{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">conform de richtlijnen van het bevoegd gezag de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag gevelde houtopstanden of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een soort betreft die de desbetreffende ziekte kan verspreiden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de provinciale verordening ruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:14</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-16-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:16</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-17-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-18-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap of een stadsgezicht.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-19-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-1-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:1</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigen van autobedrijf en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 30 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op openbare plaatsen een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het door een particulier te koop aanbieden van maximaal één voertuig tegelijkertijd en voor zover dat voertuig is geparkeerd in de directe nabijheid van de woning van die particulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-4-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Gereserveerd)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen en andere voertuigen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan gedurende zeven achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het provinciaal wegenreglement of de provinciale landschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Grote voertuigen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op een openbare plaats een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur gedurende ten hoogste één uur; gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid ter plaatse noodzakelijk is; op de daartoe door het college aangewezen parkeergelegenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste lid is niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzicht belemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Gereserveerd)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-10-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:10</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren of laten stilstaan van voertuigen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover daarin niet reeds bij wet of verordening is voorzien, kan het college openbare plaatsen aanwijzen waarop het verboden is een voertuig te parkeren of te laten stilstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen*</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen terwijl die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fietsen of bromfietsen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of vakken te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2. Collecteren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-13-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengt geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: in besloten kring; door een instelling die is opgenomen in het door het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving plaatsvindt overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster, ten minste 5 werkdagen voorafgaand aan de inzameling of werving schriftelijk is gemeld aan het college, elke collectant zich tijdens de inzamelings- of wervingsactie kan legitimeren; door een andere, door het college aangewezen instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod geldt niet voor de inzameling van afvalstoffen en tweedehands goederen zoals kleding, voor zover daarin wordt voorzien door het bepaalde in de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3. Venten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-14-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17. het aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen zoals bedoeld in artikel 2:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In deze afdeling wordt onder sampling verstaan: het op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis uitdelen van gratis producten, zoals proefmonsters of gratis diensten, zoals abonnementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onder sampling wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het uitdelen van gratis producten of diensten vanaf een standplaats als bedoeld in artikel 5:17; het aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen zoals bedoeld in artikel 2:6.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Ventverbod*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder ontheffing van het college te venten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op sampling*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder ontheffing van het college te samplen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Standplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-17-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; het vanaf een vaste plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, als vergund onderdeel van een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien: de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-20-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:20</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakeningsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:21</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Snuffelmarkten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-22-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:22</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning tevens weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De verboden zijn niet van toepassing op de plaatsing van bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist en op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening Zuid-Holland, de keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats vaartuigen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een woonschip ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in openbaar water met uitzondering van: het gedeelte van de Woensdagse Watering gelegen langs de Hogeweg tussen de Nachtegaalslaan en de provinciale weg N206. Het maximum aantal woonschepen dat aldaar is toegestaan bedraagt drie; het gedeelte van de Leidsevaart gelegen tussen de ’s Gravendamseweg en Halfweg. Het maximum aantal woonschepen dat aldaar is toegestaan bedraagt negenentwintig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden zonder vergunning van het college in het openbaar water met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor het innemen van een ligplaats voor een periode van ten hoogste 48 uur (passantenligplaats) met dien verstande dat passanten uitsluitend ligplaats mogen innemen aan de kade van de Schiestraat en aan de kade van de Leidsevaart ter hoogte van de Vogelsloot op de daartoe aangegeven plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente; in het belang van een veilig en doelmatig gebruik van de betreffende watergang; indien de beschikbare ruimte onvoldoende is; indien het betreffende vaartuig een onevenredig beslag zou leggen op de beschikbare ruimte voor het afmeren van vaartuigen; wegens strijd met een bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De verboden in het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening Zuid-Holland of de provinciale landschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:26</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27-385\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:27</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening Zuid-Holland en de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29-387\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:29</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening Zuid-Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7. Crossterreinen, gemotoriseerd verkeer en ruiterverkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32-390\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:84 lid 1, artikel 2:88 en artikel 2:94 is het verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8. Vuurverbod</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke of sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand of vuur voor koken, bakken en braden (met inbegrip van barbecueën), voor zover dat niet plaatsvindt op het strand, in de duinen, in het bos of in een natuurgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34a-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op het gebruik van wensballonnen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden wensballonnen door middel van hete lucht afkomstig van vuur op te laten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9. Asverstrooiing</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van openbare plaatsen; het strand; de zee tot 1 kilometer uit de kustlijn; sportterreinen; kinderspeelplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele verstrooiing van as is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10. Overnachten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-38-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:38</span><span class=\"lf-art-t\">Overnachten op openbare plaatsen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden om op een openbare plaats te overnachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing wanneer wordt overnacht op een kampeerterrein zoals bedoeld in artikel 4:18 of een door het college krachtens artikel 4:19 aangewezen plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK6Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctiebepaling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Overtreding van het bij of krachtens de in deze verordening opgenomen artikelen en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 4:11 eerste lid en de artikelen 2:10 en 2:11 voor zover er daarbij sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Handhaving*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de daartoe door het college aangewezen medewerkers van de gemeente Noordwijk; de met handhaving belaste medewerkers van de Omgevingsdienst West-Holland voor wat betreft de artikelen 2:10, 2:11, 2:12, 2:34b, 2:34f, 4:2 en 4:3 en afdeling 3 van hoofdstuk 4; buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering in dienst bij Staatsbosbeheer voor wat betreft de artikelen 2:87, 2:93 en 2:94; (duin-) opzichters in dienst van Gemeentewaterleidingen Amsterdam, voor zover het de in Noordwijk gelegen terreinen van Gemeentewaterleidingen Amsterdam betreft; buitengewone opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering, die in dienst zijn van en/of werkzaam zijn voor de gemeente Noordwijk en politieambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het eerste en het tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften voor zover zij werkzaam zijn binnen een territoriaal onderdeel dat (een deel) van de gemeente Noordwijk omvat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-400\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-401\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordeningen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van deze verordening worden de Algemene Plaatselijke Verordening Noordwijk 2017, de Algemene plaatselijke verordening Noordwijkerhout 2010 en de Drank- en horecaverordening Noordwijkerhout 2014 ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-402\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepalingen*</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Vergunningen en ontheffingen en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening Noordwijk 2017 of de Algemene plaatselijke Verordening Noordwijkerhout 2010, blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn verleend is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd – op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Noordwijk 2017 of de Algemene plaatselijke verordening Noordwijkerhout 2010 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De intrekking van de verordeningen bedoeld in artikel 6.4 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordeningen genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6-403\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekendgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7-404\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Noordwijk 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van:……………………. Griffier ……………………………………..Voorzitter BIJLAGE: SPECIFIEKE TOELICHTING OP DE ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING NOORDWIJK 2021 ALGEMEEN:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene plaatselijke verordening Noordwijk is gebaseerd op de modelverordening (versie: zomer 2020) zoals opgesteld door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Bij de modelverordening hoort een uitgebreide toelichting, waarin ook jurisprudentie en achtergrondinformatie is opgenomen. Voor die delen van de verordening die overeenkomen met het VNG-model wordt dan ook naar die VNG-toelichting verwezen, waarbij de bedoelde delen moeten worden geacht deel uit te maken van de voorliggende toelichting op de Algemene plaatselijke verordening Noordwijk 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening is elk van het model afwijkend artikel voorzien van een asterisk (*) achter de aanhef. In een aantal gevallen is daarbij slechts sprake van een iets andere formulering of tekstuele aanpassing, zonder dat de inhoud van de bepaling verschilt van de modelbepaling. In die gevallen is geen specifieke toelichting gemaakt maar geldt hetgeen hierover is gemeld ten aanzien van de artikelen zonder asterisk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen zijn “vervallen” als deze niet meer in de APV behoeven te worden opgenomen omdat deze bijvoorbeeld in het kader van deregulering zijn geschrapt of omdat een hogere regelgeving hier inmiddels in voorziet. Artikelen zijn “gereserveerd” als er op dit moment geen of onvoldoende reden is om het artikel op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervallen en gereserveerde artikelen worden wel genoemd, zodat de nummering van het model aangehouden kan worden, hetgeen wenselijk is in verband met de vindbaarheid, kenbaarheid en leesbaarheid van de bepalingen en de daarop gebaseerde jurisprudentie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Wet openbare manifestaties wordt onder openbare plaats verstaan: elke plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, met uitzondering van kerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het strand is dus een openbare plaats. Het strand valt ook onder de definitie van “weg” zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994. Het voorgaande is geen gemeentelijke keuze, maar volgt rechtstreeks uit de wet. De definitie van “strand” is wel een gemeentelijke keuze. Als gevolg van de gehanteerde definitie vallen ook de strandop- en afritten en zelfs de strandpaviljoens en andere voor het publiek toegankelijke gebouwen en terrassen onder het begrip “strand”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is aangesloten bij de gangbare termijn van acht weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bewoording is iets aangepast. De strekking komt overeen met die van de Modelverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het model van de VNG heeft ten aanzien van de weigeringsgronden aansluiting gezocht bij het lichtste regime van de Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en milieu. Echter, volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie EU wordt het begrip openbare orde veel enger uitgelegd dan dat de Nederlandse rechter dit doet en valt verkeersveiligheid niet onder het begrip openbare orde. Om deze reden is verkeersveiligheid zekerheidshalve apart als weigeringsgrond benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze algemene weigeringsgronden zijn voor bepaalde vergunningen uit de APV specifieke weigeringsgronden van toepassing die bij het betreffende artikel zijn opgenomen. In dergelijke gevallen dient bij de aanvraag om een vergunning naast de algemene weigeringsgronden ook toetsing aan de specifieke weigeringsgronden plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald, dat een onvolledige aanvraag (na het bieden van een mogelijkheid tot aanvulling) buiten behandeling kan worden gesteld. In de Awb zijn tevens voorschriften opgenomen betreffende de zorgvuldigheid waarmee het bevoegd gezag besluiten moet nemen en de deugdelijke belangenafweging die daarbij plaats moet vinden. Uit die bepalingen van de Awb volgt, dat het bevoegd gezag voldoende tijd moet hebben om alle van belang zijnde gegevens te verzamelen. Het kan daarbij noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld advies te vragen aan hulpdiensten als politie en brandweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1:2 APV is bepaald dat het bevoegd gezag in beginsel binnen acht weken moet beslissen op een aanvraag. Die termijn wordt beschouwd als redelijke termijn zoals bedoeld in de Awb. Daaruit volgt, dat het redelijk is om te stellen dat het bevoegd gezag acht weken nodig heeft om tot een goed afgewogen beslissing te komen. Een aanvraag die wordt ingediend minder dan acht weken voor de datum van de beoogde activiteit kan daarom worden geweigerd. Daarbij wordt opgemerkt, dat het hier gaat om een kan-bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is als extra weigeringsgrond toegevoegd. Informatiebron voor de burgemeester kunnen politie- of strafvorderlijke gegevens zijn. Op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet politiegegevens kan de politie aan de burgemeester politiegegevens verstrekken voor zover hij deze behoeft in het kader van de handhaving van de openbare orde. En op grond van artikel 39f, eerste lid, onder b en d, en tweede lid, onder a, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens kan het college van procureur-generaals aan de burgemeester strafvorderlijke gegevens verstrekken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang in het kader van het handhaven van de orde en veiligheid en het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest en dergelijken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Modelverordening gebruikt als aanhef: “Vertoningen op openbare plaatsen”. Dat kan verwarring opleveren met de regels voor evenementen. Daarom is gekozen voor het behouden van de reeds jaren gebruikte aanhef: “Straatartiest en dergelijken”.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">(Omgevings-) vergunning voor voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Bij de redactie van dit artikel is in beginsel uitgegaan van variant 3 uit de Modelverordening. Het artikel in de modelverordening laat zich echter lastig lezen omdat niet voor een ieder duidelijk zal zijn wat moet worden verstaan onder “gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan”. Ter verduidelijking is daarom in de aanhef van het artikel en in lid 1 aangegeven dat het artikel betrekking heeft op het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens dit artikel is alleen sprake van een vergunningplicht voor het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats als daardoor die openbare plaats anders wordt gebruikt dan de publieke functie hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van een reclamebord of uitstalling met verkoopwaar in een winkelstraat is niet in overeenstemming met de publieke functie hiervan. Gebruik overeenkomstig de publieke functie impliceert immers het reguliere gebruik dat in zijn algemeenheid door het grote publiek van een weg of openbare plaats wordt gemaakt en niet alleen het gebruik dat de betreffende detailhandelaar van de weg of openbare plaats wenst te maken, bijvoorbeeld het maken van reclame of het verkopen van producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor zover het bij het op, aan of boven een openbare plaats neerzetten van voorwerpen gaat over het opslaan van roerende zaken, is artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. Als voor die opslag op grond van de APV een vergunning is vereist, moet die vergunning verleend worden als omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij kan gedacht worden aan de opslag van roerende goederen in (zee-) containers. (Zie ook de toelichting op lid 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het verbod geldt niet voor de plaatsing van voorwerpen waaraan reeds op andere wijze regels zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Naast de uitzonderingen zoals bedoeld in het derde lid, zijn er ook categorieën van voorwerpen waarvoor het goed mogelijk is om algemene voorschriften te stellen aan de plaatsing daarvan. De bedoelde categorieën zijn daarom in dit lid uitgezonderd van de vergunningsplicht. De plaatsing moet dan wel plaatsvinden overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan (i.c. het college of, bij openbare inrichtingen: de burgemeester) gestelde algemene regels. Als die algemene regels in een specifiek geval te beperkend zijn, kan alsnog een vergunning worden aangevraagd waarin maatwerkvoorschriften kunnen worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is bepaald dat als voor de opslag van roerende goederen op grond van de APV een vergunning is vereist, die vergunning moet worden verleend als omgevingsvergunning. De procedure voor de behandeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning is echter zodanig, dat dit praktische problemen oplevert. Daarom is in lid 4 bepaald, dat voor het plaatsen van een puinbak of container geen vergunning nodig is indien de objecten niet langer dan 14 dagen op dezelfde plaats staan en voldoen aan de door het bevoegd gezag vastgestelde algemene regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de Modelverordening is in lid 1 onder b bepaald dat winkelwagentjes niet terstond, maar na sluitingstijd moeten worden verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de bepaling zoals opgenomen in de Modelverordening is bepaald, dat er niet alleen sprake moet zijn van belemmering van het vrije uitzicht, maar dat er ook sprake moet zijn van daardoor veroorzaakte hinder of gevaar.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3. Evenementen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementenvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van evenement is erg breed. Ook bijvoorbeeld theatervoorstellingen in De Muze en voetbalwedstrijden op sportparken zouden onder die definitie vallen. Dat is echter niet de bedoeling. Het is daarom noodzakelijk diverse activiteiten van het begrip evenement uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het formuleren van de uitzonderingen is rekening gehouden met het feit, dat alles wat plaatsvindt binnen de grenzen van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer reeds moet voldoen aan de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dat betekent onder andere dat voor alle activiteiten binnen de grenzen van een inrichting reeds voorschriften gelden ten aanzien van geluidproductie, gasflessen, afvalbehandeling, rookgassen en dergelijke. Een evenement-vergunning zou in een dergelijke situatie slechts een zeer beperkte meerwaarde hebben. Onder andere vanwege het feit dat onversterkt stemgeluid vanuit een inrichting niet valt onder de restricties (de geluidnormen) van het Activiteitenbesluit is er voor gekozen om alleen die activiteiten uit te sluiten van de evenementvergunningplicht die plaatsvinden in een gebouw. Dit laatste geldt niet voor sportwedstrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn ook bedrijven waarbij het regelmatig organiseren van feesten, voorstellingen of andere vormen van vermaak tot de reguliere bedrijfsvoering behoort. Daarbij kan gedacht worden aan een zwembad waarin maandelijks een disco-zwemmiddag wordt georganiseerd, een theater waarin tevens concerten worden gegeven en een horecabedrijf waar gelegenheid wordt gegeven tot dansen. Voor het begrip “reguliere bedrijfsvoering” kan worden aangesloten bij het gangbare uitgangspunt dat elke activiteit die minder dan 12 keer per jaar wordt ondernomen kan worden beschouwd als incidenteel, dus niet regulier. Het lijkt tegenstrijdig dat voor een incidentele activiteit wel een evenementvergunning nodig is, maar voor een reeks van dergelijke activiteiten niet. Daarbij moet echter rekening worden gehouden met het feit, dat het hier gaat om inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer, waardoor reeds vele regels gelden ter beperking van gevaar, schade en hinder voor omwonenden. Bij een incidentele activiteit kan een evenementvergunning een beperkte meerwaarde hebben, bijvoorbeeld ter regulering van het komen en gaan van bezoekers. Voor een inrichting waar op reguliere basis bepaalde activiteiten plaatsvinden is in het vigerende bestemminsplan echter reeds rekening gehouden met aspecten als verkeer aantrekkende werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan zich een uitzonderlijke situatie voordoen waarbij er in redelijkheid toch gevreesd kan worden voor verstoring van de openbare orde. Daarbij kan gedacht worden aan een trainingswedstrijd van het Nederlands voetbal-elftal op het sportpark van SJC of een groot carnavalsfeest in De Schelft. In een dergelijke situatie moet de burgemeester de mogelijkheid hebben om toch een vergunning noodzakelijk te achten. Het 3e lid van artikel 2:25 APV voorziet daar in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25a</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementenmelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is voorzien in een meldingsplicht voor kleine evenementen. Het gaat daarbij om evenementen waarvoor een maatwerkvergunning niet nodig is, maar waarvoor volstaan kan worden met een standaardset voorwaarden en voorschriften. Om toezicht op die kleine evenementen mogelijk te maken is het wel van belang dat de gemeente door middel van een melding vooraf op de hoogte wordt gesteld van de voorgenomen activiteiten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4. Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatie openbare inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In voorgaande versies van de APV was geen exploitatievergunningenstelsel opgenomen. Er is echter (op landelijke schaal) behoefte aan een uitgebreider instrumentarium om op te kunnen treden tegen openbare inrichtingen waarbij sprake is van bijvoorbeeld geweld, overlast of drugsgebruik. Het artikel komt grotendeels overeen met het artikel zoals opgenomen in de Modelverordening. In het tweede lid is echter (in afwijking van het model) bepaald, dat de exploitatievergunningplicht niet geldt voor reeds bestaande bedrijven. Dat om te voorkomen dat opeens een paar honderd bedrijven een exploitatievergunning moeten gaan aanvragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van het opnemen van sluitingstijden voor openbare inrichtingen is met name het voorkomen van verstoring van de openbare orde. De regels om dat te bereiken zijn verdeeld over meerdere niveaus: algemene regels in de verordening, nadere regels in een aanwijzingsbesluit of beleidsnota en detailvoorschriften in vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening (de APV) worden de hoofdlijnen uitgezet. Die hoofdlijnen moeten zodanig zijn, dat in redelijkheid mag worden aangenomen dat daarmee voldoende bescherming wordt geboden tegen verstoring van de openbare orde. Voor alle horeca kan worden gesteld, dat gedurende de dag en avond er geen grote kans op ordeverstoring is. Het ’s ochtends vroeg bezoeken van een openbare inrichting, bijvoorbeeld om te ontbijten zal weinig overlast opleveren en is daarom toegestaan vanaf 06.00 uur. Op een terras ontbijtende personen kunnen door hun stemgeluid hinder veroorzaken voor omwonenden die nog genieten van de nachtrust. Daarom is voor terrassen uitgegaan van een openingstijd vanaf 08.00 uur. ’s Avond tot 24.00 uur is de kans op overlast door bezoekers van een openbare inrichting relatief klein. Bij gebruik van een terras is de kans op verstoring van de openbare orde weliswaar iets groter, maar tot 23.00 uur is ook daar de kans op ordeverstoring klein. Als alle horecabedrijven om 24.00 uur dicht zouden gaan en alle terrassen om 23.00 uur, dan mag er in redelijkheid van uit worden gegaan dat er geen verstoring van de openbare orde zou optreden. De in de verordening opgenomen sluitingstijden kunnen dan ook worden gezien als een soort basisniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een horecabedrijf langer open wil zijn dan tot 24.00 uur of een terras wil exploiteren na 23.00 uur, dan is de kans op verstoring van de openbare orde groter. De kans op verstoring van de openbare orde is echter mede afhankelijk van het soort bedrijf, de bedrijfsvoering en de locatie. Daarom is de kans op verstoring van de openbare orde na 24.00 uur respectievelijk 23.00 uur niet te ondervangen door het stellen van algemene regels. Daar is maatwerk voor nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verordening is per definitie niet geschikt voor dergelijk maatwerk. Er is daarom gekozen voor het (gebruikelijke) systeem van algemene regels in de verordening, een uitwerking in beleidsregels en maatwerk bij het verlenen van vergunningen en ontheffingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedragingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De redactie is iets anders dan die van de Modelverordening, maar de strekking van de bepalingen is gelijk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34b</span><span class=\"lf-art-t\">Regulering paracommerciële rechtspersonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 4 van de Drank- en Horecawet. In dat artikel is namelijk bepaald, dat gemeenten verplicht zijn om ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34f</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod ‘happy hours’</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het stunten met goedkope alcoholhoudende drank bevordert een overmatig gebruik daarvan. Overmatig gebruik van alcoholhoudende drank heeft een negatieve invloed op de volksgezondheid en kan bovendien leiden tot verstoring van de openbare orde. “Happy hours” zijn daarom ongewenst.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span><span class=\"lf-art-t\">Verschaffing gegevens nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die bedrijfsmatig nachtverblijf verstrekt is op grond van het strafrecht verplicht een nachtregister bij te houden. Degene die de nacht wil verblijven is echter niet verplicht om de gevraagde gegevens te verstrekken. Dat plaatst de verblijfverstrekker voor een lastige opgave. De meest voor de hand liggende handelwijze is, dat de verblijfsverstrekker in het kampreglement of de huisregels opneemt, dat een persoon die de voor het nachtregister noodzakelijk gegevens niet wil geven, geen toegang tot de inrichting krijgt. Daarmee kan de medewerking via privaatrechtelijke weg worden afgedwongen. Er is in de praktijk echter ook behoefte gebleken aan een bestuursrechtelijke stok achter de deur. Daarin wordt voorzien door middel van dit artikel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 7. Toezicht op speelgelegenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De regeling voor de exploitatie van speelautomatenhallen is ondergebracht in een afzonderlijke verordening: de Speelautomatenhallenverordening 2019.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">Kansspelautomaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze modelbepaling is gekozen voor het maximaal aantal van twee kansspelautomaten in hoogdrempelige inrichtingen en een totaalverbod op kansspelautomaten in laagdrempelige inrichtingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de modelbepaling is in lid 5 bepaald, dat het college aanplakborden kán aanwijzen, maar daartoe niet is verplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de Modelverordening is een derde lid toegevoegd. Daarin is bepaald dat het college ontheffing kan verlenen. Daarvan kan gebruik worden gemaakt voor bijvoorbeeld Lichtjesavond in Noordwijkerhout.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de politie is de tekst van lid 1 onder b aangepast en onderdeel c toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets op markt, kermisterrein en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor reguliere situaties (bijvoorbeeld een winkelstraat) kan een fietsverbod worden opgelegd door middel van een verkeersbesluit. Dit APV-artikel ziet op incidentele situaties, waarbij een verkeersbesluit geen bruikbaar instrument is. Het verbod beperkt zich niet tot het (brom-) fietsen, maar betreft ook het aan de hand meevoeren van een (brom-) fiets omdat dat vooral bij grote drukte kan leiden tot ernstige hinder, irritaties en opstoppingen. Dat laatste is vooral vanuit crowd-management oogpunt ongewenst en nadelig voor de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:54</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod oplaten ballonnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ballonnen die in de lucht worden opgelaten/losgelaten zijn oncontroleerbaar. Ze kunnen daardoor hinder en overlast veroorzaken, bijvoorbeeld in de vorm van visuele hinder (bijvoorbeeld als felgekleurde ballonnen of resten daarvan in bomen blijven hangen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Resten van ballonnen kunnen gevaarlijk zijn voor dieren, zoals vogels en vissen. Dieren raken erin verstrikt of zien de ballonnen aan voor voedsel en stikken erin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zijn de bedoelde hinder en veiligheidsrisico’s die opname van het verbod in de APV rechtvaardigen. Het vaak gehoorde argument van het voorkomen van zwerfafval is dat niet. Bepalingen omtrent zwerfafval horen immers thuis in de Afvalstoffenverordening. Bovendien is het maar zeer de vraag of het afval van in Noordwijk opgelaten ballonnen terecht komen binnen de grenzen van de gemeente. Dat is een voorwaarde voor opname in de APV want de APV moet betrekking hebben op het huishouden van de gemeente. Het tegengaan van verspreiding van afval buiten Noordwijk valt dan ook buiten de reikwijdte van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedoelde hinder- en veiligheidsrisico’s kunnen al optreden direct na het oplaten van een ballon en vormen daardoor wel een goede grond voor opname van het verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Redactioneel wijkt dit artikel iets af van de Modelverordening. Inhoudelijk komen de artikelen overeen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid is extra toegevoegd. Onder een doeltreffend hulpmiddel wordt een papieren of een plastic zakje verstaan dat stevig en groot genoeg is om daadwerkelijk de uitwerpselen van de hond te kunnen verwijderen. Verder dient de eigenhaar c.q. houder van een hond altijd een opruimmiddel aan de gemeentelijke toezichthouder te kunnen tonen (men dient dus meerdere zakjes bij zich te hebben).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">Bijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Modelverordening van de VNG is het aantal meters facultatief gesteld. In de praktijk blijkt de afstand van 30 meter een veelgebruikte afstand in gemeentelijke APV’s. Belangrijke factoren bij het bepalen van de (kans op) overlast voor derden zijn de aard van de betreffende bijensoort en de aanvliegroute van de bijen. Als een afstand van 30 meter wordt aangehouden is de kans op overlast voor derden erg klein, zodat bij een grotere afstand geen verbod nodig is. Bij een kleinere afstand kan ontheffing worden verleend. Aan die ontheffing zullen dan voorschriften verbonden kunnen worden, bijvoorbeeld betreffende de te houden bijensoort en (vooral) de regulering van de vliegroute van de bijen. Er kan bijvoorbeeld worden voorgeschreven, dat binnen 6 meter vanaf de bijenkast of -korf een schutting moet zijn aangebracht van ten minste 2 meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. Het zal van de situatie afhangen of het uit- en invliegen zodanig kan worden gestuurd dat derden er geen last van hebben. Dat zal dus maatwerk vergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werken met een ontheffingsmogelijkheid biedt voor derden (buren) de mogelijkheid om eventuele bezwaren tegen het houden van bijen bekend te maken, zodat gewaarborgd wordt dat hun belangen goed worden meegewogen bij het beslissen op een ontheffingsaanvraag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10. Vuurwerk</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:71</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in de Modelverordening is ook een definitie van “jaarwisseling” opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73a</span><span class=\"lf-art-t\">Bezigen van vuurwerk door professionele toepassers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Het Vuurwerkbesluit heeft als voornaamste doel de bescherming tegen vuurwerk voor mens en milieu. Het besluit maakt onderscheid tussen consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk. Normaliter kan een verschil tussen consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk worden gemaakt naar aanleiding van de lading die wordt gebezigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Consumentenvuurwerk mag normaal gesproken alleen worden afgestoken tijdens de jaarwisseling. Wanneer consumentenvuurwerk buiten deze periode wordt afgestoken, dan mag dit niet door consumenten worden gedaan maar alleen door professionele toepassers. In dit opzicht kan ook consumentenvuurwerk buiten de periode van de jaarwisseling als professioneel vuurwerk worden gezien. Met andere woorden, al het vuurwerk dat niet tijdens de jaarwisseling (maar bijvoorbeeld tijdens een trouwerij bij een strandpaviljoen) wordt afgestoken, is per definitie professioneel vuurwerk. Aan het afsteken van professioneel vuurwerk stelt het Vuurwerkbesluit strenge eisen. Het afsteken van vuurwerk gebeurt in de praktijk door een gespecialiseerd bedrijf. Dat bedrijf moet een toepassingsvergunning hebben. De provincie waarin het bedrijf is gevestigd, is bevoegd om een dergelijke vergunning te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast een toepassingsvergunning moet het bedrijf een ontbrandingstoestemming aanvragen bij de provincie. Dat kan op twee manieren: via een ontbrandingsmelding of via een ontbrandingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan worden volstaan met een ontbrandingsmelding indien er maximaal 200 kg consumentenvuurwerk en maximaal 20 kg theatervuurwerk wordt afgestoken. (Theatervuurwerk is een soort vuurwerk dat zodanig is gemaakt dat het geschikt is om te gebruiken in besloten ruimten.) Wordt er meer afgestoken dan 220 kg, dan moet er een vergunning worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Noordwijkse praktijk is gebleken, dat er met name op het strand regelmatig vuurwerk wordt afgestoken bij de viering van bijvoorbeeld bruiloften. Voor de gasten een mooie ervaring, maar door omwonenden kan het als hinderlijk worden beschouwd, vooral als het vuurwerk ’s nachts wordt afgestoken. Daarom is in de APV, aanvullend aan de reeds geldende regels ten aanzien van het afsteken van vuurwerk, een verbod opgenomen voor het afsteken van vuurwerk tussen 23.00 uur en 07.00 uur. Deze periode sluit aan bij de nachtperiode zoals gehanteerd in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het verbod is een uitzondering gemaakt voor de gevallen waarbij er sprake is van een voor een ieder toegankelijk evenement waarvoor door de burgemeester een evenementenvergunning is verleend. In een dergelijk geval is het mogelijk om vuurwerk na 23.00 uur af te steken mits uit de vergunning blijkt dat daarmee is ingestemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73b</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod carbid-schieten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het carbid-schieten is geen traditie in Noordwijk en komt (gelukkig) ook niet zo veel voor in Noordwijk en omstreken. Met het verbod op knalvuurwerk (en vuurpijlen) bestaat de kans dat het carbid-schieten gezien gaat worden als een alternatief voor het reguliere knalvuurwerk. De overlast van het carbid-schieten is (minimaal) vergelijkbaar met de overlast van knalvuurwerk. Het wordt daarom noodzakelijk geacht om het verbod op carbid-schieten in de APV op te nemen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 11. Drugsoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74b</span><span class=\"lf-art-t\">Weggooien van spuiten en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is aanvullend op hetgeen is bepaald in de Afvalstoffenverordening en in de Wet milieubeheer. Het achterlaten van aan drugs-gerelateerde voorwerpen zorgt immers niet alleen voor verontreiniging van de natuur en verstoring van de optimale wijze van inzamelen van afvalstoffen. Het achterlaten van dergelijke voorwerpen kan bijdragen aan een gevoel van onveiligheid en criminaliteit. In die zin draagt drugs-gerelateerd afval bij aan verstoring van de openbare orde. Het is vanuit die invalshoek dat dit artikel in de APV is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74c</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in lachgas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verkoop en het oneigenlijk gebruik van het gas als recreatief roesmiddel leveren vaak hinder en overlast op. Ook blijkt uit een risicobeoordeling door het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) dat lachgas als recreatief roesmiddel aanzienlijke risico’s meebrengt voor de individuele gezondheid én voor de volksgezondheid. Verder zorgt gebruik van lachgas in het verkeer voor onveilige situaties op de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overlast en gezondheidsrisico’s door oneigenlijk gebruik van lachgas waren voor het kabinet redenen om in een Kamerbrief van 9 december 2019 aan te kondigen dat lachgas zal worden geplaatst op lijst II behorende bij de Opiumwet. Daardoor zal onder meer de verkoop, het vervaardigen en het bezit van lachgas verboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Los van de aangekondigde wijziging van de Opiumwetgeving hebben gemeenten eigen mogelijkheden om op te treden tegen oneigenlijk gebruik van lachgas. De VNG stelt zich daarbij op het standpunt, dat een algemeen lachgasverbod waarschijnlijk geen stand zou houden bij de rechter. De VNG geeft daarbij als reden dat er zou moeten worden onderbouwd dat in de hele gemeente sprake is van aantasting van de openbare orde of overlast als gevolg van oneigenlijk gebruik van lachgas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij echter om een standpunt van de VNG en dus niet om een juridisch gegeven. De redenatie van de VNG valt niet goed te rijmen met het feit dat bijvoorbeeld het verbod op drugshandel (art. 2:74) en drugsgebruik (art. 2:74a) wel in de Modelverordening zijn opgenomen. Bovendien zou de redenatie van de VNG betekenen, dat er uitsluitend bepalingen in de APV zouden kunnen worden opgenomen nadat zich in de praktijk problemen hebben voorgedaan, terwijl de regels juist bedoeld zouden moeten zijn om problemen te voorkómen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard is stilgestaan bij het gegeven, dat lachgas ook wordt gebruikt voor legitieme doeleinden, bijvoorbeeld als drijfgas in slagroomspuiten. Een verbod op de verkoop van lachgas vanaf een openbare plaats maakt een dergelijk gebruik echter niet onmogelijk en ook niet onnodig belastend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74d</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van lachgas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door het verbod op genoemde handelingen te beperken tot openbare plaatsen blijft het gebruik van lachgas voor bijvoorbeeld huishoudelijk gebruik of het gebruik in professionele keukens ongemoeid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 juli 2016 is artikel 151c van de Gemeentewet gewijzigd waardoor het ook mogelijk is om ter handhaving van de openbare orde mobiele camera’s in te zetten. Onder handhaving van de openbare orde valt volgens de regering ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit betekent dat bij een evenement ten behoeve van voorkoming van verstoring van de openbare orde ook mobiele camera’s zouden kunnen worden ingezet. Een zodanig besluit wordt door de burgemeester genomen. In het tweede lid zijn parkeerterreinen en parkeergarages met name genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:80</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting overlast gevende voor het publiek openstaande gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wordt gezien als een belangrijk onderdeel van het instrumentarium ter bestrijding van ondermijning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:81</span><span class=\"lf-art-t\">Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van dit artikel kan de burgemeester bepaalde gebouwen, gebieden en/of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen. Die aanwijzing vindt plaats door een aanwijzingsbesluit (al dan niet als onderdeel van het Algemeen aanwijzingsbesluit). Vervolgens is het verboden om zonder vergunning een bedrijf dat valt onder die aanwijzing uit te oefenen. In tegenstelling tot artikel 2:80 (waarbij een specifiek gebouw of erf kan worden gesloten) is het op basis van dit artikel mogelijk om hele categorieën van bedrijven aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met nadruk moet worden opgemerkt, dat de onderbouwing van die aanwijzing bijzonder sterk zal moeten zijn. Het aanwijzen van bijvoorbeeld glazenwassers of autoverhuurbedrijven (zoals gedaan door respectievelijk de gemeente Zaanstad en de gemeente Tilburg) kan alleen plaatsvinden indien uit feiten en omstandigheden (vaak door de politie vastgelegd in een bestuurlijke rapportage) blijkt, dat er een directe relatie is tussen enerzijds de aan te wijzen activiteiten en anderzijds de bedreiging van de veiligheid, de leefbaarheid of de verstoring van de openbare orde.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 13. Strand, zee en duin</h3>\n<p class=\"lf-p\">De Modelverordening van de VNG bevat geen specifieke bepalingen betreffende het strand. Deze afdeling bevat dus uitsluitend Noordwijks maatwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:84</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten en voorwerpen op het strand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b (in combinatie met het vierde lid) Van belang is op te merken, dat bij de strandafritten verkeersborden staan op grond waarvan het verboden is met een motorvoertuig het strand (waartoe ook de strandop- en afgangen behoren) op te rijden. Om ondanks de bedoelde C1-borden (gesloten voor alle verkeer behalve voetgangers) het strand op te mogen rijden is een ontheffing nodig van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV). Een eventuele ontheffing van art. 2:84, lid 1 onder c APV zal dus altijd gecombineerd moeten worden met een RVV-ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder c en d (in combinatie met het zesde lid) Het op het strand rijden met een sulky of andere vorm van aanspanning en het gebruik van een zeilwagen op het strand is niet op een veilige manier te combineren met het overige strandgebruik. Het wordt niet mogelijk geacht om aan een eventuele vergunning zodanige voorschriften te verbinden dat de veiligheid voldoende gewaarborgd zou worden. Aangezien het dus praktisch niet mogelijk zou zijn een vergunning te verlenen, heeft het opnemen van een vergun-mogelijkheid geen zin. Het zou juridisch gezien zelfs onjuist zijn. Er geldt voor deze gebruiksvormen dan ook een absoluut verbod. Er is geen ontheffing mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder j (in combinatie met het zevende en achtste lid) In de vorige APV was bij de regulering van het fietsen op het strand gekozen voor een ontheffingenstelsel. Voordeel daarvan is dat er grip gehouden kan worden op het aantal te verlenen ontheffingen. Daardoor kan worden voorkomen dat het te druk zou worden met fietsers op het strand. Nadeel is echter de bewerkelijkheid voor zowel aanvrager als ontheffingverlener. Praktisch punt is, dat een fietser die over een ontheffing beschikt, verplicht zou zijn die ontheffing (of een bewijs daarvan, bijvoorbeeld in de vorm van een bij de beschikking behorend pasje) bij zich te hebben tijdens het fietsen op het strand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van doorslaggevend belang is echter, dat over het algemeen moet worden gestreefd naar een beperking van (administratieve) lasten. Het opnemen van algemene regels heeft in die zin de voorkeur boven een ontheffingenstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene regels worden opgenomen in het Algemeen Aanwijzingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:85</span><span class=\"lf-art-t\">Geen glas op het strand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Glasscherven in het zand kunnen leiden tot (ernstige) verwondingen bij strandgebruikers. Het gebruik van glaswerk moet daarom zoveel mogelijk worden beperkt. In het 4e lid van dit artikel wordt gewezen op het veiligheidsaspect van de verontreiniging met glas. Het tegengaan van verontreiniging op zich is geregeld in de Afvalstoffenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:86</span><span class=\"lf-art-t\">Varen en beoefenen watersport</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ziet er onder andere op dat de schipper van een boot met een schroef op voldoende afstand moet blijven van de badgasten/zwemmers dan wel de schroef moet hebben afgedicht zodat deze geen gevaar kan opleveren voor de badgasten/zwemmers die zich in zee bevinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:87</span><span class=\"lf-art-t\">Naaktrecreatie op het strand, in de duinen en in zee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naakt recreëren in de duinen is geheel verboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:88</span><span class=\"lf-art-t\">Paarden op het strand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van rij- en trekdieren op het strand in zijn algemeenheid en op het berijden van rij- en trekdieren op het strand door een ruiter. Hieronder valt dus ook het door een paard/pony met ruiter voorttrekken van een wakeboard, visnet, schelpennet of iets dergelijks in de branding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:89</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijhouden van het strand voor redding en hulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt er voor te zorgen, dat hulpdiensten te allen tijde langs de waterlijn kunnen rijden, zodat zij de locatie van een incident zo dicht mogelijk kunnen benaderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:90</span><span class=\"lf-art-t\">Hulpdiensten en werkverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:91</span><span class=\"lf-art-t\">Zweeftoestel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het landen en vliegen met een zweeftoestel is geregeld in de Wet luchtvaart. Om die reden kunnen in de APV uitsluitend regels worden gesteld ten aanzien van het starten met zweeftoestellen. Deltavliegen en/of parapenten (= duinsoaren) valt onder dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:92</span><span class=\"lf-art-t\">Verlichten van het strand en de zee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om de gasten van de paviljoens ook in het donker uitzicht op zee te bieden, hebben paviljoens in het verleden verlichting aangebracht die gericht was op de zee. Vanuit omwonenden, overige strandbezoekers en maatschappelijke organisaties kwam echter steeds meer weerstand tegen hinder en vervuiling door kunstlicht op het strand. In het Activiteitenbesluit van de Wet Milieubeheer zijn geen regels hieromtrent gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van op de zee gerichte verlichting kan nadelig zijn voor het zeeleven. Bovendien wordt de veiligheid benadeeld. De KNRM heeft namelijk aangegeven dat het zeewaarts verlichten van het strand met sterke schijnwerpers zeer hinderlijk is voor reddingsacties en voor oefeningen in het donker. Eventuele drenkelingen zullen minder snel worden gevonden. Om genoemde redenen is dit verbod in de APV opgenomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:93</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod gebruik metaaldetectoren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het gebruik van een metaaldetector in de duinen is de kans op het vinden van een explosief (mortier/granaat) relatief groot. Een blootgelegd explosief is gevaarlijk voor bezoekers. Het op verantwoorde wijze opruimen van deze explosieven is arbeidsintensief en kan overlast met zich meebrengen in verband met het afsluiten van locaties of gebieden voor bezoekers c.q. gebruikers van het strand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Controle op naleving van deze bepaling wordt hoofdzakelijk gedaan door de opsporingsambtenaren werkzaam bij Staatsbosbeheer. Zij zijn op grond van artikel 6:2 van deze verordening daartoe aangewezen als toezichthouder ten behoeve van naleving van hetgeen in dit artikel is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:94</span><span class=\"lf-art-t\">Noordvoort</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder a, b, c en d Noordvoort is een natuurgebied in wording. Landschappelijke aanpassingen en een afwijkend beheer moeten er op termijn voor gaan zorgen dat Noordvoort een enclave van rust en natuur gaat worden. Er is daarom bepaald, dat er in Noordvoort geen verblijfsrecreatie is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder e en f Vaak wordt een natuurgebied gerealiseerd door een gebied af te sluiten voor doorgaand verkeer. In het geval van Noordvoort is dat praktisch onmogelijk. Een voor alle verkeer afgesloten Noordvoort zou een bijna onneembare blokkade vormen voor activiteiten waarbij men zich over het strand wenst te verplaatsen van Noordwijk naar Zandvoort en vice versa. Daarbij kan gedacht worden aan lange-afstand-wandeltochten en wielerwedstrijden. Een redelijk bruikbare omweg is niet voorhanden. Er is dan ook nauwelijks aan te ontkomen om toch enig verkeer door Noordvoort toe te staan. Er is echter wel de beperking opgenomen dat er niet sneller dan stapvoets gereden mag worden. Dat betekent dat, ook indien er bijvoorbeeld op grond van artikel 2:10 APV een ontheffing is verleend van het verbod om met een motorvoertuig op het strand te rijden, er alsnog bij Noordvoort niet sneller dan stapvoets gereden mag worden. (Daarbij is overigens wel rekening gehouden met het feit, dat het in bepaalde omstandigheden, afhankelijk van zand en water, niet mogelijk is om stapvoets te rijden zonder vast te komen zitten. In die omstandigheden is het toegestaan in een snelheid te rijden die absoluut noodzakelijk is om vastrijden te voorkomen.)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE</h3>\n<p class=\"lf-p\">ONDERWERPEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2. Vergunning Seksbedrijf</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de stippellijntjes zoals opgenomen in de Modelverordening ingevuld. Er is sprake van een zogenaamde “schaarse vergunning”. Een dergelijke vergunning mag niet voor onbeperkte tijd worden verleend. Er is gekozen voor 3 jaar zodat er na die periode een moment van hertoetsing plaats zal vinden. De verguntermijn moet echter zijn afgestemd met de mogelijkheid om investeringen terug te verdienen. Daarom is gekozen voor de mogelijkheid om de vergunning te verlengen en wel tot maximaal 9 jaar. Die termijn wordt voldoende geacht voor het terug verdienen van gedane investeringen voor de opstart van het bedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Concentratie seksinrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan om de hele gemeente aan te wijzen als locatie waar geen seksinrichting gevestigd mag worden. Er zijn daarom vestigingsmogelijkheden open gehouden op de twee genoemde locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:5 0-optie raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksinrichtingen Er is gekozen voor de variant waarbij het aantal prostitutiebedrijven en seksinrichtingen zoveel mogelijk is beperkt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU, HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1. Voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten en Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 4.2 en 4.3 zijn gebaseerd op artikel 2.21 van het (op de Wet milieubeheer gebaseerde) Activiteitenbesluit. In dat artikel is bepaald, dat er maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar mogen worden aangewezen waarop de reguliere geluidnormen niet gelden. Die 12 dagen kunnen worden onderverdeeld in collectieve festiviteiten en incidentele festiviteiten. Er is voor gekozen om 4 dagen aan te wijzen voor collectieve festiviteiten en 8 dagen (voor het strand en de Grent: 3) waarop incidentele festiviteiten mogen worden georganiseerd. Het aantal incidentele activiteiten op het strand en op de Grent is beperkt tot 3 per jaar omdat er daar anders (door de concentratie van inrichtingen) een cumulatie van incidentele festiviteiten zou kunnen plaatsvinden waardoor er in de praktijk bijvoorbeeld elk weekend luidruchtige activiteiten georganiseerd zouden kunnen worden op het strand of op De Grent.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de Modelverordening is in dit artikel bepaald, dat het verbod niet van toepassing is op de geluidproductie tijdens een evenement.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3. Het bewaren van houtopstanden</h3>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wabo. Dat betekent dat het hier gaat om een Wabo-vergunning. Vaak zal naast de Wabo-vergunning nog een vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen. De Wet natuurbescherming haakt aan bij de Wabo. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn voor de aanvraag van een omgevingsvergunning indieningsvereisten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de Awb is in artikel 6.1 lid 1 jo. lid 2 van de Wabo bepaald dat een omgevings-vergunning voor het vellen van houtopstand niet eerder inwerking treedt dan na afloop van de bezwaar-/beroepstermijn. Ingevolge lid 3 van de Wabo wordt de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning verder uitgesteld indien een rechtsmiddel wordt aangewend. Dit is eveneens het geval wanner er een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan. In dat geval dient de beslissing van de voorzieningenrechter te worden afgewacht alvorens eventueel van de vergunning gebruik kan worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:10</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a (houtopstand) Houtopstand is het algemene begrip dat Wet Natuurbescherming zelf ook hanteert. Tevens is dit het algemene kernbegrip van deze verordening waarop het kapverbod en de vergunningplicht van toepassing zijn. Door dit begrip consequent centraal te stellen wordt duidelijk dat de bescherming betrekking heeft op meer dan het in het algemene spraakgebruik gehanteerde begrip ´boom´.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één of slechts enkele stammen. In de natuur bestaat er echter een geleidelijke overgang: heester – struik – struikachtige boom – (meerstammige) boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met hakhout wordt bedoeld: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b (vellen) Vellen is het allesomvattende juridische begrip dat in het verbod staat. Onder vellen wordt zowel kappen, rooien als verplanten begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kappen is het bovengronds omleggen van een houtopstand waarbij een stobbe achterblijft en waarbij het doel van de handeling gericht is op het definitief verwijderen van de houtopstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rooien is het met wortel en al verwijderen van een houtopstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplanten is een vorm van rooien waarbij de desbetreffende houtopstand elders wordt herplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d (knotten) Kandelaberen is het voor meer dan 30% gelijkmatig weghalen van de takken die de kroon van de boom vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel f (Boom effect analyse) Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast zijn of (onherstelbaar) beschadigd raken. De bomen effect analyse (BEA) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit inzake een Boom Effect Analyse: besluit, waarop staat vermeld of een werk of ingreep in de boombeschermingszone, eventueel onder voorwaarden, is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om bomen op bouwplaatsen te beschermen dient een boombeschermingszone te worden ingesteld, die op de grond fysiek met een stevig hekwerk wordt gemarkeerd. In de beschermingszone blijft de bestaande situatie in beginsel gehandhaafd. Een bevoegde toezichthouder waakt over de gestelde beschermingsregels, die in werkbestekken zijn vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met goedkeuring van de toezichthouder kunnen noodzakelijke werkzaamheden in de boombeschermingszone verricht worden die voor de levensvatbaarheid van de te beschermen boom geen nadelige gevolgen heeft. De toezichthouder kan hiervoor om een Bomen effect analyse vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkzaamheden in de boombeschermingszone, die BEA-plichtig zijn, betreffen: wijziging van de maaiveldhoogte door afgraven, ophogen en uitwisselen van grond; grondbewerking als ploegen of andere bodembewerking; verdichting en verharding van de bodem; aanleg van kabels, leidingen en riolen; opslag van grond, grondstoffen, bouwmaterialen en afvalstoffen; lozen van vloeistoffen o p en in de bodem; plaatsing van keten, toiletten, betonmolens, voertuigen, machines of tijdelijke bouwwerken; heiwerk; sloop van gebouwen of andere bouwwerken met machines; andere werkzaamheden die van invloed zijn op de groeiplaats van de boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterhuishoudkundige ingreep binnen 100 meter van de boombeschermingszone, die BEA-plichtig is, betreft: wijziging van de grondwaterstand door pompen of bronbemaling of op een andere manier veranderen van de waterhuishouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel: 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Tweede lid Onder de onder lid 2 genoemde waarden wordt het volgende verstaan: de natuurwaarde van de houtopstand Een houtopstand is uit ecologisch oogpunt waardevol als deze van belang is voor de instandhouding van flora en fauna. De houtopstand speelt in dit geval een ecologische rol als “stepping stone” of “corridor” of is van belang als voedselbron, nest- of schuilplaats. Een verbindingszone kan bestaan uit kleine gebiedjes die kunnen dienen als tijdelijke verblijfplaats voor soorten die aan het migreren zijn van het ene naar het andere kerngebied, in dit geval wordt gesproken van stepping stones. Corridors zijn verbindingszones met relatief kleine of helemaal geen onderbrekingen. Daarnaast wordt hieronder ook begrepen houtopstanden die meerwaarde hebben of van belang zijn voor een (gemeentelijk) ecologische zone. de landschappelijke waarde van de houtopstand Houtopstanden die een uitdrukkelijke relatie hebben met het landschap, bijvoorbeeld als herkenningspunt of landschappelijk element. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een haag, rij knotwilgen, een bossingel of laanbeplanting. Ook houtopstanden die een belangrijke functie hebben ten aanzien van de overgang van het stedelijk naar het landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooral houtopstanden die een camouflerende functie hebben, dienen gehandhaafd te blijven. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bomen voor grote bedrijfsgebouwen of schuren of bomen die aan de rand van de bebouwde kom staan. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtopstanden die vallen onder een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook de beplantingsvorm van houtopstanden die een belangrijk deel uitmaken van, of in belangrijke mate het beeld bepalen van structuren (hoofdassen/lanen/pleinen) is waardevol. Dit zowel vanuit groen- als stedenbouwkundige architectuur benaderd. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvallende houtopstanden die bepalend zijn voor het karakter van de omgeving omdat ze door hun voorkomen de visuele kwaliteit van hun omgeving verhogen. De omgeving zal qua groene uitstraling duidelijk veranderen indien de desbetreffende houtopstand ontbreekt. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een houtopstand is uit cultuurhistorisch oogpunt waardevol als deze een rol van betekenis speelt in de geschiedenis van zijn omgeving. Te denken valt aan relicten of restanten van een oud natuur- of bosgebied (natuurhistorie), bomen die deel uitmaken van een cultuurhistorische object (zoals monumentale panden) of bomen die herinneren aan gebeurtenissen, markeringen of handelingen uit het verleden (zoals herinneringsbomen). de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtopstanden die de kwaliteit, beleving en het woongenot van de omgeving vergroten. Bijvoorbeeld doordat ze onderdeel uitmaken van de groenstructuur van parken of speelplaatsen. Ook bomen die op publieke plekken beschutting geven tegen o.a. wind of de zon. de zeldzaamheidswaarde van de houtopstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een houtopstand is dendrologisch waardevol als de soort of de groeivorm in Nederland (zeer) zeldzaam is. Ook herkomsten/houtopstanden die in Nederland algemeen voorkomen, maar in de regio een zeldzaamheid zijn vallen hier onder. ouderdom en levensverwachting van de houtopstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer sprake is van een, voor de soort, combinatie van hoge ouderdom en minimaal redelijke vitaliteit. Daarnaast wordt hierin ook meegenomen of de betreffende houtopstand een eenheid vormt met omringende houtopstanden, die schade zullen ondervinden van het verdwijnen van de betreffende houtopstand (zoals risico op windworp, windschade of zonnebrand).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder a Een stamomtrek van minder dan 63 cm betekent dat de diameter van een stam kleiner is dan 20,05 cm. De stamomtrek kan met behulp van de volgende formule worden omgerekend naar de diameter van de stam: omtrek in centimeters gedeeld door 3,14 (= π). Een stamomtrek van bijvoorbeeld 100 cm betekent een diameter van 100/3,14= 31,85 cm.</p>\n<p class=\"lf-p\">De manier waarop een stamomtrek kan worden omgerekend naar de diameter van de stam is van belang omdat het landelijk vastgestelde formulier om een omgevingsvergunning voor het kappen aan te vragen spreekt over de diameter van de te kappen boom in plaats van over de stamomtrek. In de praktijk is een stamomtrek anders dan de diameter van de stam eenvoudig te meten. Om die reden wordt in dit artikel uitgegaan van stamomtrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder b In het kader van lastenverlichting is er voor gekozen om snelgroeiende boomsoorten tot een stamomtrek van 110 cm (diameter tot 35,03 cm) gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld vergunningsvrij te maken Dit omdat in de praktijk bleek dat voor deze bomen in de meeste gevallen een vergunning kon worden verleend. De lijst met in dit artikel bedoelde snelgroeiende boomsoorten wordt door het college vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder c Ook als houtopstand in deze situatie een grotere omtrek heeft dan 63 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld, mag deze zonder omgevingsvergunning worden geveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder f In het geval dat een beheerplan door of namens het college is goedgekeurd en vastgesteld mogen de houtopstanden die daarvan onderdeel uitmaken conform het vastgestelde plan worden gedund zonder dat daarvoor nog een omgevingsvergunning benodigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan ook het geval zijn voor particuliere houtopstanden. Ook hiervoor kan door de eigenaar c.q. beheerder van het perceel een beheerplan aan het college ter goedkeuring worden voorgelegd zodat voor het dunnen van de houtopstanden geen omgevingsvergunning vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder e Onder habitus wordt de uiterlijke verschijningsvorm van een boom, plant of struik verstaan. Bij bomen zijn er bijvoorbeeld de treurvorm en de zuilvorm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12c</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding ziekten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle ziekten en plagen in één artikel. Uitgangspunt is beschermen van bomen, maar vaak zijn er linken naar gezondheid van mensen en dieren, bijvoorbeeld bij eikenprocessierupsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien op een terrein de bovenstaande ziekten voorkomen in een zodanige situatie dat er naar oordeel van het bevoegd gezag sprake is van ernstig gevaar voor verspreiding dan wel gevaar voor de volksgezondheid, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn, maatregelen te treffen om dit gevaar te voorkomen dan wel te verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt onder andere bedoeld de volgende plantenziekten en plagen: iepziekte (Ophiostoma ulmi Nannf. / Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau) kastanjebloedingsziekte (Pseudomonas syringae var.); bacterievuur (Erwinia amylovora) (o.a. in meidoorn); massaria (S planchnonema platani) (o.a. platanen); bacteriekanker (o.a. populieren); watermerkziekte (o.a. populieren en wilgen); bastknobbelziekten (o.a. essen); essen(tak)sterfte; eikenziekte eikenprocessierupsen; rhododendronziekte; wilgenhoutrups; korsthoutskoolzwam.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1. Parkeerexcessen en stopverbod</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de Modelverordening is er een mogelijkheid gecreëerd dat een particulier zijn of haar eigen auto te koop kan aanbieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen en andere voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de Modelverordening is er gekozen voor een maximale duur van zeven dagen in plaats van drie dagen. De reden daarvoor is, dat bijvoorbeeld eigenaren van een caravan of camper vaak het weekend willen gebruiken om de caravan of camper in te ruimen of leeg te halen. Door een termijn van zeven dagen aan te houden zit daar altijd een weekend tussen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Modelverordening is uitgegaan van de situatie dat het college plaatsen kan aanwijzen waar grote voertuigen niet mogen worden geparkeerd. In de Noordwijkse APV is uitgegaan van de omgekeerde situatie: het is (op enkele uitzonderingen na) in het hele dorp verboden ’s nachts grote voertuigen te parkeren, behalve op de door het college aangewezen parkeerterreinen voor grote voertuigen (waaronder ook bussen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is een uitzondering gemaakt voor grote campers, caravans en dergelijke. Hierbij is een maximale termijn aangehouden van drie dagen. Dit lijkt in tegenstrijd met het bepaalde in artikel 5:3, waarin immers een termijn van zeven dagen wordt aangehouden. Bij recreatie-voertuigen van meer dan 6 meter lang of hoger dan 2,4 meter is de (potentiële) hinder voor de omgeving echter groter. Daarom is voor dergelijke grote voertuigen het maximum gesteld op drie dagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:10</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren of laten stilstaan van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De VNG wijst in de toelichting bij de modelverordening terecht op een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden (23-05-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3927), waarbij is gewezen op het feit dat de verbodsborden E1, E2 en E3 uit bijlage 1 bij het RVV 1990 uitsluitend betrekking hebben op de rijbaan en dus niet op bijvoorbeeld de berm of een braakliggend terrein. Het is daarbij echter wel van belang te beseffen, dat er op grond van de Wegenverkeerswet nog allerlei andere parkeerverboden gelden, zoals het verbod op gevaarlijk/hinderlijk parkeren en het verbod tot parkeren op het trottoir.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verhouding tussen deze APV-bepaling en verkeersbesluiten wordt verwezen naar de toelichting op de Modelverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De redactie is iets anders dan het artikel uit de Modelverordening. De strekking is echter hetzelfde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fietsen of bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan plaatsen aanwijzen waar het onbeheerd neerzetten en laten staan van fietsen of bromfietsen niet is toegestaan. Een dergelijke aanwijzing moet gemotiveerd zijn op het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen of opheffen van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2. Collecteren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de regulering van het collecteren is aansluiting gezocht bij het collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF): de instellingen die op dat rooster zijn vermeld hoeven geen APV-vergunning aan te vragen zolang zij de collecte uitvoeren zoals gemeld in het bedoelde rooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter afbakening van het artikel is voor de duidelijkheid lid 4 opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3. Venten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in de Modelverordening is een definitie opgenomen van het begrip “sampling”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Ventverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Noordwijkerhout kende voor venten algemene regels en de gemeente Noordwijk een vergunningenstelsel. In het kader van het harmoniseren van de regelgeving is besloten om voor de fusiegemeente Noordwijk een vergunningenstelsel te hanteren teneinde mogelijke overlast van venten zoveel mogelijk te voorkomen c.q. te beperken. Door middel van beleidsregels wordt nadere invulling aan deze bevoegdheid gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de Modelverordening is er voor gekozen om het verbod tot venten zonder vergunning te laten gelden voor de gehele gemeente. De reden daarvoor is, dat de hinder en mogelijke verstoring van de openbare orde niet zozeer afhankelijk is van de locatie waar gevent wordt, maar van de manier waarop dat plaatsvindt. Die manier van venten is weer onder andere afhankelijk van het product waarmee wordt gevent en de achterliggende doelstelling. Het voorkomen dan wel beperken van hinder en ordeverstoring vergt dan ook maatwerk. Dat maatwerk is niet te vatten in algemeen geldende regels, maar kan slechts worden geleverd door middel van aan de ontheffing te verbinden voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op sampling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitdelen van gratis proefmonsters (sampling) is een marketingmethode die vaak wordt gebruikt bij productpromotie of –lancering. Bij sampling worden producten of diensten vaak uitgedeeld aan personen die daar niet om hebben gevraagd. Daarbij kan het voorkomen dat de samples worden opgedrongen en dat personen onder druk worden gezet om de aangeboden producten of diensten in ontvangst te nemen. Dat kan door betrokkenen als hinderlijk worden ervaren en kan zelfs leiden tot verstoring van de openbare orde. Als de samples niet worden gewaardeerd door degenen aan wie ze worden uitgedeeld, is de kans groot dat de samples op straat worden gegooid, waardoor er ontsiering van het straatbeeld optreedt. De bedoelde mogelijke nadelige effecten van samplen kunnen worden tegengegaan door aan een ontheffing te verbinden voorschriften. Dat vergt maatwerk. Daarom is gekozen voor de ontheffingensystematiek.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5. Snuffelmarkten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het artikel in de Modelverordening is in lid 3 voor de duidelijkheid aangegeven, dat uiteraard ook de weigeringsgronden zoals genoemd in 1:8 van toepassing zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6. Openbaar water en waterstaatswerken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het artikel in de Modelverordening is in lid 3 bepaald, dat de verboden niet van toepassing zijn op bouwwerken die vallen onder de Wabo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Reeds vele jaren ligt er in de kernen Noordwijk en Noordwijkerhout een aantal woonschepen. Het uitbreiden van het aantal woonboten wordt niet wenselijk geacht, vooral omdat het ontbreekt aan daarvoor geschikte ligplaatsen. Er is daarom voor gekozen om het huidige aantal woonboten als maximum vast te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor andere boten is het aantal geschikte en beschikbare ligplaatsen beperkt. Er moet bovendien evenwicht zijn in enerzijds de behoefte aan ligplaatsen en anderzijds een verantwoord gebruik van het water en de oever. Aspecten als veiligheid, doorvaarbaarheid, overlast, schade aan oevers, verstoring van natuur en kwaliteit van het uiterlijk aanzien van de gemeente spelen daarbij een rol. Om daarbij maatwerk mogelijk te maken is gekozen voor voortzetting van het al jaren bestaande vergunningensysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overgrote deel van de ligplaatsen in Noordwijk wordt ingenomen door boten die in Noordwijk een vaste ligplaats hebben. Er komen slechts weinig passanten met de boot naar Noordwijk. Voor die passanten zijn enkele ligplaatsen gereserveerd. Daar kan (voor maximaal 48 uur) worden afgemeerd zonder vergunning.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 7. Crossterreinen, gemotoriseerd verkeer en ruiterverkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn bepalingen opgenomen betreffende het verkeer in natuurgebieden. In afwijking van de Modelverordening is in het eerste lid bepaald, dat de artikelen 2:84, 2:88 en 2:94 onverminderd van kracht zijn. Dit is met name van belang voor bijvoorbeeld Noordvoort. Noordvoort is een natuurgebied en valt daarmee onder de werking van artikel 5:33. Op grond van lid 4 van artikel 5:33 zou het verbod op verkeer niet van toepassing zijn op wegen binnen Noordvoort. Op grond van de wegen(verkeers)wetgeving moet het strand worden beschouwd als weg. Het verbod zoals verwoord in lid 1 van artikel 5:33 is dus niet van toepassing op het binnen Noordvoort gelegen strand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verboden zoals verwoord in de artikelen 2:84, 2:88 en 2:94 zijn echter onverminderd van toepassing binnen Noordvoort.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8. Vuurverbod</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van vuur op het strand, in de duinen, in het bos of in een natuurgebied kan zeer risicovol zijn. Het uitbreken van brand in die gebieden kan rampzalig uitpakken en moet daarom zo veel mogelijk worden voorkomen. Vuurkorven, kaarsen, barbecues en dergelijk zijn daar dan ook niet toegestaan. Met nadruk wordt er op gewezen, dat volgens de definitie van “strand” (zie artikel 1:1 APV) bijvoorbeeld ook de terrassen van strandpaviljoens onderdeel uitmaken van het strand, zodat het vuurverbod ook daar van toepassing is. Het college kan ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:34a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op het gebruik van wensballonnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het ongecontroleerd oplaten van een ballon met een vuurbron erin is onverantwoord en risicovol.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 9. Asverstrooiing</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting bij de Modelverordening is aangegeven dat asverstrooiing niet wenselijk is op plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asverspreiding door de wind speelt in wat mindere mate op het strand, maar bij het strand moet rekening gehouden worden met de vele varianten van strandgebruik. Het verstrooien van as in/over het zand is niet te combineren met bijvoorbeeld in het zand spelende kinderen en is daarom verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dezelfde reden is het verboden om as op zee te verstrooien: de combinatie van asverstrooiing en het zwemmen in zee is zeer onwenselijk. Aangezien het grondgebied van Noordwijk (en daarmee de werking van de APV) zich uitstrekt tot 1 kilometer uit de kustlijn, is die beperking in lid 1 onder c voor de duidelijkheid vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onwenselijkheid van asverstrooiing op sportterreinen en kinderspeelplaatsen is evident en hoeft geen nadere toelichting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10. Overnachten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:38</span><span class=\"lf-art-t\">Overnachten op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt beoogd het slapend op een openbare plaats doorbrengen van de nacht tegen te gaan. Daarbij kan gedacht worden aan dak- en thuislozen, maar zeker ook aan bijvoorbeeld badgasten die op het strand de nacht willen doorbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel kan worden gezien als een aanvulling op het bepaalde in artikel 4:18, waarin het verbod is opgenomen tot het ten behoeve van recreatief nachtverblijf plaatsen of geplaatst houden van een kampeermiddel. (Aangezien een kampeermiddel over het algemeen geen openbare plaats is, is er geen sprake van overlapping.)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Handhaving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen voor een brede aanwijzing van toezichthouders. Ook de BOA’s en politieambtenaren zijn als toezichthouders aangewezen. Zij zullen daarbij rekening moeten houden met de tweepettenproblematiek (verschillende bevoegdheden als toezichthouder en als opsporingsambtenaar).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordeningen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om misverstanden te voorkomen wat de gevolgen zouden kunnen zijn van de inwerkingtreding van deze verordening is gekozen voor een overgangsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met nadruk wordt gewezen op het gesteld in lid 3. Op grond daarvan blijven bijvoorbeeld veel bestaande beleidsregels van kracht.</p></div>", "next": 0}