{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepalen dat het college bekostiging verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de afstand van de woning van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet onderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de school die de leerling bezoekt meer dan één locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze leerlingenvervoer dienen te worden beschouwd. Deze vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name de schaalvergrotingsoperatie (T&amp;B) in het basisonderwijs. Door deze operatie is het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen omgevormd tot nevenvestigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht bij de regelgeving betreffende de huisvesting en materiële instandhouding in het primair onderwijs, evenals bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel 15, eerste lid van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt geldt dan dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als school kan worden beschouwd in de zin van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderscheid tussen rijksbekostigde en particuliere locaties is hierbij niet aan de orde, gelet op de wijziging van de WBO en de ISOVSO (Stbl. 1993, nr. 587) waarbij de bepalingen inzake het leerlingenvervoer zijn verplaatst naar de eerste Titel van beide wetten. Vanaf 1 augustus 1998 gelden hiervoor de WPO, WVO en de WEC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet gaat het om de volgende situaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nevenvestiging in het basisonderwijs. Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO (artikel 1) beschouwd als een deel van de school op de plaats waar vóór de vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school functioneerde. De eigen wettelijke positie van een nevenvestiging komt onder andere tot uiting in een afzonderlijke normstelling voor de instandhouding, in een afzonderlijke regeling voor de rijksbekostiging van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van de hoofdvestiging) en de verplichting om voor de nevenvestiging een afzonderlijke leerlingenadministratie bij te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het voor de hand een nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te beschouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dislocaties in het primair onderwijs. Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de verordening worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging. Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de criteria van de verordening op het gebied van richting en kilometergrens wordt voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de hoofdvestiging als een nevenvestiging of dislocatie bedoeld. Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie bezoekt die minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel 15 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, het college niet gehouden is bekostiging te verstrekken voor de kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de hoofdvestiging van de school zich wel verder weg van de woning bevindt dan de kilometergrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtst bijgelegen onderwijslocatie van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die verder weg van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel 15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze kilometergrens is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegankelijkheid. De bekostigingsplicht van het college tot de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school kan van specifiek belang zijn indien de leerling een school bezoekt met een nevenvestiging of een dislocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het bevoegd gezag bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging en de nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig onderwijscurriculum verzorgen. Indien bijvoorbeeld de dichtst bijgelegen locatie een dislocatie is waar slechts onderwijs voor de onderbouw wordt verzorgd, is deze locatie voor een leerling uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder gelegen dislocatie of hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als dichtstbijzijnde onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden wordt voldaan bekostigt het college het vervoer daarheen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een begeleider</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is op dat gebied een regeling getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 12 blijkt: dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer moet zijn om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een begeleider in aanmerking te komen; dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat ervan uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze een uitzondering hierop gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband is artikel 7 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze van belang. Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook al wordt de leerling in de loop van het schooljaar negen jaar; dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan kan onder andere sprake zijn indien: de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken; de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd, te jong hiervoor is; de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers niet mogelijk is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer, psychologische verklaringen en medische verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van de leerling niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang. Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten plaats aan de ouders van de leerling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de meeste gevallen zal het een ouder zijn die de leerling begeleidt. Indien een begeleider (al dan niet een ouder) meer dan één leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er sprake van de begeleiding van één leerling. Met andere woorden, indien bijvoorbeeld één ouder drie leerlingen begeleidt met het openbaar vervoer, kan het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van de begeleider drie maal plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106) van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere) leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin volgt, geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder enige begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig kind niet kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere kinderen door moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer zelf organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de draagkracht zullen dan door de ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor het aangeboden vervoer. Overigens geldt vooral voor aangepast vervoer dat regionale samenwerking met andere gemeenten tot belangrijke besparingen kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 13 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is bepaald dat bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer wordt verstrekt, indien de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer bedraagt, en: indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht of openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling, naar het oordeel van het college, zelf gebruik kan maken van vervoer per fiets.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling dat aangepast vervoer wordt toegekend indien de leerling is aangewezen op openbaar vervoer onder begeleiding en de ouders kunnen aantonen dat het begeleiden van de leerling door hen of door anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden en een andere oplossing niet mogelijk is, is niet meer in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overweging hierbij is dat begeleiding primair een taak van de ouders is. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te schakelen. In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de hardheidsclausule (artikel 26 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). Daarbij kan rekening worden gehouden met de uitspraken van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State over dit onderwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 5 februari 1992 (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende ouders aangepast vervoer eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten in de begeleiding van hun kinderen in het openbaar vervoer te voorzien. Zij motiveren deze onmogelijkheid naar het oordeel van de afdeling Rechtspraak niet voldoende. De afdeling spreekt hierover uit dat het aan de ouders is voldoende aannemelijk te maken dat het hun onmogelijk is hun kind te begeleiden. In dit concrete geval eist de afdeling, gezien de cursus die de moeder volgt, lesroosters of andersoortige verklaringen waaruit de onmogelijkheid tot begeleiden blijkt. Voorts dienen de ouders volgens de afdeling aan te tonen dat hun kind niet (gedeeltelijk) door anderen kan worden begeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 2 december 1988 (R03.88.5983/S649265-29) betreffende het beroep van ouders tegen de afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer toe te staan gaat verder op deze zaak in. De ouders stellen dat het begeleiden van hun zoon tot gevolg heeft dat zijn negenjarig zusje tweeëneenhalf tot vier uur per dag, mede door haar afwijkende schooltijden, zonder opvang moet doorbrengen. Opvang elders is volgens de ouders niet mogelijk. De afdeling concludeert dat verzoeker niet overtuigend heeft aangetoond dat de begeleiding van zijn zoon - bijvoorbeeld door in onderling overleg met de ouders van medeleerlingen beurtelings de kinderen naar en van school brengen - niet op een andere minder bezwaarlijke wijze zou kunnen plaatsvinden. Een soortgelijke uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin ouders stellen dat begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote problemen stelt, onder meer omdat een aantal van hen thuis nog niet-schoolgaande kinderen heeft, die eveneens aandacht en verzorging behoeven. De afdeling stelt in haar uitspraak d.d. 25 april 1989 (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat het voor appellanten onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat gedurende de afwezigheid van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de schoolkinderen door anderen op de jongere kinderen wordt gepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de uitspraak van de Voorzitter van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 14 mei 1992 (R03.89.7315/P01) betreffende de begeleiding door ouders blijkt het volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak bestaat op aangepast vervoer in plaats van openbaar vervoer, omdat onder meer de begeleiding van haar kind in het openbaar vervoer tot een onaanvaardbare belasting van het gezin leidt, aangezien enerzijds haar tweede kind telkens mee moet reizen bij gebrek aan een oppas en anderzijds de reistijd voor de begeleider onaanvaardbaar lang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Voorzitter bepaalt dat, hoewel niet kan worden ontkend dat bij gebruik van het openbaar vervoer de begeleiding van het kind veel tijd vergt, niet aangetoond is dat begeleiding van haar kind tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Daarbij is in aanmerking genomen dat de ouder van de gemeente bekostiging ten behoeve van begeleiding is verstrekt, zodat zij haar kind niet zelf hoeft te begeleiden, maar hem kan laten begeleiden. Bovendien zou de ouder gedurende de tijd dat zij haar zoon naar en van school begeleidt haar tweede kind onder de hoede van een oppas kunnen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat er thuis kinderen zijn die verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan zijn van begeleiding door de ouders op zich niet voldoende is. Van ouders wordt in dit soort gevallen verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen en in voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid niet aanwezig is. In feite zal de gemeente moeten afwegen wat van ouders, die in aanmerking komen voor bekostiging van het leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt ten aanzien van de begeleiding van hun kinderen dan van ouders die niet voor die bekostiging in aanmerking komen. Een voorbeeld moge dit verduidelijken: ouder A woont op vijf kilometer van de school en ouder B op zeven kilometer, de gemeente hanteert een afstandscriterium van zes kilometer. Beide ouders hebben thuis een kind dat verzorging behoeft. Wanneer ouder B, die in aanmerking komt voor leerlingenvervoer, zou mededelen zijn kind niet te kunnen begeleiden in verband met de gezinssituatie dan doet zich de vraag voor of, op grond van het feit dat er sprake is van een verschil in afstand van twee kilometer, van ouder A wel en van ouder B niet verwacht kan worden dat hij zijn kind zelf begeleidt, dan wel een andere oplossing zoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1 Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het criterium reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert). Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdeling Rechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 17 februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274) uitgesproken dat bij de reistijd vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet worden. Op grond van de uitspraken van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 1990 (R03.90.6236/86538) evenals van 10 december 1992 (S03.92.3655.67) kan voor de berekening van de reistijd per taxi tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie over de exacte reistijd per openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992 S03.92.3174) worden vermeden door uit te gaan van de desbetreffende dienstregelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over een maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de afdeling Rechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039, R03.88.6089 en R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op zichzelf in strijd is met artikel 4 van de WBO (nu WPO ). Niet aannemelijk is, dat bij het ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen op basis van de kosten van aangepast vervoer, bij een reisduur tot anderhalf uur de vrijheid van ouders om voor hun kinderen een openbare dan wel een bijzondere school van de door hen gewenste richting te kiezen, in onaanvaardbare mate onder druk kan komen te staan van financiële hindernissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden verwacht dat indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken of onverkort aan de in artikel 13, onder a, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze weergegeven reistijd dient te worden vastgehouden. De hardheidsclausule in de gemeentelijke verordening biedt daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de heenreis (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de reistijd, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval zijn indien bijvoorbeeld op de heenreis een stopbus en op de terugreis een snelbus is ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet aansluit bij de aanvang van de school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In dergelijke gevallen dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat betreft de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor wat betreft de terugreis op basis van openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan het vooral bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van vervoer te overwegen. De leerling zou in een dergelijk geval gebruik kunnen maken van aangepast vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een centraal eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer om op de plaats van bestemming te komen. Een vorm van combinatievervoer kan zijn dat de leerling eerst met de bus naar het station gaat en vervolgens de trein neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale opstappunten (zie artikel 1, onder m) kent. In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107) geeft de afdeling Rechtspraak van de Raad van State enige richtlijnen met betrekking tot centrale opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de leerlingen van huis naar een opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht. Indien hiermee een reistijd is gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien de vertrektijden van de bus zodanig zijn afgestemd op de aanvang- en eindtijden van de lessen dat er niet of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze constructie in beginsel ‘alleszins redelijk’ te noemen, volgens de afdeling. Wanneer de leerling gelet op zijn leeftijd begeleiding nodig heeft bij het vervoer van huis naar de opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf voor de begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de onderhavige casus de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de kilometergrens van vier kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere bushalten, aldus de afdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2 Openbaar vervoer ontbreekt In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van woning naar school of vice versa.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe kunnen de ouders dan aanspraak maken op bekostiging op basis van aangepast vervoer. Hierbij kan het college de volgende mogelijkheden overwegen: is een combinatie van vervoer haalbaar; de vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te brengen in de dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer, waardoor deze vervoervorm dienstbaar wordt voor het reizen van en naar de school; het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden af te stemmen op de vervoertijden; contact kan worden opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het betreffende gebied; deze kan eventueel een adviserende en bemiddelende rol spelen; tevens kan nog bezien worden of het mogelijk is andersoortig vervoer te organiseren tegen de kosten van openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van de kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het door de gemeente verzorgde vervoer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens biedt artikel 13, onder b, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij spelen de volgende overwegingen een belangrijke rol: is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te gaan; is de route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is dat het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats (zie ook de toelichting op artikel 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitspraak van de voorzitter van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een bepaling in de gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt verleend op basis van de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer ontbreekt, in strijd is met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken van openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien de reistijd die met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang is en het alternatief van aangepast vervoer niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 14 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze geeft nadere regels over de bekostigingen van het eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de gemeente een goedkopere wijze van vervoer is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een aangepast vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze voor in aanmerking komen: voor openbaar vervoer; voor aangepast vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a Openbaar vervoer Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het college zelf, dan keert het college bekostiging uit op basis van het openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: Afstand woning school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de leerling zelf, met toestemming van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college dient nu na te gaan wat voor deze afstand betaald zou moeten worden, indien de leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hiervoor geldt dat het college het meest goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens past het college het eigen bijdrage principe toe. De vraag, wat het openbaar vervoer per kilometer kost, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden en is mede afhankelijk van het Vervoersplan en de bepalingen over de zone-indeling die gelden voor die specifieke gemeente. Nadere informatie hierover bij de plaatselijke of regionale vervoersondernemingen is daarom noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b Aangepast vervoer Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 april 1993 zijn in werking getreden het Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en de Reisregeling binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993), waarmee het Reisbesluit Nederland 1971 en de Reisbeschikking Nederland zijn komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het leerlingenvervoer is dit van belang, aangezien in artikel 14, tweede tot en met vijfde lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een kilometervergoeding afgeleid van de Reisregeling binnenland. Het betreft onder andere de kilometervergoedingen die ouders ontvangen indien zij gebruikmaken van eigen vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de totstandkoming van het nieuwe Reisbesluit binnenland heeft terugdringing van de (auto)mobiliteit en het zoveel mogelijk vermijden van fiscaal bovenmatige vergoedingen als uitgangspunt gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7-9 van het Reisbesluit jo artikel 2-3 van de Reisregeling bepalen onder meer het volgende: indien openbaar vervoer passend is en er toch toestemming is verleend door het bevoegd gezag om te reizen met eigen vervoer wordt een bedrag betaald van € 0,09 per kilometer (zowel per auto als per bromfiets); indien aangepast vervoer passend is en toestemming is verleend door het bevoegd gezag om te reizen met de eigen auto wordt voor alle kilometers een vergoeding verstrekt van € 0,37 per kilometer, zijnde de maximaal onbelaste vergoeding; in geval van eigen vervoer met een bromfiets bedraagt de vergoeding € 0,10 per kilometer; de fietsvergoeding bedraagt € 0,09 per kilometer plus een vergoeding van de eventuele kosten van stalling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een knelpunt valt te signaleren voor de concrete betekenis voor het leerlingenvervoer. Immers, tot 1 april 1993 werd de hoogte van de kilometervergoedingen afgeleid van de bedragen van de Reisbeschikking Nederland. Hierbij werden de volgende tarieven gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">0 km - 5.000 km 1/2 x 68 zoals genoemd in Reisbeschikking = 34 cent 5.001 km - 10.000 km 1/2 x 49 zoals genoemd in Reisbeschikking = 25 cent 10.001 km - 20.000 km 1/2 x 37 zoals genoemd in Reisbeschikking = 19 cent meer dan 20.000 km 1/2 x 33 zoals genoemd in Reisbeschikking = 17 cent Tussen de hoogte van de kilometervergoedingen en de hoogte van de bedragen zoals genoemd in de Reisbeschikking bestaat daarom een duidelijke relatie. De vraag is hoe die relatie vanaf 1 april 1993 dient te worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te noemen zijn onder andere de volgende mogelijkheden: conform de systematiek tot 1 april 1993 wordt het bedrag, zoals genoemd in de Reisregeling gehalveerd, zodat per kilometer 30 cent wordt vergoed (vanaf 1-1-2002: € 0,14); dit is ongunstig voor de meeste ouders, waardoor soms voor gemeenten niet ongunstige belangstelling voor eigen vervoer kan omslaan in een voorkeur van ouders voor door de gemeente bekostigd overig aangepast vervoer; handhaving van de systematiek die tot 1 april 1993 gold en de daarbij gehanteerde bedragen is mogelijk binnen de randvoorwaarden van het Reisbesluit , aangezien de vergoedingen niet meer dan 59 cent bedragen (vanaf 1-1-2002: € 0,27); nadeel hiervan is dat de in het kader van het leerlingenvervoer gehanteerde bedragen nauwelijks meer als een afgeleide van de in de Reisregeling binnenland genoemde bedragen kunnen worden beschouwd. Anders is dit indien het college percentages vaststelt van het bedrag als genoemd in de Reisregeling binnenland (zie d); in het voetspoor van de Reisregeling wordt met ingang van 1 april 1993 per kilometer 59 cent betaald (vanaf 1-1-2002: € 0,27); dit betekent een enorme verhoging van de kilometervergoedingen, en dus bij ongewijzigd beleid een forse verhoging van de uitgaven ten behoeve van het leerlingenvervoer, tenzij dit bedrag slechts wordt uitgekeerd voor de kilometers die de leerling aflegt (hierbij wordt er van uitgegaan dat de leerling tweemaal de reisafstand aflegt omdat de leerling tussen de middag op de school kan overblijven);</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgroep scholierenvervoer Meppel e.o. heeft het volgende alternatief ontwikkeld.[NB De afrondingen van de percentages zijn hierin niet overgenomen.] De regeling die tot 1 april 1993 werd gehanteerd wordt vertaald naar de regeling die vanaf 1 april 1993 geldt, en wel op de volgende wijze. Het genoemde bedrag van 52 cent per kilometer wordt als uitgangspunt genomen. De bedragen die tot 1 april 1993 werden gehanteerd worden uitgedrukt in een percentage van de genoemde 52 cent, en wel als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">0 km - 5.000 km: 34/52 x 100 = 65% 5.001 km - 10.000 km: 25/52 x 100 = 48% 10.001 km - 20.000 km: 19/52 x 100 = 37% meer dan 20.000 km: 17/52 x 100 &gt; 33% Om het te vergoeden bedrag per kilometer te berekenen, dient het genoemde bedrag vermenigvuldigd te worden met een van deze percentages.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voordelen van deze methode zijn: de vergoedingsbedragen verschillen niet van de bedragen die tot 1 april 1993 werden gehanteerd; de oude regeling wordt vertaald naar de nieuwe regeling. Door de ontwikkeling van het prijsindexcijfer was het bedrag van 52 cent gewijzigd in 60 cent per 1 januari 1997 (vanaf 1-1-2002: € 0,27). De vergoedingsbedragen voor het leerlingenvervoer worden als volgt vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">0 km - 5.000 km: 65% van 37 = € 0,24 5.001 km - 10.000 km: 48% van 37 = € 0,18 10.001 km - 20.000 km: 37% van 37 = € 0,14 meer dan 20.000 km: 33% van 37 = € 0,12 De hiervoor weergegeven mogelijkheden zijn alle vier reëel. Op plaatselijk niveau kan de afweging worden gemaakt welke kilometervergoeding toegepast wordt. Indien wordt overgegaan op een vergoeding die lager ligt dan de ouders gewend waren te ontvangen, dan is het van belang deze nieuwe vergoeding pas een aantal maanden na het moment dat de desbetreffende ouders daarvan op de hoogte zijn gesteld, in te laten gaan en de ouders in de gelegenheid te stellen hun verzoek om zelf in het vervoer te mogen voorzien, te heroverwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gemeenteraad aansluit bij de vergoedingensystematiek afgeleid van de Reisregeling Nederland, worden eventuele wijzigingen hierin automatisch door het college vertaald naar het leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kilometervergoeding betreft enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het kind per auto vervoerd wordt, in principe aanspraak bestaat op vier maal de afstand woning school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven, mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van de te vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 14, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is bepaald, dat ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien zij meer dan één leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college toestemming hebben gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje vervoeren, kunnen het college bij wijze van uitzondering op grond van de hardheidsclausule een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college noodzakelijk. Hierbij zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de kosten die daarmee gepaard gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze dat het college bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers fietsvervoer, indien de leerling gebruik maakt van het vervoer per fiets. Hiervan kan sprake zijn: indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze (versie: 11-01-2007) 41 / 58 indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het kader van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor toestemming geeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer’. Indien het college van oordeel is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk: openbaar vervoer onder begeleiding; aangepast vervoer al dan niet verzorgd door het college; eigen vervoer; een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens opgenomen, namelijk zes kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 20 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze. Dit artikel bepaalt dat als de afstand naar de school minder bedraagt dan zes kilometer, toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de handicap van de leerling dat vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten aanzien van de bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke wijze van vervoer bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een strippenkaart, een jaarabonnement of een maandabonnement of een kilometervergoeding voor de (brom)fiets).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de fiets wordt verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij dient in overweging worden genomen: de leeftijd van de leerling, de eventuele handicap van de leerling, de veiligheid van de af te leggen route en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsvergoeding voor bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige maanden bekostiging voor ander passend vervoer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Commissie voor de begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie van onderzoek (Cvo) bestaat niet meer vanaf 1 augustus 2002. De indicerende taken gaan over naar de regionale Commissies van Indicatiestelling (CvI). De taken over het toewijzen van (ambulante) begeleiding gaan over naar de commissie voor de begeleiding, verbonden aan een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of de ambulante begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van de gesteldheid van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan advies worden ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd advies geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het advies van genoemde commissies daarbij moet worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het voor een gemeente duidelijk is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling passend is (bijvoorbeeld omdat het een herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat vervoer noodzakelijk maakt), hoeft geen advies te worden gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling onverlet dat het advies van genoemde commissies ook gevraagd kan worden indien de gemeente dit wenselijk vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens biedt de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze in artikel 16, tweede lid, de mogelijkheid dat het college naast het advies van genoemde commissies tevens het advies van andere deskundigen in kan winnen. Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de bijzondere handicap van de leerling dit vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere deskundigen kunnen dan bijvoorbeeld zijn: medische specialisten; een orthopedagoog; de huisarts van de leerling; kinderpsycholoog en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als nadeel van een keuze voor de directeur/commissie voor de begeleiding als adviserend orgaan geldt de veel gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens subjectief van aard kunnen zijn. Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende school en er kunnen dan bepaalde belangen zijn bij het aannemen van het kind op de desbetreffende school. Het is in dat kader van belang dat het college een gemotiveerd advies vraagt van de directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts is in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen te raadplegen. In geval van twijfel kan dan het advies van deze deskundigen ingewonnen worden. Uiteraard kan de gemeenteraad ook kiezen voor een andere vorm van advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een dergelijk geval kan de gemeenteraad als alternatief een onafhankelijke commissie van advies instellen, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten. Op deze wijze kan een onafhankelijk advies verkregen worden; de commissie van advies is immers niet gekoppeld aan een bepaalde school. De samenstelling van een dergelijke commissie zou dan kunnen bestaan uit een arts (specialist), een maatschappelijk werker, een onderwijsgevende en een psycholoog. De eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie van advies zullen dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ook gekozen worden voor advisering door een schoolartsendienst of geneeskundige dienst. Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld ‘veilige route’ -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de (verkeers)politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor deze deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke positie innemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten verbonden aan de adviezen van een schoolartsendienst of geneeskundige dienst, zullen veelal lager zijn dan de kosten verbonden aan een apart ingestelde onafhankelijke commissie. Deze kosten zullen echter ook voor rekening van de gemeente komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze vindt advisering plaats indien het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om: advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor (voortgezet)speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets (artikel 15, tweede lid); advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer in verband met zijn verstandelijke of lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder begeleiding noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze); advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (artikel 18, eerste lid, onder a, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze); advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de woning van de leerling naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de in de verordening aangegeven minimum km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke handicap, die school zonder aangepast vervoer te bereiken (artikel 20 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze); advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken van de (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid, onder c, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze); advisering aan het college indien het college wil afwijken van de bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze hebben de commissies slechts adviserende taken als het ‘gestel’ van de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissies hebben geen adviserende taak indien het betreft: de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of minder (artikel 18, onder b, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze); de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder c, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het college uitbrengt binnen een door het college te stellen termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze commissies zijn een externe adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb . Dit houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 van de Awb zijn gegeven van toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen waarbinnen het advies wordt verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient te worden wie de adviseur is die het advies heeft uitgebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer, en het college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de ouders tevens in aanmerking voor bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider (artikel 17 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze). Uit artikel 17 blijkt: de leerling moet een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school, en de afstand van de woning naar de school voor speciaal onderwijs moet meer dan zes kilometer bedragen; de begeleiding wordt slechts bekostigd indien door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. Hiervan kan onder andere sprake zijn: indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding noodzakelijk maakt; indien de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en dit gezien de leeftijd van de leerling onverantwoord is; indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te gevaarlijke punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende bepaling voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast bij de ouders ligt. Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n) te overleggen. Indien het college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient daarbij het advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere deskundigen te worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze commissie zal een advies moeten geven met betrekking tot de vraag of de leerling, gezien zijn lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap dan wel leeftijd, niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het college aanvullend advies (bijvoorbeeld specialist, pedagoog en psycholoog) noodzakelijk acht, wordt tevens het advies van andere deskundigen gevraagd. Dit kan het geval zijn indien de specifieke handicap van de leerling dat vereist of indien het college tot een ander oordeel komt dan de commissie voor de begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeker in het laatste geval verdient het aanbeveling andere deskundigen om advies te vragen. Dit in verband met de zorgvuldigheid van de besluitvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt. In de regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een ander familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis of een klasse assistent de leerling begeleidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij begeleiding door een klasse assistent dienen wel afspraken gemaakt te worden met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze van toepassing; indien één begeleider meerdere leerlingen tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op artikel 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt de NS hem een legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen die vanwege een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar op de NS-stations.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het legitimatiebewijs is wat het binnenland betreft geldig op onder meer: alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen; alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het streekvervoer; alle metro- en tramlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is door de Vereniging het Nederlandse Blinden- en Slechtziendenwezen (VNBW) een regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider. Als de blinde/slechtziende hiervoor in aanmerking komt, dan wordt hem een geleidekaart verstrekt. Deze is bestemd voor diegenen die vanwege hun visuele handicap niet of niet onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. De geleidekaart kan worden aangevraagd bij de VNBW, Postbus 14094, 3508 SC Utrecht, tel. (030) 254 17 88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken met de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling onder begeleiding van de conducteur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe uitzondering is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast, noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 18 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn deze waarborgen verankerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a De verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap van de leerling vereist aangepast vervoer Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze (versie: 11-01-2007) 45 / 58 Indien de leerling, gelet op zijn verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is, ook niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het college de kosten van het aangepast vervoer. Hiervan kan onder andere sprake zijn indien: een leerling een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen bezoekt en zich in een rolstoel voort moet bewegen; een leerling een ZMOK-school bezoekt en zijn geestelijke toestand aangepast vervoer noodzakelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd wordt, bepaalt het college. Een belangrijk criterium hierbij is: op welke wijze kan het aangepast vervoer zo goedkoop en efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder de bereikbaarheid van de school in gevaar te brengen? In veel gevallen zal het door het college georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ook, uit financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in samenwerking met buurgemeenten een vervoerregeling treffen, zodat leerlingen uit verschillende gemeenten gebruik kunnen maken van het door het college georganiseerde vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route verschillende opstappunten kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij een ernstige lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap van de leerling kan het college besluiten dat de leerling thuis opgehaald wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van centrale opstappunten, kan van de ouders verlangd worden dat zij de leerling, indien nodig, hier naar toe begeleiden. In veel gevallen zal de afstand woning naar het opstappunt klein en veilig te overbruggen zijn (bijvoorbeeld een centraal punt in een wijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de afstand huis naar opstappunt groter is (bijvoorbeeld meer dan twee km), kan overwogen worden een extra opstappunt in te lassen of de leerling thuis op te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 18, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze dient het college indien het de gevraagde voorziening niet of slechts gedeeltelijk toekent het advies te vragen aan de commissie voor de begeleiding. Deze zal dan moeten beoordelen of de leerling, gezien zijn lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan het college het advies van andere deskundigen inwinnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling dat aangepast vervoer wordt verstrekt indien de leerling is aangewezen op openbaar vervoer onder begeleiding en de ouders kunnen aantonen dat het begeleiden van de leerling door hen of door anderen onmogelijk is, dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden, en een andere oplossing niet mogelijk is, is niet meer in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overweging hierbij is dat begeleiding primair een taak van de ouders is. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te schakelen. In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de hardheidsclausule (artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer, indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie voor de begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting op artikel 13 onder ad 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad c Openbaar vervoer ontbreekt Artikel 18, eerste lid, onder c, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze geeft een derde mogelijkheid om aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan het voorkomen dat het openbaar vervoer zo weinig frequent rijdt dat de leerling daarvan geen gebruik kan maken. Echter, voordat het college beslist dat bekostiging van het aangepast vervoer verleend wordt, kan het de mogelijkheden onderzoeken zoals in de toelichting op artikel 13 is uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere deskundigen daarover vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of met behulp van een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet Rea bij het GAK een tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk van een eventueel drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen van de ouders (wat betreft het vervoer naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs).</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke gevallen kan het college zelfs gehouden zijn de (salaris)kosten van een begeleider in aangepast vervoer te bekostigen. Zie de uitspraak van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 8 oktober 1990 (R03.90.3061/Sp. 179) met betrekking tot een leerling die constant op de ondersteuning van een deskundige op het gebied van speciale medische apparatuur was aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vooral bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan het voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren per auto. In artikel 19 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn hiervoor nadere voorschriften gegeven. a Openbaar vervoer Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren tegen een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college noodzakelijk. Deze toestemming is opgenomen in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, omdat het college dient te bekijken of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de goedkoopste is. Is dat het geval, dan kan het college desgewenst toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging die hier dan tegenover staat is afhankelijk van de bekostiging waarop de ouders in principe recht hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan bekostigt het college de kosten van het openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer naar een school voor dove leerlingen. De kosten van een jaarabonnement zijn € 500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming van het college, zelf. De bekostiging is dan € 500,- als ware er sprake van bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer. b Aangepast vervoer Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf of laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een bedrag per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de toelichting op artikel 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 19, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is tevens bepaald dat, indien het college de ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan één leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op basis van een kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien de ouders aanspraak maken op bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de fiets of de bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt op basis van een fietsvergoeding dan wel op basis van een bromfietsvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of andere deskundigen worden ingewonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de bevordering van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding per km fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per kilometer bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de Reisregeling binnenland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging vervoerskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 4, zevende lid, van de WEC is bepaald dat de gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de woning en de school, echter onverminderd het bepaalde dat leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze vervoerd dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn handicap, ook over een afstand van minder dan zes kilometer aangepast vervoer behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 20 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze voorziet in een dergelijke voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is dat in principe voldaan dient te worden aan het gestelde criterium in artikel 15 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze (afstandsgrens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school die dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer technisch de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding en eventueel het advies van andere deskundigen te betrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 21 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepaalt dat het college desgewenst de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in twee belangrijke onderdelen uiteen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer, indien het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1 Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van het weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door het college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde na vader in een andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt nogal eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de week naar huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2 Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat of pleeggezin noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Met andere woorden, er moet dus een directe relatie bestaan tussen het verblijf in een internaat of het pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat het vervoer niet wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn uitspraak van 20 oktober 1988 bepaalt de afdeling Rechtspraak van de Raad van State dat het college terecht geen bekostiging heeft verstrekt in de kosten van weekeinde- en vakantievervoer nu de leerling niet primair voor het volgen van passend speciaal onderwijs in een internaat verblijft (R03.88.3380/S6311).</p>\n<p class=\"lf-p\">Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is geplaatst (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995, nr. R03.92.5415).</p>\n<p class=\"lf-p\">Weekeinde- en vakantievervoer gelden dus slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Met andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt geen weekeinde- of vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of pleeggezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in een internaat of een pleeggezin verblijven – omdat hun ouders een trekkend bestaan leiden - niet voor bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer in aanmerking komen. Immers, sinds 1 augustus 1985 maken de voorschriften voor scholen van leerlingen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden onderdeel uit van de WBO (nu WPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft hier een vijftal categorieën: rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers; ligplaatsscholen voor varende kinderen; scholen voor kinderen van woonwagenbewoners; afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners; scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en circusmedewerkers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze scholen zijn vanaf 1 augustus 1985 aangemerkt als basisscholen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders van leerlingen die in internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze nader is geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepaalt welke bekostiging maximaal wordt verleend, namelijk ten behoeve van: de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de schoolvakanties; de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze vakantie is opgenomen in het schoolplan van de school die de leerling bezoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaald het college van de gemeente waar de ouders wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22, derde lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze geeft aan dat de bepalingen van Titel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze van overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer, met uitzondering van artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste lid, onder b, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 17, tweede lid, en in artikel 18, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is geregeld dat het college indien het de gevraagde voorziening niet honoreert het advies van de commissie voor de begeleiding of eventueel het advies van andere deskundigen moet vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval er sprake is van weekeinde- en vakantievervoer hoeft dit advies niet gevraagd te worden. (Indien het college van oordeel is dat dit wel wenselijk is, kan het college uiteraard wel het advies vragen.) In artikel 18, eerste lid, onder b, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is geregeld dat aangepast vervoer wordt bekostigd als de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug (i.c. van internaat of pleeggezin naar de woning van ouders of terug) meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Indien ook deze bepaling van overeenkomstige toepassing zou worden verklaard, dan zou naar alle waarschijnlijkheid bijna al het weekeinde- en vakantievervoer van leerlingen met aangepast vervoer geschieden. Bovendien kunnen bij weekeinde- en vakantievervoer langere reistijden worden gerechtvaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 20 is geregeld dat bekostiging van het vervoer naar scholen, dichterbij gelegen dan het in artikel 15 aangegeven afstandscriterium van zes kilometer mogelijk is, indien de lichamelijke handicap van de leerling dat vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de afstanden die bij het weekeinde- en vakantievervoer afgelegd moeten worden, kan artikel 20 buiten werking worden gesteld. Immers, indien een dergelijke situatie zich voor zou doen, hoeft het kind niet in een internaat of een pleeggezin te verblijven met het oog op het volgen van passend onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Analoge toepassing van Titel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze betekent dat: bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria van artikel 15 wordt voldaan. het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 17, eerste lid). het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien: de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel 18, eerste lid, onder a); openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college van het (brom)fietsvervoer gebruik kan maken. (Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die overbrugd moeten worden, in principe geen gebruikgemaakt worden) (artikel 18, eerste lid, onder c). geldt vooral voor het weekeinde- en vakantievervoer dat een combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een combinatie trein-taxi, etc. het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer waarop de ouders aanspraak zouden maken (artikel 19).</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene bepalingen van Titel 1 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn uiteraard ook van toepassing, alsmede het bepaalde in de Titel 7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Drempelbedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 februari 1999 is de wetswijziging betreffende de bijdrageregeling in het leerlingenvervoer in werking getreden. Deze wetswijziging heeft tot gevolg dat gemeenten, in plaats van de voorheen geldende verplichte eigen bijdrage, een drempelbedrag bij ouders in rekening kunnen brengen. In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze wordt invulling gegeven aan deze door de wet geboden mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is de kilometergrens voor alle onderwijssoorten op zes kilometer gesteld (artikel 11, eerste lid, en artikel 15, eerste lid). Gemeenten zijn vrij een andere kilometergrens vast te stellen, mits deze niet boven de 6 kilometer uitkomt. In de wet is deze afstand als bovengrens vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te worden bepaald op basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag voor leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal te reizen zones. Voor het kalenderjaar 2012 gaat het bij 1 zone om een bedrag van euro 295,00) (de kosten van een jeugdjaarkaart met 1 ster) en bij twee zones om een bedrag van euro 484,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met 2 sterren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelgroep voor het drempelbedrag was dezelfde als die waarvoor tot dusverre de verplichte eigen bijdrage in rekening werd gebracht: leerlingen die een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en waarvan de ouders een gezamenlijk inkomen van meer dan € 23.850,- (geïndexeerd) hebben. Inmiddels zijn er geen scholen voor speciaal voortgezet onderwijs meer. Wel komt het voor dat leerlingen van voortgezet onderwijs die eerst naar dit type onderwijs gingen op grond van de overgangsregeling genoemd in artikel 31, tweede lid, aanspraak maken op leerlingenvervoer. Op hen is artikel 23 onverkort van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het drempelbedrag kan niet in rekening worden gebracht aan ouders van sbo-leerlingen voor wie de gemeente in het schooljaar 2001-2002 bekostiging van het Gak op basis van de Wet Rea ontving. Dit blijft gelden gedurende de periode dat de leerling dezelfde school bezoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet mag geen drempelbedrag gevraagd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag wordt voor één te vervoeren leerling per gezin in rekening gebracht. Indien een leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt van het leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Het blijft mogelijk om voor elk van de genoemde onderwijssoorten een verschillende kilometergrens te hanteren. Bovendien staat het de gemeente vrij het drempelbedrag wel voor de ene maar niet voor de andere schoolsoorten in te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooral wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het inkomen van de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig grote financiële belasting ontstaan. In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is er voor gekozen om dergelijke uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel in rekening te brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in de verordening te bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer, bijvoorbeeld maximaal twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het mogelijk om de inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de wet genoemde ondergrens van € € 23.850,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier te hanteren, vloeit voort uit jurisprudentie van de afdeling Rechtspraak van de Raad van State over de verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr. R03.87.7147) een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van gemeenten om de ‘hardheidsclausule’ toe te passen op de verplichte eigen bijdrage van ƒ 200,-. De belangrijkste overweging in de uitspraak van de afdeling luidt als volgt: ‘Naar het oordeel van de afdeling biedt noch artikel 24 van de verordening noch artikel 4, dertiende lid, van de Interimwet enig aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en artikel 4, dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is beperkt tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de regeling (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten onrechte gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de verordening af te wijken.’ Deze uitspraak betekent dat de hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze ook toegepast kan worden om in bijzondere omstandigheden de ouders géén of slechts een deel van het drempelbedrag te laten betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd verzamelinkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het peiljaar. Als peiljaar moet op grond van de wet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerkosten wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders kunnen een IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerd verzamelinkomen voorhanden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging wordt gevraagd nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als ‘voorlopig’ uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in het peiljaar bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vervolgens kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval ouders geen aangifte bij de belastinginspecteur hebben gedaan, geschiedt bij toepassing van de bijdragen van artikel 23 en 24 van de modelverordening leerlingenvervoer de berekening van het ouderlijk inkomen aan de hand van het gecorrigeerde belastbaar loon. Dit cijfer is door de ouders op te vragen bij de Belastingdienst via een IB 60-formulier (inkomensverklaring).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2004 (dus ten behoeve van het schooljaar 2006-2007) vastgesteld op € 21.600,- wat betreft het innen van een drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en afgerond op een veelvoud van € 450,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen. Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de regeling, zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering 2000 , als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze om een beleidsbevoegdheid van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorgaand artikel vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het betreffende artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdeling Rechtspraak van de Raad van State (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773) acht het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn zij ook de financiële verplichtingen op zich nemen die uit de eventuele honorering van een aanvraag tot bekostiging van vervoerkosten naar school voortvloeien. In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor het leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de gemeente ook het drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven de inkomensgrens ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel kunnen zij deze kosten wel verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de leerling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de invordering van het drempelbedrag is het navolgende van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2, tweede lid, van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is onder meer bepaald: ‘Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.’ Indien het college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Doen zij dit niet of niet geheel dan vervalt de aanspraak op het vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke stellen en de (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders het drempelbedrag dienen te betalen. Vervolgens kan met inschakeling van een deurwaarder de bijdrage worden geïnd. Aangezien deze procedure nogal omslachtig en duur is kan het, als er sprake is van aangepast vervoer, raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders blijven echter op grond van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">De praktijk leert dat een dergelijke maatregel zeer effectief is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Financiële draagkracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer biedt gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier kinderen een school voor basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten minste twintig kilometer van de woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 1 augustus 1997 bepaalde de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze leerlingenvervoer dat deze bijdrage werd berekend met toepassing van de zogenoemde IPO-norm. Deze norm bracht met zich mee dat voor het schooljaar 1997/1998 van het belastbaar inkomen van ouders respectievelijk een bijdragevrije voet van ruim ƒ 38.000,- en een vast bedrag per kind van ƒ 4.600 in mindering werd gebracht. Van het resterende bedrag werd 1/16e deel als de draagkrachtafhankelijke bijdrage aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling bleek, mede door haar bewerkelijke karakter, in lang niet alle gevallen waarin dat zou hebben gekund, te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten einde de toepasselijkheid van de draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage te vergroten is per 1 augustus 1997 een nieuwe regeling opgenomen in artikel 24 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze, die is geënt op drie uitgangspunten, namelijk: de systematiek is zo eenvoudig mogelijk ten einde de toepasbaarheid te vergemakkelijken; het niveau van de bijdrage blijft voor een individuele ouder in grote lijnen gelijk aan het niveau onder de IPO-norm; de systematiek sluit aan bij die van recente wettelijke regelingen op maatschappelijk terrein, zoals de Wet voorzieningen gehandicapten, de tabel voor de ouderlijke bijdrage bij kinderopvang, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet tegemoetkoming studiekosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 februari 1999 is de wetswijziging betreffende de bijdrageregeling in het leerlingenvervoer in werking getreden. Naast invoering van het drempelbedrag (artikel 23 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze) heeft de wetswijziging gevolgen voor het artikel betreffende de draagkrachtafhankelijke bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats is in de Wet op het primair onderwijs opgenomen dat geen draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening kan worden gebracht indien de afstand tot de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs meer dan 20 kilometer bedraagt. In combinatie met de invulling die op grond van de wet in artikel 3 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze is gegeven aan de toegankelijkheid betekent dit dat het niet meer mogelijk is een draagkrachtafhankelijke bijdrage in rekening te brengen bij de speciale scholen voor basisonderwijs. De speciale school voor basisonderwijs is derhalve niet opgenomen in het eerste en het tweede lid van artikel 24 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, op structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de modelverordening. Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbijdrage hoeven te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede plaats zijn de bedragen in lid 3 van artikel 24 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze aangepast. Dat hangt samen met het feit dat de draagkrachtafhankelijke bijdrage in de systematiek van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze steeds wordt geheven naast het drempelbedrag (en voorheen de verplichte eigen bijdrage). Bij de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde draagkrachtafhankelijke bijdrage is hiermee rekening gehouden. Omdat het drempelbedrag bij een kilometergrens van 6 kilometer hoger is dan de verplichte eigen bijdrage zijn de bedragen in verband met de wetswijziging naar beneden bijgesteld. Door bij de hoogte van de draagkrachtafhankelijke bijdrage rekening te houden met gelijktijdige inning van het drempelbedrag, wordt recht gedaan aan de bedoeling van de wetgever en aan eerdere jurisprudentie, omdat zodoende feitelijke cumulatie van ouderlijke bijdragen wordt vermeden (zie ook de toelichting bij artikel 11 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van de bijdrage naar financiële draagkracht kan op eenzelfde wijze als beschreven in de toelichting op artikel 23 (het drempelbedrag) op grond van artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze ten gunste van de ouders van de peildatum worden afgeweken, zodat die ouders in voorkomende gevallen geen bijdrage naar financiële draagkracht hoeven te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is tevens van toepassing op leerlingen van voortgezet onderwijs die op grond van de overgangsregeling neergelegd in artikel 31, tweede lid aanspraak op leerlingenvervoer hebben. Dit artikel geldt echter niet voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid is het afrondingsbedrag vanuit praktische overwegingen gewijzigd van € 450 in € 500.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor leerlingenvervoer. Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die verbonden is aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs, advies vragen over passend vervoer voor deze leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een leerling geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van de schooldirecteur of andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD arts).</p>\n<p class=\"lf-p\">Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een vervoersvoorziening kregen naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs, leerwegondersteunend onderwijs of een opdc, kunnen op basis van de overgangsregeling (zie artikel 31) aanspraak blijven maken op die voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder titel 6 vallen geldt, dat ze – overeenkomstig artikel 9 – recht hebben op vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband. Dit is geregeld in lid 1 van artikel 25. Bij afwijzing of gedeeltelijke toekenning van een aanvraag leerlingenvervoer voor een leerling van een speciale school voor basisonderwijs dient het college het advies van de permanente commissie leerlingenzorg of andere deskundigen te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een structurele handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen ‘tijdelijke handicap’. Dit betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te verzorgen om tijdelijke medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een gebroken been heeft. Ouders hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In sommige gevallen vergoedt de ziektekostenverzekeraar een gedeelte. Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6. De gemeente geeft dan een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van drie maanden aan, voordat er eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op basis van de Wet Rea. Dit zou een richtlijn kunnen zijn voor de gemeente: tijdelijke handicap tot drie maanden: in ieder geval geen aanspraak op leerlingenvervoer tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis van titel 6.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het openbaar vervoer in de regio ontbreekt, maken geen aanspraak op aangepast vervoer. Ze kunnen immers zelfstandig met het openbaar vervoer reizen. Dat er geen openbaar vervoer aanwezig is, is niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leerlingen die een handicap hebben waardoor ze niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, maken wel aanspraak op aangepast vervoer indien het openbaar vervoer in de regio ontbreekt. Zij zijn dan immers niet in staat om onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen, omdat het niet aanwezig is. De gemeente heeft echter wel de plicht om passend vervoer te verzorgen in zo’n geval, dus aangepast vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is in artikel 26 opgenomen dat indien de leerling op grond van artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met begeleiding, terwijl openbaar vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling aanspraak op aangepast vervoer kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder de toelichting op artikel 25.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide toelichting te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de bekostiging gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze voor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6 betekent dit ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding (artikel 25) ofwel aangepast vervoer (artikel 26).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze zijn de hoofdlijnen van de bekostigingen van het leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen voordoen, waarin de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze niet voorziet. Te denken valt onder andere aan: varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar vervoer); begeleiding tijdens groepsvervoer; gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten; varianten in het gebruik van eigen vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze niet voorziet, is in artikel 25 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepaald dat het college beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij dient in redelijkheid gehandeld te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze gehandeld wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijken van bepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid, van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelleden zijn via een wijzigingsvoorstel tijdens de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer tot stand gekomen (Tweede nota van wijziging, Kamerstuk 18 841, nr. 11).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Tweede nota van wijziging is aan deze artikelen toegevoegd ‘ten gunste van de ouders’. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn indien: een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap - begeleid moet worden; leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken van aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor niet in aanmerking komen; sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college een daarop geënte bekostiging wil betalen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze (versie: 11-01-2007) 56 / 58 sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijs-inhoudelijke dan wel onhoudbare praktische situatie op de dichtst bijgelegen toegankelijke school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer naar een verder gelegen toegankelijke school (afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 28 februari 1992, R03.89.3402/83-107; zie ook Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992, R03.92.3306/P90 en S03.92.2460).</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar jurisprudentie heeft de afdeling Rechtspraak van de Raad van State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven betreffende de toepassing van de hardheidsclausule te weten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41).</p>\n<p class=\"lf-p\">Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag van artikel 23 (Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 2 april 1990 R03.87.7147/58-43).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste - precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking hebbende argumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt in artikel 29 van de verordening leerlingenvervoer gemeente Aa en Hunze bepaald dat het college zo nodig het advies van de commissie van onderzoek, het advies van de RVC en eventueel andere deskundigen vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is uiteraard slechts van toepassing voor zover de aanvragen betrekking hebben op het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 30 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. De Trw maakt dit niet anders. Weliswaar kan over het besluit tot intrekking van een verordening een referendum worden aangevraagd, echter in dit model maakt het besluit tot intrekking deel uit van de verordening tot vaststelling van de verordening leerlingenvervoer, is alleen het besluit tot vaststelling van de verordening referendabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsregeling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking. * bedragen zijn aangepast aan de norm voor het schooljaar 2008-2009.</p></div>", "next": 0}