{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voor openstelling van het natuurterrein is geen ontheffing verkregen als bedoeld in artikel 3.6, zesde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen en paden, die recreatief gebruik mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger van de subsidie onderhoudt de onder punt 3 genoemde wegen, vaarwegen en paden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger van de subsidie verleent – indien van toepassing – medewerking aan de aanleg, markering en het beheer van doorgaande routes voor wandelen en fietsen in het kader van de lange afstandwandelpaden (LAW’s) en landelijke fietsroutes (LF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage3Agrarisch natuurbeheer Onderdeel A:</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch natuurtype en bijbehorend agrarische beheertypen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch natuurtype Agrarisch beheertype A01 Agrarische Faunagebieden A01.01 Weidevogelgebied A01.02 Akkerfaunagebied A01.03 Ganzenfourageergebied A02 Agrarische floragebieden A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.02 Botanisch waardevol akkerland Onderdeel B Onderdeel B.1. Agrarische beheertypen en bijbehorende agrarische beheerpakketten die zijn toegestaan in de gebieden zoals aangewezen in het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 in het kader van maatregel 214 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 Agrarische beheertypen Agrarische beheerpaketten A01.01 Weidevogelgebied A01.01.01 Weidevogelgrasland met rustperiode A01.01.02 Weidevogelgrasland met voorweiden A01.01.03 Plas-dras A01.01.04 Landbouwgrond met legselbeheer A01.01.05 Kruidenrijk weidevogelgrasland A01.01.06 Extensief beweid weidevogelgrasland A01.02 Akkerfaunagebied A01.02.01 Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02 Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels A01.02.03 Bouwland met hamsters A01.03 Ganzenfourageergebied A01.03.01 Overwinterende ganzen A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.01.01 Botanisch weiland A02.01.02 Botanisch hooiland A02.01.03 Botanisch weide- of hooilandrand A02.01.04 Botanisch bronbeheer A02.02 Botanisch waardevol akkerland A02.02.01 Akker met waardevolle flora A02.02.02 Chemie en kunstmestvrij land A02.02.03 Akkerflora randen Beschrijving agrarische beheerpakketten Agrarisch beheerpakket A01.01.01: Weidevogelgrasland met rustperiode Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakket uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid, onderdeel a, van de onderhavige uitvoeringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een rustperiode in acht genomen. De lengte van de rustperioden staat hieronder gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01a De rustperiode loopt van 1 april tot 1 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01b De rustperiode loopt van 1 april tot 8 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01c De rustperiode loopt van 1 april tot 15 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01d De rustperiode loopt van 1 april tot 22 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01e De rustperiode loopt van 1 april tot 1 juli;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01f De rustperiode loopt van 1 april tot 15 juli;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01g De rustperiode loopt van 1 april tot 1 augustus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.02: Weidevogelgrasland met voorweiden Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakket uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid, onderdeel a, van de onderhavige uitvoeringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een rustperiode in acht genomen. De lengte van de rustperiode staat hieronder gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grasland wordt vóór de rustperiode niet gemaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.02a De rustperiode loopt van 1 mei tot 15 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.02b De rustperiode loopt van 8 mei tot 22 juni.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.03: Plas-dras Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakket uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid, onderdeel a, van de onderhavige uitvoeringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is jaarlijks geïnundeerd. De inundatieperiode staat hieronder gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de inundatieperiode staat op tenminste 60% van de beheereenheid het waterpeil ten minste 5 en ten hoogste 20 cm boven het maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.03a De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 april;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.03b De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 mei;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.03c De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.03d De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 1 augustus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.04: Landbouwgrond met legselbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland of bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakket uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid, onderdeel a, van de onderhavige uitvoeringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid wordt tijdens het broedseizoen een of enkele malen afgezocht op aanwezige legsels; de legsels worden gemarkeerd en, indien de beheereenheid wordt beweid, van deugdelijke legselbeschermers voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een perceel grasland wordt gemaaid of anderszins bewerkt, wordt een enclave van tenminste 50m2 om de aanwezige nesten gevrijwaard van alle landbouwkundige werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een perceel bouwland wordt bewerkt, worden de nesten ontzien bij de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04a1 Legselbeheer op grasland met 35 broedparen per hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04a2 Legselbeheer op grasland met 50 broedparen per hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04a3 Legselbeheer op grasland met 75 broedparen per hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04a4 Legselbeheer op grasland met 100 broedparen per hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04b Legselbeheer op bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgrasland Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakket uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid, onderdeel a, van de onderhavige uitvoeringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend bemesting met vaste mest toegestaan buiten de rustperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een rustperiode in acht genomen van 1 april tot 15 juni.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gewas wordt jaarlijks voor 1 augustus afgevoerd door middel van maaien en afvoeren. Tweede keer maaien en afvoeren is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.06: Extensief beweid weidevogelgrasland Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakket uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid, onderdeel a, van de onderhavige uitvoeringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beweiding is verplicht tot 15 juni met minimaal 1 en maximaal 1,5 GVE/ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 1 april en 15 juni is de beheereenheid niet gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.02.01: Bouwland met broedende akkervogels Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is minimaal 9 meter breed, tenzij in de onderstaande varianten anders wordt bepaald, en heeft een minimale oppervlakte van 0,3 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende gewassen telen, waaronder graan. Braakliggende grond beschouwen we als een gewas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 1 mei en het moment van grondbewerking moet op de beheereenheid één van de volgende gewassen aanwezig zijn: grassen, granen (niet zijnde maïs of graanstoppel), kruiden of een mengsel van deze. Onder het moment van grondbewerking wordt verstaan de periode waarin de in de betreffende variant beschreven handelingen uitgevoerd mogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gewas wordt ingezaaid, waarbij in het natuurbeheerplan wordt bepaald welke zaaimengsels en welke zaaidichtheden gebruikt mogen worden. Voor variant A01.02.01b geldt dat het gewas ook door spontane ontwikkeling aanwezig mag zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">20-70% van de beheereenheid dient jaarlijks ten minste twee maal te worden gemaaid tussen 1 maart en 15 september. Delen die opnieuw zijn ingezaaid hoeven in hetzelfde voorjaar niet te worden gemaaid. Het maaien mag niet gebeuren door klepelen. Het beheer wordt strooksgewijs uitgevoerd volgens onderstaande varianten. Het toegestane maairegime wordt verder gedifferentieerd in het natuurbeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mechanische en chemische onkruidbestrijding zijn niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, haagwinde, heermoes of kleefkruid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid mag niet worden beweid of bemest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar ploegen is toegestaan, mag ook een andere diepe grondbewerking worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.01a Jaarlijks dient 20-50% van de beheereenheid opnieuw tussen 1 september en 15 april worden geploegd en opnieuw ingezaaid met een in het natuurbeheerplan voorgeschreven zaaimengsel. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.01b Jaarlijks dient 20-50% van de beheereenheid opnieuw tussen 1 september en 15 april te worden geploegd. Tussen 1 maart en 15 april mag nog een grondbewerking worden uitgevoerd. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.01c In het derde of vierde jaar dient de gehele beheereenheid tussen 1 september en 15 april te worden geploegd en opnieuw ingezaaid met een in het natuurbeheerplan voorgeschreven zaaimengsel. Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is op dat moment mogelijk. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden. Van de verplichting om in het derde of vierde jaar te ploegen en opnieuw in te zaaien kan worden afgeweken als dit is opgenomen in het goedgekeurde collectief beheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.01d De beheereenheid is minimaal 12 meter breed. Tussen 15 april en 31 augustus mag maximaal 10% van de oppervlakte van de beheereenheid bedekt zijn met rijsporen. Tussen 1 september en 15 april mag maximaal 30% van de oppervlakte van de beheereenheid bedekt zijn met rijsporen. In het derde of vierde jaar dient tussen 1 september en 15 april over de gehele beheereenheid een diepe grondbewerking plaats te vinden en dient deze opnieuw te worden ingezaaid met een in het natuurbeheerplan voorgeschreven zaaimengsel. Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is op dat moment mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.02.02: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is minimaal 9 meter breed en heeft een minimale oppervlakte van 0.3 ha en een maximale oppervlakte van 2 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende gewassen telen, waaronder graan. Braakliggende grond beschouwen we als een gewas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beheereenheid moet tussen 1 mei en 15 maart een graanmengsel staan van tenminste 50% zomertarwe, aangevuld met rogge, haver of een zaadragend gewas niet zijnde graan of maïs. De beheereenheid mag niet worden geoogst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid dient jaarlijks tussen 16 maart en 30 april te worden ingezaaid met een gangbare zaaidichtheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mechanische en chemische onkruidbestrijding zijn niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van akkerdistel ridderzuring, haagwinde, heermoes of kleefkruid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.02a Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op kleigrond;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.02b Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op zandgrond;</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.02.03: Bouwland voor hamsters Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende gewassen telen waaronder graan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de variant Bouwland voor hamsters geldt: de beheereenheid is ten minste 0,3 ha groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de variant Opvangstrook voor hamsters geldt: de beheereenheid is minimaal 15 meter breed en minimaal 100 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.03a Bouwland voor hamsters Grondbewerking mag niet dieper dan 25 cm plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beheereenheid wordt in overleg met de gebiedscoördinator één van de volgende gewassen geteeld: luzerne, graan (niet zijnde maïs), bladrammenas of een combinatie van deze gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Luzerne wordt jaarlijks tussen 20 april en 20 juni gemaaid en afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Graan wordt niet geoogst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid wordt jaarlijks in februari geklepeld. Buiten deze periode is bij overlast van de bruine rat klepelen toegestaan in overleg met de gebiedscoördinator.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.03b Opvangstrook voor hamsters Grondbewerking mag niet dieper dan 25 cm plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat van augustus tot en met januari uit volgroeid graan (niet zijnde maïs). Bij overlast van de bruine rat is klepelen toegestaan in overleg met de gebiedscoördinator.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.03.01: Overwinterende ganzen Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland of bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 hectare en maakt onderdeel uit van een verzameling beheereenheden binnen één foerageergebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.01.01 tot en met A01.01.06.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan binnen de periode van 1 oktober tot 1 april handelingen te verrichten of toe te laten die de foerageerfunctie van het gebied voor ganzen en/of smienten negatief beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud van sloten, walkanten en drainagesystemen is toegestaan van 1 oktober tot 1 februari.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de vier onderstaande varianten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.03.01a Ganzen op grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 november moet een grassnede aanwezig zijn met een voederwaarde van minimaal 500 kVEM/ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaien of bloten om te lang gras te voorkomen is toegestaan van 27 oktober tot 1 november.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beweiding met melkvee is toegestaan tot 15 november, waarbij na 15 november minimaal 500 kVEM/ha beschikbaar moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beweiding (uitgezonderd melkvee) is vanaf 1 november tot 1 februari toegestaan met maximaal 0,45 GVE/ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.03.01b Ganzen op bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor 15 november moet één van de gewassen; winterkoolzaad, wintertarwe, wintergerst, Rogge of graszaad zijn ingezaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gewas onder 1 wordt tot 1 april in stand gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.03.01c Ganzen op vroege groenbemester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een groenbemester is vóór 1 oktober ingezaaid met één van de gewassen; Italiaans raaigras, Engels raaigras, Snijrogge, of met een mengsel van deze gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De groenbemester wordt tot 1 februari in stand gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.03.01d Ganzen op late groenbemester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een groenbemester is vóór 1 november ingezaaid met één van de gewassen; Italiaans raaigras, Engels raaigras, Snijrogge, of met een mengsel van deze gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De groenbemester wordt tot 1 april in stand gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.01.01: Botanisch weiland Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standweiden is het gehele jaar toegestaan met max. 2 GVE per hectare. Van 1 oktober tot 1 maart is onbeperkt weiden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.01.02: Botanisch hooiland Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beweiding is uitsluitend toegestaan in de periode van 1 augustus tot 1 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gewas wordt jaarlijks minimaal éénmaal gemaaid en afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.01.03: Botanische weide- of hooilandrand Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid heeft een minimale (rand)breedte van 2 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grasland mag niet worden geklepeld, gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor botanische weiderand geldt: beweiding is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor botanische hooilandrand geldt: beweiding is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.01.03a Botanische weiderand A02.01.03b Botanische hooilandrand Agrarisch beheerpakket A02.01.04: Botanisch bronbeheer Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is gelegen in een brongebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid staat niet in verbinding met open water, behalve bij natuurlijke afwatering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beweiding is uitsluitend toegestaan in de periode van 1 augustus tot 1 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gewas wordt jaarlijks minimaal éénmaal gemaaid en afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bron vrijwaren van beschadiging door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen kunstmatig waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.02.01: Akker met waardevolle flora.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbouwing van maïs is in het geheel niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jaren waarin graan wordt verbouwd, vindt geen bemesting met kunstmest plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jaren waarin graan wordt verbouwd, vindt er in de beheereenheid geen mechanische onkruidbestrijding plaats vanaf het zaaien (bij zomergraan) of vanaf 1 april (bij wintergraan) tot de oogst en is het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen en insecticiden niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van haarden met akkerdistel, ridderzuring, kleefkruid of haagwinde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de drie onderstaande varianten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.01a Drie van de zes jaar graan: In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.01b Vier van de zes jaar graan: In tenminste vier van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.01c Vijf van de zes jaar graan: In tenminste vijf van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.02.02: Chemie en kunstmestvrij land Instapeisen voor het beheerpakket:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan, met uitzondering van maïs, verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de drie onderstaande varianten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.02a Drie van de zes jaar graan: In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.02b Vier van de zes jaar graan: In tenminste vier van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.02c Vijf van de zes jaar graan: In tenminste vijf van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.02.03: Akkerflora randen Instapeisen voor het beheerpakket:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is in gebruik als bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid heeft een oppervlakte van minimaal 0,3 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beheereenheid wordt in de beheerperiode graan, met uitzondering van maïs, verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beheereenheid vindt geen mechanische onkruidbestrijding plaats vanaf het zaaien (bij zomergraan) of vanaf 1 april (bij wintergraan) tot de oogst en is het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van haarden met akkerdistel, ridderzuring of kleefkruid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemesting en beweiding van de beheereenheid is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel B.2. Agrarische beheertypen en bijbehorende regionale agrarische beheerpakketten Agrarisch beheertypen Agrarisch beheerpakketten (regionaal) A01.01 Weidevogelgebied A01.02 Akkerfaunagebied A01.03 Ganzenfourageergebied A01.03.Lb01. Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen A01.04 Insectenrijke grasland A01.04.Lb01 Insectenrijk graslandperceelbeheer Roerdal A01.04.Lb02 Insectenrijke graslandranden Roerdal A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.02 Botanisch waardevol akkerland Beschrijving regionale agrarische beheerpakketten Agrarisch beheerpakket A01.03.Lb01: Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is een perceel grond, welk minimaal 0,5 hectare groot is en gelegen binnen de begrenzing van de aangegeven zoekgebieden in het beheerplan voor de overzomerende Grauwe gans in Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit bemest grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient op de beheereenheid in het foerageerseizoen te allen tijde aantrekkelijk gras voor ganzen aanwezig te zijn. Onder aantrekkelijk gras wordt verstaan; gras met een lengte van 5 tot 15 cm. Er dient op geen enkele plaats binnen het foerageergebied gras met een lengte van meer dan 30 cm aanwezig te zijn, tenzij dit niet volgens de goede landbouwpraktijk voorkomen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beheereenheid mogen geen ganzen verjaagd worden. Overige dieren die schade veroorzaken mogen wel ver- en bejaagd worden, mits de ganzen niet verstoord worden. Het uitgangspunt is zoveel mogelijk ganzen op de beheereenheid te krijgen en te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid dient 3 keer per jaar gemaaid of gebloot te worden. Dit dient niet volvelds te worden gedaan om altijd kwalitatief, voldoende gras aan te kunnen bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige werkzaamheden die de graskwaliteit verbeteren, maar het foerageren op korte termijn belemmeren, dienen in gedeeltes uitgevoerd te worden. (vb: slepen van grasland, bemesten, bloten, oogsten). Onder normale weersomstandigheden dient te allen tijden geschikt gras aanwezig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de grasgroei het toelaat kan er geweid worden. Het vee mag niet langer dan 4 weken op een perceel lopen. Het totale perceel mag ingedeeld worden in kleinere percelen om de dieren te laten omweiden. Hierbij dient de beweiding in dienst van het beheerdoel te staan. Om ganzen niet te verstoren dient de beweiding van 1 juli tot en met 30 september plaats te vinden met maximaal 4 GVE per hectare op enig moment. Dit geldt op perceelsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er een maaisnede wordt geoogst of dat de graasdieren omgeweid worden dient het te maaien perceel of het perceel waarin het vee wordt omgeweid getaxeerd te worden. De schade zal middels de graslandhoogtemeter opgenomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onkruiden dienen pleksgewijs bestreden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met drijfmest bemest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met kunstmest bemest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er op plekken minder smakelijke grassen voorkomen of door vertrapping het gras verdwenen is, dienen deze plekken doorgezaaid te worden zodat er weer aantrekkelijk eiwitrijk gras ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Administratieve verplichtingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemers houden op perceelsniveau een grasland logboek bij, dit wordt aangeleverd door de projectleider en wordt maandelijks teruggestuurd naar de projectleider.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende verplichtingen Elk jaar vindt er een evaluatie plaats of de doelen zijn gehaald en kunnen de broed- en opgroeilocaties anders ingedeeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aanmerkingen vanuit de projectleider worden opgevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De percelen worden ter beschikking gesteld aan alle activiteiten die aan het project gerelateerd zijn (bijvoorbeeld tellingen, taxaties en beoordelingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.04.Lb01: Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is een perceel grasland van minimaal 0,5 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grasland of de strook is gelegen in het leefgebied Donker Pimpernelblauwtje zoals weergegeven in het Beschermingsplan Donker pimpernelblauwtje Roerdal (Boeren, J., 2005).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze graslanden worden jaarlijks grotendeels gefaseerd gemaaid waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Er blijft ook een deel ongemaaid. Bemesting vindt alleen plaats met stalmest of kalk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beweiding is toegestaan overeenkomstig de gekozen variant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.04.Lb01a Instandhoudingsbeheer basis Jaarlijks maaien in de periode van 15 september tot 1 januari.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 % van de vegetatie niet maaien en in de winter laten overstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gehele perceel nogmaals maaien tussen 1 mei en 1 juni. Maaisel steeds afvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.04.Lb01b Instandhoudingsbeheer plus Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de periode tussen 15 september tot 1 januari. Het maaisel wordt afgevoerd. Het volgende jaar wordt de andere 50% gemaaid en afgevoerd, eveneens in de periode 15 september tot 1 januari.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemesting mag alleen plaatsvinden met ruige stalmest, uitgezonderd pluimveemest, of met kalk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodembewerking zoals freezen, ploegen, etc. is niet toegestaan. Het perceel bestaat uit blijvend grasland: dus ook niet scheuren en herinzaaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding van jacobskruiskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of kleefkruid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nabeweiding is toegestaan in de periode 15 september - 1 januari met maximaal 3 GVE. In het overig deel van het jaar wordt niet beweid, in verband met het behoud van typische hooilandplanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.04.Lb02: Insectenrijke graslandranden Roerdal Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid is een strook grasland van minimaal 50 meter lang en tussen de 2 en 5 meter breed gelegen langs een wegberm, watergang of houtsingel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grasland of de strook is gelegen in het leefgebied Donker Pimpernelblauwtje zoals weergegeven in het Beschermingsplan Donker pimpernelblauwtje Roerdal (Boeren, J., 2005).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal één keer per jaar maaien en afvoeren, waarbij circa 50 % van de strook niet gemaaid wordt. Dit niet gemaaide deel mag elk jaar anders zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaien vindt plaats in de periode van 15 september tot 1 januari.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemesting mag alleen plaatsvinden met ruige stalmest, uitgezonderd pluimveemest, of met kalk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodembewerking zoals freezen, ploegen, etc. is niet toegestaan. De strook bestaat uit blijvend grasland: dus ook niet scheuren en herinzaaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding van jacobskruiskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of kleefkruid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beweiding is niet toegestaan in de als insectenstrook beheerde perceelsrand, de rest van het perceel mag wel beweid worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4Aanvullende randvoorwaarden Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage5Eisen Collectief beheerplan Een collectief beheerplan voldoet aan de volgende eisen: onderdeel van het collectief beheerplan maakt uit een elektronische kaart met een topografische ondergrond, waarop is aangegeven op welke landbouwgronden de deelnemende landbouwers welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren; de gebiedscoördinator sluit met elk van de deelnemende landbouwers een overeenkomst waarin het beheer, bedoeld in subonderdeel a, wordt vastgelegd. De overeenkomst wordt door beide partijen ondertekend en in elk geval opgenomen in de administratie van de gebiedscoördinator; als onderdeel van het collectief beheerplan voegt de gebiedscoördinator een advies van de gebiedscoördinator met betrekking tot de kwaliteit van het collectief beheerplan; het collectief beheerplan omvat tevens een omschrijving en plaatsaanduiding van het beheer, uitgevoerd door ontvangers van: een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige verordening; een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister; een subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer Noord-Holland of een subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister, voor zover dit beheer samenhangt met en relevant is voor het doel van het collectief agrarisch natuurbeheer waarvoor de gebiedscoördinator een collectief beheerplan opstelt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebiedscoördinator draagt er zorg voor dat de oppervlakte die per deelnemende landbouwer is opgenomen in het collectief beheerplan, groter gelijk onderscheidenlijk kleiner gelijk is dan de minimum- onderscheidenlijk maximumoppervlakte die de betreffende landbouwer heeft aangegeven in de aanvraag, bedoeld in artikel 4.1.2.1; aan nadere door ons opgestelde eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een wijziging van een vastgesteld collectief beheerplan voldoet aan de volgende eisen: onderdeel van de wijziging maakt uit een elektronische kaart met een topografische ondergrond waarop de wijzigingen, bedoeld in de onderdelen b en c, zijn aangegeven. op de in onderdeel a bedoelde kaart is ten behoeve van landbouwers die reeds vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan deelnamen aan collectief agrarisch natuurbeheer in het gebied waarop het collectief beheerplan ziet, en voor zover daar door die landbouwers om is verzocht, aangegeven: op welke landbouwgronden waarvoor reeds een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt, zij welke gewijzigde agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (ander agrarisch beheerpakket op dezelfde beheereenheid); op welke gewijzigde landbouwgronden zij het agrarisch beheerpakket of variant daarvan wensen uit te gaan voeren dat vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan werd uitgevoerd op de onder i. bedoelde landbouwgronden (hetzelfde agrarische beheerpakket op andere beheereenheid); op welke gewijzigde landbouwgronden zij welke gewijzigde agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (ander agrarisch beheerpakket op andere beheereenheid); welke landbouwgronden waarvoor reeds een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt, zij voor de resterende periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt, wensen te vergroten overeenkomstig artikel 7.5, eerste lid (vergroting bestaande beheereenheid); op welke landbouwgronden die niet vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan in dat plan waren opgenomen, en die zelfstandig voldoen aan de voorwaarden van de onderhavige verordening voor de betreffende subsidie, zij overeenkomstig artikel 7.5, eerste lid, voor de resterende periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt, welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (nieuwe beheereenheid voor resterende subsidieperiode); op welke landbouwgronden die niet vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan in dat plan waren opgenomen, zij voor de gehele periode, bedoeld in artikel 4.1.1.2, welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (nieuwe beheereenheid voor volledige subsidieperiode). op de in onderdeel a bedoelde kaart is ten behoeve van landbouwers die niet reeds vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan deelnamen aan collectief agrarisch natuurbeheer in het gebied waarop het collectief beheerplan ziet, op verzoek van die landbouwers, aangegeven op welke landbouwgronden zij voor de gehele periode, bedoeld in artikel 4.1.1.2, welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (nieuwe beheereenheid voor volledige subsidieperiode).</p>\n<p class=\"lf-p\">de gebiedscoördinator sluit met elk van de deelnemende landbouwers een overeenkomst waarin het beheer, bedoeld in subonderdeel b onderscheidenlijk subonderdeel c, wordt vastgelegd. De overeenkomst wordt door beide partijen ondertekend en in elk geval opgenomen in de administratie van de gebiedscoördinator; als onderdeel van de wijziging voegt de gebiedscoördinator een advies van de gebiedscoördinator met betrekking tot de kwaliteit van het collectief beheerplan in relatie tot de verzochte wijzigingen in beheer; de gebiedscoördinator draagt er zorg voor dat de oppervlakte die per deelnemende landbouwer is opgenomen in het collectief beheerplan, groter gelijk is aan de minimumoppervlakte die de betreffende landbouwer heeft aangegeven in de aanvraag, bedoeld in artikel 4.1.2.1; aan nadere door ons opgestelde eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen als bedoeld in onderdeel b, onder i. en iii., zijn niet toegestaan voor zover deze tot gevolg hebben dat de landbouwer een agrarisch beheerpakket gaat uitvoeren dat behoort tot een ander agrarisch beheertype, of dat minder stringente eisen kent dan het agrarisch beheerpakket dat vóór het verzoek tot wijziging op die landbouwgrond of de gewijzigde landbouwgrond werd uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen als bedoeld in onderdeel b, onder i. tot en met iii., zijn evenmin toegestaan voor zover zij betrekking hebben op agrarische beheerpakketten die behoren tot de agrarische beheertypen met de aanduiding A02.01 of A02.02.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage6Landschap Onderdeel A.1 Landschapsbeheertypen en bijbehorende landschapselementen waarvan de instandhouding is toegestaan binnen natuurterreinen, waarbij landschapselementen waarvan de alfanumerieke aanduiding eindigt op de cijfers “00” slechts door gecertificeerde begunstigden kunnen worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapsbeheertype Landschapselement L01 Groenblauwe Landschapselementen L01.01 Poel en kleine historisch water L01.01.00 Poel en kleine historisch water - gemiddeld L01.01.01 Oppervlakte poel &lt; 175 m2 L01.01.02 Oppervlakte poel &gt; 175 m2 L01.02 Houtwal en houtsingel L01.02.00 Houtwal en houtsingel - gemiddeld L01.02.01 Houtsingel en houtwal L01.02.02 Hoge houtwal L01.02.03 Holle weg en graft L01.03 Elzensingel L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld L01.03.01 Bedekking elzensingel 30%-50% L01.03.02 Bedekking elzensingel 50%-75% L01.03.03 Bedekking elzensingel &gt; 75% L01.04 Bossingel en bosje L01.04.01 Bossingel en bosje L01.05 Knip- of scheerheg L01.05.00 Knip- of scheerheg - gemiddeld L01.05.01 Heg jaarlijks scheren of knippen L01.05.02 Heg eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen L01.06 Struweelhaag L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld L01.06.01 Struweellaag snoeicyclus 5-7 jaar L01.06.02 Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar L01.07 Laan L01.07.00 Laan - gemiddeld L01.07.01 Laan stamdiameter bomen &lt; 20 cm L01.07.02 Laan stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.03 Laan stamdiameter bomen &gt; 60 cm L01.08 Knotboom L01.08.00 Knotboom - gemiddeld L01.08.01 Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm L01.08.02 Knotboom stamdiameter 20-60 cm L01.08.03 Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm L01.09 Hoogstamboogaard L01.09.01 Hoogstamboomgaard L03 Aardwerken L03.01 Aardwerk en groeve L03.01.01 Aardwerk en groeve Beschrijving landschapsbeheertypen Landschapsbeheertype L01.01 : Poel en klein historisch water Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2 are.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijvers die een onderdeel zijn van een park of tuin, of daarin aangelegd worden, vallen niet onder dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wateren die onder de natuurbeheertypen N06.05 Zwakgebufferd ven of N06.06 Zuur ven of Hoogveenven vallen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sloten behoren niet tot dit beheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">De historische of natuurlijke contouren/vormen worden behouden. Dit is bijvoorbeeld belangrijk bij oude elementen zoals pingoruïnes waarvan de randzones archeologisch belangrijk kunnen zijn. Hierbij gaat het dan om de walachtige structuur rondom de plas. Maar het geldt ook bij de visvijvers. Dit landschapsbeheertype wordt periodiek opgeschoond om voldoende open water te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld L01.01.01 Poel en klein historisch water &lt; 175 m2 L01.01.02 Poel en klein historisch water &gt; 175 m2 Landschapsbeheertype L01.02: Houtwal en houtsingel Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit landschapsbeheertype, maar tot het landschapsbeheertype L01.03 Elzensingel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtwallen en houtsingels worden periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-25 jaar, met uitzondering van eventueel aanwezige overstaanders. Bij houtwallen wordt tevens het wallichaam in stand gehouden en indien nodig hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.02.00 Houtsingel en houtwal - gemiddeld L01.02.01 Houtsingel en houtwal L01.02.02 Hoge houtwal L01.02.03 Holle weg en graft Landschapsbeheertype L01.03: Elzensingel Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een elzensingel is minimaal 25 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse bomenrijen horen niet tot dit landschapsbeheertype, maar tot het landschapsbeheertype L01.13 Bomenrij en solitaire boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Elzensingels worden periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-21 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld L01.03.01 Elzensingel bedekking 30-50% L01.03.02 Elzensingel bedekking 50%-75% L01.03.03 Elzensingel bedekking &gt; 75% Landschapsbeheertype L01.04: Bossingel en bosje Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bossingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Bossingels en bosjes worden in de tijd onregelmatig periodiek gedund of gesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.04.01 Bossingel en bosje Landschapsbeheertype L01.05: Knip- of scheerheg Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knip- of scheerheg wordt jaarlijks of minimaal eenmaal per 3 jaar geknipt of geschoren. Snoeimateriaal mag blijven liggen voor zover dat het element of de ondergroei niet schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.05.00 Knip- en scheerheg - gemiddeld L01.05.01 Knip- en scheerheg jaarlijkse cyclus L01.05.02 Knip- en scheerheg 2-3 jaarlijkse cyclus Landschapsbeheertype L01.06: Struweelhaag Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het landschapsbeheertype L01.05 Knip- of scheerheg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Struweelhagen kunnen periodiek gevlochten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Een struweelhaag wordt periodiek gesnoeid of afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-25 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld L01.06.01 Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar L01.06.02 Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar Landschapsbeheertype L01.07: Laan Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dit landschapsbeheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is beplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een laan is minimaal 50 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse bomenrijen horen niet tot dit landschapsbeheertype, maar tot het landschapsbeheertype L01.13 Bomenrij en solitaire boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Laanbeheer is een intensieve beheervorm. Systematische boomcontrole is nodig om de veiligheid van de laan te garanderen. Opsnoeien van de bomen behoort tot het reguliere onderhoud. Beginnen bomen in de laan uit te vallen, kan op een gegeven moment gekozen worden voor verjonging van een laan. Dit betekent het opnieuw inplanten van het laantracé met bomen van dezelfde soort en leeftijd, op regelmatige afstand van elkaar. Het kan in bosgebieden nodig zijn de jonge aanplant te beschermen tegen vraat en vrij te stellen om voldoende licht toe te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.07.00 Laan - gemiddeld L01.07.01 Laan stamdiameter &lt; 20 cm L01.07.02 Laan stamdiameter 20-60 cm L01.07.03 Laan stamdiameter &gt; 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en element wordt als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapsbeheertype L01.08: Knotboom Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot).</p>\n<p class=\"lf-p\">Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knotboom wordt periodiek geknot. Knoteiken worden geknot in een cyclus van éénmaal per 7-15 jaar. Bij knotessen en knotelzen vindt het knotten plaats in een cyclus van éénmaal per 5-8 jaar en knotwilgen en knotpopulieren worden gemiddeld éénmaal in de vier jaar geknot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.08.00 Knotboom - gemiddeld L01.08.01 Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm L01.08.02 Knotboom stamdiameter 20-60 cm L01.08.03 Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere knotbomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element Landschapsbeheertype L01.09: Hoogstamboomgaard Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,50 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grasachtige vegetatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 10% van de fruitbomen bestaat uit walnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogstamfruitbomen worden periodiek gesnoeid en bij beweiding moet beschadiging van de bomen door vee voorkomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.09.01 Hoogstamboomgaard Landschapsbeheertype L03.01: Aardwerk en groeve Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle landschapselementen die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) staan, zoals bijvoorbeeld motte’s, grafheuvels en vlietbergen vallen buiten dit landschapsbeheertype maar vallen onder het type archeologisch waardevol terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen landschapselementen dia als zodanig worden beheerd vallen onder dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elementen die al onder een ander landschapsbeheertypen kunnen worden gerekend vallen buiten dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">De kern van het beheer is dat het landschapselement in de huidige toestand blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L03.01.01 Aardwerk en groeve Onderdeel A.2 Provinciale landschapsbeheertypen en bijbehorende regionale landschapselementen waarvan de instandhouding is toegestaanbinnen natuurterreinen, waarbij landschapselementen waarvande alfanumerieke aanduiding eindigt op de cijfers “00” slechtsdoor gecertificeerde begunstigden kunnen worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapsbeheertype Landschapselement L01 Groenblauwe Landschapselementen L01.Lb1 Foerageerrand Bever L01.Lb1 Foerageerrand Bever L01.ZH1 Halfstamboomgaard bij historische boerderijen L01.ZH1 Halfstamboomgaard bij historische boerderijen L01.ZH2 Leibomen bij historische boerderijen L01.ZH2 Leibomen bij historische boerderijen L03 Aardwerken L03.01 Aardwerken en groeve L03.01.02 Schurvelingen en zandwallen op Goeree Beschrijving regionale landschapsbeheertypen Landschapsbeheertype L01.Lb1: Foerageerrand Bever Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De foerageerrand heeft een minimale breedte van 10 meter, en een maximale breedte van 20 meter (gemeten vanaf de waterloop landinwaarts) met een minimale lengte van 50 meter Het landschapselement grenst aan een waterloop waar recentelijk het voorkomen van een of meerdere Bevers is aangetoond of bestaat uit potentieel leefgebied voor deze soort. Deze leefgebieden staan beschreven in het Stimuleringsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het landschapselement grenst aan gras- of akkerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het landschapselement bestaat na 6 jaar uit een ruige of moerassige vegetatie. Verspreide opslag van struiken en jonge bomen is gewenst omdat dit in de winter stapelvoedsel voor de bever is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tegengaan van bosvorming door eenmaal per zes jaar de grootste bomen te kappen. Bij afsluiten van de overeenkomst ook een vrijstelling van de Boswet aanvragen van de meldings- en herplantplicht bij de Dienst Regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.Lb1 Foerageerrand Bever Landschapsbeheertype L01.ZH1: Halfstamboomgaard bij historische boerderijen Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Halfstamboomgaarden hebben een minimale stamhoogte die lager is 1,5m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een halfhoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 0,6 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een halfhoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 bomen en heeft een dichtheid van minimaal 75 en maximaal 150 fruitbomen per hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een halfhoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De halfstamboomgaard behoort bij een historische boerderij of ander gebouw dat vermeld staat op een locale of landelijke monumentenlijst of de boomgaard is vermeld op www.kich.nl of op een provinciale cultuurhistorische waardenkaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Halfhoogstamfruitbomen worden periodiek gesnoeid en bij beweiding moet beschadiging van de bomen door vee voorkomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.ZH1 Halfstamboomgaard bij historische boerderijen Landschapsbeheertype L01.ZH2: Leibomen bij historische boerderijen Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend leibomen bij historische boerderijen komen in aanmerking. Dit zijn boerderijen die voorkomen op de Rijks- of gemeentelijke monumentenlijst dan wel terug te vinden zijn op de MIP-lijst (Monumenten Inventarisatie Project) (zie www.kich.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beheer is gericht op het behoud van de specifieke vorm van de leibomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.ZH2 Leibomen bij historische boerderijen Landschapsbeheertype L03.01.02: Schurvelingen en zandwallen op Goeree Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Globaal kunnen drie typen zandwallen worden onderscheiden: zandwallen volledig begroeit met kruiden en grassen; zandwallen met kruiden en grassen en een licht boom of struiklaag; zandwallen begroeid met een zware boomlaag, braamstruweel of struiklaag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend de schurvelingen en zandwallen op de Kop van Goeree vallen onder dit landschapsbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">Om verruiging te voorkomen worden de delen met grassen en kruiden jaarlijks gefaseerd gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de maanden augustus-december.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen en struiken moeten met regelmaat worden opgesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schade door betreding door vee moet worden voorkomen met een raster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Greppels die naast de zandwallen en schurvelingen zijn gelegen moeten regelmatig worden geschoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout worden verbrand in, of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L03.ZH1 Schurvelingen en zandwallen op Goeree Onderdeel B Onderdeel B.1. Landschapselementen en bijbehorende beheerpakketten landschap die zijn toegestaan in de gebieden zoals aangewezen in hetplattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 in het kader van maatregel 214 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 Landschapselement Beheerpakket landschap L01 Groenblauwe Landschapselementen L01.01 Poel en kleine historisch water L01.01.01 Oppervlakte poel &lt; 175 m2 L01.01.02 Oppervlakte poel &gt; 175 m2 L01.02 Houtwal en houtsingel L01.02.01 Houtsingel en houtwal L01.02.02 Hoge houtwal L01.02.03 Holle weg en graft L01.03 Elzensingel L01.03.01 Bedekking elzensingel 30-50% L01.03.02 Bedekking elzensingel 50%-75% L01.03.03 Bedekking elzensingel &gt; 75% L01.04 Bossingel en Bosje L01.04.01 Bossingel en bosje L01.05 Knip- of scheerheg L01.05.01 Heg jaarlijks scheren of knippen L01.05.02 Heg eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen L01.06 Struweelhaag L01.06.01 Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar L01.06.02 Struweelhaag snoeicyclus &gt;12 jaar L01.07 Laan L01.07.01 Laan stamdiameter bomen &lt; 20 cm L01.07.02 Laan stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.03 Laan stamdiameter bomen &gt; 60 cm L01.08 Knotboom L01.08.01 Knotboom diameter &lt; 20 cm L01.08.02 Knotboom diameter 20-60 cm L01.08.03 Knotboom diameter &gt; 60 cm L01.09 Hoogstamboomgaard L01.09.01 Hoogstamboomgaard L01.10 Struweelrand L01.10.01 Struweelrand L01.11 Hakhoutbosje L01.11.01 Droog hakhoutbosje (zomereik dominant) L01.11.02 Vochtig en nat hakhoutbosje (zwarte els en/of gewone es dominant) L01.12 Griendje L01.12.01 Griendje L01.13 Bomenrij en solitaire boom L01.13.01 Bomenrij stamdiameter &lt; 20 cm L01.13.02 Bomenrij stamdiameter 20-60 cm L01.13.03 Bomenrij stamdiameter &gt; 60 cm L01.13.04 Solitaire boom stamdiameter &lt; 20 cm L01.13.05 Solitaire boom stamdiameter 20-60 cm L01.13.06 Solitaire boom stamdiameter &gt; 60 cm L01.14 Rietzoom en klein rietperceel L01.14.01 Smalle rietzoom (&lt; 5meter) L01.14.02 Brede rietzoom (&gt;5 meter) en klein rietperceel L01.15 Natuurvriendelijke oever L01.15.01 Natuurvriendelijke oever L04 Recreatieve landschapselementen L04.01 Wandelpad over boerenland L04.01.01 Wandelpad over boerenland Beschrijving landschapselementen Landschapselement L01.01: Poel en klein historisch water Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het landschapselement heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2 are.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijvers die een onderdeel zijn van een park of tuin, of daarin aangelegd worden, vallen niet onder dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wateren die onder de natuurbeheertypen N06.05 Zwakgebufferd ven of N06.06 Zuur ven of Hoogveenven vallen horen niet tot dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sloten behoren niet tot dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 50% van het natte oppervlakte van de poel bestaat in de lente uit open water. Incidenteel mag het element in de zomerperiode droogvallen. Voor behoud van voldoende open water wordt het element periodiek opgeschoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 75% van de oppervlakte van de oever is begroeid met een gras- of ruigtekruidenvegetatie. Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrenkpoel wordt voorkomen door extensieve beweiding van het perceel waarin de poel is gelegen en/of door het geheel of gedeeltelijk uitrasteren van de poel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 25% van de oppervlakte van de oever is begroeid met inheemse bomen en/of struiken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen vissen of andere dieren (zoals eenden en ganzen) worden uitgezet of gekweekt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maai- en schoningswerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 september en 15 oktober.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.01.01 Poel en klein historisch water &lt; 175 m2 L01.01.02 Poel en klein historisch water &gt; 175 m2 Landschapselement L01.02: Houtwal en houtsingel Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit landschapselement, maar tot het landschapselement L01.03 Elzensingel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenminste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wallichaam wordt in stand gehouden als het element daarvan is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.02.01 Houtsingel en houtwal Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-15 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1,0 meter boven de hakhoutstoof.</p>\n<p class=\"lf-p\">L01.02.02 Hoge houtwal Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 21-25 jaar. Tussentijds kan het element gedund worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 25 cm op 1,0 meter boven de hakhoutstoof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wallichaam is minimaal 0,8 meter hoog en de kruidachtige vegetatie van de steile walkanten wordt gemaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de voet van het wallichaam ligt een greppel die in stand wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">L01.02.03 Holle weg en graft Het element is gelegen op het talud van een holle weg of graft in Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van minimaal éénmaal per 15 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1,0 meter boven de hakhoutstoof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.03: Elzensingel Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een elzensingel is minimaal 25 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse bomenrijen horen niet tot dit landschapselement, maar tot het landschapselement L01.13 Bomenrij en solitaire boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">75% van lengte van het element wordt als hakhout beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hakhout wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6-21 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 25 cm op 1,0 meter boven de hakhoutstoof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het landschapselement gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.03.01 Elzensingel bedekking 30-50% L01.03.02 Elzensingel bedekking 50%-75% L01.03.03 Elzensingel bedekking &gt; 75% Landschapselement L01.04: Bossingel en bosje Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bossingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element wordt als bos met hoog opgaande bomen beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element wordt periodiek gedund en overhangende takken kunnen het gehele jaar worden gesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randen van het element kunnen als hakhout beheerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dunnen van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L01.04.01 Bossingel en bosje Landschapselement L01.05: Knip- of scheerheg Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeimateriaal mag blijven liggen voor zover dat het element of de ondergroei niet schaadt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het lelement daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.05.01 Knip- en scheerheg jaarlijkse cyclus De heg wordt éénnmaal per jaar geknipt of geschoren . Na het knippen/scheren heeft de heg een hoogte van minimaal 0,8 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">L01.05.02 Knip- en scheerheg 2-3 jaarlijkse cyclus De heg bestaat voor meer dan 50% uit meidoorn en wordt om de 2-3 jaar geknipt of geschoren. Na het knippen/scheren heeft de heg een hoogte van minimaal 1,0 meter en een breedte van minimaal 0,8 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.06: Struweelhaag Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het landschapselement L01.05 Knip- of scheerheg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Struweelhagen kunnen periodiek gevlochten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het snoeihout mag niet in het element verwerkt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien snoeiwerkzaamheden machinaal worden uitgevoerd, wordt geen klepelmaaier gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.06.01 Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar Het element kan vrij uitgroeien en wordt periodiek in een cyclus van éénmaal per 5 - 7 jaar aan drie zijden gesnoeid. Na het snoeien heeft de haag een hoogte van minimaal 1,0 meter en een breedte van minimaal 0,8 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afzetten gebeurt op 20 centimeter boven de bestaande poest (stoof of knot).</p>\n<p class=\"lf-p\">L01.06.02 Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar Het element kan vrij uitgroeien en wordt periodiek in een cyclus van éénmaal per 12 - 25 jaar afgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afzetten gebeurt op 20 centimeter boven de bestaande poest (stoof of knot).</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.07: Laan Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dit landschapselement vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is beplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een laan is minimaal 50 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse bomenrijen horen niet tot dit landschapselement, maar tot het landschapselement L01.13 Bomenrij en solitaire boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bomen worden periodiek gesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element. Evenmin mag versnipperd hout verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt. Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) in het element mogen middels een stobbenbehandeling bestreden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bomen mogen niet beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.07.01 Laan stamdiameter &lt; 20 cm L01.07.02 Laan stamdiameter 20-60 cm L01.07.03 Laan stamdiameter &gt; 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en element wordt als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.08: Knotboom Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot).</p>\n<p class=\"lf-p\">Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vlakvormige landschapselementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit landschapselement, maar kunnen mogelijk gerangschikt worden onder het landschapselement L01.11 Hakhoutbosje of L01.12 Griendje, mits voldaan wordt aan de eisen van die landschapselementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Knotwilgen, -elzen, -essen en -populieren –worden in een cyclus van éénmaal per 3-8 jaar geknot. Knoteiken en -haagbeuken worden geknot in een cyclus van minimaal eenmaal per 15 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrandt worden in de directe omgeving van de knotboom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt. Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) in het element mogen middels een stobbenbehandeling bestreden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boom mag niet beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Knotwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.08.01 Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm L01.08.02 Knotboom stamdiameter 20-60 cm L01.08.03 Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere knotbomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.09: Hoogstamboomgaard Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,50 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 10% van de fruitbomen bestaat uit walnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grasvegetatie wordt jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd of de grasvegetatie wordt beweid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van de bomen of versnipperd hout verwerkt worden in de boomgaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel in het element gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen zijn voorzien van een boomkorf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemesten en bekalken van de boomgaard is toegestaan. Bij bemesten van de boomgaard worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeiwerkzaamheden kunnen gedurende het gehele jaar worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L01.09.01 Hoogstamboomgaard Landschapselement L01.10: Struweelrand Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De struweelrand kan langs een bosrand of een ander landschapselement liggen maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Periodiek wordt de begroeiing gemaaid en afgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van de oppervlakte van de rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden mag periodiek gemaaid worden met een cyclus van maximaal éénmaal per 5 jaar. Het maaisel wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling en de pleksgewijze bestrijding van Akkerdistel, Ridderzuring en Brandnetel, en meststoffen in het element gebruikt worden. Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 15 juli en 15 maart en het afzetten van struweel wordt alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L01.10.01 Struweelrand Landschapselement L01.11: Hakhoutbosje Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hakhoutbosje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hakhoutbosje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleine vrijliggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met enkel hakhoutbeheer aan de randen horen tot het landschapselement L01.04 Bossingel en Bosje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 80% van de oppervlakte van het bosje wordt als hakhout beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element wordt periodiek afgezet in een cyclus van éénmaal per 6 - 25 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 20 cm op 1,0 meter boven de hakhoutstoof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.11.01 Hakhoutbosje met dominantie van langzaamgroeiende boomsoorten (zomereik, wintereik, berk, haagbeuk).</p>\n<p class=\"lf-p\">L01.11.02 Hakhoutbosje met dominantie van snelgroeiende boomsoorten (zwarte els, gewone es).</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.12: Griendje Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een griendje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten dat als hakhout wordt beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het griendje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grienden die machinaal gemaaid worden behoren niet tot dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in of in de directe omgeving van het element, en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen, behalve bij bestrijding van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) middels een stobbenbehandeling, en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afzetten van het element wordt alleen verricht in de periode tussen 1 oktober en 15 maart. Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L01.12.01 Griendje Landschapselement L01.13: Bomenrij en solitaire boom Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bomenrij of een solitaire boom is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen dat niet kan worden gerangschikt onder andere landschapselementen van dit onderdeel van bijlage 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij staande op of langs landbouwgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen die een onderdeel vormen van een ander landschapselement of deel uitmaken van een bomenrij als bedoeld in dit landschapselement kunnen niet als solitaire boom of verzameling van solitaire bomen aangevraagd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bomenrij is minimaal 50 meter lang en bestaat uit minimaal 8 bomen per 100 meter. Het maximaal aantal bomen in een rij wordt bepaald door het aantal bomen dat binnen de lengte van de rij op natuurlijke wijze kan uitgroeien tot volwaardige bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een solitaire boom staat qua omvang gelijk aan 16 vierkante meter bomenrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vlakvormige boomweides behoren niet tot dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Solitaire knotbomen of een rij knotbomen behoren tot het landschapselement L01.08 Knotboom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bomen worden periodiek gesnoeid. Jonge bomen gemiddeld eenmaal per 5 jaar en oudere bomen gemiddeld eenmaal per 10 jaar. Bij oudere bomen kan het snoeien zich beperken tot het verwijderen van dood hout.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het snoeien beslaat de blijvende kroon altijd minimaal tweederde deel beslaat van de totale lengte van de boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van het element of versnipperd hout verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt. Ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia en Ratelpopulier) in het element mogen middels een stobbenbehandeling bestreden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bomen mogen niet beschadigd worden door vee. Jonge bomen in een weiland (boomdijk) zijn voorzien van een boomkorf en solitaire bomen in een weiland zijn uitgerasterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.13.01 Bomenrij stamdiameter &lt; 20 cm L01.13.02 Bomenrij stamdiameter 20-60 cm L01.13.03 Bomenrij stamdiameter &gt; 60 cm L01.13.04 Solitaire boom stamdiameter &lt; 20 cm L01.13.05 Solitaire boom stamdiameter 20-60 cm L01.13.06 Solitaire boom stamdiameter &gt; 60 cm De diameter van de stammen wordt op 1,0 meter boven het maaiveld gemeten en als het element uit meerdere bomen bestaat wordt het element als geheel in een van de diameterklassen ingedeeld op basis van de gemiddelde diameter van de bomen van het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselement L01.14: Rietzoom en klein rietperceel Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties met een dominantie van riet (bedekking riet &gt; 50%).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rietzoom heeft een breedte van minimaal 2 meter en is minimaal 25 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een vegetatie die overwegend uit riet bestaat. De maaibare oppervlakte van een klein rietperceel is maximaal 0,5 ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 20% van de oppervlakte van het element bestaat uit struweel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element wordt periodiek gemaaid in een cyclus van éénmaal per 2-4 jaar en het maaisel wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 1 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakketten landschap L01.14.01 Smalle rietzoom (2- 5 meter) L01.14.02 Brede rietzoom (&gt; 5 meter) en klein rietperceel Landschapselement L01.15: Natuurvriendelijke oever Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (flauw talud minimaal 1: 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">De oever heeft een breedte van minimaal 3 en maximaal 10 meter en is minimaal 25 meter lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element wordt periodiek gemaaid in een cyclus van minimaal éénmaal per 2 jaar en maximaal éénmaal per jaar. Het maaisel wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden en als op het perceel waarop het element is gelegen gewasbeschermingsmiddelen en/of meststoffen worden gebruikt, vindt dat gebruik op een zodanige wijze plaats dat het element daardoor geen schade oploopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 15 juli en 1 maart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L01.15.01 Natuurvriendelijke oever Landschapselement L04.01: Wandelpad over boerenland Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een wandelpad over boerenland bestaat in beginsel uit een onverhard pad. Kleine gedeelten verhard pad over particuliere gronden kunnen meegenomen worden als dit noodzakelijk is voor de wandelpadenstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wandelpad heeft een breedte van maximaal 3 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De paden zijn duidelijk gemarkeerd en zijn geschikt voor wandelaars met een normale conditie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wandelpad vormt een onderdeel van een doorgaande en/of openbare wandelstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wandelpad wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid gewaarborgd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzieningen die een onderdeel vormen van het wandelpad zoals bruggetjes, klaphekjes e.d. worden in goede staat van onderhoud gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wandelpad is opengesteld van zonsopgang tot zonsondergang en jaarrond toegankelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L04.01.01 Wandelpad over boerenland Onderdeel B.2. Landschapselementen en bijbehorende regionale beheerpakketten landschap Landschapselement Beheerpakket landschap L01 Groenblauw Landschapselementen L01.Lb1 Foerageerrand Bever L01.Lb1 Foerageerrand Bever L01.ZH1 Halfstanboomgaard bij historische boerderijen L01ZH1 Halfstanboomgaard bij historische boerderijen L01.ZH2 Leibomen bij historische boerderijen L01.ZH2 Leibomen bij historische boerderijen L03 Aardwerken L03.01 Aardwerk en groeve L03.01.02 Schurvelingen en zandwallen op Goeree Beschrijving regionale landschapselementen Landschapselement L01.Lb1: Foerageerrand Bever Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De foerageerrand heeft een minimale breedte van 10 meter, en een maximale breedte van 20 meter (gemeten vanaf de waterloop landinwaarts) met een minimale lengte van 50 meter Het element grenst aan een waterloop waar recentelijk het voorkomen van een of meerdere Bevers is aangetoond of bestaat uit potentieel leefgebied voor deze soort. Deze leefgebieden staan beschreven in het Stimuleringsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het landschapselement grenst aan gras- of akkerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het landschapselement bestaat na 6 jaar uit een ruige of moerassige vegetatie. Verspreide opslag van struiken en jonge bomen is gewenst omdat dit in de winter stapelvoedsel voor de bever is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tegengaan van bosvorming door eenmaal per zes jaar de grootste bomen te kappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afsluiten van de overeenkomst ook een vrijstelling van de Boswet aanvragen van de meldings- en herplantplicht bij de Dienst Regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L01.Lb1 Foerageerrand Bever Landschapselement L01.ZH1: Halfstamboomgaard bij historische boerderijen Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Halfstamboomgaarden hebben een minimale stamhoogte die lager is 1,5m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een halfhoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 0,6 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een halfhoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 bomen en heeft een dichtheid van minimaal 75 en maximaal 150 fruitbomen per hectare.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een halfhoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De halfstamboomgaard behoort bij een historische boerderij of ander gebouw welke vermeld staat op een locale of landelijke monumentenlijst of de boomgaard is vermeld op www.kich.nl of op een provinciale cultuurhistorische waardenkaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Halfhoogstamfruitbomen worden periodiek gesnoeid en bij beweiding moet beschadiging van de bomen door vee voorkomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L01.ZH1 Halfhoogstamboomgaard bij historische boerderijen Landschapselement L01.ZH2: Leibomen bij historische boerderijen Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend leibomen bij historische boerderijen komen in aanmerking. Dit zijn boerderijen die voorkomen op de Rijks- of gemeentelijke monumentenlijst dan wel terug te vinden zijn op de MIP-lijst (Monumenten Inventarisatie Project) (zie www.kich.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beheer is gericht op het behoud van de specifieke vorm van de leibomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L01.ZH2 Leibomen bij historische boerderijen Landschapselement L03.01.02: Schurvelingen en zandwallen op Goeree Instapeisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Globaal kunnen drie typen zandwallen worden onderscheiden: zandwallen volledig begroeit met kruiden en grassen; zandwallen met kruiden en grassen en een licht boom of struiklaag; zandwallen begroeid met een zware boomlaag, braamstruweel of struiklaag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend de schurvelingen en zandwallen op de Kop van Goeree vallen onder dit landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Om verruiging te voorkomen worden de delen met grassen en kruiden jaarlijks gefaseerd gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de maanden augustus-december.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen en struiken moeten met regelmaat worden opgesnoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schade door betreding door vee moet worden voorkomen met een raster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Greppels die naast de zandwallen en schurvelingen zijn gelegen moeten regelmatig worden geschoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen snoeihout worden verbrand in, of in de directe omgeving van het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerpakket landschap L03.ZH1 Schurvelingen en zandwallen op Goeree Bijlage7Voorwaarden en toeslagen Onderdeel A:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften toeslag schapenbeheer (artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c) Gedurende elk kalenderjaar van de periode, bedoeld in artikel 3.2, wordt gebruik gemaakt van één of meerdere door een herder geleide schaapskuddes bij het in stand houden van het op het natuurterrein aanwezige natuurbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van één of meerdere door een herder geleide schaapskuddes strekt zich gedurende elk kalenderjaar van de in artikel 3.2 bedoelde periode uit over de gehele oppervlakte waarvoor de toeslag door Ons wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel B:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften toeslag ruige stalmest (artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel b) Op de beheereenheid wordt een agrarisch beheerpakket uitgevoerd dat in bijlage 3, onderdeel B.1, is opgenomen onder de aanduiding A01.01.01, A01.01.02 of A01.01.05.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beheereenheid wordt in een kalenderjaar ten minste 10 en maximaal 20 ton ruige stalmest per hectare uitgereden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruige stalmest wordt in één keer in één van de onderstaande periodes op een beheerseenheid uitgereden: tussen 1 februari en de begindatum van de rustperiode van het betreffende agrarische beheerpakket, óf vanaf de dag volgend op de einddatum van de rustperiode van het betreffende agrarische beheerpakket tot 1 september.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van punt 3, onderdeel b, mag gedurende de tijd dat de rustperiode overeenkomstig onderdeel C, subonderdeel 1, van de onderhavige bijlage is verlengd, geen ruige stalmest uitgereden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het uitrijden van de ruige stalmest wordt binnen twee weken na dat uitrijden melding gedaan met gebruikmaking van een daartoe door of vanwege Ons vastgesteld formulier. De melding gaat vergezeld van een kaart met een topografische ondergrond waarop de beheereenheid is, dan wel beheereenheden zijn, aangegeven waarop de ruige stalmest is uitgereden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel C:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften aanvullende toeslag collectief agrarisch natuurbeheer (artikel 4.1.2.5, eerste lid) Subonderdeel 1 (verlengen rustperiode) Op de beheereenheid wordt in het betreffende beheerjaar een agrarisch beheerpakket uitgevoerd dat in bijlage 3, onderdeel B.1, is opgenomen onder de aanduiding A01.01.01, A01.01.02 of A01.01.06.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 4.1.2.4, eerste lid, bedoelde landbouwer blijft, na afloop van de periode waarin in dat beheerjaar aan de aan het betreffende agrarische beheerpakket verbonden beheereisen dient te worden voldaan indien niet om de toeslag zou zijn verzocht, net zolang voldoen aan die beheereisen als de aanwezigheid en bescherming van de op de betreffende beheereenheid aanwezige weidevogels in het betreffende beheerjaar vereisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 2 (kuikenstroken) Op de beheereenheid wordt in het betreffende beheerjaar een agrarisch beheerpakket uitgevoerd dat in bijlage 3, onderdeel B.1, is opgenomen onder de aanduiding A01.01.01, A01.01.02, A01.01.04 voor zover het de varianten a1 tot en met a4 betreft, of A01.01.06.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 4.1.2.4, eerste lid, bedoelde landbouwer legt op de beheereenheid stroken of blokken aan met een breedte van minimaal 6, en maait deze stroken in elk geval niet eerder dan twee weken na de rest van de beheereenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in punt 2 bedoelde stroken worden: zodanig aangelegd dat de op de betreffende beheereenheid aanwezige weidevogels te allen tijde een vluchtmogelijkheid hebben, indien nodig naar een aangrenzend perceel waar voldoende bescherming gewaarborgd is; net zolang in stand gehouden als de aanwezigheid en bescherming van de op de betreffende beheereenheid aanwezige weidevogels in het betreffende beheerjaar vereisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage8Overstaptabel SAN Noord-Holland De beheers- en landschapspakketten van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland, opgenomen in de linkerkolom van de onderstaande tabel, kunnen op grond van artikel 12.3, vijfde lid, van de onderhavige verordening worden gewijzigd in de agrarische beheerpakketten onderscheidenlijk beheerpakketten landschap, opgenomen in de rechterkolom van de onderstaande tabel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Noord-Holland Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland Beheerspakket (bijlagebummer / pakketnaam) Agrarisch beheerpakket (aanduiding / pakketnaam) 6: Ontwikkeling en kruidenrijk grasland A02.01.02: Botanisch hooiland 7: Instandhouding kruidenrijk grasland A02.01.02: Botanisch hooiland 8: Bont hooiland A02.01.02: Botanisch hooiland 9: Bonte hooiweide A02.01.02: Botanisch hooiland A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgrasland 10:Kruidenrijk weiland A02.01.01: Botanisch weiland A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgrasland 11: Bont weiland A02.01.01: Botanisch weiland A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgrasland 12: Bonte weiderand A02.01.03a: Botanisch weiderand 13: Bonte hooirand A02.01.03b: Botanisch hooirand 14: Kruidenrije zomen A02.01.03b: Botanisch hooirand 15: Landschappelijk waardevol grasland A02.01.01: Botanisch weiland 16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot 1 juni A01.01.01a: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot 1 juni 16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot 8 juni A01.01.01b: Weidevogelgrasland met een rustperiode 1 april tot 8 juni 16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot 15 juni A01.01.01c: Weidevogelgrasland met een rustperiode 1 april tot 15 juni 16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot 22 juni A01.01.01d: Weidevogelgrasland met een rustperiode 1 april tot 22 juni 17: Vluchtheuvels voor weidevogels Bijlage 7, onderdel C, subonderdeel b: Toeslag kuikenstroken 18: Plas-dras met een inundatieperiode van 15 februari tot 15 april A01.01.03a: Plas-dras met een inundatieperiode van 15 februari tot 15 april 18: Plas-dras met een inundatieperiode van 15 februari tot 15 mei A01.01.03b: Plas-dras met een inundatieperiode van 15 februari tot 15 mei 23a: Faunarand algemeen op kleigrond A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02a: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op kleigrond 23a: Faunarand algemeen op zandgrond A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op zandgrond 23b: Patrijzenrand op kleigrond A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02a: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op kleigrond 23b: Patrijzenrand op zandgrond A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op zandgrond 23c: Grauwe kiekenrand op kleigrond A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.02a: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op kleigrond 23c: Grauwe kiekenrand op zandgrond A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op zandgrond 24a: Akkerrijke flora I A02.02.01a t/m c: Akker met waardevolle flora 26a: Akkerrijke flora II A02.02.01a t/m c: Akker met waardevolle flora 28: Akkerflora randen A02.02.03: Akkerflora randen 28a: Hamsterpakket A01.02.03a: Bouwland voor hamsters A01.02.03b: Opvangstrook voor hamsters 28c: Grland t.b.v. overwinterende ganzen (pakket 2007) A01.03.01a: Ganzen op grasland 28c: Ganzenfoerageergebied, variant A: Grasland (pakket 2008) A01.03.01a: Ganzen op grasland 28c: Ganzenfoerageergebied, variant B: Bouwland (pakket 2008) A01.03.01b: Ganzen op bouwland 28c: Ganzenfoerageergebied, variant C: Vroege groenbemester (pakket 2008) A01.03.01c: Ganzen op vroege groenbemester 28c: Ganzenfoerageergebied, variant D: Late groenbemester (pakket 2008) A01.03.01d: Ganzen op late groenbemester 28d: Bouwland t.b.v. overwinterende ganzen (pakket 2007) A01.03.01b: Ganzen op bouwland 28e: Grasgroenbemenster t.b.v. overwinterende ganzen (pakket 2007) A01.03.01c: Ganzen op vroege groenbemester 28f: Grasgroenbemester maïsland t.b.v. overwinterende ganzen (pakket 2007) A01.03.01d: Ganzen op late groenbemester Landschapspakket (bijlagenummer/pakketnaam) Beheerpakket landschap (aanduiding/pakketnaam) 32: Houtkade, houwal, haag en singel L01.02.01: Houtwal en singel 33: Bomenrij L01.07.01a: Laan standiameter &lt; 20 cm* L01.07.01b: Laan stamdiameter 20-60 cm* L01.07.01c: Laan van &gt; 60 cm* L01.13.01a: Bomenrij stamdiameter &lt; 20 cm L01.13.01b: Bomenrij stamdiameter 20-60 cm L01.13.01c: Bomenrij stamdiameter &gt; 60 cm * Alleen als voldaan wordt aan instapeisen 36: Elzensingel L01.03.01c: Elzensingel bedekkingsgraad &gt; 75% 37: Geriefhoutbosje L01.11.01a: Hakhoutbosje met dominantie van langzaamgroeiende boomsoorten (zomereik, wintereik, berk, haagbeuk) L01.11.01b: Hakhoutbosje met dominantie van snelgroeiende boomsoorten (zwarte els, gewone es) 38: Knip- en scheerheg L01.05.01a: Knip- en scheerheg jaarlijkse cyclus L01.05.01b: Knip- en scheerheg 2-3 jaarlijkse cyclus 40: Knotbomen(rij) L01.08.01a: Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm L01.08.01b: Knotboom stamdiameter 20-60 cm L01.08.01c: Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm 41: Grubbe en holle weg L01.02.03: Holle weg en graft 42: Hoogstamboomgaard L01.09.01: Hoogstamboomgaard 44: Poel &lt;75 m* L01.01.01a: Poel en klein historisch water &lt; 175 m* 44: Poel 75-175 m* L01.01.01a: Poel en klein historisch water &lt; 175 m*</p>\n<p class=\"lf-p\">44: Poel &gt; 175 m* L01.01.01b: Poel en klein historisch water &gt; 175 m* 45: Rietzoom en klein rietperceel (rijland) L01.14.01a: Smalle rietzoom (2-5m) 45: Roetzoom en klein rietperceel (vaarland) L01.14.01b: Brede rietzoom (&gt;5m) en klein rietperceel 46: Raster Subsidie zit verdisconteerd in de verschillende beheerpakketten landschap</p></div>", "next": 0}