{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voor deze constructie is gekozen, omdat in de meeste gevallen de opdrachtgever (de indiener van het saneringsplan) een leek op het gebied van bodemsanering is en de meldverplichtingen zijn uitbesteed aan de aannemer. Omdat in gevallen waarin niet gemeld wordt sprake kan zijn van slechts geringe schuld van de opdrachtgever (de indiener van het saneringsplan) volgt voor hem dan geen vervolging. Het is gewenst om in die gevallen tegen de aannemer, als degene die de sanering feitelijk uitvoert, strafrechtelijk te kunnen optreden. Juist deze partij kan een financieel belang hebben bij het achterwege laten van een melding. Om deze reden is er in artikel 6.3 van de PMV voor gekozen degene die daadwerkelijk saneert, dat wil zeggen degene die de sanering feitelijk uitvoert in beginsel op te nemen als normadressaat. Doelstelling is hiermee beter controle te kunnen uitoefenen op de uitvoering van de sanering en op de afvoer van de grondstromen. Is er (nog) geen aannemer bij de sanering betrokken dan blijven de verplichtingen uiteraard rusten bij degene die het saneringsplan heeft ingediend. In die situatie is dat namelijk tevens degene die de bodem feitelijk saneert en gelden de meldverplichtingen van artikel 6.3 rechtstreeks voor hem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verplichting tot melding als bedoeld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van artikel 6.3 geldt overigens niet voor degene die de sanering feitelijk uitvoert indien de in dat lid bedoelde melding reeds is gedaan door de opdrachtgever, dus door de indiener van het saneringsplan. In zo'n geval is het niet nodig de meldingsplicht ook nog neer te leggen bij degene die de sanering feitelijk uitvoert.In artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming is de verplichting opgenomen om afwijkingen van het saneringsplan tijdig bij gedeputeerde staten te melden. In dit artikel wordt in verband met deze meldingsplicht de mogelijkheid geboden om nadere regels te stellen omtrent de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt. Om een melding wijziging saneringsplan adequaat te kunnen beoordelen is in artikel 6.5 opgenomen waaraan een dergelijke melding moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 39c, derde lid, van de Wet bodembescherming kunnen bij PMV regels worden gesteld omtrent de inhoud van het evaluatieverslag. Deze regels zijn opgenomen in artikel 6.6. Aan dit artikel moet worden voldaan als na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering een evaluatieverslag bij gedeputeerde staten moet worden ingediend. Gedeputeerde staten dienen met het verslag in te stemmen. Zij stemmen slechts in met het verslag wanneer gesaneerd is overeenkomstig artikel 38 van de Wet bodembescherming. Indien niet afdoende volgens het saneringsplan is gesaneerd, kan dit alsnog worden afgedwongen op grond van artikel 39a van de Wet bodembescherming. Om te kunnen beoordelen of een saneringsresultaat voldoet aan artikel 38 van de Wet bodembescherming, wordt in artikel 39c van de Wet bodembescherming een aantal eisen gesteld waaraan het evaluatieverslag moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.6 stelt daarnaast nog een aantal extra eisen aan de inhoud van het evaluatieverslag. Deze extra eisen vormen een verdere uitwerking van hetgeen wordt gesteld in artikel 39c van de Wet bodembescherming en zijn nodig voor een goede kwaliteit van het evaluatieverslag. Alleen dan is een goede toetsing van de uitgevoerde sanering mogelijk. Wel kan het in de praktijk zo zijn dat onder omstandigheden met minder dan het gestelde kan worden volstaan. Hierbij moet worden gedacht aan eenvoudige saneringen waarbij na afloop duidelijk is dat het in het saneringsplan opgenomen saneringsdoel is bereikt en is voldaan aan het wettelijke saneringsdoel van artikel 38 van de Wet bodembescherming. In het derde lid van artikel 6.6 is de mogelijkheid gecreëerd om gemotiveerd te kunnen afwijken van de in de verordening gestelde eisen aan het evaluatieverslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen die aanvullend op artikel 39c van de Wet bodembescherming in artikel 6.6 aan het evaluatieverslag worden gesteld, hebben betrekking op de actualisatie van de gegevens zoals die zijn opgenomen in het saneringsplan. Hierbij moet worden gedacht aan actuele kadastrale kaarten en gegevens van persoonlijk en zakelijk gerechtigden met betrekking tot de gesaneerde locatie. Deze kunnen in de periode waarin de sanering is uitgevoerd gewijzigd zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van de instemming met het saneringsplan. Daarnaast is het belangrijk dat verslag wordt gedaan van het verloop van de sanering. In artikel 6.6 is opgenomen welke onderdelen van de sanering in ieder geval in het evaluatieverslag moeten worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk dat na afloop van de sanering niet te lang wordt gewacht met het indienen van het evaluatieverslag. Wil een adequate handhaving van het saneringsplan en het behalen van de saneringsdoelstelling van artikel 38 van de Wet bodembescherming kunnen plaatsvinden dan is het belangrijk dat zo spoedig mogelijk na de feitelijke afronding van de sanering het evaluatieverslag wordt opgesteld en ingediend bij gedeputeerde staten. De wet bepaalt ten aanzien van de termijn waarop een evaluatieverslag moet worden ingediend slechts dat dit \"zo spoedig mogelijk\" na de uitvoering van de sanering dient te geschieden. Deze ruime formulering maakt het mogelijk om in artikel 6.6 te bepalen dat uiterlijk binnen dertien weken na afloop van de sanering het evaluatieverslag moet zijn ingediend. Krachtens artikel 6.3 van de PMV dient een aantal ijkmomenten van de sanering te worden gemeld, zodat gedeputeerde staten inzicht hebben in het tijdsverloop van de sanering en daarmee tevens op de hoogte zijn van de afronding van de sanering. Hierdoor kunnen gedeputeerde staten ook toezien op het moment waarop het evaluatieverslag uiterlijk moet worden ingediend. Een termijn van dertien weken moet haalbaar worden geacht voor het opstellen van het evaluatieverslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 39d, vijfde lid, van de Wet bodembescherming kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van het nazorgplan. Deze regels zijn opgenomen in artikel 6.7. Aan dit artikel moet worden voldaan indien na de uitvoering van de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft, die beperkingen in het gebruik van de bodem tot gevolg heeft of nazorgmaatregelen noodzakelijk maakt. In het nazorgplan moeten de gebruiksbeperkingen en de nazorgmaatregelen worden beschreven. De gebruiksbeperkingen moeten voorkomen dat er contact is met de restverontreiniging om eventuele risico's of verspreiding van de restverontreiniging te voorkomen. De nazorgmaatregelen hebben tot doel om er voor te zorgen dat het bereikte saneringsresultaat blijvend is. Gedeputeerde staten dienen met het nazorgplan in te stemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 39d van de Wet bodembescherming geen duidelijke opsomming kent van eisen waaraan het nazorgplan moet voldoen, worden in artikel 6.7 eisen gesteld aan de inhoud van het nazorgplan. Hierbij is aansluiting gezocht bij de reeds bestaande praktijk. Het belang van een goed nazorgplan is gelegen in de handhaving van het bereikte eindresultaat van de sanering. De geleverde saneringsinspanning mag niet te niet worden gedaan door een slecht beheer van de restverontreiniging na afloop van de sanering. In het nazorgplan moet derhalve duidelijk zijn opgenomen waaruit de nazorg bestaat en wie daarvoor (financieel) verantwoordelijk is. Voorts is het ook voor derden, zoals toekomstige eigenaren en eigenaren van aan de restverontreiniging grenzende percelen, belangrijk dat zij er op kunnen vertrouwen dat het bereikte eindresultaat van de sanering blijvend is en zij in een later stadium niet (opnieuw) worden geconfronteerd met de verontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.7 Hoofdstuk 7 Ontheffingen In artikel 1.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat van aangewezen regels in de PMV ontheffing kan worden verleend in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. In de PMV is op basis van dit artikel per geval aangegeven of een ontheffing kan worden verleend. Bij de aanwijzing van de gevallen waarin ontheffing kan worden verleend, is tevens aangegeven welk orgaan daartoe bevoegd is. Bij deze bevoegdheidsverdeling is zoveel mogelijke aangesloten bij de bestaande verdeling van bevoegdheden. Volgens artikel 1.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een ontheffing alleen worden verleend als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. In artikel 1.3, vierde lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat op de voorbereiding van een beschikking waarbij een ontheffing wordt verleend in principe de procedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Indien uit het oogpunt van de bescherming van het milieu redelijkerwijs geen zienswijzen zijn te verwachten, kan bij PMV anders worden bepaald. In de PMV is steeds bepaald dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om een ontheffing van een bepaling uit de PMV. Uiteraard moeten wel de minimumeisen uit titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.8 Hoofdstuk 8 Vergoeding van de kosten Dit hoofdstuk bevat enkele procedurele bepalingen met betrekking tot de totstandkoming van een beslissing over de vergoeding van schade en kosten door het toepassing worden van bepalingen van de PMV. In de artikelen 8.20 en 8.21 van de Wet milieubeheer is bepaald dat degene, die als gevolg van de PMV zich voor kosten gesteld ziet dan wel schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te komen, in aanmerking komt voor een schadevergoeding. Op een verzoek om schadevergoeding moet binnen vier maanden worden beslist. Indien een deskundigenadvies of een advies van een schadevergoedingscommissie wordt ingewonnen, geldt een maximumtermijn van 7 maanden. In artikel 8.2 is aangegeven welke gegevens voor beslissing op de aanvraag om schadevergoeding nodig zijn. De gegevens die in dat artikel zijn opgesomd vormen de basisgegevens die de aanvraag ten minste dient te bevatten. Uit de Algemene wet bestuursrecht blijkt dat van de aanvrager verlangd kan worden dat hij de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. Verder bevat de Algemene wet bestuursrecht bepalingen over eventuele aanvullingen van de aanvraag of het niet in behandeling nemen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.9 Hoofdstuk 9 Handhaving Het hoofdstuk handhaving in de PMV kan beperkt zijn. Gedragingen in strijd met de PMV zijn economische delicten op grond van artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten voor zover deze gedragingen in de PMV als strafbare feiten zijn aangeduid. De aanduiding van gedragingen die een economisch delict zijn, zijn opgenomen in artikel 9.1. Het gaat om handelingen in strijd met verschillende verbodsbepalingen uit de PMV. Voor zover de gedraging opzettelijk is begaan, is het een misdrijf, anders is sprake van een overtreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.10 Hoofdstuk 10 Overgangs- en slotbepalingen In dit hoofdstuk is de citeertitel van de PMV geregeld, de verordening kan worden aangehaald als Provinciale milieuverordening Fryslân.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is in dit hoofdstuk nog een overgangsbepaling opgenomen. Nu ervoor gekozen is de structuur van de PMV aan te passen en een geheel nieuwe PMV vast te stellen is het noodzakelijk overgangsrecht op te nemen. Uit onderzoek is gebleken dat alleen overgangsrecht noodzakelijk is voor ontheffingen die in het verleden zijn verleend voor handelingen binnen grondwaterbeschermingsgebieden. In de PMV zoals die tot nu toe gold was nog meer overgangsrecht opgenomen, gebleken is echter dat dit overgangsrecht is uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.11 Bijlage 5 Instructies voor vergunningen voor inrichten en voor lozingen op oppervlaktewater in milieubeschermingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de PMV kunnen slechts in uitzonderingssituaties regels worden opgenomen die rechtstreeks gelden voor houders van inrichtingen. In plaats daarvan kunnen in de PMV wel indirecte voorschriften voor inrichtingen worden opgenomen. Artikel 1.2, zevende lid, van de Wet milieubeheer geeft deze bevoegdheid. In de PMV is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door het opnemen van instructies die in vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht moeten worden opgenomen. In bijlage 5 staan de instructies opgenomen die de bevoegde gezagen in acht moeten nemen bij het verlenen van vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor bedrijven binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Aan een bedrijf dat binnen een grondwaterbeschermingsgebied is gevestigd worden strengere eisen gesteld dan aan bedrijven die buiten dergelijke gebieden liggen. De strengere eisen hebben vooral betrekking op bodembeschermende voorzieningen die moeten worden getroffen. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden moeten de risico’s op bodemverontreiniging zo klein mogelijk worden gemaakt. Het algemene beschermingsniveau, dat dus voor geheel Nederland geldt, wordt steeds hoger. Dit betekent dat in steeds minder situaties binnen grondwaterbeschermingsgebieden extra maatregelen noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Artikelsgewijze toelichting 3.1 Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.1 begripsbepalingenVoor de inhoud van verschillende van in de verordening gehanteerde begrippen behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat artikel 1.1 van de Wet milieubeheer bepaalt dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening. Op dezelfde wijze werken de begripsbepalingen van artikel 1 van de Wet bodembescherming door in de bepalingen van de verordening waarmee uitvoering aan die wet wordt gegeven. Er is voor gekozen om de begripsbepalingen in artikel 1.1 van de PMV op te nemen. Dit betekent dat in de afzonderlijke hoofdstukken geen begripsbepalingen meer zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip gesloten stortplaats is wel gedefinieerd. De omschrijving in artikel 8:47 van de Wet milieubeheer van het begrip gesloten stortplaats werkt weliswaar door in de bepalingen van paragraaf 8.2 en de daarop gebaseerde bepalingen, maar de PMV is gebaseerd op artikel 1.2 van de Wet milieubeheer. Daarom is, onder verwijzing naar artikel 8.47 van de Wet milieubeheer, dit begrip toch gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder f is een definitie gegeven van nazorgvoorzieningen. Dit zijn de voorzieningen ter bescherming van het milieu bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer. De voorzieningen kunnen zich ook buiten de locatie van de gesloten stortplaats bevinden, bijvoorbeeld in geval van peilbuizen. Ook voor gebruik van grond buiten de stortplaats waar zich dergelijke voorzieningen bevinden, is een ontheffing nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Hoofdstuk 2 Inspraak bij besluiten van algemene strekking Artikel 2.1 procedure voorbereiding milieubeleidsplan In dit artikel is bepaald dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een provinciaal milieubeleidsplan of de wijziging daarvan. In het tweede lid is één uitzondering opgenomen, de terinzagetermijn is gesteld op twaalf weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.2 procedure wijziging milieuverordening In dit artikel is de procedure weergegeven die van toepassing is op een wijziging van de PMV. Bestuursorganen die het aangaat en belanghebbenden kunnen een zienswijze indienen. In het vierde lid is bepaald dat de procedure niet van toepassing is wanneer het gaat om een puur technische wijziging van de PMV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Hoofdstuk 3 Algemeen provinciaal milieubeleid Artikel 3.1 gebruik van gesloten stortplaatsen In dit artikel is het verbod geregeld ten aanzien van het gebruik van een voormalige stortlocatie. De omschrijving van de verboden gedragingen in het eerste lid, onder a en b, is vergelijkbaar met hetgeen in de Wet beheer rijkswaterstaatswerken onderworpen is aan een vergunningstelsel ter bescherming van waterstaatswerken. Zo is het verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer nazorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, werken te maken of te behouden en stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. Onder stoffen vallen vaste stoffen, vloeistoffen, combinaties van stoffen en preparaten. “Afvalstoffen” zijn hier uitgezonderd, omdat in artikel 10.2 van de Wet milieubeheer al een verbod is opgenomen om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen. Vanwege het bijzondere karakter van nazorgvoorzieningen is daaraan toegevoegd dat andere handelingen, die de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen verboden zijn zonder ontheffing. Daarbij kan gedacht worden aan het bewerken van grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn twee situaties van het verbod uitgezonderd. Voor het treffen van de nazorgvoorzieningen zelf is geen ontheffing nodig. Voor handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen, of in werking hebben van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of op de verandering van de werking daarvan gelden de verbodsbepalingen niet. Deze uitzondering houdt verband met artikel 2.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer, waarin is bepaald dat de PMV, behoudens enkele uitzonderingen, geen regels kan bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.2 ontheffingsmogelijkheid Gedeputeerde staten kunnen als bevoegd gezag ontheffing verlenen van het in artikel 3.1 gestelde verbod. Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de PMV kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend en kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden. Dergelijke voorschriften kunnen betrekking hebben op de aanlegfase, maar ook op het feitelijke gebruik nadien. Bij de aanleg moet worden gedacht aan de wijze waarop werken worden gemaakt of voorwerpen worden geplaatst. Dit vloeit voort uit de formulering van artikel 3.1 van de PMV. Hieruit blijkt dat het verbod betrekking heeft op voortgezette handelingen, zoals werken behouden, stoffen of voorwerpen laten staan of liggen, handelingen verrichten. Het tweede lid bepaalt dat aan de ontheffing in ieder geval voorschriften kunnen worden verbonden die tot doel hebben om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen, de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen, respectievelijk te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk aan de ontheffing het voorschrift te verbinden dat de gebruiker financiële zekerheid stelt. Voor de omgevingsvergunning is in artikel 4.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dat dat wel kan in gevallen die bij AMvB zijn aangewezen. In het algemeen zal het bij activiteiten op of nabij een gesloten stortplaats niet om de aangewezen gevallen gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 1.3, vierde lid, Wet milieubeheer, kan worden bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, indien dit uit het oogpunt van bescherming van het milieu redelijkerwijs geen bedenkingen zijn te verwachten. Bij de ontheffing waar het hier om gaat zijn in het algemeen geen derdebelanghebbenden betrokken, daarom is in het derde lid van artikel 3.2 bepaald dat de genoemde procedure hier niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3 vereisten voor ontheffingsaanvraag In dit artikel wordt aangegeven aan welke eisen de aanvraag om ontheffing in ieder geval dient te voldoen. De onder b bedoelde gegevens over het voorgenomen gebruik van de stortplaats moeten het mogelijk maken te beoordelen of ontheffing kan worden verleend voor de werken, stoffen, voorwerpen en handelingen die de aanvragen nodig heeft voor het voorgenomen gebruik van de stortplaats. De aanvragen zal daarover dus informatie moeten geven. Met onderdeel d wordt beoogd dat de aanvrager aangeeft welke personen en bedrijven als zakelijk gerechtigde of gebruiker mogelijk belang hebben bij het voorgenomen gebruik van de stortplaats. De provincie kan zonodig de zakelijke of persoonlijk gerechtigden in de gelegenheid stellen op de aanvraag te reageren. De overige onderdelen van dit artikel hoeven geen verdere toelichting. Opgemerkt wordt nog dat gedeputeerde staten zo nodig met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht aanvullende informatie kunnen vragen indien de verstrekte informatie onvoldoende is voor het beoordelen van de aanvraag. Zo kan bijvoorbeeld in het geval van het neerleggen van voorwerpen of stoffen informatie worden gevraagd over de aard en samenstelling van de stoffen of voorwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Hoofdstuk 4 Voorkomen of beperken van geluidhinder Artikel 4.1 aanwijzing stiltegebieden De gebieden waarvoor de regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder zijn opgenomen in bijlage 1. In de algemene toelichting is per gebied een korte beschrijving gegeven. De gebieden zijn ook aangegeven op de bij de PMV behorende kaarten. In het tweede lid is bepaald dat gedeputeerde staten bevoegd zijn de op de kaarten aangewezen grenzen uit te werken. Dit betekent dat in voorkomende gevallen gedeputeerde staten tot op perceelsgrenzen kunnen bepalen waar de begrenzing van het stiltegebied exact ligt. In principe zijn de grenzen van de stiltegebieden duidelijk en is een uitwerking niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.2 verbod Het verbod uit het eerste lid van dit artikel is de rechtstreekse opvolger van het algemeen excessenartikel dat in de voormalige Verordening stiltegebieden Friesland was opgenomen. Het is verboden om binnen stiltegebieden zonder noodzaak geluid voort te brengen. Omdat in de bepaling nadrukkelijk is aangegeven dat het gaat om het zonder noodzaak voortbrengen van geluid, valt bijvoorbeeld het starten en landen van de Search en Rescue helicopters vanaf de helikopterlandingsterreinen op de Waddeneilanden niet onder het verbod. Doel is om gedrag of toestelgebruik dat niet via de toestellenlijst ondervangen is, ontheffingplichtig te maken. Het verbod om toestellen te gebruiken die zijn opgenomen in de toestellenlijst staat in het tweede lid van dit artikel. De toestellenlijst zelf staat in artikel 4.3 opgenomen. De mogelijkheid om ontheffing te vragen van de beide verboden is opgenomen in artikel 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat gedeputeerde staten bevoegd zijn toestellen voor de toestellenlijst aan te wijzen. Het toekennen van deze bevoegdheid aan gedeputeerde staten is in overeenstemming met de artikelen 143, eerste lid, en 152, derde lid, van de Provinciewet en met artikel 1.2 van de Wet milieubeheer. Het wijzigen van de toestellenlijst door gedeputeerde staten heeft een uitvoeringskarakter. Met deze constructie kan in voorkomende gevallen snel worden gereageerd op ongewenst gebruik van toestellen die niet in de lijst zijn opgenomen. Overigens kan het gebruik van nieuwe lawaaiige toestellen die nog niet in de toestellenlijst zijn opgenomen en waarvoor ook niet in andere regelingen ten aanzien van het geluidsaspect regels zijn opgenomen via de vangnetbepaling in het eerste lid worden aangepakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.3 toestellenlijst In dit artikel zijn de toestellen aangewezen die niet binnen de aangewezen stiltegebieden mogen worden gebruikt. Bij een aantal van de toestellen wordt een nadere toelichting gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de winning van delfstoffen is een aantal fasen te onderscheiden. Deze worden hierna kort genoemd in hun relatie met het milieubeschermingsgebied waar het aspect stilte wordt beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seismologisch onderzoek. Het seismologisch onderzoek dient te beantwoording van de vraag of zich in de ondergrond gasvoerende structuren van voldoende omvang bevinden. Het wordt uitgevoerd met zogenaamde airgunapparatuur. Hieronder wordt verstaan de apparatuur voor het door middel van de gecomprimeerde lucht onder water opwekken van trillingen. Daarnaast wordt ook de schotgatmethode toegepast. Bij deze laatste methode worden kleine explosieve ladingen in de bodem tot ontsteking gebracht. Ook deze methode valt onder omschrijving van categorie b. Hoewel seismologisch onderzoek doorgaans van korte duur is wordt gevreesd voor verstoring van rust en stilte, vooral in kwetsbare gebieden. Reden om bedoelde activiteit onder de werking van de verordening te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opsporingsboringen. De boorvergunning voor een opsporingsboring heeft in het algemeen betrekking op een redelijk omvangrijk gebied, waarbinnen door middel van een aantal op elkaar volgende opsporingsboringen vanaf een boorplatform getracht wordt de opsporing van olie of gas aan te tonen. Het gaat dus om een tijdelijke activiteit, die met een zekere regelmaat verplaatst binnen het gebied. De bij de boringen gebruikte lawaaiige toestellen beïnvloeden het natuurlijk achtergrondniveau in de stiltegebieden negatief. In die gevallen waarin booractiviteiten in milieubeschermingsgebieden op grond van besluitvorming op rijksniveau onvermijdelijk zijn geworden, kan via de verordening worden bevorderd, dat zodanige maatregelen en voorzieningen worden getroffen dat hinderlijk geluid, met name piekgeluid, zoveel mogelijk wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Winningsconcessie. De winning van delfstoffen brengt langdurige activiteiten met zich mee. Een structureel verstorende activiteit als winnen dient alleen mogelijk gemaakt te worden door wijziging van het Provinciaal milieubeleidsplan en van bijlage 1 van de PMV, waar het de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden ter bescherming van de stilte betreft. Na afloop van de concessieperiode zou de aanduiding c.q. aanwijzing van het gebied heroverwogen moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook activiteiten in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van motorisch aangedreven werktuigen vallen onder het regime van de PMV. De verstoring van deze activiteiten, hoewel van tijdelijke aard, is zodanig dat indien de onvermijdelijkheid van de aanleg is aangetoond, slechts ontheffing kan worden verleend onder geluidreducerende voorwaarden. De aanleg van kabels en leidingen ten behoeve van woonaansluitingen vallen niet onder de regeling van de PMV. Zij kunnen worden begrepen als onderdeel van de aanleg of reconstructie van wegen dan wel van de bouw van woningen. Deze activiteiten worden via de ruimtelijke ordening gereguleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van brommers, motors en motorrijtuigen binnen een stiltegebied, maar buiten de openbare weg is op grond van de PMV niet toegestaan. De Wegenverkeerswetgeving regelt het gebruik van genoemde voertuigen op de openbare weg, de regelgeving uit de PMV is dan dus niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van muziekinstrumenten en geluidsapparatuur in het normale gebruik in en om woningen en legale woonboten valt niet onder de regeling in de PMV. Dit is gewoon toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van omroepinstallaties, sirenes en hoorns is een uitzondering gecreëerd als het gaat om noodsituaties. Klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levenbeschouwelijke plechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van speedboten binnen stiltegebieden is niet toegestaan. Een uizondering is gemaakt voor het gebruik van dergelijke boten binnen de vaargeul van de veerdiensten naar de Waddeneilanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.4 uitzonderingsbepaling In dit artikel zijn twee uitzonderingen opgenomen waarin het verbod om binnen een stiltegebied lawaai te maken niet geldt. In het eerste lid is bepaald dat de verboden niet gelden als het gaat om het gebruik van toestellen voor normale werkzaamheden, die uit agrarisch, visserijtechnisch, bosbouwkundig of beheerstechnisch oogpunt worden verricht. Deze werkzaamheden worden niet door de regels van de PMV beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor activiteiten die plaatsvinden op het strandgedeelte van een eilandgemeente. Het moet dan gaan om recreatieve- en culturele activiteiten en de betreffende eilandgemeente moet beschikken over een vastgesteld strandbeleid. Het achtergrondniveau op het strand is hoger dan elders binnen het stiltegebied en de activiteiten waarvoor de uitzondering in de PMV is opgenomen zullen naar verwachting geen extra verstorende werking op de stilte en de rust van dit deel van stiltegebied veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.5 ontheffing Gedeputeerde staten kunnen als bevoegd gezag ontheffing verlenen van de in artikel 4.2 gestelde verboden. Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de PMV kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend en kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden. Dergelijke voorschriften zullen in dit geval betrekking hebben op het voorkomen van geluidhinder en op het zoveel mogelijk handhaven van de stilte en rust binnen het stiltegebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 1.3, vierde lid, Wet milieubeheer, kan worden bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, indien dit uit het oogpunt van bescherming van het milieu redelijkerwijs geen bedenkingen zijn te verwachten. Bij de ontheffing waar het hier om gaat zijn in het algemeen geen derdebelanghebbenden betrokken, daarom is in het tweede lid bepaald dat de genoemde procedure hier niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.6 overgangsbepaling In dit artikel is een algemene overgangsbepaling opgenomen die geldt in geval de toestellenlijst wordt aangepast. Wanneer deze lijst wordt aangepast, dan mag een toestel dat nieuw op de lijst wordt geplaatst en dat tot dat moment mocht worden gebruikt nog gedurende zes maanden na inwerkingtreding van de nieuwe lijst worden gebruikt. Wanneer binnen die periode van zes maanden een ontheffing als bedoeld in artikel 4.5 is aangevraagd, dan mag het toestel worden gebruikt tot zes weken na bekendmaking van het besluit op de aanvraag om de ontheffing of tot het moment waarop een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening is genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Hoofdstuk 5 Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning Artikel 5.1 schadelijke stof In bijlage 3 van de PMV is een lijst opgenomen met stoffen die in ieder geval als schadelijke stof worden aangemerkt. In de begripsbepaling in artikel 1.1, onder l. is een algemene beschrijving van het begrip schadelijke stof opgenomen. In deze beschrijving is een zekere begrenzing opgenomen, het gaat om een stof die de bodem verontreinigt of kan verontreinigen. Er wordt geen limitatieve opsomming van stoffen gegeven, hoewel dit vanuit het oogpunt van rechtszekerheid wel aantrekkelijk zou zijn. Bij een limitatieve opsomming blijft het gevaar bestaan dat een nieuwe stof, die schadelijk kan zijn, niet onder de verbodsbepalingen zou staan. De lijst met schadelijke stoffen, die in bijlage 3 is opgenomen, geeft een opsomming van de belangrijkste stoffen die de bodem en het grondwater kunnen verontreinigen. Het is geen limitatieve opsomming, het is een lijst van voorbeelden van schadelijke stoffen. Net als bij de toestellenlijst in artikel 4.3 uit het hoofdstuk over het voorkomen of beperken van geluidhinder kunnen gedeputeerde staten de lijst te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.2 aanwijzing gebieden De waterwingebieden en de grondwaterbeschermingsgebieden waarvoor de regels gelden die het grondwater moeten beschermen met het oog op de drinkwaterwinning zijn aangewezen in bijlage 2. Zoals in de algemene toelichting al is aangegeven worden de omvang en de plaats van een te beschermen gebied berekend. Gedeputeerde staten kunnen in voorkomende gevallen tot op de perceelsgrenzen bepalen waar de begrenzing van de waterwingebieden en de grondwaterbeschermingsgebieden exact ligt. De begrenzing van de meeste gebieden ligt al jarenlang vast en een uitwerking is vrijwel nooit noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.3 rechtstreeks werkende regels voor gedragingen In dit artikel is een algemene zorgplicht opgenomen. Het is een vangnet voor het geval van een duidelijke voorzienbare aantasting van het gebied sprake is en de specifieke gedragsregels niet de vereiste bescherming bieden. Het gaat dus om de aantasting van het bijzonder belang met het oog waarop het gebied als milieubeschermingsgebied is aangewezen. Het is een aanvulling op de algemene zorgplicht die in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer is opgenomen. De rechtstreeks werkende regels zijn niet van toepassing op handelingen verricht binnen inrichtingen waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod geldt. Ook gelden de rechtstreeks werkende regels niet voor agrarische bedrijfsvoering in relatienotagebieden, voor stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen waarvoor de verplichting geldt desgevraagd gegevens te overleggen aan de minister en voor gevallen waarin de algemene zorgplicht uit de Wet bodembescherming geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.4 verbod Dit artikel geldt binnen het waterwingebied. In de zone waterwingebied zijn in principe alleen die activiteiten toegestaan, die in verband staan met de grondwaterwinning. Voor gedragingen binnen inrichtingen is dit uitgangspunt neergelegd in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid bevat een algemeen verbod voor het oprichten van inrichtingen, ongeacht of ze vergunningplichtig zijn of niet, ook ongeacht een eventuele bodemindex. Alle inrichtingen die worden genoemd in onderdeel c van Bijlage 1 behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) vallen onder dit verbod. Met deze bepaling wordt de vestiging van nieuwe inrichtingen voorkomen. Dit geldt ook voor inrichtingen waarvoor burgemeester en wethouders een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zouden moeten afgeven. Voor bestaande inrichtingen in waterwingebieden is een overeenkomstig verbod niet opgenomen. Overigens komen in Fryslân in de waterwingebieden, naast de inrichtingen ten behoeve van de drinkwaterproductie, nauwelijks andere bestaande inrichtingen voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een algemeen verbod opgenomen voor alle bestaande inrichtingen om de inrichting zelf of de werkwijze in de inrichting te veranderen, als dat een extra milieubelasting met zich meebrengt. Ook dit verbod richt zich net als het eerste lid tot alle inrichtingen die worden genoemd in onderdeel c van Bijlage 1 behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), vergunningplichtig of niet, ongeacht een eventuele bodemindex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.5 uitzonderingsbepaling Van het verbod om een inrichting op te richten binnen een waterwingebied of de om een bestaande inrichting zelf of de werkwijze in die inrichting te veranderen, als dat een extra milieubelasting met zich meebrengt geldt niet voor inrichtingen die nodig zijn voor het onttrekken van het drinkwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.6 toepassen van grond en baggerspecie Binnen waterwingebieden mag binnen een inrichting alleen grond of baggerspecie worden toegepast van een kwaliteit die gelijk is aan de kwaliteit van de bodem die al binnen het waterwingebied aanwezig is. Het komt erop neer dat de kwaliteit van de bodem binnen een waterwingebied nooit mag verslechteren door het toepassen van grond of baggerspecie. Voor het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen binnen het waterwingebied geldt dit verbod niet. De baggerspecie die vrijkomt mag worden verspreid over het perceel dat direct grenst aan de gebaggerde watergang. Hierbij moet wel het Besluit bodemkwaliteit in acht worden genomen. Op het toepassen en verspreiden van baggerspecie en grond in oppervlaktewater en in zandwinputten geldt nog specifiek beleid van het Wetterkip Fryslân.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.7 verbodDe vorige drie artikelen waren van toepassing op gedragingen en activiteiten binnen inrichtingen, maar veel gedragingen en activiteiten vinden plaats buiten inrichtingen. In artikel 5.7 is een aantal verboden opgenomen die gelden binnen een waterwingebied, maar buiten inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder schadelijke stoffen worden ook bestrijdingsmiddelen begrepen. De werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen zijn, vaak al in geringe concentraties, schadelijk voor de mens. Dit betekent dat bestrijdingsmiddelen niet in het drinkwater mogen voorkomen. Ook het voorkomen ervan in de grondstof waaruit het drinkwater wordt bereid moet worden tegengegaan, omdat de meeste bestrijdingsmiddelen moeilijk uit water zijn te verwijderen. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden wordt al beperkt in de Wet gewasbescherming en biociden. Op grond van deze wet kan, bij de toelating van een bestrijdingsmiddel worden bepaald dat het middel niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden mag worden gebruikt in waterwingebieden en de bijbehorende beschermingsgebieden. Gelet op de kwetsbaarheid van de waterwingebieden gaat deze regeling niet ver genoeg. Door bestrijdingsmiddelen te brengen onder het regime van schadelijke stoffen wordt het gebruik ervan in waterwingebieden verboden. Van dit verbod kan geen ontheffing worden verleend. Dit is geregeld in artikel 5.9, tweede lid, sub b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b heeft betrekking op het gebruik van meststoffen. Onder dit begrip wordt een aantal verschillende stoffen begrepen. Als eerste zijn er de dierlijke meststoffen, omschreven in de Meststoffenwet. Daarnaast zijn er zogenaamde overige organische meststoffen: compost, zwarte grond en zuiveringsslib. Deze categorie meststoffen wordt omschreven in het Besluit gebruik meststoffen en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Verder zijn er allerlei soorten van agrarische restproducten, die als meststof worden aangewend, zoals uienpulp en eierafval. Ook aan papierpulp wordt wel een bemestende waarde toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schadelijkheid van het gebruik van dierlijke meststoffen voor de waterwinning is gelegen in de mogelijke uitspoeling van nitraat naar het grondwater, en de kans op besmetting met pathogene of ziekteverwekkende organismen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het risico van besmetting met pathogene organismen doet zich vooral voor in de waterwingebieden. Deze gebieden worden immers omsloten door de lijn waarbinnen het grondwater maximaal 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de pompputten te bereiken. Binnen die maximale periode is een volledige afbraak van ziekteverwekkende kiemen niet gewaarborgd. Het gebruik van dierlijke meststoffen is dan ook verboden. Beweiding is wel toegestaan. Er is geen bepaling in de PMV die afzonderlijk de opslag van dierlijke meststoffen verbiedt. De opslag van 10 m3 of meer dierlijke meststoffen moet ingevolge onderdeel c van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (categorie 7.1) worden gezien als een inrichting en hoort dus niet in deze titel thuis. Zij is begrepen in het verbod op inrichtingen als bedoeld in artikel 5.4 van de PMV. De enige opslag van dierlijke meststoffen die dan nog niet geregeld is, is die van minder dan 10 m3. Hiervoor wordt aanvullende regelgeving niet nodig geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor compost en zwarte grond geldt dat de opslag van 1 m3 of meer ingevolge onderdeel c van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (categorie 7.1) moet worden gezien als inrichting. Die opslag valt onder het verbod van artikel 5.4 van de PMV. In artikel 5.7 van de PMV kunnen vervolgens kleinere opslagen dan 1 m3 en het gebruik worden verboden. Voor wat betreft de opslag van minder dan 1 m3 compost of zwarte grond is regelgeving niet nodig geoordeeld. Dat is conform hetgeen hiervoor is aangegeven ten aanzien van kleine mestopslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft het gebruik van compost en zwarte grond is een verbod opgenomen. De samenstelling van compost en zwarte grond moet tegenwoordig voldoen aan de eisen van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en het Besluit gebruik meststoffen. De samenstellingseisen van dat besluit zijn evenwel beperkt tot zeven zware metalen en arseen. Ten aanzien van pathogene organismen en organische microverontreinigingen worden geen eisen gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater wordt de toetsing als te beperkt ervaren. Aanvullende provinciale regelgeving is zeker voor de zone waterwingebied gewenst. Veiligheidshalve is gekozen voor de meest stringente regeling, die van het absolute verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opslag van zuiveringsslib wordt ook geregeld in onderdeel c van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Zuiveringsslib kan worden aangemerkt als bedrijfsafvalstof. De opslag van 5 m3 of meer zuiveringsslib is in categorie 28 aangemerkt als inrichting. Voor de opslag van kleinere hoeveelheden zuiveringsslib (1 m3 of meer), dat ook kan worden aangemerkt als een organische meststof, is in categorie 7 (7.1 onder a en 7.2) aangegeven dat het een inrichting betreft. De enige opslag van zuiveringsslib die dan nog niet geregeld is, is die van minder dan 1 m3. Hiervoor wordt regelgeving niet nodig geoordeeld. In 5.7, wordt dan ook alleen het gebruik van zuiveringsslib verboden. Weliswaar geldt ook ten aanzien van zuiveringsslib dat de kwaliteit moet voldoen aan de bepalingen van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en het Besluit gebruik meststoffen, maar het gestelde ten aanzien van compost en zwarte grond is eveneens van toepassing op zuiveringsslib.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Meststoffenwet kunnen stoffen als meststof worden aangewezen, waarna zij als meststof mogen worden verhandeld. Deze regeling is bedoeld om bedrog in de handel van meststoffen te bestrijden, vooral ten aanzien van de bemestende waarde van een stof. Aangewezen meststoffen kunnen vanuit een oogpunt van bodem- en grondwaterbescherming echter niet in alle gevallen worden toegepast. Niet zelden is sprake van agrarische of industriële afvalstoffen die niet alleen zijn samengesteld uit stoffen met een bemestende waarde, maar ook uit zware metalen. Daarom worden voor de toepassing in waterwingebieden deze overige meststoffen gelijkgesteld met zuiveringsslib. Dat leidt tot een absoluut verbod op het gebruik ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel bevat een verbod op de aanleg en het gebruik van onder andere pijpleidingen en opslagsystemen. Er is gekozen voor het begrip “constructies van welke aard dan ook” en niet voor het begrip “werken” omdat het begrip werk in de afvalterminologie een specifieke betekenis heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming is de Wet op de lijkbezorging gewijzigd. Zo is vervallen het toenmalige derde lid van artikel 16, dat bepaalde dat in beginsel geen begraafplaats mocht worden aangelegd of uitgebreid binnen de afstand van 2500 meter van enige inrichting tot waterwinning van een waterleidingbedrijf. Gelet op de kwetsbaarheid van waterwingebieden is er voor deze gebieden echter wel behoefte aan de instandhouding van een dergelijke bepaling. Deze is nu overgenomen in onderdeel d. Met de begraafplaatsen zijn de zogenaamde strooivelden gelijkgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel e verbiedt het oprichten enz. van boorputten. Bij boringen bestaat het gevaar dat een eventuele verontreiniging snel tot op grote diepte kan doordringen omdat de natuurlijke bodemopbouw ter plaatse wordt verstoord. Dit geldt met name voor het doorboren van slecht doorlatende bodemlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel heeft betrekking op het roeren van de grond. Er wordt hier een aantal activiteiten samengevat die aanleiding kunnen geven tot aantasting of vernietiging van de van nature aanwezige barrières, waardoor eventuele verontreinigingen vanaf de oppervlakte snel in het grondwater terecht kunnen komen. Daarbij valt te denken aan diepe grondbewerking, ontginning, de aanleg van ondergrondse reservoirs en heiwerkzaamheden. De diepte tot waar het roeren van de grond zonder ontheffing is toegestaan is in deze verordening gesteld op 2 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder terreinen voor gemotoriseerd verkeer zijn mede begrepen militaire oefenterreinen en terreinen ten behoeve van de uitoefening van de motorsport. Ook weilanden die tijdelijk als parkeerterrein worden benut vallen hier onder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met kampeergelegenheid wordt bedoeld een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen alsook een bouwwerk, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf, niet zijnde een hotel, een pension of een woning, anders dan een zomerhuis. Deze omschrijving is ontleend aan de Kampeerwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt binnen waterwingebieden een verbod op bodemlozingen. Gelet op de samenstelling/kwaliteit van geloosde vloeistoffen dient in gebieden waar grondwater wordt gewonnen grote terughoudendheid te worden betracht bij het toestaan van bodemlozingen. Dit geldt met name voor de meest kwetsbare zone van een beschermingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een waterwingebied mogen buiten een inrichting geen IBC bouwstoffen zoals bedoeld in de Besluit bodemkwaliteit op of in de bodem worden toegepast. Het betreft een algemeen verbod, waarvan gedeputeerde staten geen ontheffing kunnen verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen waterwingebieden mag buiten een inrichting geen grond worden toegepast en mag ook geen baggerspecie worden verspreid. Ook voor het toepassen van grond en het verspreiden van baggerspecie gelden regels op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Al eerder is aangegeven dat het waterwingebied een uitermate kwetsbaar gebied is, waarbinnen de risico’s op verontreiniging van het grondwater tot een absoluut minimum moeten worden beperkt. Er geldt een uitzondering op dit verbod, zie hiervoor bij artikel 5.8, vierde lid, onder a en b van de PMV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen waterwingebieden mogen geen bodemenergiesystemen worden aangelegd. Deze systemen worden steeds vaker toegepast, maar zijn binnen waterwingebieden en ook binnen de grondwaterbeschermingsgebieden zeer ongewenst. Bij de aanleg van dergelijke systemen wordt in de grond geboord waardoor van nature aanwezige barrières kunnen worden aangetast of vernietigd. Eventuele verontreinigingen vanaf de oppervlakte kunnen dan snel in het grondwater terecht komen met alle ongewenste gevolgen van dien. Tot nu toe werd de aanleg van bodemenergiesystemen tegengegaan met het algemene verbod op het roeren van de grond dat onder f is opgenomen. Omdat steeds vaker bodemenergiesystemen worden aangelegd vinden wij een expliciet verbod duidelijker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder m is nog een algemene bepaling opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.8 uitzonderingen op het verbod Dit artikel bevat de uitzonderingsbepalingen op de verboden van artikel 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzonderingen van het eerste lid hebben betrekking op het voorhanden hebben van kleine hoeveelheden schadelijke stoffen voor normaal (huishoudelijk) gebruik of verkoop, het verspreiden van wegenzout en het vervoeren van schadelijke stoffen over de weg. Wat betreft onderdeel b wordt nog opgemerkt dat een exacte hoeveelheid in het algemeen moeilijk is aan te geven. Dat hangt af van de concrete situatie en de aard van de stof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de kwalificatie van \"geringe\" is gedacht aan de kleine voorraad schadelijke stoffen, zoals medicijnen, reinigingsmiddelen, insecticiden, enzovoorts, die in bijna ieder gezin, maar ook in kantoren, winkels en boerderijen binnenshuis voorkomen. Aangehouden wordt een maximale hoeveelheid van 20 tot 25 kilo of liter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaand aan de activiteiten die worden vermeld in het tweede lid, onder b en c, vindt al een provinciale toetsing plaats, waarbij alle betrokken belangen worden afgewogen, dus ook het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Met het inwerkingtreden van de Waterwet op 22 december 2009 is de Grondwaterwet vervallen. Gedeputeerde staten hebben op basis van artikel 6.4 Waterwet vergunningverlenende bevoegdheden voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare drinkwatervoorzieningen of bodemenergiesystemen, dan wel ten behoeve van industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m³ per jaar. De overige vergunningverlenende bevoegdheden ten aanzien van onttrekkingen aan of infiltraties in een grondwaterlichaam liggen nu bij de waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe hebben de waterschappen verbodsbepalingen en een vergunningsbevoegdheid opgenomen in de keur op grond van artikel 78 van de Waterschapswet. Deze vergunningen geven echter geen vrijstelling van de genoemde verboden, zoals bedoeld in artikel 5.8, tweede lid, onder b, en 5.16, vierde lid, onder b. Tot de inwerkingtreding van de Waterwet gold de vrijstelling ook alleen omdat gedeputeerde staten het bevoegd gezag waren voor de vergunning krachtens de Grondwaterwet. Voorafgaand aan de activiteiten vond dus al een provinciale toetsing plaats, waarbij alle betrokken belangen werden afgewogen, dus ook het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang voor de vrijstelling is dus dat al een provinciale toets plaatsvond. Dat is niet aan de orde bij vergunningen van de waterschappen, derhalve geldt de vrijstelling niet bij vergunningen van de waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het verspreiden van baggerspecie en het toepassen van grond. Er mag alleen grond worden toegepast van een kwaliteit die gelijk is aan de kwaliteit van de bodem die al binnen het waterwingebied aanwezig is. Het komt erop neer dat de kwaliteit van de bodem binnen een waterwingebied nooit mag verslechteren door het toepassen van grond. Voor het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen binnen het waterwingebied geldt dit verbod niet. De baggerspecie die vrijkomt mag worden verspreid over het perceel dat direct grenst aan de gebaggerde watergang. Hierbij moet wel het Besluit bodemkwaliteit in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.9 ontheffingsmogelijkheidIn dit artikel wordt een aantal ontheffingsmogelijkheden gegeven van de verboden die in artikel 5.7 van de PMV zijn opgenomen. Een aantal ontheffingsmogelijkheden is geclausuleerd. Voor de opslag van schadelijke stoffen in ondergrondse tanks en voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan geen ontheffing worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.10 verboden inrichtingen Met artikel 5.10 beginnen de regels die gelden binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Deze regelgeving is minder streng dan de regels die hiervoor zijn toegelicht en gelden binnen waterwingebieden. Dat blijkt al uit het aantal inrichtingen waarvoor een absoluut verbod geldt. Geldt voor waterwingebieden een absoluut verbod voor het oprichten van alle inrichtingen, voor grondwaterbeschermingsgebieden geldt het slechts voor bepaalde, met name genoemde categorieën van inrichtingen. Die inrichtingen worden genoemd in bijlage 4. De basis voor die bijlage is artikel 5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtingen waarvan het verboden is ze op te richten in grondwaterbeschermingsgebieden zijn grotendeels ontleend aan de publicatie \"Bedrijven en milieuzonering\", tweede druk, juli 1992, van de VNG. Deze publicatie is samengesteld door BV Bureau SME te Nijmegen en DHV Milieu en Infrastructuur te Amersfoort, in opdracht van de VNG (in samenwerking met de ministeries van VROM en van EZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande inrichtingen die voorkomen op de lijst van bijlage 4 vallen niet onder het verbod van artikel 5.10. Voor deze inrichtingen geldt hetzelfde als eerder in deze toelichting is opgemerkt ten aanzien van bestaande inrichtingen in waterwingebieden. Voor deze inrichtingen gelden, voor zover ze vergunningplichtig zijn, wel de instructiebepalingen van bijlage 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.11 uitzonderingen verboden inrichtingen In dit artikel is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod uit artikel 5.10 van de PMV. Het gaat hier om de oprichting van inrichtingen ten behoeve van de openbare drinkwaterproductie en de oprichting van inrichtingen waarbij in feite sprake is van de verplaatsing van inrichtingen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Een dergelijke verplaatsing moet mogelijk zijn mits er redelijkerwijs sprake is van milieuwinst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.12 verbod wijziging inrichting met ondergrondse opslag ontvlambare vloeistoffen In dit artikel is een aanvullende regeling voor de ondergrondse opslag van vloeibare aardolieprodukten opgenomen. De bepaling heeft betrekking op tankstations maar ook op opslagen van huisbrandolie bij particulieren. De onderdelen a en b beogen duidelijk te maken dat de bepaling niet alleen ziet op inrichtingen die uitsluitend bestaan uit een ondergrondse opslag, maar ook op inrichtingen die zijn samengesteld uit meerdere onderdelen waaronder een ondergrondse opslag. Het verbod heeft betrekking op de vervanging of uitbreiding van bestaande ondergrondse opslagen. Bestaand provinciaal beleid is steeds geweest om uitbreiding van de ondergrondse opslagcapaciteit voor vloeibare aardolieprodukten niet toe te staan. Bestaande ondergrondse tanks konden slechts door nieuwe worden vervangen indien de inhoud gelijk bleef of kleiner werd. Nu het grondwaterbeschermingsbeleid in het kader van het opstellen van de PMV opnieuw is overwogen, is de overtuiging ontstaan dat uitbreiding van de ondergrondse opslag in grondwaterbeschermingsgebieden in bepaalde gevallen kan worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het op de markt komen van nieuwe producten zoals loodvrije benzine en zwavelarme diesel wordt de bedrijfsvoering van bestaande tankstations ernstig belemmerd indien uitbreiding van het assortiment (met minder schadelijke brandstoffen!) onder geen voorwaarde wordt toegestaan. Een ander argument voor het toestaan van capaciteitsuitbreiding in speciale gevallen, is dat de frequentie waarmee bevoorrading middels tankauto's vereist is, kan worden verlaagd, waardoor de kans op mors- en lekverliezen bij het vullen van de ondergrondse tanks afneemt. Aan het verlenen van toestemming voor uitbreiding van de ondergrondse opslag wordt de voorwaarde gekoppeld dat aangetoond moet worden dat het risico voor bodem en grondwater op de locatie als gevolg van de uitbreiding niet toeneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.13 verboden inrichtingenDit artikel vormt samen met artikel 5.18 van de PMV de basis voor algemene provinciale voorschriften voor niet - vergunningplichtige inrichtingen in aanvulling op een AMvB. De situatie doet zich steeds vaker voor dat een AMvB de vergunningplicht voor een categorie opheft, immers er wordt binnen het milieurecht steeds vaker gewerkt met algemene voorschriften. Naar het oordeel van de provincie kan daarbij onvoldoende worden voorzien in de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.13 geeft de provincie de mogelijkheid om in een dergelijk geval op basis van de PMV nadere regelgeving op te stellen. Het eerste lid heeft betrekking op niet vergunningplichtige inrichtingen die voorkomen op de lijst als bedoeld in artikel 5.10. Het tweede lid heeft betrekking op niet vergunningplichtige inrichtingen die, al dan niet gedeeltelijk, bestaan uit een of meer ondergrondse tanks. Verder is in het derde lid een verbod opgenomen een inrichting op te richten, waarbinnen zich een open of gesloten bodemenergiesysteem bevindt of wordt geïnstalleerd. Het gaat hier om zogenoemde koude-warmte opslagsystemen. Deze systemen horen niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied thuis. Bij de aanleg van dergelijke systemen wordt in de grond geboord waardoor van nature aanwezige barrières kunnen worden aangetast of vernietigd. Eventuele verontreinigingen vanaf de oppervlakte kunnen dan snel in het grondwater terecht komen met alle ongewenste gevolgen van dien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.14 verbod toepassen grond In dit artikel is de toepassing van IBC bouwstoffen en grond binnen grondwaterbeschermingsgebieden binnen inrichtingen geregeld. Voor het verspreiden van baggerspecie is geen verbod opgenomen, dat is binnen de grenzen van het Besluit bodemkwaliteit gewoon toegestaan. Er gelden op basis van de PMV geen aanvullende regels. IBC bouwstoffen mogen binnen grondwaterbeschermingsgebieden niet worden toegepast. Dit geldt zowel voor toepassing binnen als buiten inrichtingen. Grond mag wel worden toegepast, maar er gelden wel beperkingen. Algemeen uitgangspunt is dat bij het toepassen van grond de achtergrondwaarde binnen het grondwaterbeschermingsgebied niet mag worden overschreden. Voor grond die uit het grondwaterbeschermingsgebied zelf afkomstig is en ook binnen het grondwaterbeschermingsgebied weer wordt toegepast geldt dat de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen uit het Besluit bodemkwaliteit niet mag worden overschreden en waarbij de kwaliteit van de bodem waarop de grond wordt toegepast gelijk moet zijn of slechter dan de kwaliteitsklasse wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is voor gekozen om de kwaliteitsklasse wonen aan te houden en niet toe te staan dat grond van de kwaliteitsklasse industrie binnen grondwaterbeschermingsgebieden wordt toegepast. Bij toepassing in oppervlaktewater geldt dat bij toepassing van grond uit het grondwaterbeschermingsgebied zelf de kwaliteitsklasse A wordt aangehouden. Op het toepassen en verspreiden van baggerspecie en grond in oppervlaktewater en in zandwinputten geldt nog specifiek beleid van het Wetterkip Fryslân. Bij de toepassing van een hoeveelheid grond van meer dan 5000 m³ moet degene die de grond toepast aantonen dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voornemen van het toepassen van een grote hoeveelheid grond moet op grond van het derde lid worden gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.15, 5.16 en 5.17. verbod, uitzonderingen op verbod en ontheffingsmogelijkheidDit is het eerste artikel van paragraaf 3.2, dat geldt voor gedragingen buiten inrichtingen binnen grondwaterbeschermingsgebieden. De artikelen 5.15, 5.16 en 5.17 komen sterk overeen met de artikelen 5.7, 5.8 en 5.9 die gelden voor gedragingen buiten inrichtingen binnen waterwingebieden. Zoals al aangegeven gelden binnen grondwaterbeschermingsgebieden minder strenge regels dan binnen de waterwingebieden. Deze laatste gebieden zijn net iets kwetsbaarder waardoor een strenger beschermingsregime noodzakelijk is. Dat de regels binnen grondwaterbeschermingsgebieden minder streng zijn blijkt vooral uit de uitzonderingen die in artikel 5.16 zijn opgenomen op de verboden die op grond van artikel 5.15 gelden en verder op de uitgebreidere ontheffingsmogelijkheden die in artikel 5.17, eerste lid zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een specifieke ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor het toepassen van grond kwaliteitsklasse Industrie in wegbermen binnen grondwaterbeschermingsgebieden. In de praktijk blijkt de kwaliteit van wegbermen binnen grondwaterbeschermingsgebieden vaak de kwaliteitsklasse Industrie te hebben. Wanneer in dergelijke wegbermen grond van de kwaliteitsklasse Industrie wordt toegepast die afkomstig is van binnen het grondwaterbeschermingsgebied en kan worden aangetoond dat de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning niet in gevaar komt dan kan ontheffing worden verleend. Voorwaarde is wel dat de gemeenteraad van de betreffende gemeente een nota grondbeheer voor het gebied heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze nota moeten de achtergrondwaarden zijn vastgelegd. Er is bewust voor gekozen voor deze toepassing geen algemene vrijstelling in de PMV op te nemen, maar te werken met een ontheffingssysteem. Er kan dan in ieder individueel geval een beoordeling plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor grondwaterbeschermingsgebieden wordt een aanscherping van de regels van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden niet nodig geacht. In artikel 5.16, tweede lid, onder f, is dan ook een uitzondering gemaakt voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.16, tweede lid, onder a, bepaalt dat het normaal landbouwkundig gebruik van kunstmest in grondwaterbeschermingsgebieden is toegestaan. Het algemene beschermingsniveau van het toepassen van meststoffen is binnen Nederland zo hoog geworden dan het niet nodig is hiervoor binnen grondwaterbeschermingsgebieden nog een aanvullende beschermingsniveau op te nemen. Er is in de PMV dan ook geen verbod opgenomen om binnen grondwaterbeschermingsgebieden dierlijke- of andere meststoffen toe te passen. Alleen binnen de drie zeer kwetsbare gebieden is het verboden om op mais- en bouwland dierlijke meststoffen toe te passen. Het gaat om Ameland Buren, Ameland Hollum en Schiermonnikoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zesde lid van artikel 5.16 is een gelijkluidende uitzondering opgenomen voor het toepassen van grond buiten inrichtingen als in artikel 5.14 is opgenomen voor het toepassen van grond binnen inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.18 mogelijkheid stellen algemene voorschriftenVoor de toelichting wordt verwezen naar artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.19 instructies voor vergunningen voor inrichtingen in milieubeschermingsgebieden Dit artikel is de basis voor de instructiebepalingen die in bijlage 5 zijn opgenomen. De basis van artikel 5.19 ligt in artikel 1.2, zevende lid, Wet milieubeheer. Met het opnemen van artikel 5.19 in de PMV kunnen instructiebepalingen in de PMV worden opgenomen voor vergunningplichtige inrichtingen binnen grondwaterbeschermingsgebieden waarvoor burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente bevoegd gezag zijn. Instructies worden alleen gegeven voor inrichtingen in milieubeschermingsgebieden waar regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 Hoofdstuk 6 Bodemsanering Artikel 6.1 meldingen De indiening van het rapport van het nader onderzoek, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan, alsmede het doen van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, worden voor de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als een aanvraag tot het nemen van een besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 6.1 dient een aanvraag voor zover het betreft het doen van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming te geschieden door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Dit formulier zorgt ervoor dat de benodigde gegevens voor een beslissing op de aanvraag direct correct worden ingeleverd, alsmede vereenvoudigt het de administratieve afhandeling. De gegevens die met dit formulier worden verlangd, sluiten aan bij de gegevens die de Wet bodembescherming reeds verlangt, alsmede bij de gegevens die ingevolge deze verordening dienen te worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een goede informatieverstrekking naar derden is het nodig om de stukken ter inzage te leggen. Daarom wordt een indiening van deze bescheiden in drievoud voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel bevat voorts voor een melding op grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming voor de duidelijkheid een aantal van de rubrieken die op het voorgeschreven meldingsformulier moeten worden ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.2 eisen aan saneringsplan Deze bepaling is van toepassing op de in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming bedoelde saneringsplannen welke moeten worden ingediend indien sprake is van een voorgenomen sanering van een geval van ernstige verontreiniging. In dit saneringsplan dienen de in de artikel 6.2 van deze verordening vermelde gegevens te worden opgenomen. Deze gegevens zijn op grond van de bevoegdheid die aan provinciale staten is toegekend in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming toegevoegd aan hetgeen reeds volgens de artikelen 28, tweede lid, en artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt vereist. De vereisten die direct uit de Wet bodembescherming volgen worden in deze verordening niet meer herhaald. Dat was tot nu toe wel het geval. Derhalve zijn diverse bepalingen komen te vervallen. Voor deze melding moet ook gebruik worden gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functie van het saneringsplan is dat gedeputeerde staten zich een goed oordeel kunnen vormen over de aard en omvang van de verontreiniging en over de voorgenomen maatregelen en kunnen toetsen of op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze zal worden gesaneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de verordening gestelde regels worden hieronder nader toegelicht.Eerste lid De in dit hoofdstuk op te nemen gegevens zijn bedoeld om een goed beeld te krijgen van de lokale omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien worden gegevens gevraagd die nodig kunnen zijn als gedeputeerde staten gebruik willen maken van hun bevoegdheden. door het geval van verontreiniging aan te geven op de kadastrale kaart wordt direct inzichtelijk gemaakt op welke kadastrale percelen de verontreiniging zicht bevindt. In verband met mogelijke wijziging van kadastrale percelen door opsplitsing dan wel samenvoeging ervan, mag de kaart niet ouder zijn dan dertien weken. Dit laat onverlet dat als splitsing dan wel samenvoeging van kadastrale percelen minder dan dertien weken terug heeft plaatsgevonden, men de meest actuele kaart van het kadaster overlegt. een uittreksel van het kadaster geeft informatie over de eigendomssituatie. Er kan zo worden nagegaan of degene die het saneringsplan indient wel de beschikking heeft over het te saneren perceel. In verband met mogelijke overgang van eigendomsrechten of van gevestigde zakelijke rechten mag het uittreksel niet ouder zijn dan dertien weken. Dit laat onverlet dat als de overgang van eigendomsrechten, respectievelijk gevestigde zakelijke rechten minder dan dertien weken terug heeft plaatsgevonden, men het meest actuele uittreksel van het kadaster overlegt. een overzicht van rechthebbenden op het perceel is van belang bij het uitvoeren van de sanering, aangezien er met hun belangen rekening gehouden zal moeten worden. de opdrachtgever van de sanering kan de eigenaar van de grond zijn, maar ook een rechtspersoon die de sanering uitvoert voor anderen. degene die de sanering feitelijk uitvoert zal doorgaans de aannemer zijn. een overzicht van belanghebbenden, aanvullend op de onder 50 bedoelde rechthebbenden, geeft inzicht in de belangen waarmee eventueel rekening gehouden dient te worden bij de uitvoering van de sanering en kan een indicatie geven aangaande de te volgen besluitvormingsprocedure. inzicht in de planning is van belang om de volgorde van de werkzaamheden en daarmee de uitvoerbaarheid van de sanering te kunnen beoordelen, mede in verband met beschikbare middelen. bij een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties wordt gedoeld op bedrijven als het energiebedrijf, het waterleidingbedrijf, de politie, de brandweer en dergelijke. In eenvoudige gevallen kan deze eis overbodig zijn. Dan kan op grond van het derde lid de aanvrager deze eis gemotiveerd laten vallen. er dient een overzicht te worden gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de te verkrijgen vergunningen en toestemmingen om de sanering te kunnen uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verkrijgen van de benodigde vergunningen en toestemmingen en het doen van de vereiste meldingen behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de meldingsplichtige. Rekening dient te worden gehouden met de proceduretijd voor het verkrijgen van vergunningen. Het niet beschikbaar zijn van de benodigde vergunningen zal in het algemeen geen grond opleveren om niet met het saneringsplan in te stemmen. Wel is de kans aanwezig dat het plan dan niet of slechts ten dele kan worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze van de saneringsvariant dient te worden gemotiveerd. Uitgangspunt hierbij is dat de bodem ten minste geschikt moet worden gemaakt voor de beoogde functie, waarbij het risico van verspreiding van de verontreiniging zoveel mogelijk beperkt moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangegeven wordt welke werkzaamheden noodzakelijk zijn om de uitvoering van de sanering mogelijk te maken. Het kan hierbij gaan om sloop van gebouwen en funderingen, het verleggen van kabels en leidingen, de indeling van het werkterrein, de ontsluiting van het werkterrein, aan- en afvoerroutes, het voorkomen van zettingen, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eventuele hydrologische maatregelen worden omschreven, waarbij onder meer aandacht wordt gegeven aan de dimensionering van de grondwateronttrekkings- en infiltratiesystemen en voor de gekozen zuiveringstechniek. De (geo)hydrologische voorzieningen kunnen zowel een verlaging als een verhoging van het grondwater tot gevolg hebben. Dit hangt af van het feit of het gaat om een onttrekking of het infiltreren van water. Bij de andere technische voorzieningen moet worden gedacht aan voorzieningen voor bodemluchtextractie of het toevoegen van voedingsstoffen voor een in situ sanering van het grondwater. Het is voor een verantwoorde beoordeling van het saneringsplan noodzakelijk dat deze invloeden op de omgeving worden aangegeven, bijvoorbeeld de kans op zettingen en wat daar tegen wordt gedaan in technische zin en/of door het afsluiten van verzekeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste effecten voor de omgeving kunnen voorkomen of beperken, moeten worden aangegeven, zoals maatregelen die gericht zijn op het voorkomen van stank- en geluidsoverlast en maatregelen gericht op de beperking van emissie van stoffen naar lucht en oppervlaktewater. Soms zullen deze maatregelen in vergunningen zijn voorgeschreven. Met een verwijzing kan dan worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo mogelijk dient te ontgraven grond te worden gereinigd. Daarmee kan worden voorkomen dat onnodig stortplaatsen worden belast met grote hoeveelheden grond. Bovendien kan gereinigde grond worden hergebruikt. Indien de grond niet geheel of slechs gedeeltelijk wordt gereinigd, is een beoordeling van de reinigbaarheid van de grond vereist welke reeds bij de melding op grond van artikel 28, tweede lid, sub f, van de Wet bodembescherming dient te worden overlegd. Ook voor het onttrekken van grondwater dient te worden aangegeven waarom het niet geheel of slechts gedeeltelijk gereinigd zal worden. Hiervoor hoeft echter geen beoordeling van reinigbaarheid te worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een grondwateronttrekkingssysteem kan bijvoorbeeld worden verstaan het plaatsen van peilbuizen, en/of pompputten. Met de weergave van het zijaanzicht/de dwarsdoorsnede van de bodem wordt inzichtelijk gemaakt hoe diep zal worden ontgraven en hoe diep de peilbuizen zullen worden gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen dient te worden, dat verontreinigde aanvulgrond wordt gebruikt die niet voldoet aan de gestelde saneringsdoelstelling. Onder bepaalde omstandigheden kan licht verontreinigde grond worden hergebruikt, indien daarbij wordt voldaan aan de (wettelijke) eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de wettelijke eis ten aanzien van de bestemming van de verontreinigde grond wordt een opgave verwacht van de overige vrijkomende verontreinigde materialen. Doel hiervan is een volledig beeld te krijgen van de milieuhygiënische gevolgen van de maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft de mogelijkheid van tussentijdse rapportages bij langdurige grondwatersaneringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De milieukundige begeleiding zal plaats moeten vinden conform de Beoordelingrichtlijn Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer 6000. De wijze waarop hieraan invulling zal worden gegeven, zal moeten staan beschreven in het saneringsplan. Onder een logboek wordt volgens de BRL SIKB 6000 een document verstaan waarin gedurende de sanering alle relevante milieuhygiënische gegevens worden vastgelegd. Het logboek dient te allen tijde op de locatie aanwezig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidAfwijking van de eisen voor het saneringsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk blijkt het voldoen aan de eisen die in de Wet bodembescherming en de PMV ten aanzien van het saneringplan worden gesteld niet altijd mogelijk en ten aanzien van de nadere eisen uit de PMV niet altijd relevant. Daarom is in het tweede lid een afwijkingsmogelijkheid ingebouwd Het gaat in feite om een tweetal situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste kunnen wettelijk gegevens vereist zijn, die in het geval in kwestie puur feitelijk irrelevant zijn of waarvan de gegevens eenvoudigweg niet aanwezig zijn. Als voorbeeld kan gelden de situatie waarin geen grondontgraving plaatsvindt, maar alleen een grondwatersanering of waarin geen ontgraving of sanering plaatsvindt, maar isolatie geschiedt door het plaatsen van een gebouw. In dergelijke situaties worden alleen die gegevens geleverd, waarvan in redelijkheid kan worden gesteld dat deze ook geleverd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede kan zich de situatie voordoen waarin de verstrekking van bepaalde gegevens de indiener van het saneringsplan niet zinvol voorkomt of het verzamelen van de gevraagde gegevens disproportioneel is in verhouding tot het belang dat met de sanering is gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voordelen van een dergelijke regeling zijn, dat beter kan worden ingespeeld op de feitelijke situatie, dat de beoordelingsvrijheid van gedeputeerde staten toeneemt, dat bij de systematiek van het Nader onderzoek wordt aangesloten en dat de afwijking van de eisen van artikel 6.4 door de indiener gemotiveerd moet worden. Het bevoegde gezag kan door dit laatste snel beoordelen of zij met het plan instemt en heeft argumenten om eventuele bezwaren van andere belanghebbenden te weerleggen. Ontbreekt een motivering, dan kan de indiener van het saneringsplan op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht een termijn gesteld krijgen waarbinnen hij hetzij de aanvullende gegevens hetzij een motivering waarom die gegevens ontbreken, alsnog kan verschaffen. De afwijkingsmogelijkheid betreft overigens alleen de provinciale uitwerkingsbevoegdheid op basis van artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming. Van de wettelijke eisen in artikel 39, eerste lid, kan niet worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Indien de bodem van een tankstation dat is opgericht voor 1 januari 1987, wordt gesaneerd, geschiedt dit volgens artikel 9, vijfde lid, van het Besluit Tankstations milieubeheer overeenkomstig de Handleiding bodemsanering tankstations. Voor het verschaffen van gegevens in het kader van het saneringsplan biedt die handleiding voldoende duidelijkheid, zodat de regeling van de verordening op dit punt buiten toepassing kan blijven. De wettelijke bepalingen omtrent de instemming met het saneringsplan zijn wel van toepassing en daarmee ook de procedurele bepalingen die de verordening op dit punt bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.3 melden feitelijke aanvangEerste en tweede lidVoor het toezicht op de uitvoering van het saneringsplan is het van belang dat het bevoegd gezag op de hoogte is van het werkelijke tijdstip waarop met de sanering een aanvang wordt gemaakt. Het aangeven van de vermoedelijke datum in het saneringsplan is daarvoor niet voldoende. Regelmatig komt het voor dat de feitelijke aanvang van de werkzaamheden na instemming met het saneringsplan door allerlei omstandigheden (ontbrekende vergunningen, ontbrekende materialen, weersomstandigheden en dergelijke) opschuift of dat door dergelijke voorzienbare onzekere omstandigheden geen exacte datum kan worden gegeven. Het is vanuit handhavingsoogpunt gewenst dat de start van de sanering wordt gemeld aan gedeputeerde staten. Voorts is het gewenst dat indien de datum van de start van de sanering wijzigt, dit eveneens kenbaar wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door middel van een mededeling uiterlijk twee weken voor het begin van de daadwerkelijke sanering wordt de noodzakelijke informatie verkregen en voorkomen dat voor het saneringsplan gegevens worden gevraagd, waarvan de beantwoording op het moment van indiening van het saneringsplan niet of slecht mogelijk is. Voor de melding moet weer gebruik worden gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Voor wat betreft de normadressaat bij de diverse meldingsplichten wordt verwezen naar de algemene toelichting bij hoofdstuk 6 van de PMV. derde tot en met vijfde lid Om adequaat toezicht te kunnen uitoefenen, dient het toezicht gericht te zijn op die aspecten die vanuit milieuoogpunt en vanwege fraudegevoeligheid van belang zijn. Hiervoor is het noodzakelijk dat gedeputeerde staten tijdig op de hoogte worden gebracht van de verschillende fasen van de saneringsuitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra degene die de sanering feitelijk uitvoert weet op welke tijdstip over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden, dient hij gedeputeerde staten hiervan uiterlijk twee dagen voor dat tijdstip en voor het moment dat tot aanvulling van de ontgraving met grond wordt overgegaan op de hoogte te stellen. Indien sprake is van ontgraving en aanvulling in gedeeltes, dient de melding per gedeelte plaats te vinden. Op basis hiervan kan controle worden uitgevoerd, voordat de put zal worden volgestort met grond. Aanwezigheid namens gedeputeerde staten is dan mogelijk bij de bemonstering van de put en, indien wenselijk, om een contra-expertise uit te voeren. De melding dient derhalve direct plaats te vinden en is daarom toegestaan per elektronisch dataverkeer, dat wil zeggen per e-mail dan wel per fax. Een telefonische melding is ook mogelijk, hoewel een onmiddellijke bevestiging via e-mail of fax (of eventueel schriftelijk) dan wel vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.4 aanvullende eisen saneringsplan Dit artikel gaat over de inhoud van een saneringsplan van waterbodems. In principe is de regeling in de Wet bodembescherming met betrekking tot de waterbodems vervallen met de inwerkingtreding van de Waterwet. Daarmee is tevens de noodzaak vervallen om aanvullende regelgeving in de PMV ten aanzien van waterbodemsaneringen. Echter voor het geval van samenloop van bevoegdheden, dat wil zeggen wanneer sprake is van een situatie waarbij een verontreiniging van de bodem zich zowel in de landbodem als de waterbodem bevindt, is een summiere regeling in de Wet bodembescherming achtergebleven. Voor het geval dat sprake is van ernstige verontreiniging in de bodem of de oever van een oppervlaktewaterlichaam, en de bron van die ernstige verontreiniging zich niet bevindt in de landbodem, en het geval van verontreiniging in de landbodem spoedeisend is, is in de Wet bodembescherming een artikel opgenomen dat regelt dat de bevoegdheid van het bevoegd gezag mede ziet op deze situaties. Dit betekent dat er in die gevallen nog wel degelijk sprake kan zijn van een saneringsplan voor de waterbodems. Ten behoeve van dergelijke situaties blijft het mogelijk om middels de PMV gegevens te verlangen die het saneringsplan dient te bevatten welke van belang zijn bij de sanering van de waterbodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.5 melding wijziging saneringsplan Uit artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming vloeit voort dat indien degene die saneert constateert dat van het saneringsplan zal (moeten) worden afgeweken, hij twee weken voorafgaande aan de uitvoering hiervan melding aan gedeputeerde staten dient te doen. Gedeputeerde staten beoordelen vervolgens binnen twee weken of de afwijking binnen de gekozen saneringsdoelstelling past en acceptabel is. De wijziging moet passen binnen het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd. De mededeling dat zulks het geval is, valt derhalve eveneens binnen dit saneringsplan en betreft dus geen beschikking. Van een beschikking is evenmin sprake als gedeputeerde staten constateren dat de wijziging niet past binnen het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd. In dat geval zal sprake zijn van een belangrijke wijziging van het saneringsplan (bijvoorbeeld een ander saneringsresultaat of het toepassen van een andere saneringsmethode) en zal een nieuw saneringsplan moeten worden ingediend, waarop besluitvorming met toepassing van de Algemene wet bestuursrecht plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming is provinciale staten de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen omtrent de gegevens die bij de melding omtrent een wijziging van het saneringsplan worden verstrekt. Voor het beoordelen van een melding tot wijziging van het saneringsplan is het noodzakelijk te vernemen om welke afwijkingen (opsomming hiervan) het gaat, wat de inhoud van deze afwijkingen is en welke gevolgen dit heeft ten opzichte van het eerdere saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden om van het saneringsplan af te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming kunnen gedeputeerde staten aanwijzingen geven naar aanleiding van de melding wijziging saneringsplan. Dit betreft eveneens geen beschikking, aangezien het aanwijzingen betreft op aspecten die binnen het saneringsplan vallen waarmee al is ingestemd en dus binnen de reeds doorlopen procedure zijn afgehandeld. Waneer gedeputeerde staten voor deze melding een formulier hebben vastgesteld, dient hiervan gebruik te worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.6 eisen evaluatieverslag Het evaluatieverslag geeft gedeputeerde staten inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van het verslag kunnen gedeputeerde staten beslissen dat de sanering naar behoren is afgerond, dan wel dat de uitvoering van de saneringsmaatregelen nog voortzetting behoeft, aangezien de saneringsdoelstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming nog niet is behaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe artikel 39c van de Wet bodembescherming geeft een opsomming van de gegevens die in het verslag in ieder geval vermeld moeten staan. In het derde lid van dat artikel is provinciale staten de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen ten aanzien van het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ervaring van het bestuur leert dat de eisen van de wet minimaal zijn en in de meeste gevallen onvoldoende beeld geven van de uitgevoerde sanering. Verdere gegevens, precies aangegeven op plattegronden / kaarten, zijn daarom onontbeerlijk. eerste lid Artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming geeft aan dat het evaluatieverslag “zo spoedig mogelijk” na de uitvoering van de sanering dient te worden aangeboden bij gedeputeerde staten. Deze ruime formulering maakt het mogelijk en gewenst om in de PMV vast te leggen binnen welke termijn het evaluatieverslag uiterlijk moet zijn ingediend. In artikel 6.6, eerste lid, van de PMV is vastgelegd dat dit uiterlijk binnen dertien weken na afloop van de sanering ingediend moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van een formele gefaseerde sanering zoals bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, kan er per fase een formele afronding plaatsvinden. tweede lid Indien een nazorgplan is vereist, stemmen gedeputeerde staten in beginsel niet in met het evaluatieverslag dan nadat er een nazorgplan is ingediend. Als sprake is van een gecompliceerde nazorglocatie kunnen beide documenten apart ter instemming worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. sub b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sinds de indiening van het saneringsplan, waarbij een kadastrale kaart is overlegd, zich geen kadastrale wijzigingen hebben voorgedaan, kan volstaan worden met een copie van die kaart, waarop de bedoelde contouren kunnen worden ingetekend. Ingeval er wel kadastrale wijzigingen hebben plaatsgevonden, dient een actuele kadastrale kaart te worden overlegd en gebruikt. derde lid Voor toelichting op het derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het tweede lid van artikel 6.4 van deze verordening. vierde lidOok voor deze melding geldt dat indien hiervoor door gedeputeerde staten een formulier is vastgesteld, hiervan gebruik moet worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.7 eisen nazorgplan Aan de hand van het nazorgplan kunnen gedeputeerde staten zich een goed oordeel vormen over de aard en omvang van de restverontreiniging en over de (voorgenomen) maatregelen hieromtrent en kunnen ze toetsen of hier op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze uitvoering aan wordt gegeven. Het bevoegd gezag stemt slechts met het nazorgplan in als de daarin opgenomen gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen naar het oordeel van gedeputeerde staten voldoende zijn om er voor te zorgen dat de restverontreiniging niet zal leiden tot kwaliteitsvermindering van de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 39d van de Wet bodembescherming worden nagenoeg geen eisen gesteld aan het nazorgplan. Dit heeft tot gevolg dat in artikel 6.8 van deze verordening veel eisen zijn opgenomen omtrent de inhoud van het nazorgplan. Hierbij is evenwel aangesloten bij de praktijk die hieromtrent bestaat. Tevens zijn de eisen afgeleid uit de diverse zogeheten checklisten die de bevoegde gezagen hanteren bij de oordeelsvorming over een nazorgplan. eerste lid A. Algemene gegevens 2°) Zie de toelichting bij artikel 6.6, tweede lid, sub b.</p>\n<p class=\"lf-p\">5°) Volgens artikel 39e, tweede lid, van de Wet bodembescherming is degene die saneert gehouden de nazorg uit te voeren, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het nazorgplan. In principe kan in het nazorgplan elke willekeurige derde worden aangewezen. Het dient gewaarborgd te zijn dat er instemming is van degene die voor de nazorg wordt aangewezen. In de memorie van toelichting bij de “Wijziging van de wet bodembescherming” (29 462) wordt aangegeven dat het belasten van een derde met de nazorg gepaard zal gaan met contractuele afspraken. Om zekerheid te hebben dat de derde op de hoogte is van de – omvang van de – overgedragen nazorg is het noodzakelijk dat bij het nazorgplan waarin een derde als nazorgverantwoordelijke wordt aangewezen het daaraan ten grondslag liggende contract wordt overlegd, dan wel een door beide partijen ondertekende verklaring wordt overlegd, waaruit blijkt dat de derde de nazorgverantwoordelijkheid overneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde die wordt aangewezen als nazorgverantwoordelijk kan een opvolgende eigenaar zijn, maar ook een andere rechtspersoon, bijvoorbeeld een specifieke nazorgorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient bovendien de voorkeur om de tenaamstelling van de beschikking op het nazorgplan te wijzigen bij een nieuwe nazorgverantwoordelijke. Dat kan geschieden door een gezamenlijk verzoek tot naamswijziging van die beschikking. Dit geldt temeer wanneer de locatie nadien wederom van eigenaar verwisselt en beoogd is dat de eigenaar de nazorgverantwoordelijke is.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Aanvangssituatie 2°) Zie voor de vereiste kadastrale kaart de toelichting bij artikel 6.6, tweede lid, sub b.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Nazorgmaatregelen Onder D. worden de nazorgmaatregelen beschreven. Nazorg richt zich op het beheer van de restverontreinigingen. Dit beheer omvat het gebruik van de bodem, de instandhouding van de eventueel aangebrachte isolatievoorzieningen en de monitoring van de restverontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het gebruik van de bodem houdt nazorg in dat de gebruiksbeperkingen in acht genomen worden. Een gebruiksbeperking kan bijvoorbeeld zijn, dat gebruik voor consumptie van gewassen uit de tuin niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorg richt zich ook op het instandhouden van de isolerende voorzieningen. Deze kunnen zijn aangebracht bij de sanering van immobiele verontreinigingen. Ze kunnen bestaan uit bijvoorbeeld: een leeflaag, deklaag, verhardingslaag of een bouwvloer. Isolerende voorzieningen worden soms aangebracht bij de sanering van mobiele verontreinigingen. Veelal betreft dit complexe mobiele verontreinigingen, waarbij het geheel of een deel van de verontreiniging wordt geïsoleerd. De isolerende voorzieningen kunnen bestaan uit een civieltechnische isolatie, bijvoorbeeld een damwand, een bovenafdichting, of uit een geohydrologische isolatie, zoals drainage- en grondwateronttrekkingssystemen. Bij isoleren van mobiele verontreiniging hoort een periodieke monitoring van het grondwater om eventuele lekkages te ontdekken, periodieke controle op de werking van de isolerende voorziening en/of vervanging van dergelijke voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorg kan zich ook richten op monitoring van de restverontreiniging zonder dat sprake is van een isolatievoorziening. Dit is alleen relevant bij mobiele verontreinigingen. Indien twijfel bestaat over de stabiliteit van de restverontreiniging, is monitoring van het grondwater gewenst. sub 5) Bij een calamiteit kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin verontreinigd grondwater zich verspreid vanwege een defect aan het beheerssysteem (drain, pomp, zuivering). sub 6) Een melding op grond van de Grondwaterwet kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn bij een grondwateronttrekking/beheersing. Verder kan toestemming van de eigenaar van het terrein nodig zijn om het terrein te mogen betreden, als de uitvoering van de nazorg in handen is van een derde (bijvoorbeeld een nazorgorganisatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Financiële aspecten Het nazorgplan dient inzicht te bieden in de kosten van uitvoering. Bovendien moet het voor het bevoegd gezag duidelijk zijn dat de saneerder deze kosten kan dragen. Hiervoor kan eventueel een financiële zekerheidstelling worden verlangd door het bevoegd gezag op grond van artikel 39f, eerste lid, van de Wet bodembescherming. tweede lid Voor toelichting op het tweede lid wordt verwezen naar de toelichting bij het tweede lid van artikel 6.3 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.8 sanering door gedeputeerde staten Indien er geen initiatief is tot saneren, maar onderzoek of sanering vanuit milieuhygiënische noodzaak wel geboden is, zijn gedeputeerde staten belast met onderzoek en sanering van de in hun provincie gelegen gevallen van ernstige verontreiniging (artikel 48 van de Wet bodembescherming, vangnetbepaling). De aanpak van dergelijke gevallen verloopt niet via artikel 28 van de Wet bodembescherming, maar op basis van artikel 48 van de Wet bodembescherming. Er is er niets gereguleerd omtrent de procedure voor de vaststelling van saneringsplannen, evaluatierapporten en nazorgplannen voor de aanpak van deze gevallen. Artikel 6.8 van de PMV bevat procedurele bepalingen voor de vaststelling van bovengenoemde stukken en de hierbij te doorlopen voorbereidingsprocedure. Er is voor gekozen de uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht te volgen. Deze voorbereidingsprocedure voorziet in:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>ter inzagelegging van het stuk naar aanleiding waarvan de beschikking wordt gegeven, dus het rapport van het nader onderzoek, de melding bedoeld in artikel 28, eerste lid, Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag of het nazorgplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>een kennisgeving hiervan in dag en/of nieuwsbladen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de mogelijkheid voor belanghebbenden om terzake schriftelijk of mondeling zienswijzen naar voren te brengen.</div>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde gevallen kan het toepassen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als te zwaar en niet voldoende toegesneden op de praktijk worden ervaren. Het vijfde lid van artikel 6.8 geeft gedeputeerde staten de mogelijkheid om te besluiten in voorkomende gevallen geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Een dergelijke afwijking moet wel worden gepubliceerd. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt toegepast, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van de procedure geen behoefte bestaat. Een dergelijk besluit moet worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling waartegen op grond van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht in beginsel geen bezwaar of beroep open staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid schrijft voor dat indien gedeputeerde staten besluiten dat er geen behoefte is aan de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, zij van deze beslissing openbaar kennis geven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Bij de formulering van dit lid is gedacht aan een openbare kennisgeving analoog aan de kennisgeving als bedoeld in artikel 28, vijfde lid, Wet bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze bepaling is belanghebbenden die bij het bepalen van de kring van belanghebbenden mogelijkerwijs \"over het hoofd\" zijn gezien, de mogelijkheid te bieden alsnog hun zienswijzen/wensen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.9 en 6.10 instellen projectgroep en taak en samenstelling projectgroep Met de instelling van een projectgroep wordt beoogd dat belanghebbenden via een vertegenwoordiging in een in te stellen projectgroep hun belangen naar voren kunnen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze kan, afhankelijk van de lokale situatie, aan de betrokkenheid van belanghebbenden een op het geval afgestemde invulling worden gegeven. Er wordt vanuit gegaan dat de behoefte aan het instellen van een projectgroep redelijkerwijs alleen bestaat bij grote gecompliceerde saneringsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de artikelen 6.9 en 6.10 wordt invulling gegeven aan het gestelde in artikel 52 van de Wet bodembescherming. In het tweede lid van artikel 6.9 wordt verduidelijkt, dat door deze invulling van de in artikel 52 van de Wet bodembescherming bedoelde betrokkenheid wordt afgeweken van de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die uitgangspunt is bij inspraak op grond van de provinciale inspraakverordening. Artikel 147 van de Provinciewet biedt echter de mogelijkheid te bepalen dat wordt afgeweken van deze voorbereidingsprocedure. Daar wordt hier gebruik van gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpak van onderzoek en sanering door gedeputeerde staten Indien de resultaten van een oriënterend onderzoek aanleiding geven tot een verder (nader) onderzoek dient in principe een projectgroep ingesteld te worden, die met het oog op de inspraak als inspraakplatform zal kunnen dienen. Deze projectgroep vervult dan een belangrijke rol bij het formuleren van een advies aan gedeputeerde staten. In de projectgroep worden derhalve de door gedeputeerde staten te nemen besluiten voor een groot deel voorbereid. Op deze wijze worden (vertegenwoordigers) van belanghebbenden in staat gesteld om in de voorbereiding van de besluitvorming te participeren. Om de inbreng van het desbetreffende gemeentebestuur te waarborgen zal naast een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten (in principe de projectleider) een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur in de gelegenheid worden gesteld om in de projectgroep zitting te hebben (artikel 6.10, tweede lid, onder b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bestaat de projectgroep, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, uit vertegenwoordigers van belanghebbende bewoners en andere belanghebbenden, bijvoorbeeld eigenaren of gebruikers, de regionale inspectie milieuhygiëne, de waterkwaliteitbeheerder en het desbetreffende waterleidingbedrijf indien het geval in een grondwaterbeschermingsgebied is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige gevallen kan het wenselijk zijn dat een vertegenwoordiger van een (overkoepelende) milieuorganisatie zitting heeft in de projectgroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zeer incidentele gevallen kan door de provincie een financiële tegemoetkoming aan projectgroepen in de kosten van deskundigenbijstand worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7 Hoofdstuk 7 Ontheffingen Artikel 7.2 weigeringsgrond In dit artikel en in de artikelen 7.3, 7.5 en 7.6 is voor het weigeren, voor het onder beperkingen of voorschriften verlenen van een ontheffing en voor het wijzigen of intrekken van een ontheffing het specialiteitsbeginsel vastgelegd. Dit beginsel brengt met zich mee dat het belang dat beschermd wordt door de desbetreffende bepaling steeds de toetsingsgrond voor de bedoelde rechtshandeling is. Overwogen is of de toetsingsgrond niet “het belang van de bescherming van het milieu” in meer algemene zin zou moeten zijn. Daarvoor zou pleiten dat, voor zover de ontheffing regels betreft die gebieden beogen te beschermen, dat zou passen bij een geïntegreerd gebiedsgericht beleid. Vooralsnog is daarvan afgezien omdat een dergelijk ruime toetsingsgrond tot veel onduidelijkheid zou kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.4 geldigheid ontheffingen In dit artikel is bepaald dat een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en aan diens rechtsopvolgers, tenzij in de ontheffing anders is bepaald. In het tweede lid is expliciet bepaald dat een ontheffing die betrekking heeft op de verwijdering van afvalstoffen, alleen voor de aanvrager geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.8 aanvraag Het verzoek om ontheffing bevat een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing wordt verzocht. Het begrip \"gedraging\", dat aansluit bij de in strafbepalingen gehanteerde terminologie, moet in de meest ruime zin worden opgevat. Daaronder valt dus ook het oprichten en in werking houden van een inrichting, het plaatsen en laten staan van een bouwwerk etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.9 adviseursIn dit artikel worden de adviseurs en de niet als adviseur betrokken bestuursorganen aangewezen. Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging zal plaatsvinden worden als adviseur bij de totstandkoming van de beschikking betrokken, indien zij niet zelf bestuursorgaan zijn. Indien ons college niet bestuursorgaan is en de gedraging in een milieubeschermingsgebied zal plaatsvinden, worden wij als adviseur bij de procedure betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De houder van een inrichting bestemd tot het onttrekken van grondwater, die is gelegen binnen een gebied waarbinnen regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, is direct belanghebbende bij de beslissing op een aanvraag om ontheffing van regels die de grondwaterkwaliteit beogen te beschermen. Om die reden dient hij geïnformeerd te worden over de binnengekomen aanvragen als ware hij een niet als adviseur betrokken bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8 Hoofdstuk 8 Vergoeding van de kosten Voor de toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting bij hoofdstuk 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.9 Hoofdstuk 9 Handhaving Artikel 9.1 strafbaarstelling In artikel 1.1a van de WED is strafbaar gesteld overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens onder andere artikel 1.2, eerste lid, Wet milieubeheer \"voor zover aangeduid als strafbare feiten\". Die aanduiding is te vinden in artikel 9.1. Daarin zijn de bepalingen met verplichtingen opgesomd. Een gedraging in strijd met deze verplichtingen is een strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.10 Hoofdstuk 10 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 10.2 overgangsrecht ontheffingen handelingen binnen grondwaterbeschermingsgebieden In dit artikel is een overgangsrecht opgenomen voor ontheffingen die in het verleden ooit zijn verleend van verboden die gelden binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Deze ontheffingen worden gelijkgesteld met een ontheffing van het bepaalde in hoofdstuk 5. Deze oude ontheffingen gelden dus als ware het ontheffingen verleend op grond van hoofdstuk 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontheffingen die zijn aangevraagd voordat hoofdstuk 5 in werking treedt, worden afgehandeld op grond van de nieuwe regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlagen bijlagen/file/Bijlage 1_Aanwijzing van gebieden waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder.pdfbijlagen/file/Bijlage 2_Aanwijzing van gebieden waarvoor regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.pdfbijlagen/file/Bijlage 3_Lijst van schadelijke stoffen (grondwaterbescherming).pdfbijlagen/file/Bijlage 4_Lijst met bedrijven als bedoeld in artikel 5_10 van de PMV.pdfbijlagen/file/Bijlage 5_Instructies voor vergunningen voor inrichtingen en lozingen op oppervlaktewater in milieubeschermingsgebieden.pdfbijlagen/file/stilte- en waterwingebieden (2012).pdf</p></div>", "next": 0}