landbouwgronden mogen niet leiden tot opbrengstderving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernatting van naastliggende gronden met een natuurfunctie is meestal wel acceptabel (maar moet uiteraard ook besproken worden met terreineigenaar in kwestie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er vindt overleg plaats met de betreffende grondeigenaar(en) over de ontstane situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na verwijdering van de dam wordt de situatie, onder verantwoordelijkheid van het teamhoofd, regelmatig gecontroleerd. Wanneer een boom in de watergang kan blijven liggen, wordt ook deze situatie regelmatig gecontroleerd. waar van toepassing worden maatregelen genomen om herbouw te voorkomen zoals schrikdraad en jerrycans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen Aanleggen drainagebuis door of langs de beverdam (optioneel) Uitgangspunt bij het toepassen van een drainagebuis is dat het bovenstroomse water wordt afgelaten tot voldaan wordt aan het kritisch peil, zodat de dam kan worden gehandhaafd). Door gebruik te maken van een geperforeerde PVC-buis is het moeilijk(er) voor de bever het lek te vinden en te dichten. Op basis van ervaring elders blijkt dat: de buis op het diepste punt van de beek moet worden gelegd; de uitstroom van de buis onder water moet liggen; de instroom van de buis beschermd moet worden tegen verstopping; de capaciteit van de buis voldoende groot moet zijn. soms kan het handig blijken een buis rond de dam te leggen door de oever of een nieuwe dam met buis te maken en vervolgens de beverdam te verwijderen Onderstaand een schets van deze maatregel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer blijkt dat de bever de dam steeds weer opnieuw opbouwt, wordt door een beverdeskundige een ecologisch werkprotocol opgesteld en wordt lokaal in kaart gebracht welke alternatieven voor de bever ingericht kunnen worden, waarbij opstuwing door een beverdam kan worden beperkt. In het uiterste geval kan besloten worden om over te gaan tot het wegvangen van het dier. Binnen de oranje zone valt dit onder de reikwijdte van dit protocol. Binnen de groene zone is deze optie niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwijderen van een afgeknaagde boom Indien een afgeknaagde boom binnen 20 meter van een beverburcht ligt, wordt voorzichtig gewerkt, dat wil zeggen overdag en zodanig dat de burcht niet wordt beschadigd. Bij het verwijderen van een afgeknaagde boom uit de watergang wordt (wanneer dit geen problemen oplevert) de boom, inclusief de takken op het direct aangrenzende perceel of het onderhoudspad van het waterschap gelegd. Op deze manier kan de bever gebruik blijven maken van zijn voedsel (bast) en is de opstuwing verholpen. Wanneer de boom wordt afgevoerd dan is de kans groot dat de bever andere bomen zal omknagen. Een particuliere boom die door activiteiten van de bever op eigendom van het waterschap terecht gekomen is, wordt in principe door de eigenaar zelf verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkprotocol 'Hol of burcht in oever watergang' Door het inzakken van de oever door een beverhol kan er schade ontstaan en kunnen gevaarlijke situaties ontstaan tijdens de uitvoering van de reguliere onderhoudswerkzaamheden aan de watergangen. Het is niet altijd noodzakelijk om in te grijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingskader Er wordt bepaald of de graafwerkzaamheden directe overlast veroorzaken. Schade aan bebouwing en infrastructurele werken is niet acceptabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het mogelijk is om met onderhoudsmachines te blijven passeren, dan blijft het hol of de burcht gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overlast wordt gekeken of deze kan worden opgelost door eenvoudige technische maatregelen of het afzetten hiervan met lint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen praktische technische maatregelen mogelijk zijn, dan wordt de bever ‘ontmoedigd’ om het hol te gebruiken en wordt dit open gegraven en duurzaam afgedicht. Daarbij wordt wanneer nodig (al dan niet samen met een beverdeskundige) een alternatieve locatie voor een hol of burcht voor de bever ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verantwoordelijkheid van waterschap wordt de situatie na het dicht maken van het hol regelmatig gecontroleerd. Wanneer blijkt dat de bever het hol steeds weer opnieuw uitgraaft, wordt onder leiding van een beverdeskundige een alternatief ingericht voor de bever. In het uiterste geval kan worden overgegaan tot het wegvangen van het dier. Ook dit valt (zowel binnen de oranje als binnen de rode zone) onder de reikwijdte van dit protocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er schade bij derden wordt geconstateerd dan stelt de het waterschap de betreffende grondeigenaar op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van herhaalde graverij, met groot risico voor de veiligheid of onevenredige schade, kan worden overgegaan tot de maatregel vangen en verplaatsen of vangen en doden. Doden is alleen toegestaan als verplaatsen geen optie meer is. Door het ongeschikt maken van de locatie voor bevers kan voorkomen worden dat op de locatie zich opnieuw een bever zal vestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen ‘Ontmoedigingsmaatregel’ Het hol meerdere malen dichtmaken met de bedoeling de bever op deze plek te ontmoedigen de plek nog langer te blijven gebruiken, dient op de volgende wijze uitgevoerd te worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hol, inclusief gangenstelsel wordt in kaart gebracht door vanaf de waterkant de oever in te werken. Alle ingangen vanaf het water worden (desnoods vanuit het water) opgespoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke ingang van het hol wordt voor 75% versperd met boomstammetjes of 5-10 cm dikke takken. De methode staat of valt wel met het goed in kaart brengen van alle ingangen. De grond wordt niet aangestampt of verdicht, er moet altijd lucht in het hol kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een hol voor 75% is dichtgezet wordt er dagelijks op graaf- of vraatactiviteiten gecontroleerd. Is de ingang naar het hol weer open gemaakt dan wordt het dichtzetten herhaald. Worden er geen graaf- of vraatactiviteiten meer gesignaleerd dan wordt de inspectie nog minimaal 3 dagen voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pas als de dichtgezette ingang 3 dagen achtereen niet meer is open gemaakt kan er vanuit worden gegaan dat er geen bever meer in het hol aanwezig is. Het gehele hol en gangenstelsel wordt dan zorgvuldig blootgelegd. Indien blijkt dat er nog een bever aanwezig is dan krijgt deze de mogelijkheid om naar het water te vluchten, waarna het geheel wordt opgevuld met grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Technische ontwikkelingen en innovatieve methoden kunnen ingezet worden om zo goed mogelijk in beeld te krijgen of nog bevers aanwezig zijn. Met deze methoden kan dan ervaring worden opgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht de bever blijven terugkomen dan kan er betongaas verwerkt worden in de oever. Vervolgens dient een plan gemaakt worden voor het inrichten van een alternatieve locatie voor een hol of burcht voor de bever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangen en verplaatsen van bevers Vangen gebeurt met vangkooien of schepnet zoals beschreven in het Eurasian Beaver Handbook (Campbell-Palmer et al. 2016). Een solitair dier wordt na wegvangen direct elders uitgezet in geschikt gebied. Bijplaatsing in bezet gebied is niet verantwoord. Bij families eerst alle dieren vangen en opvangen (er is dus een opvangkooi nodig!) en dan pas gezamenlijk uitzetten, liefst in een kunstburcht, zoals bij de herintroductie destijds. In de kunstburcht worden eerst houtsnippers aangebracht die uit het hok in de opvang komen, zodat hun geur er al aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doden van bevers Bevers doden gebeurt zo humaan mogelijk door een schot in het hoofd met het juiste type geweer in een ‘killing pen’ of door een ervaren schutter binnen gepaste afstand met het juiste type geweer en kogels. Een gedetailleerde werkinstructie van Waterschap Limburg voor het vangen en doden van bevers wordt voor de lokale situatie aangepast in het kader van de ontheffingsaanvraag. Hier staat een samenvatting daarvan. De gedetailleerde versie is te vinden in Faunabeheereenheid Limburg (2017). De uitvoering van bever doding binnen het bever beheer is voorbehouden aan medewerkers van de Waterschappen of de TBO’s. De werkzaamheden worden goed voorbereid en de uitvoerend medewerker heeft alle benodigde papieren in bezit. De dieren worden in het veld of in een kooi gedood volgens werkinstructies. Werkwijze en hulpmiddelen staan hierin omschreven. Gedode bevers worden ter beschikking gesteld voor onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkeurmaatregelen om schade of overlast van bevers te voorkómen In waterbergingsgebieden hoogwatervluchtplekken aanleggen (met opslag van houtige vegetaties).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokaal bij keringen opslag van houtige vegetaties weghalen om vestiging van bevers te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanpassen van keringen nagaan of anti-graafmaatregelen moeten of kunnen worden genomen op de betreffende locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij snoei,- of kapwerkzaamheden in bevergebied voldoende voedsel achterlaten (bomen en takken). Geen bomen en struiken weghalen zonder ecologisch werkprotocol. Bomen vormen voedsel en leefgebied voor de bever. Een beverdeskundige inschakelen als adviseur bij bomenkap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatieve locaties bieden met voor de bever geschikte condities om te voorkómen dat bevers zich vestigen op een (voor de mens) ongunstige locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Signalerende en/of adviserende rol waterschap De bever kan door zijn activiteiten ook schade veroorzaken waarbij de waterbeheerder geen verantwoordelijkheid heeft. Mocht het nodig zijn, dan zal het Waterschap in deze gevallen uitsluitend signalerend en/of adviserend optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraatschade aan gewassen Bij vraatschade aan gewassen door beschermde soorten kunnen agrariërs aanspraak maken op een vergoeding uit het Faunafonds (provincie). Vanwege de beschermde status van de bever wordt geen schadedrempel gehanteerd en kan dus alle schade worden geclaimd. Het waterschap kan de getroffen agrariërs informeren over de mogelijkheden van het Faunafonds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraatschade aan bomen van particulieren Voor vraatschade aan (monumentale) bomen in tuinen of parken is geen schadevergoeding mogelijk uit het Faunafonds. Ter preventie of als een boom aangeknaagd wordt, kan de eigenaar er een stevig gaas omheen zetten om de boom te beschermen. Ook zijn er geurmiddelen in de handel die aangebracht kunnen worden zodat de boom niet verder wordt aangevreten. Het waterschap kan hierin adviserend optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hol onder een infrastructureel werk, bebouwing of perceel Schade aan een infrastructureel werk of bebouwing is niet acceptabel. Wanneer het hol onder een landbouw- of particulierperceel is gegraven, kan het hol eventueel behouden worden. In al deze gevallen zal het waterschap signalerend en/of adviserend naar de eigenaar optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ter zake kundige 'beverdeskundige' Met een ter zake kundige wordt bedoeld: een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waar-van hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie en/of; op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet of Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of; als ecoloog werkzaam is voor een provincie, waterschap of een ecologisch adviesbureau, zoals bij voorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of; zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam is voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, VOFF, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied) en/of; zich aantoonbaar actief inzet bij het beverbeheer in Groningen en Drenthe, Bijvoorbeeld bij de uitzetting van de bever alsmede bij het beheer in Drenthe en Groningen vanaf uitzetting tot heden en/of; aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een of meer kenmerken van toepassing zijn, kan ook een waterschapsmedewerker als ‘ter zake kundige’ optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stroomschema Beverprotocol Groningen-Drenthe</p></div>", "next": 0}