{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand als lening voor duurzame gebruiksgoederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De kosten voor aanschaf, reparatie en vervanging van duurzame gebruiksgoederen behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten die uit de algemene bijstandsnorm of uit een vergelijkbaar inkomen moeten worden gefinancierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de aanschaf, reparatie en vervanging van duurzame gebruiksgoederen moet men reserveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De reserveringscapaciteit voor duurzame gebruiksgoederen is het verschil tussen het netto inkomen en 90 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aanvraag wordt afgewezen als er voldoende reserveringscapaciteit is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien er geen of onvoldoende reserveringscapaciteit is, wordt de bijzondere bijstand verleend: ‘Om niet’ voor niet-verhuisbare duurzame gebruiksgoederen, waaronder bijvoorbeeld verf, behang, gordijnen, kosten vloeregalisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vorm van een geldlening voor verhuisbare duurzame gebruiksgoederen, waaronder bijvoorbeeld een wasmachine, bankstel, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij het bepalen van de hoogte van te verstrekken bijzondere bijstand voor verhuisbare duurzame gebruiksgoederen wordt uitgegaan van de aanschaf van een tweedehands gebruiksgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het maximaal te verstrekken bedrag voor een tweedehands gebruiksgoed, zoals bedoeld in het vorige lid, bedraagt 75 procent van het bedrag dat in de Nibud-prijslijst voor dat gebruiksgoed wordt genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:4a</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand voor volledige woninginventaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 7:4, zesde lid, kan bijzondere bijstand voor een volledige woninginventaris in natura worden verstrekt op aanvraag van de inwoner of bij gegronde redenen(zoals bedoeld in artikel 57 Participatiewet) om aan te nemen dat de inwoner zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van de bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ook de in het eerste lid genoemde bijzondere bijstand in natura wordt als leenbijstand verstrekt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vouchers voor meubilair en kleine huisraad. Deze vouchers kunnen worden besteed bij kringloopwinkels in Lansingerland waarmee het college een overeenkomst hiertoe heeft gesloten. De omvang van de vouchers is afhankelijk van de gezinssamenstelling en staat nader toegelicht in bijlage 3 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vouchers voor een witgoedpakket. Deze kan worden ingeleverd bij de leverancier van witgoed in de gemeente, waarmee het college een overeenkomst hiertoe heeft gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vrij besteedbaar bedrag. De hoogte hiervan is afhankelijk van de gezinssamenstelling en staat nader toegelicht in bijlage 3 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een woning die door 3B Wonen wordt toegewezen aan een asielgerechtigde die zich in Lansingerland gaat vestigen of aan een gezin waarin sprake is van gezinshereniging na een toegekende asielaanvraag, wordt gestoffeerd opgeleverd door 3B Wonen. Deze stoffering is exclusief wandbekleding. Hier kan apart bijzondere bijstand voor worden aangevraagd op grond van artikel 7:4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand voor schulden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor schulden wordt in principe geen bijzondere bijstand verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een: gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht; of financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank, dan wel daarmee geen relatie onderhoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een lening voor de aflossing van een huurschuld indien: de huurschuld heeft geleid tot een dreigende uithuiszetting; en verlening van bijzondere bijstand redelijkerwijs de enige manier is waarop deze uithuiszetting kan worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Aan bijstand die in de vorm van borgtocht of een lening wordt verstrekt ter aflossing van schulden, wordt de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende meewerkt aan de totstandkoming van een minnelijke regeling zoals een schuldhulpverleningstraject door de gemeente of een wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bijstand in de vorm van een lening voor aflossing van een huurschuld wordt conform de termijn die gehanteerd wordt bij schuldsanering slechts eenmaal in de vijftien jaar toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.3Draagkracht en drempelbedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Draagkracht inkomen en middelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor het bepalen van het recht op bijzondere bijstand op grond van artikel 35 eerste lid van de Participatiewet, worden inkomsten boven 115% van de voor belanghebbende geldende netto bijstandsnorm, volledig in aanmerking genomen als draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om te bepalen welke middelen in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van draagkracht wordt aangesloten bij artikel 31 tot en met 34 van de Participatiewet, met uitzondering van artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet wordt niet als middel aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en wordt in beginsel voor één jaar vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij de vaststelling van het inkomen wordt uitgegaan van het periodieke netto inkomen van de belanghebbende gedurende de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Als dit geen juist beeld geeft, dan wordt het gemiddelde inkomen genomen over de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en de twee voorafgaande maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Een vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode kan slechts gewijzigd worden, indien een structurele wijziging van de persoonlijke of financiële situatie van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Bij elke volgende aanvraag om bijzondere bijstand in het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met het beslag dat reeds op de draagkracht is gelegd door eerdere afwijzingen of gedeeltelijke toewijzingen van bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.In afwijking van lid 1, geldt er geen inkomensgrens voor het recht op bijzondere bijstand voor de vergoeding van kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie zoals bedoeld in artikel 7:12.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Draagkracht vermogen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Van het vermogen wordt 100% in aanmerking genomen als draagkracht, voor zover het vermogen hoger is dan € 2.500,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De waarde van één auto of motorfiets tot een bedrag van € 2.500,- wordt voor de berekening van de draagkracht in de bijzondere bijstand, niet in aanmerking genomen als vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en wordt in beginsel voor één jaar vastgesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van lid 1, geldt er geen vermogensgrens voor het recht op bijzondere bijstand voor de vergoeding van kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie zoals bedoeld in artikel 7:12.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Drempelbedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een drempelbedrag, zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Participatiewet, wordt niet gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.4Vergoedingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand in de algemene kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders omdat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of Hij zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van redelijkerwijs niet te gelde kunnen maken is sprake indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide ouders zijn overleden of in het buitenland wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager op grond van een officiële maatregel uit huis is geplaatst;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager voorafgaand aan de bijstandsaanvraag al meer dan een jaar zelfstandig woonde; en/of het op individuele gronden niet verantwoord is dat de aanvrager bij zijn ouders woont.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De bijzondere bijstand op grond van dit artikel is in ieder geval niet hoger dan toepasselijke bijstandsnorm voor de bijstandsgerechtigde van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten in verband met werk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van toeleiding naar werk, studiekosten, cursuskosten, buitengewone verwervingkosten en kinderopvang gerelateerd aan arbeidsmarktrelevante activiteiten dan wel aan sociale activering worden niet door middel van bijzondere bijstand vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten van peuterspeelzaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de ouderbijdrage aan de peuterspeelzaal worden vergoed daar waar het Centrum voor Jeugd en Gezin aangeeft dat deelname aan de peuterspeelzaal noodzakelijk is om (dreigende) achterstanden op taal-, sociaal of emotioneel gebied te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:12</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming voor kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie komen voor vergoeding in aanmerking als sprake is van kinderopvang voor een kind dat in verband met zijn of haar leeftijd nog niet naar de basisschool gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vergoeding vindt slechts plaats als uit een beoordeling van een sociaal-medisch adviseur blijkt dat sprake is van sociaal-medische omstandigheden, waardoor kinderopvang voor het gezin als noodzakelijk wordt aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Vergoeding op basis van dit artikel vindt plaats voor kinderopvang gedurende maximaal het aantal dagdelen per week dat is opgenomen in het advies van de sociaal-medisch adviseur. De in aanmerking te nemen kosten van kinderopvang zijn niet hoger dan de maximale uurprijs die in het Besluit kinderopvangtoeslag wordt genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Toekenning van de tegemoetkoming op basis van dit artikel vindt plaats voor bepaalde tijd tot maximaal één jaar. Verlenging is slechts mogelijk als uit onderzoek blijkt dat er voor de situatie geen andere oplossing is en als er een nieuwe indicatie is afgegeven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het college kan jaarlijks een budgetplafond instellen als zij dit financieel noodzakelijk acht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het maximaal te verstrekken bedrag voor kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie bedraagt een inkomensafhankelijke bijdrage.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage, zoals bedoeld in lid 6, stellen we vast met de “proefberekening Kinderopvangtoeslag” van de Belastingdienst op basis van het toetsingsinkomen, het benodigde aantal opvanguren per maand en het uurtarief van de kinderopvang. Voor deze tegemoet-koming geldt geen inkomens- en vermogensgrens.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Ouders met een inkomen tot 115% van de bijstandsnorm kunnen een beroep doen op een volledige vergoeding.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:13</span><span class=\"lf-art-t\">Bewindvoering en budgetbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de rechtbank een bewindvoerder toestemming geeft om in verband met de aanwezigheid van problematische schulden het hoge tarief in rekening te brengen, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, dan komt dit hoge tarief gedurende maximaal twaalf maanden na de rechterlijke uitspraak in aanmerking voor bijzondere bijstand. Na deze periode moet de bewindvoerder onderbouwd kunnen aantonen dat hij nog steeds meer werk heeft als gevolg van de problematische schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De kosten van (vrijwillig) budgetbeheer komen voor vergoeding in aanmerking, indien: de noodzaak van het budgetbeheer voldoende onderbouwd kan worden, bijvoorbeeld door de voorgeschiedenis, de feitelijke situatie en de mate van urgentie van de belanghebbende; en de budgetbeheerder is aangesloten bij één van de brancheverenigingen voor professionele budgetbeheerders en/of bewindvoerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bijzondere bijstand voor vrijwillig budgetbeheer wordt verleend gedurende maximaal één jaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Eventuele verlenging na een jaar is slechts mogelijk na een schriftelijke verantwoording door de budgetbeheerder over de gang van zaken in het voorgaande jaar, waarbij moet worden toegelicht waarom belanghebbende na een jaar nog niet in staat is om zelfstandig zijn financiën te beheren</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:14</span><span class=\"lf-art-t\">Collectieve zorgverzekering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college stelt een collectieve zorgverzekering beschikbaar voor belanghebbenden met een inkomen van maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Belanghebbenden die in aanmerking komen voor een collectieve zorgverzekering kunnen kiezen uit een van de volgende opties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een basisverzekering met een standaard pakket aan extra vergoedingen en dekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een basisverzekering met een uitgebreid pakket aan extra vergoedingen en dekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid stelt het college de collectieve zorgverzekering zoals bedoeld in het tweede lid, sub b beschikbaar voor belanghebbenden met een inkomen van maximaal 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van het eerste lid past het college de bijstandsnorm voor inwoners vanaf 21 jaar ook toe voor inwoners van 18, 19 of 20 jaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De polisvoorwaarden van de collectieve zorgverzekering en de eventuele bijdrage aan de kosten die door het college wordt verleend, worden jaarlijks bekend gemaakt via de gemeentelijke website.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:15</span><span class=\"lf-art-t\">Woonkostentoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bijzondere bijstand voor woonkosten kan in de vorm van woonkostentoeslag worden verstrekt wanneer een belanghebbende tijdelijk niet in staat is om zijn woonlasten (volledig) te betalen. Daarnaast moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet sprake zijn van een dreigende huisuitzetting als gevolg van het niet (volledig) betalen van de woonlasten; en Belanghebbende is binnen zes maanden weer in staat om de woonlasten van de huidige woning volledig te betalen en kan dit concreet aantonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer woonkostentoeslag wordt toegekend, dan wordt aan belanghebbende tevens de verplichting opgelegd tot het zoeken van een woning met lagere woonlasten. Onder deze verplichting valt in ieder geval het aanvragen van urgentie zoals bedoeld in de Overeenkomst woonruimteverdeling 2015 van de Stadsregio Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien belanghebbende een huurwoning bewoont kan alleen woonkostentoeslag worden verstrekt indien de woonlasten hoger zijn dan de grens voor huurtoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien een belanghebbende een koopwoning bewoont dan worden de volgende kosten als woonlasten in aanmerking genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De rente (en dus niet de aflossingsverplichting) die verband houdt met hebben van het eigendom van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zakelijke lasten die verband houden met het hebben van het eigendom van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college hanteert bij bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag de systematiek van de Wet op de huurtoeslag, met inbegrip van de daarin begrepen kwaliteitskorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een periode van drie maanden. Deze periode kan eenmalig met drie maanden worden verlengd wanneer belanghebbende de in het tweede lid genoemde urgentie toegekend heeft gekregen maar dit nog niet heeft geleid tot het vinden van een woning met lagere woonlasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Wanneer een belanghebbende studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 ontvangt, dan komt deze persoon niet in aanmerking voor woonkostentoeslag. De studiefinanciering geldt dan als passende en toereikende voorliggende voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:16</span><span class=\"lf-art-t\">Overbruggingsuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan kan in de vorm van een overbruggingsuitkering worden verstrekt aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ex-asielzoekers die een verblijfstatus krijgen na hun verblijf via het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA);</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbenden die uit langdurige detentie komen; en Belanghebbenden die zelfstandig gaan wonen na een langdurig verblijf in een intramurale instelling vanwege verslavingsproblematiek en/of een andere psychische of verstandelijke beperking, wanneer zij een uitkering op grond van de Participatiewet hebben aangevraagd en tot de eerste betaling van deze uitkering niet kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van de overbruggingsuitkering is gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm gedurende één maand. Deze wordt voor de categorie in het eerste lid sub a verlaagd met het door het COA verstrekte zak- en kleedgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De overbruggingsuitkering wordt om niet verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:17</span><span class=\"lf-art-t\">Reiskosten naar ISK en bijzonder onderwijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.We verstrekken bijzondere bijstand voor 100% van de reiskosten naar onderwijs voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Asielgerechtigde inwoners van Lansingerland die voortgezet onderwijs volgen in een Internationale Schakelklas (ISK) buiten Lansingerland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen die in Lansingerland wonen en speciaal onderwijs volgen buiten Lansingerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college hanteert bij bepaling van de hoogte van de reiskostenvergoeding de kosten van het goedkoopst adequate vervoer voor de afstand tussen het woonadres en het adres van de school waarop de inwoner is ingeschreven en het betreffende aantal schoolweken. Dit kunnen gemaakte kosten zijn voor openbaar vervoer of een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer een belanghebbende niet naar school gaat, dan vervalt het recht op bijzondere bijstand volgens dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.5Procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:18</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een belanghebbende moet een aanvraag om bijzondere bijstand indienen en ter beoordeling voorleggen voordat hij de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. Hierbij wordt de datum waarop een verplichting wordt aangegaan, aangemerkt als de datum waarop de kosten worden gemaakt. Bijzondere bijstand wordt niet verstrekt voor kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag om bijzondere bijstand worden ingediend tot één maand nadat de kosten zijn gemaakt, wanneer van de aanvrager in redelijkheid niet kan worden verwacht dat deze de aanvraag indient voordat de kosten zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Binnen twee weken na uitbetaling van de bijzondere bijstand moet de belanghebbende een nota van aanschaf overleggen, waaruit blijkt dat hij de verstrekking heeft aangewend voor het doel waarvoor deze is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In gevallen waarin de nota niet overgelegd wordt of indien blijkt dat de verstrekking niet is aangewend waarvoor het bedoeld was, wordt de verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.6Individuele inkomenstoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:19</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op toeslag bij inkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Uitkeringsgerechtigden met een inkomen uit een parttime dienstverband kunnen in aanmerking komen voor de volledige individuele inkomenstoeslag in de gevallen dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het parttime dienstverband niet verwijtbaar is omdat er geen mogelijkheid is geweest tot urenuitbreiding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende zich naar het oordeel van het college voldoende heeft ingespannen om het parttime dienstverband uit te breiden; en het totale inkomen niet de inkomensgrens zoals gesteld in artikel 7:3 van de Verordening Sociaal Domein overschrijdt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:20</span><span class=\"lf-art-t\">Referteperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Uitkeringsgerechtigden die door incidentele inkomsten de onafgebroken periode van drie jaar zoals bedoeld in artikel 7:1 van de Verordening Sociaal Domein doorkruisen, kunnen in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag in de gevallen dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dienstverband waarin de incidentele inkomsten zijn verdiend aantoonbaar niet is beëindigd door verwijtbaar gedrag van de uitkeringsgerechtigde; en het volledige netto maandinkomen van de uitkeringsgerechtigde door de incidentele inkomsten niet hoger is dan de som van de individuele inkomenstoeslag en het normbedrag, geldend op de peildatum van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt afgestemd op het verschil tussen het bedrag van de individuele inkomenstoeslag en het volledige netto maandinkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:21</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzicht op inkomensverbetering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In de volgende gevallen is in elk geval geen sprake van zicht op inkomensverbetering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende is ten tijde van de aanvraag ontheven van alle arbeidsverplichtingen; of Belanghebbende kan naar het oordeel van het college niet binnen een half jaar uitstromen naar betaald werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer de uitkering van een belanghebbende op grond van onderdeel 7.3 (Afstemming) van de Verordening Sociaal Domein tijdelijk wordt verlaagd, dan heeft deze belanghebbende door eigen toedoen geen uitzicht op inkomensverbetering. In dat geval start een nieuwe referteperiode vanaf de datum waarop de verlaging is opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2Individuele studietoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:22</span><span class=\"lf-art-t\">Tussentijdse beëindiging studie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het recht op individuele studietoeslag vervalt indien belanghebbende de studie tussentijds beëindigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien een belanghebbende de studie tussentijds beëindigt, vordert het college het deel van de individuele studietoeslag waar belanghebbende hierdoor niet langer recht op heeft terug.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:23</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling medische urenbeperking</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het college stelt op basis van een deskundig advies vast of er sprake is van een medische uren-beperking zoals bedoeld in artikel 6b. van de Participatiewet, waardoor belanghebbende niet in staat is om inkomsten te verwerven naast een voltijds studie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het deskundig advies kan achterwege blijven als: uit feitelijke omstandigheden blijkt dat belanghebbende reeds inkomsten verwerft naast de voltijds studie of; meer dan 30 uur per week heeft kunnen werken voorafgaand aan het volgen van de voltijds studie 7.3Algemene bijstand 7.3.1Verlaging van de uitkering</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit onderdeel wordt verstaan onder woonkosten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een huurwoning wordt bewoond, de huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag geldend op de datum van ingang van de beschikking waarbij de huurtoeslag is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ontbreken van woonkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als een belanghebbende die 21 jaar of ouder is geen woonkosten heeft voor de woning die hij bewoont dan vindt een verlaging plaats van 20 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van ontbrekende woonkosten is in ieder geval sprake:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het niet aanhouden van een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld bij het bewonen van een gekraakte woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonkosten van de woning betaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:26</span><span class=\"lf-art-t\">Verlaging van de uitkering bij vroegtijdige schoolverlaters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een belanghebbende als bedoeld in artikel 28 van de Participatiewet vindt een verlaging plaats met 10 procent van de norm bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding. Deze verlaging geldt alleen voor belanghebbenden in de leeftijd van 21 of 22 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.2Krediethypotheek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27a</span><span class=\"lf-art-t\">Krediethypotheek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij het verstrekken van bijstand in de vorm van een krediethypotheek, wordt de waarde van de woning vastgesteld op de actuele WOZ-waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Belanghebbende dient bij het aanvragen van bijstand in de vorm van een krediethypotheek een bewijs te overleggen van de opstalverzekering van het onroerend goed waar de krediethypotheek op wordt gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.3Onderhuur en kostgangers</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27b</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.onderhuur: situatie waarin een deel van de eigen of gehuurde zelf bewoonde woning ter bewoning aan een derde wordt verhuurd; b.kostgangerschap: situatie van onderhuur waarbij het gebruik van maaltijden, gas, licht en water in de huurprijs is inbegrepen; c.minimumloon: de gehuwdennorm bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27c</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden voor een commerciële overeenkomst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen vaststellen of er sprake is van een commerciële overeenkomst aangaande huur, onderhuur of kostgeverschap als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b en c van de Participatiewet en artikel 5, achtste lid, onderdeel b en c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet sprake zijn van een schriftelijke overeenkomst waarin de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn en waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de prijs voor huisvesting en overige diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de schriftelijke overeenkomst moet zijn opgenomen dat de verschuldigde vergoeding periodiek wordt verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarover de schriftelijke overeenkomst van toepassing is moet in de overeenkomst worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schriftelijke overeenkomst moet zijn gedateerd en ondertekend door huurder en verhuurder of onderhuurder en onderverhuurder of kostganger en kostgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schriftelijke overeenkomst moet tot stand zijn gekomen met instemming van de eigenaar van de onderhavige woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige woning in de overeenkomst moet beschikken over een ruimte die zich leent voor afzonderlijke, zelfstandige bewoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet op verzoek worden aangetoond dat er sprake is van periodieke bancaire betalingen voor de geleverde prestaties via bank- of giroafschriften of op digitale De overeengekomen prijs moet in verhouding staan tot wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27d</span><span class=\"lf-art-t\">Commerciële prijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële prijs, als bedoeld in artikel 7:27c, sub f, , is niet lager dan 75% van de gemiddelde huurprijs per m2 in de gemeente Lansingerland voor vergelijkbare woonruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27e</span><span class=\"lf-art-t\">Verrekening inkomsten uit verhuur of kostgeverschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a.Een ontvangen vergoeding uit een commerciële overeenkomst als bedoeld in artikel 7:27c voor verhuur wordt in beginsel onder aftrek van een bedrag 5% van het minimumloon als inkomsten in mindering gebracht op de te ontvangen bijstand. b.Een ontvangen vergoeding uit een commerciële overeenkomst als bedoeld in artikel 7:27c vanwege een kostganger wordt onder in beginsel onder aftrek van een bedrag van 20% van het netto minimumloon als inkomsten in mindering gebracht op de te ontvangen bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.4Vermogen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27g</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte vermogen bij bezit auto of motorfiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De waarde van één auto of motorfiets in het bezit van belanghebbende(n) wordt tot een hoogte van € 2.500,- buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van de waarde als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van de BOVAG koerslijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Van auto’s of motorfietsen ouder dan tien jaar wordt verondersteld dat deze een waarde hebben die lager is dan € 2.500,-, tenzij het gaat om een voertuig waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat het een hogere waarde heeft, zoals een klassieker.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als het voertuig ouder is dan tien jaar en er verondersteld wordt dat de waarde redelijkerwijs hoger is dan € 2.500,- wordt de waarde ingeschat aan de hand van vergelijkbaar aanbod op de markt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27h</span><span class=\"lf-art-t\">Bepalen vermogen bij verhuizing vanuit andere gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een belanghebbende afkomstig is uit een andere gemeente en daar ook bijstand ontving, wordt onder de volgende voorwaarden aangesloten bij de vermogensvaststelling en het restant vrij te laten vermogen zoals vastgesteld door de gemeente van vertrek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zitten maximaal 30 dagen tussen de beëindiging van de bijstand in de gemeente van vertrek, en de toekenning van de bijstand in onze gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen wijzigingen opgetreden in de hoogte van de vermogensgrens;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bankafschriften over de onderbrekingsperiode geven geen aanleiding voor het opnieuw onderzoeken van het aanwezige vermogen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen overige reden om te twijfelen aan de juistheid van het vastgestelde vermogen door de gemeente van vertrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.5Bijstandsverlening zelfstandigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27i\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27i</span><span class=\"lf-art-t\">Ondersteuning door Regionaal Bureau Zelfstandigen Rotterdam</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college geeft gemeente Rotterdam de opdracht tot uitvoering van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Startende en gevestigde zelfstandig ondernemers die in aanmerking komen voor ondersteuning vanuit het Bbz en de Wet IOAZ dienen hiervoor een aanvraag in bij het Regionaal Bureau Zelfstandigen van gemeente Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Regionaal Bureau Zelfstandigen hanteert voor de beoordeling van ondersteuningsaanvragen de ‘Beleidsregels opschorting, intrekking en terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017’ en de ‘Beleidsregels Zelfstandigen Rotterdam’ die in werking treden per 1 januari 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4Terugvordering 7.4.1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Alle begrippen die in dit onderdeel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In dit onderdeel wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van bijstand: de door de gemeente betaalde bijstand verhoogd met de afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de Belastingdienst en het UWV, behoudens de in artikel 7:36, tweede lid genoemde uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte bijstand als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de wet SUWI.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:29</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik maken van de wettelijke bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheid tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herzien of intrekken van een besluit tot toekenning van bijstand ingevolge het bepaalde in artikel 54, derde en vierde lid, van de Participatiewet, artikel 17, vierde lid van de IOAW en artikel 17, derde lid van de IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand ingevolge het bepaalde in de artikelen 58, tweede lid en 59 van de Participatiewet, artikel 25, tweede lid en artikel 26, tweede lid van de IOAW en artikel 25, tweede lid en artikel 26, tweede lid van de IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.2Afzien van terugvordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan afzien van terugvordering indien het totaal aan vorderingen lager is dan € 100,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:31</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering conform zesmaandenjurisprudentie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van het bepaalde in artikel 7:30 beperkt het college - in het geval dat bij het college gegevens bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de bijstand - de terug te vorderen kosten van bijstand tot een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop bij het college gegevens bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de bijstand ten onrechte is verstrekt omdat de belanghebbende de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:32</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering bij dringende reden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college ziet af van terugvordering indien hiertoe een dringende reden aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.3Invordering van teruggevorderde bijstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:33</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik maken van de bevoegdheid tot invorderen bij dwangbevel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot invorderen bij dwangbevel ten behoeve van het incasseren van vorderingen zoals bedoeld in artikel 60, tweede lid van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:34</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een invorderingsbesluit in een herzienings-, intrekkings- en terugvorderingsbeschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan besluiten dat een invorderingsbesluit wordt opgenomen in een beschikking tot herziening, intrekking en/of terugvordering van bijstand van een belanghebbende ten aanzien van wie het college een vordering stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het invorderingsbesluit als bedoeld in het eerste lid omvat de volgende punten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van (het saldo van) de netto vordering en indien van toepassing ook de bruto vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum waarop de betalingsverplichting ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid voor belanghebbende om binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4:87 van de Awb een betalingsregeling te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van het college tot wijziging van de vastgestelde betalingsverplichting na een draag-krachtonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 van de Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 van de Awb over aanmaning en invordering bij dwangbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:35</span><span class=\"lf-art-t\">De betalingsverplichting: netto of bruto</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het besluit tot terugvordering wordt in beginsel de gehele vordering, berekend naar de kosten van bijstand, meegedeeld aan belanghebbende. De vaststelling van deze vordering geldt dan voor belanghebbende als de opgelegde betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Belanghebbende kan volstaan met een netto betaling van de vordering wanneer:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar en belanghebbende de vordering voldoet vóór het einde van het boekjaar; of De vordering niet is voldaan vóór het einde van het boekjaar waarop deze betrekking heeft, maar belanghebbende niet kan worden verweten dat een vordering is ontstaan en evenmin kan worden verweten dat de vordering niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:36</span><span class=\"lf-art-t\">De minnelijke betalingsregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een belanghebbende kan binnen de betalingstermijn van zes weken als bedoeld in artikel 4:87 van de Awb een gemotiveerd verzoek indienen onder overlegging van bewijsstukken om een betalingsregeling te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid stelt het college na onderzoek van de bewijsstukken en de persoonlijke situatie van belanghebbende de maandelijkse aflossingscapaciteit vast. Het college stelt vervolgens aan belanghebbende voor om deze aflossingscapaciteit te hanteren als maandelijkse aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien belanghebbende niet akkoord gaat met het in het tweede lid genoemde voorstel of wel akkoord gaat maar de hieruit voortvloeiende betalingsafspraak niet nakomt, geldt het bepaalde in artikel 7:36, eerste lid en 7:43 onverkort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:37</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling hoogte maandelijkse aflossingscapaciteit bij bijstandsuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een bijstandsgerechtigde een aflossingsverplichting heeft jegens het college als gevolg van ontvangen leenbijstand of een of meerdere lopende vorderingen, dan wordt de aflossingsverplichting vastgesteld op 10% van de toepasselijke bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid genoemde aflossingscapaciteit kan niet hoger zijn dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van beslaglegging door een schuldeiser anders dan het college kan de aflossingsverplichting ingevolge het eerste lid voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Inhoudingen ten aanzien van een vordering gaan voor op de aflossing van leenbijstand. Zodra er een nieuwe vordering ontstaat, wordt de inhouding hiervoor vóór eventuele bestaande aflossingen van leenbijstand geplaatst. De aflossing van de lening gaat pas weer lopen zodra de vordering volledig is voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:38</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling hoogte maandelijkse aflossingscapaciteit niet-uitkeringsgerechtigde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verschuldigde bedrag wordt middels een beschikking kenbaar gemaakt aan de belanghebbende, waarbij binnen zes weken het bedrag naar de gemeente dient te worden overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De belanghebbende kan binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit kenbaar maken een betalingsregeling te willen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij intrekking of beëindiging van bijstand wordt gedurende twaalf maanden na de verzenddatum van dit besluit vastgesteld op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode; of het bedrag dat belanghebbende op grond van het gestelde in artikel 7:38 diende af te lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Na afloop van de termijn van twaalf maanden na verzenddatum van het intrekkings- of beëindigings-besluit, voert het college een onderzoek uit naar de maandelijkse aflossingscapaciteit van belanghebbende. Het college stelt vervolgens aan belanghebbende voor om deze actuele aflossingscapaciteit te hanteren als maandelijkse aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien belanghebbende tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen ontvangt dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, dan voert het college een onderzoek uit naar de maandelijkse aflossingscapaciteit van belanghebbende. Het college stelt vervolgens aan belanghebbende voor om deze actuele aflossingscapaciteit te hanteren als maandelijkse aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien belanghebbende niet akkoord gaat met het in het tweede en derde lid genoemde voorstel of wel akkoord gaat maar de hieruit voortvloeiende betalingsafspraak niet nakomt, geldt het bepaalde in artikel 7:36, eerste lid en 7:43 onverkort.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het in het tweede en derde lid genoemde onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende wordt periodiek, doch uiterlijk binnen drie jaar, herhaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:39</span><span class=\"lf-art-t\">Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij gegronde redenen die onmiskenbaar kunnen leiden tot wijziging van de eerder vastgestelde maandelijkse aflossingsverplichting, kan het college een draagkrachtonderzoek instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer het college als gevolg van een tussentijds draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging van de eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan in kennis gesteld bij brief, alsmede van de ingangsdatum van deze nieuwe verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het draagkrachtonderzoek zoals genoemd in het tweede lid bevat in ieder geval een gesprek met belanghebbende.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:40</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot: een wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting als bedoeld in artikel 4:94 van de Awb, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over dit verzoek en deelt dit aan belanghebbende mee bij brief.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:41</span><span class=\"lf-art-t\">Voldoen aan de betalingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een opgelegde betalingsverplichting kan worden voldaan door:</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling van de maandelijkse termijn door een belanghebbende, of Verrekening van het maandelijkse vastgestelde termijnbedrag als bedoeld in deze beleidsregels met de maandelijkse betaling van de bijstand op grond van het bepaalde in artikel 58, vierde lid en artikel 60 derde en vierde lid van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:42</span><span class=\"lf-art-t\">Niet of niet meer nakomen van de betalingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekening met de maandelijks verleende bijstand op grond van artikel 58, vierde lid en artikel 60 derde en vierde lid van de Participatiewet, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 van de Awb, nadat de betalings- en aanmanings-procedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.4Kwijtschelding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:43</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of leenbijstand indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand of leenbijstand tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van kosten van bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van kosten van bijstand het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het de terugvordering van kosten van bijstand betreft die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid aanhef en onder b van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op de goederen verhaald kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of leenbijstand als bedoeld in het eerste lid treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en belanghebbende een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of leenbijstand wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekend gemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:44</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding restant vordering anders dan bij schuldregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand indien de belanghebbende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 75 procent van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid, aanhef en sub a of b slechts genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van het eerste lid aanhef en onder c van dit artikel wordt uitsluitend ambtshalve besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid onder a en b genoemd percentage van 75 procent is niet van toepassing en de in het eerste lid onder a en b genoemde termijn van vijf jaar wordt op drie jaar gesteld indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode niet hoger was dan 90% van de voor belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm; en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van kosten van bijstand als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van kosten van algemene bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-44a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:44a</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding restant leenbijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan op schriftelijk verzoek van een belanghebbende besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verstrekte leenbijstand indien de belanghebbende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende drie jaar volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan en tenminste 75% van de hoofdsom van de leenbijstand heeft voldaan, of Op het moment van het indienen van het verzoek al minimaal zes maanden bijstandsonafhankelijk is en tenminste 50% van de hoofdsom van de leenbijstand heeft voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit artikel is niet van toepassing op verstrekte geldleningen voor algemene bijstand of krediethypotheken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.5Overige bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:45</span><span class=\"lf-art-t\">Rente en kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging als bedoeld in artikel 7:42 dan kan het college de vordering jaarlijks verhogen met kosten, ten bedrage van maximaal 15 procent van de hoofdsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5Verhaal 7.5.1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:46</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college maakt gebruik van de bevoegdheden ingevolge het bepaalde in de artikelen 61 tot en met 62i van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:47</span><span class=\"lf-art-t\">Verhaal van kosten van bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verhaalt de kosten van bijstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die bij het ontbreken van een gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de nalatenschap van de persoon indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan die persoon ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend of anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Behoudens in de gevallen als bedoeld in het eerste lid, sub e, onder 2, worden kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt, niet verhaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:48</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking van de toepassing van verhaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking van toepassing van verhaal geschiedt op twee gronden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhoudsverplichting ten behoeve van de ex-echtgenoot is beperkt tot twaalf jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand (Wet limitering alimentatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf jaren en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.2Afzien van verhaal 7:49Afzien van verhaal bij kruimelbedragen Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit indien het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 25,- per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7:50Afzien van verhaal bij dringende redenen Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:51</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 7:47 en 7:48 kan het college, op verzoek van degene op wie verhaald wordt, geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald vanwege het verhaal zijn schulden niet kan blijven afbetalen; en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:52</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt pas in werking nadat een schuldregeling tussen het college en/of schuldeisers als bedoeld in artikel 7:51, aanhef en sub b tot stand is gekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:53</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking van het besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 7:51.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:54</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van verhaal anders dan bij een schuldregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in onderstaande situaties besluiten ambtshalve kwijtschelding te verlenen van een door de rechtbank bekrachtigde vordering aan onderhoudsbijdrage:</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende heeft gedurende vijf jaar geen betalingen verricht en het is niet aannemelijk dat er op enig moment in de toekomst betaald zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingestelde incassomaatregelen hebben gedurende vijf jaar niet geleid tot het ontvangen van aflossingen, en het is niet aannemelijk dat incasso op enig moment in de toekomst wel tot ontvangsten zal leiden; of bij een onderzoek naar de aflossingscapaciteit blijkt dat er op dat moment geen aflossingscapaciteit is en dat het niet aannemelijk is dat er op enig moment in de toekomst wel een aflossing kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.3Mate van onderhoudsplicht en vaststelling verhaalsbijdrage</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:55</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van de onderhoudsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld aan de hand van de geldende maatstaven en de omstandigheden die van belang zijn wanneer de rechter dient te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde Trema-normen en de gegevens betreffende de inkomsten en uitgaven; of Ambtshalve vastgesteld op de netto bijstand indien de onderhoudsplichtige verzuimt gegevens te verstrekken betreffende de inkomsten en uitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.4Verhalen van rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:56</span><span class=\"lf-art-t\">Verhaal op grond van een rechterlijke uitspraak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien degene op wie wordt verhaald een bij rechterlijke uitspraak vastgesteld bedrag niet voldoet, wordt verhaald in overeenstemming met deze rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het besluit tot verhaal overeenkomstig de rechterlijke uitspraak wordt in dat geval bij brief meegedeeld aan degene op wie wordt verhaald met de verplichting om het verschuldigde bedrag binnen dertig dagen na verzenddatum van de brief te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Degene op wie wordt verhaald kan binnen de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden tegen het besluit tot verhaal in verzet komen door een verzoekschrift aan de rechtbank. Indien tijdig verzet is gedaan, wordt de invordering pas voortgezet zodra het verzet is ingetrokken of ongegrond is verklaard op grond van artikel 62b, tweede lid van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verschuldigde bedrag wordt door het college bij dwangbevel ingevorderd op grond van artikel 62b, vierde lid van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die op kosten van de schuldenaar wordt betekend en met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer wordt gelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:57</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van de door de rechter vastgestelde onderhoudsbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het door de rechter vastgestelde verhaalsbedrag kan op verzoek van het college of van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter worden gewijzigd op grond van gewijzigde omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college verzoekt de rechter het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen, indien de rechter:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden genoemd in de artikelen 1:157 en 1:401 van het Burgerlijk Wetboek; of geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.5Het verhaalsbesluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:58</span><span class=\"lf-art-t\">Het verhaalsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een besluit tot verhaal op grond van artikelen 7:46 en 7:47 wordt door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht meegedeeld. Het besluit vermeldt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingangsdatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag of de bedragen waarvan betaling wordt verlangd; en de termijn of termijnen waarbinnen betaling wordt verlangd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden gericht tot de langstlevende echtgenoot of één der erfgenamen die geacht kan worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.6Verhaal in rechte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:59</span><span class=\"lf-art-t\">Besluit tot verhaal in rechte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">c.Indien de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluit het college tot verhaal in rechte middels het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank op grond van artikel 62g, tweede lid en 62h, eerste tot en met derde lid van de Participatiewet. De uitspraak van de rechter levert een executoriale titel op. d.Het college kan om redenen van doelmatigheid geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal in rechte.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.7Heronderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:60</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek naar draagkracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college verricht onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van de verhaalsbijdrage. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de betalings-verplichting gewijzigd vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.8Invordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:61</span><span class=\"lf-art-t\">Niet voldoen aan een door de rechter vastgestelde verhaalsbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belanghebbende niet bereid blijkt de door de rechter vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud of de op verzoek van het college vastgestelde bijdrage te voldoen dan wordt die uitspraak ten uitvoer gelegd door middel van executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:62</span><span class=\"lf-art-t\">Rente en kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 7:62 dan wordt de vordering jaarlijks verhoogd met kosten, ten bedrage van maximaal 15 procent van de hoofdsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6Bestuurlijke boete</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:63</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begripsbepalingen van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) zijn onverkort op dit onderdeel van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:64</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte bestuurlijke boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op een percentage van het benadelingsbedrag. Het percentage hangt af van de mate van verwijtbaarheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">100% bij opzet;</p>\n<p class=\"lf-p\">75% bij grove schuld;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% bij normale, gemiddelde verwijtbaarheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">25% bij verminderde verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op het eerste lid bedraagt de boete maximaal € 83.000 bij opzet en maximaal € 8.300,- in overige gevallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:65</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte bestuurlijk boete bij nulfraude</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij een schending van de inlichtingenplicht die niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, waarbij er in de twee voorafgaande jaren geen waarschuwing is gegeven voor een schending van de inlichtingenplicht, wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een schending van de inlichtingenplicht die niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, waarbij er in de twee voorafgaande jaren een waarschuwing is gegeven voor een schending van de inlichtingenplicht, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op € 150,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:66</span><span class=\"lf-art-t\">Verlagen of afzien van een bestuurlijke boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij het volledig ontbreken van verwijtbaarheid wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De mate van verwijtbaarheid wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeerde op het moment van de schending van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als dringende redenen worden vastgesteld, dan ziet het college af van het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit besluit wordt vastgelegd in een beschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:67</span><span class=\"lf-art-t\">Matigen boete op grond van draagkracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende de op grond van de artikelen 7:64 tot en met 7:66 opgelegde boete niet in één keer kan betalen, dan wordt de boete als volgt gematigd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij opzet bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 24 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij grove schuld bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 18 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 12 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verminderde verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 6 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7Schuldhulpverlening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:68</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle begrippen die worden gebruikt en die niet nader worden beschreven hebben in dit onderdeel dezelfde betekenis als in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:69</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbod schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verleent aan een verzoeker schuldhulpverlening indien het college dit noodzakelijk acht. De aanvraag wordt getoetst aan de visie, criteria en uitgangspunten zoals neergelegd in het Beleidsplan schuldhulpverlening 2016-2020 van de gemeente Lansingerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vorm waarin de gemeente schuldhulpverlening aanbiedt is van meerdere factoren afhankelijk en kan dus per persoon verschillen. Bij de aanmelding wordt een klantprofiel samengesteld waarbij de volgende factoren een rol spelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van financiële zelfredzaamheid van de verzoeker.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivatie en vaardigheden van de verzoeker.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van psychosociale problematiek en/of verstandelijke of lichamelijke beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het schuldenpakket.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het soort schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De gemeentelijke schuldhulpverlening kan onder andere bestaan uit het volgende productenaanbod:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlichting, informatie en advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budgetadvies, budgetbegeleiding en budgetbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisisinterventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuldregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgifte verklaring ingevolge de Wet schuldsanering natuurlijke personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:70</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Verzoeker doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening of voor de uitvoering van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Verzoeker is verplicht om desgevraagd alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het gaat hierbij o.a. om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nakomen van afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zich houden aan alle bepalingen en voorwaarden als genoemd in de overeenkomsten tot schuldregeling en budgetbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zoveel mogelijk aflossingscapaciteit creëren door het verruimen van inkomen, inzetten van beschikbaar vermogen en het minimaliseren van uitgaven, en deze aflossingscapaciteit te gebruiken ter vermindering of aflossing van de schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet aangaan van nieuwe schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het actief deelnemen aan een cursus of cursussen gericht op het voorkomen van (nieuwe) schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan besluiten om schuldhulpverlening te weigeren dan wel te beëindigen indien verzoeker niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals bedoeld in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Alvorens te besluiten tot weigering dan wel beëindiging ingevolge het derde lid, wordt verzoeker eenmaal een hersteltermijn van maximaal vier weken geboden om alsnog informatie te verstrekken en/of de gevraagde medewerking te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De in dit artikel genoemde verplichtingen gelden zowel in de fase dat een verzoek of aanvraag om schuldhulpverlening is gedaan als gedurende de looptijd van het schuldhulpverleningstraject.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:71</span><span class=\"lf-art-t\">Richtlijnen bij het toekennen of weigeren van schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college weigert een aanbod schuldhulpverlening te doen als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuldhulpverlening door het college niet noodzakelijk wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college vaststelt dat er sprake is van een (op dat moment) niet regelbare schuld of niet regelbare schuldenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de verzoeker al in staat van faillissement is verklaard of de wettelijke schuldsanering van toepassing is verklaard op verzoeker.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij het besluit om een aanbod schuldhulpverlening wel of niet toe te kennen wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen in hoofdstuk 5 van het beleidsplan 2016-2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In situaties waarin het college een aanbod schuldhulpverlening weigert, wordt, indien mogelijk, wel informatie en advies aan de verzoeker of aanvrager gegeven. Ook wordt bezien of doorverwijzing naar een andere (schuld)hulpverlener mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:72</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging van schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de overige bepalingen van deze beleidsregels, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening. Het college kan in ieder geval besluiten om de schuldhulpverlening te beëindigen indien: a.Verzoeker niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 7:71, eerste en tweede lid, van deze beleidsregels. b.Verzoeker niet langer inwoner is van de gemeente en er nog geen minnelijke schuldregeling tot stand is gekomen. c.Verzoeker in staat is om zijn schulden zelf te regelen. d.Het minnelijk traject tot schuldregelen niet is geslaagd, omdat een of meerdere schuldeisers geen medewerking verlenen en de Wet schuldsanering natuurlijke personen geen mogelijkheid is. e.Verzoeker zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen. f.De geboden hulp, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, niet (langer) passend is. g.Er een aanbod schuldhulpverlening is gedaan op grond van gegevens die nadien blijken onjuist te zijn en, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen. h.Verzoeker zich misdraagt ten opzichte van medewerkers die zijn belast met de uitvoering van schuldhulp-verlening. i.Verzoeker is komen te overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoering van deze regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering van hetgeen in deze beleidsregels is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan de uitvoering van één of meerdere bepalingen opdragen aan door hem in het mandaat-besluit aan te wijzen ambtenaren, met behoud van zijn verantwoordelijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregels treden op 1 januari 2022 in werking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken oude beleidsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende beleidsregels worden met de inwerkingtreding van deze beleidsregels ingetrokken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregels sociaal domein juli 2019, T19.11169 , gemeente Lansingerland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:4</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld door het college van B&amp;W van de gemeente Lansingerland in haar openbare vergadering op 12 april 2022De gemeentesecretaris Mickel BeckersDe burgemeester drs. Pieter van de StadtBijlage1:Financiële richtlijnen Wmo</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eigen bijdrage in de kosten: een door de raad vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura of een pgb betaald moet worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de aanvrager;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatie: een integraal advies over de noodzaak en compensatiemogelijkheid van een aangevraagde voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstandsnorm: de voor betrokkene op grond van de Participatiewet geldende bijstandsnorm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten gebruik collectief vraagafhankelijk vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer wordt overeenkomstig het OV tarief een bedrag per kilometer afgerekend. Elk jaar wordt opnieuw nagegaan wat het dan geldende tarief is voor vaststelling van de kosten per kilometer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiksbeperkingen collectief vraagafhankelijk vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer binnen het vervoersgebied geldt de volgende gebruiksbeperking:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikers met een indicatie van het CVV kunnen jaarlijks maximaal 1500 kilometer gebruiken tegen het openbaarvervoertarief;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikers met een indicatie en een aantoonbare extra vervoersbehoeft hebben recht op extra kilometers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikers met een indicatie kunnen een begeleider meenemen indien daartoe een indicatie is afgegeven. Voor de begeleider wordt hetzelfde tarief gehanteerd als voor de belanghebbende en deze heeft daarom ook recht op maximaal het aantal geïndiceerde kilometers. De begeleider heeft alleen recht op het aantal kilometers indien begeleider en belanghebbende samen reizen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikers mogen hun kilometers naar eigen inzicht besteden met uitzondering van inzet voor woon-werkverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het recht op een begeleiderspas voor het CVV gelden in beginsel de volgende criteria: de gebruiker heeft begeleiding nodig tijdens het vervoer in de taxi (medisch en/of psychosociaal) of; de gebruiker is niet in staat om bij vertrek of aankomst zich zelfstandig voort te bewegen, ook niet met gebruikmaking van een elektrische of handbewogen rolstoel of; de gebruiker heeft een visuele beperking en kan zich niet zelfstandig redden op voor hem/haar onbekende plaatsen of; de gebruiker heeft een verstandelijke beperking waardoor begeleiding noodzakelijk is of; de gebruiker heeft een psychiatrisch of psychosociaal probleem waardoor begeleiding noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Toekenning collectief vraagafhankelijk vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal kilometers wordt toegekend vanaf de eerste dag van de maand van aanvraag en naar rato van het jaartotaal vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximale aantal kilometers wordt voor de duur van een kalenderjaar aan gebruikers van het CVV toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er op 1 januari van een nieuw kalenderjaar nog kilometers over zijn van het voorafgaande jaar dan komen deze kilometers te vervallen, de resterende kilometers mogen niet worden meegenomen naar een volgend kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking scootmobiel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de verstrekking van een scootmobiel wordt gekeken naar de verplaatsingsbehoefte in de omgeving van de woning. Er wordt rekening gehouden met: hand en armfunctie; vermogen tot lopen; de specifieke verplaatsingsbehoefte in de nabije omgeving (zoals boodschappen doen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen ten behoeve van gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een scootmobiel goed te kunnen gebruiken, kan het zijn dat er accessoires of een training voor het gebruik nodig zijn. De volgende mogelijkheden worden daarbij eventueel aangeboden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobieltraining Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de rolstoel/scootmobiel is het van belang dat de gebruiker goed met de rolstoel/scootmobiel overweg kan en zonder schade toe te brengen aan de rolstoel/ scootmobiel stoepen e.d. kan nemen. Het goed overweg kunnen met de scootmobiel vergroot niet alleen de zelfstandigheid, veiligheid en de mogelijkheden van de gebruiker; zorgvuldig omgaan met de scootmobiel bevordert tevens de levensduur van de rolstoel/scootmobiel en voorkomt schade en extra onderhoud. Indien er bij de indicatie wordt aangegeven dat een scootmobieltraining noodzakelijk is dan wordt deze op grond van de Wmo vergoed. De training wordt in beginsel gegeven door de leverancier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobielaccessoires De kosten van medisch noodzakelijke accessoires worden vergoed op grond van de Wmo. De indicatie is leidend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzekering, onderhoud en reparaties Indien een scootmobiel in bruikleen wordt verstrekt dan is tevens door de gemeente voorzien in de kosten van verzekering, onderhoud en reparatie. Indien een pgb wordt verstrekt dan wordt in de hoogte van het te verstrekken pgb rekening gehouden met de kosten van verzekering, onderhoud en reparatie. De hoogte van het te verstrekken bedrag komt overeen met hetgeen de gemeente betaalt voor voornoemde kosten bij verstrekkingen in natura.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking rolstoelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor rolstoelen wordt uitgegaan van de volgende soorten rolstoelen en het programma van eisen op basis van het onderzoek is daarbij leidend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Handbewogen rolstoelen of duwwandelwagen Bij het verstrekken van een dergelijke rolstoel gelden de volgende criteria: belanghebbende is niet in staat een half uur achtereen te lopen voor het winkelen, boodschappen doen, e.d. in de nabije omgeving; er is sprake van een normale hand- en armfunctie. Dit criterium geldt niet voor de duwwandelwagen; afhankelijk van de intensiteit van het gebruik moet de woning meer of minder rolstoelgeschikt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd Bij het verstrekken van een dergelijke rolstoel gelden de volgende criteria: belanghebbende kan zich minder dan 100 meter verplaatsen met een handrolstoel, bij voorbeeld vanwege energetische problemen (hart, longen e.d.) en beperkte arm- of handfunctie en/of zitbalans; belanghebbende is niet in staat gebruik te maken van scootmobiel of handbewogen rolstoel vanwege sterk beperkte arm- of handfunctie of te weinig zitbalans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een integraal advies opgevraagd waarbij ook aandacht wordt besteed aan de rolstoelgeschiktheid van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2:Hoogte bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen Voucherpakket Aantal inwonende kinderen 0 1 2 3 4 5 Basisinventaris € 500 € 500 € 500 € 500 € 500 € 500 Bedden € 100 € 200 € 300 € 400 € 500 Witgoed € 900 € 900 € 900 € 900 € 900 € 900 Max. totaal vouchers € 1.400 € 1.500 € 1.600 € 1.700 € 1.800 € 1.900 Vrij besteedbaar bedrag Aantal personen in het gezin Bedrag 1 € 350,- 2 € 600,- 3 € 900,- 4 € 1.200,- 5 of meer € 1.500,- Bijlage3:Eisen voor pgb-vaardigheid De verstrekker van het pgb controleert niet alleen of uw aanvraag voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb. Zij controleren ook of u in staat bent om een pgb te beheren. Dat heet pgb-vaardigheid. Daarmee willen ze voorkomen dat u in de problemen komt. Bijvoorbeeld omdat u niet weet welke zorg u nodig heeft, of u goede afspraken maakt met een zorgverlener. U bent pgb-vaardig als u en/of uw vertegenwoordiger over de volgende vaardigheden beschikt:</p>\n<p class=\"lf-p\">U heeft een goed overzicht van uw eigen situatie En u weet welke zorg u nodig heeft. Of welke zorg de persoon voor wie het budget is nodig heeft. U moet zelf kunnen vertellen welke zorg u nodig heeft. Als u dat niet kunt, kunt u ook zorg in natura ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U weet welke regels er horen bij een pgb Of u weet waar u die regels kunt vinden. Bijvoorbeeld op de website van de verstrekker die u het pgb geeft. Het helpt als u digitaal vaardig bent. Bijvoorbeeld dat u kunt omgaan met de computer en e-mail. En websites op het internet kunt bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden En ook weet u welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor uzelf. U kunt de administratie ook nodig hebben als de pgb-verstrekker (bijvoorbeeld de gemeente) daarom vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners U moet uit uzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de zorgverzekeraar beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met zorgverleners. En als er iets verandert, moet u dat zelf aangeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">U bent in staat om zelfstandig te handelen en zelf voor zorgverleners kiezen Als u een pgb krijgt, moet u zelf zorgverleners uitzoeken. En afspraken maken over de zorg die ze u gaan geven. En over hun uurtarief en hun uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. En zich hier aan houden U moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de zorgverlener genoeg uren maakt. Omgekeerd moet u kunnen laten zien dat u de zorg inkoopt waarvoor u het geld gekregen hebt.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt zelf onafhankelijk van de zorgverlener beoordelen of de zorg die u met het pgb financiert bij u past En of de kwaliteit van de zorg in orde is. Als u de zorg niet goed vindt, kunt u uitleggen waarom. Als de zorg niet volgens afspraak verloopt, moet u zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de zorgverlener op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners En dat zo regelen dat er altijd zorg is. Ook als de zorgverlener ziek is of op vakantie gaat. U moet zelf zorgverleners kunnen kiezen die goed bij uw situatie passen. En u moet zelf opletten of zij hun werk goed doen. Als de zorgverlener ziek is, moet u zelf vervanging regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt er voor zorgen dat de zorgverleners die voor u werken weten wat ze moeten doen En u durft een gesprek te beginnen als zij hun werk niet goed doen. Als u de zorgverlener betaalt, dan bent u zijn werkgever of opdrachtgever. U moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U weet wat u moet doen als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener Het is niet erg als u sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een zorgverlener. Maar u moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4:Richtlijnen gebruikelijke zorg Kinderen van 0 tot 3 jaar Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; ouderlijke toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 3 tot 5 jaar Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand, de ouder kan bijvoorbeeld de was ophangen in een andere kamer; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; kinderen vanaf 4 jaar hebben een reguliere dagbesteding van 22-25 uur per week; hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, toiletgang en zindelijkheidstraining, dag- en nachtritme en dagindeling; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 5 tot 7 jaar Hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; hebben toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging zoals het wassen en tanden poetsen; zijn overdag zindelijk en ’s nachts merendeels ook, maar ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals begeleiding en gelegenheid bieden bij omgang met leeftijdsgenoten en begeleiding en waardering voor schoolwerk als thuis lezen; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school gaan, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen vanaf 7 tot 10 jaar Hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; hebben steeds minder toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging als het wassen en tanden poetsen; zijn overdag en ’s nachts zindelijk, maar ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals hulp bij bijvoorbeeld huiswerk; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school gaan, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen vanaf 10 tot 12 jaar Hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; zijn overdag en ’s nachts zindelijk; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; hebben enig toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging als het wassen en tanden poetsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals hulp bij bijvoorbeeld huiswerk; hebben nog enige begeleiding en controle van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen vanaf 12 tot 18 jaar Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar een dag of een nacht alleen gelaten worden; hebben bij persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing (zoals hulp bij het zelfstandig gaan wonen); hebben tot 17 jaar een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden; hebben vanaf 17 jaar een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd; zijn vanaf 18 jaar jongvolwassene en kunnen zelfstandig wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage5:Richtlijnen tijdsbesteding gebruikelijke hulp Bij de toepassing van artikel 3 gelden de volgende richtlijnen ten aanzien van de gemiddelde tijdsbesteding aan gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd Gemiddelde tijd per etmaal aan begeleiding Gemiddelde tijd per etmaal aan persoonlijke verzorging Handeling Gemiddelde tijd voor handeling 0 tot 4 jaar 6-10 uur (afhankelijk van aantal uur slaap) 3 uur en 45 minuten Alle handelingen aangaande persoonlijke verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 tot 7 jaar 6-7 uur 1 uur en 15 minuten overname 1 uur en 15 minuten aansturing/toezicht Wassen Kleden Toiletgang Tanden/haren/nagels/huid Eten en drinken 10 minuten 1x per dag 10 minuten 2 x per dag 5 minuten 6 x per dag ong. 15 minuten per dag 1 uur en 15 minuten per dag 7 tot 10 jaar 4-5 uur 15 minuten overname 30 minuten aansturing/toezicht Wassen Kleden Toiletgang Tanden/haren/nagels/huid Eten en drinken 10 minuten 1x per dag 10 minuten 2 x per dag 5 minuten 6 x per dag ong. 15 minuten per dag 1 uur en 15 minuten per dag 10 tot 12 jaar 3-4 uur 15 minuten aansturing/toezicht 12 tot 15 jaar 2-3 uur - 15 tot 18 jaar 1 uur - Bijlage6:Uitvoeringsrichtlijn Maatregelen Blijverslening Tot de maatregelen die gefinancierd kunnen worden met een Blijverslening kunnen onderstaande maatregelen worden gerekend. Deze opsomming is niet limitatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slaapkamer + badkamer op de begane grond Badkamer gelijkvloers met slaapkamer Geschikt maken van de badkamer voor verzorging Verstelbaar keukenblok Inductie koken i.p.v. gas of elektra Verbreden deuren Aanbrengen traplift Automatische opener garage Automatische raamopener voor hoog klep-, val- of uitzetraam (met afstandsbediening) Gemotoriseerde (rol)gordijnen met afstandsbediening Extra lichtpunt (optioneel met sensor) voor looppadverlichting 's nachts naar toilet Hang- en sluitwerk conform politiekeurmerk Voldoende wandcontactdozen op bereikbare plaatsen Optische rookmelder op slaapverdieping (op lichtnet) Koolmonoxidemelder Gasmelder Gasafsluiter Waterdetector Teruggebogen deurklinken Drempels weg of verlagen Vervangen voordeur met dorpel en driepuntsluiting met comfortslot Deurbel met geluidsversterking /lichtsignaal Wandbeugel bij deur (binnenzijde) Wandbeugel bij de deur (buitenzijde) Toegangspad opgehoogd of hellingbaan om niveauverschillente compenseren Stalen drempeloploop voor oplossen hoogteverschil (buiten) Buitenlamp (optioneel bewegingsmelder of schemerschakelaar) Verlicht huisnummer zonder extra stroomaansluiting Elektronisch slot per stuk Sleutelkluisje voor thuiszorg Tweede trapleuning Beugel aan of vlak naast spil van de trap Trapleuning verlengen Lichtpunt met hotelschakelaar in trapgat Infreezen antislip randen in traptreden Verwijderen oude tegels en antisliptegels aanbrengen Anti-sliplaag op bestaande tegels Beugels naast de douche Opklapbaar douchezitje met armleggers Thermostatische badmengkraan Thermostatische douchemengkraan Verdiepen douchevloer in verband met afwatering (bij cabine) Bad vervangen door douche inclusief leiding- en tegelwerk Tweede toilet realiseren in bestaande doucheruimte Toilet op verdieping Verhoogde toiletpot plaatsen (&gt; 46 cm) Opklapbare beugel aanbrengen naast het toilet Geschikt maken/vergroten badkamer voor verzorging TL-verlichting boven kookplaat en/of aanrecht Eénhendelmengkraan keuken Inloopdouche aanbrengen Bijlage7:KPMG normenkader: handreiking hulp bij het huishouden Huishoudelijke ondersteuning: normenkader huishoudelijke hulp Vanaf 1 januari 2022 maakt de gemeente Lansingerland gebruik van het KPMG-normenkader om vast te stellen hoeveel hulp bij het huishouden iemand nodig heeft. Het bepalen van de hoeveelheid hulp bij het huishouden moet objectief gebeuren. Tot voor kort werd hiervoor het normenkader van het CIZ uit 2006 gebruikt. Dit normenkader is verouderd. Daarvoor is het KPMG-normenkader een beter en actueler hulpmiddel. Dit kader is getoetst en in orde bevonden door gerechtelijke instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het normenkader van KPMG gaat uit van een basismodule van 108 uur per jaar voor hulp bij het huishouden per woning. Meestal is dit aantal uren per jaar toereikend voor een (voldoende) schone en leefbare woning, maar de persoonlijke situatie van iemand is hiervoor bepalend. Zo spelen belemmeringen, de samenstelling van een huishouden en de kenmerken van een woning ook een rol. Op basis daarvan kan de omvang van het aantal uren naar boven of naar beneden worden bijgesteld. Deze aspecten komen aanbod tijdens het gesprek met de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het huishouden Het doel van deze maatwerkvoorziening is dat d.m.v. het bieden van ondersteuning in het huishouden de cliënt in staat wordt gesteld om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoon en leefbaar Met de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning dienen de volgende resultaten te worden bereikt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan wonen in een schoon en leefbaar huis;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en linnengoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtes De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van Huishoudelijke Ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijken van normenkader De mogelijkheid om voor bijzondere situaties af te wijken van het normenkader: wanneer cliënten als gevolg van hun beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddelde cliëntsituatie Het vertrekpunt bij het ontwikkelen van de normenkader was steeds een ‘gemiddelde cliëntsituatie’. De gemiddelde cliëntsituatie is als volgt omschreven: een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak; de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisuren t.b.v. een schoon huis De maatwerkvoorziening HbH bestaat uit basisuren gericht op het realiseren van een schoon huis en aanvullende uren die individueel en op maat toegekend kunnen worden als dit noodzakelijk is om het vastgestelde resultaat te behalen. De basisuren worden altijd toegekend als betrokkene recht heeft op ondersteuning bij het huishouden. Met de basisuren kan het huis schoon gehouden worden op het door de gemeente gedefinieerde niveau van schoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisuren HbH richten zich op het uitvoeren van het lichte en zware schoonmaakwerk. Denk aan het afnemen van stof, stofzuigen, reinigen van ramen, vloeren en sanitair en bedden verschonen. Via de basisuren krijgt de klant de beschikking over 2,15 uur ondersteuning per week voor het realiseren van het resultaat ‘schoon huis’. De klant kan deze uren verzilveren bij een aanbieder waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten voor het leveren van hulp bij het huishouden. Het aantal uren dat verstrekt wordt via de basisuren én het niveau van schoon dat hiermee behaald kan worden is gebaseerd op het objectieve en onafhankelijke onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM (juli 2016).</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat ‘Schoon en leefbaar huis’ Basissituatie. Volledige overname: 108 uur per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minder inzet. Bij eigen mogelijkheden client en/of netwerk: -/- 13 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer inzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen en belemmeringen inwoner Enig extra inzet +26 uur Veel extra inzet +52 uur Samenstelling huishouden +26 uur Extra kamer ‘in gebruik’ +16 uur Extra kamer ‘niet in gebruik’ +4 uur Extra vervuiling huisdier +13 uur Overige kenmerken +13 uur Resultaat ‘wasverzorging’ Overname was eenpersoons huishouden: 30 uur per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overname was tweepersoons huishouden: 37 uur per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overname strijken (een- of tweepersoons): 17 uur per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minder inzet. Eigen mogelijkheden cliënt of netwerk: -/- 15 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer inzet. Extra wasmachine per week (t.g.v. beperkingen en belemmeringen cliënt): +14 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat ‘Boodschappen’ Overname boodschappen: 44 uur per jaar Minder inzet. Eigen mogelijkheden cliënt: -/- 9 uur 3a. Resultaat ‘maaltijden’ Twee broodmaaltijden: +20 minuten per dag Warme maaltijd: +20 minuten per dag Resultaat ‘regie/organisatie, advies, instructie en voorlichting (AIV)' Regie/organisatie, AIV': 26 uur per jaar AIV (6 weken): 9 uur max 4a. Resultaat ‘kind zorg’ Maatwerk (tijdelijk) Normenkader per week Normenkader: activiteiten en frequenties zijn opgenomen in normenkader HHM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Aanvullende uren op maat Wanneer als gevolg van objectiveerbare beperkingen klanten onvoldoende ondersteund worden door de basisuren bij het realiseren van een schoon huis of als er een ander noodzakelijk resultaat behaald moet worden, kunnen er aanvullende uren ingezet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via een zorgvuldig, individueel onderzoek wordt bepaald of betrokkene aanvullende uren nodig heeft. In dit onderzoek wordt gekeken of via de eigen mogelijkheden, de algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen in combinatie met een eventuele inzet van de basisuren voor een schoon huis voldoende oplossing wordt geboden. De grootte van het huis(houden) is, in het algemeen, geen aanleiding om aanvullende uren toe te kennen. Ook de aanwezigheid van dieren (uitgezonderd hulphonden e.d.) zijn in principe geen aanleiding voor het toekennen van aanvullende uren. De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort, in de eerste plaats, tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer inzet vanwege beperkingen en belemmeringen patiënt, huishouden en aanwezige dieren Aanvullende uren kunnen ingezet worden als betrokkene vanwege geobjectiveerde medische/fysieke belemmeringen onvoldoende resultaat kan bereiken met het slim inzetten van de basisuren die beschikbaar zijn voor het realiseren van een schoon huis. Aanleiding voor de inzet van deze aanvullende uren kan zijn de ernstige fysieke beperkingen waardoor betrokkene geen mogelijkheden heeft zelf enige huishoudelijke werkzaamheden te verrichten of medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is, of medische/fysieke beperkingen die leiden tot een snellere vervuiling van het huis. De extra noodzakelijke schoonmaak dient een medische/fysieke oorzaak te hebben, welke aantoonbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke zorg). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Dit staat nog los van de verzorging van huisdieren. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer inzet voor schoon linnen- en beddengoed en schone kleding (resultaat wasverzorging) Ondersteuning ten behoeve van dit resultaat wordt geboden als een persoon een belemmering heeft bij het op orde en schoonhouden van het linnen- en/of beddengoed en kleding. Het doel van dit resultaat is de beschikking hebben over schoon linnen- en beddengoed en/of over schone kleding. De verzorging van de was zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed. Verwacht mag worden dat de persoon beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het realiseren van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de klant. Daarnaast wordt van de klant verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger of kleding die niet gestreken hoeft te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van betrokkene wordt tevens verwacht dat hij/zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti- allergieproducten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het klaarzetten of bereiden van eten en drinken (resultaat maaltijden) Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten, warme maaltijd opwarmen. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig broodmaaltijd wordt bereid en klaargezet (20 min per dag) en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet (20 min per dag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het gesprek met betrokkene worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Is er een huisgenoot aanwezig die in staat is de maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Dan hoeft de gemeente op grond van gebruikelijke hulp geen ondersteuning te bieden. Kan betrokkene op eigen kracht of met hulp van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is bijvoorbeeld een kind of één van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt er in het onderzoek gekeken of voor-liggende voorzieningen zoals kant en klaar maaltijden van de supermarkt, mee-eten bij een verzorgings-huis, maaltijdbezorging aan huis etc. oplossingen bieden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Indien een persoon niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende voorzieningen niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leiden, kan ondersteuning door de gemeente worden bezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regie/organisatie, advies, instructie en voorlichting (resultaat AIV) Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer betrokkene niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen, heeft de hulp, aansturende en regietaken. Daarbij geldt voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij betrokkene. Ook kan ondersteuning bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Het doel van het voeren van de regie over het huishouden is het schoonhouden van het huis, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de klant verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijv. een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. De hulp dient bij het uitoefenen van de ondersteuning zoveel mogelijk de klant te betrekken bij het maken van keuzes. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de klant. Bij een deel van deze groep zal geen sprake zijn van ontwikkelvermogen, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat de klant zelfstandig woont, is daarom onderdeel van het resultaatgebied (signaleren en doorgeven aan de gemeente).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken woning Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.</p></div>", "next": 0}