{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">kan verschillende lokale vogels/reptielen// insecten noemen die hun voedsel op land vinden. weet dat sommige dieren/planten in water leven, en andere niet identificeert lokale dieren/planten die uitsluitend in water bestaan ? weet dat planten/ dieren er anders uitzien bij droge/ natte seizoenen, lokaal en in de rest van de wereld ? noemt uiterlijke veranderingen waarneembaar bij zowel locale als buitenlandse planten /dieren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) kent voorbeelden van huisdieren en cultuur-gewassen, waarvan de leefomstandigheden door mensen worden beheerst weet dat alle organismen(inclusief de mens) veranderingen veroorzaken in hun omgeving, zowel in het voordeel als nadeel. kent de rol van roofdier ten opzichte van hun prooi kan in de school voorkomende planten en dieren de juiste verzorging geven herkent eigenschappen die een roofdier gebruikt voor het jagen op zijn prooi herkent veranderingen in veldsituaties veroorzaakt door organismen weet dat door overdracht van energie (door verbruik van voedsel) essentieel is voor alle levende organsimen. weet dat verandering in het milieu invloed kan hebben op verschillende organismen kan rapporteren door waarnemingen hoe organismen energie-rijk voedsel consumeren weet dat dieren, van de dezelfde soort, andere leefgewoonten kunnen hebben in een ander milieu kan door waarnemingen verschil in gedrag aangeven van lokale organismen KERNDOEL: 6 De leerling kan eenvoudig uitleg geven over wat biologische evolutie betekent en verschillen in levensvormen* De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat sommige plant - /diersoorten die ooit op aarde hebben geleefd, niet meer voorkomen weet dat planten en dieren oud kunnen worden kan uitgestorven levensvormen noemen en herkennen op tekeningen/wandplaat/modellen (Dinosaurus, reuze-varen, mammoet) kan verschillen aanwijzen in jonge en oude planten weet dat voortplanting bij sommige dieren levendbarend gebeurt en bij sommige door het leggen van een ei kan dieren opnoemen die hun jong levend baren en dieren die een ei leggen weet dat er een verschil is tussen organismen die hebben geleefd en nu dood zijn kan een onderscheid maken tussen een levende en dode plant weet dat planten en dieren veel op hun ouders lijken kan overeenkomsten aanwijzen tussen ouder- en nakomeling van plant/dier Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat sommige planten zaden hebben waaruit een nieuwe plant kan ontstaan herkent planten door observering en vergelijken heeft inzicht in eenvoudige systematische indeling van planten en dieren</p>\n<p class=\"lf-p\">kan voorbeeld organismen op verschillende manieren groeperen weet dat voortplanting een kenmerk is van alle levende organismen en hun bestaan wijst kenmerkende overeenkomsten van de ouder aan KERNDOEL: 7. De leerling herkent eigenschappen van natuurlijke stoffen. * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) herkent verschillende voorwerpen die verschillen in stof (papier/textiel) en hun zichtbare eigenschappen kan verschillende soorten stoffen herkennen/ identificeren Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat stoffen in verschillende fasen voorkomen (vloeistof/gas/vaste stof) en kunnen veranderen van fase. kan door middel van eenvoudige experimenten de verandering van stoffen rapporteren kent van dagelijks voorkomende stoffen, eenvoudige natuur- en scheikundige eigenschappen (oplosbaarheid/smelten/koken/magnetisme) weet dat de massa van een stof gelijk blijft in zijn geheel, in delen of andere fase weet dat stoffen uit kleine delen kunnen bestaan die niet gezien worden zonder vergroting kan stoffen op basis van natuur-/scheikundige eigenschappen ordenen en benoemen kan eenvoudige instrumenten gebruiken om de berekening van de massa te bepalen kan microscopisch kleine delen van stoffen identificeren op modellen en wandkaarten KERNDOEL: 8. De leerling kan bronnen en eigenschappen van energie noemen * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat de zon de aarde verlicht/ verwarmt weet dat trillende objecten geluid produceren weet dat warmte op verschillende manieren wordt geproduceerd weet dat electronische spelletjes warmte/licht en geluid produceren weet dat lichtstralen in een rechte lijn lopen totdat ze een voorwerp raken kan met behulp van practische voorbeelden zonverwarming aantonen kan voorbeelden van spelletjes tonen die warmte/ licht en geluid produceren Cyclus 2 (tussendoelen) weet hoe een eenvoudig electrisch circuit tot stand komt (batterij, draad, spelletje) weet dat electronische cirquits warmte als bijverschijnsel produceren(game/toys) weet dat warmte doorgegeven kan worden en dat sommige stoffen beter geleiden weet dat licht wordt beinvloed door reflectie, refractie of absorptie. weet dat de hoogte van geluid afhankelijk is van de frequentie van de geluidsvibratie kan voorbeelden van spelletjes tonen die warmte/ licht en geluid produceren kan dmv voorbeelden laten zien hoe licht tot stand kan komen kan met instrumenten aantonen dat geluid zich verplaatst en in hoogte kan veranderen kan door waarneming rapporteren hoe licht verandert in verschillende omstandigheden</p>\n<p class=\"lf-p\">KERNDOEL: 9. De leerling herkent de verschijnselen ‘kracht’ en ‘beweging’.* De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat magneten gebruikt kunnen worden om objecten te bewegen weet dat begrippen zoals voor, achter en naast gebruikt kunnen worden om relatieve positie te bepalen weet dat een voorwerp op verschillende manieren kan bewegen weet dat objecten op aarde naar beneden vallen tenzij iets hun ondersteunt kan eenvoudige experimenten met magneten tonen kan eenvoudige metingen verrichten om afstanden van een voorwerp tot een bepaald punt te bepalen kan een voorwerp in verschillende dimensies bewegen Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat de aantrekkingskracht van de aarde voorwerpen beinvloed zonder het aan te raken weet dat magneten zowel aantrekkings-/afstoot-kracht hebben tot bepaalde voorwerpen weet dat de beweging van een voorwerp beschreven kan worden door o.a. meting in tijd kent de verklaring van de relatie die vergroting van kracht/massa heeft op de beweging kan mbv eenvoudige proefjes demonstreren dat magneten aantrekkingskracht hebben net zoals de aarde zijn zwaartekracht uitoefent kan eenvoudige plaats/tijd metingen doen om de snelheid van beweging van een voorwerp te bepalen (bv. vliegtijd luchtballon-reis mickeymouse) KERNDOEL: 10. De leerling herkent de basis van technologie * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat sommige voorwerpen door de natuur gemaakt zijn en andere door mensen kan vanuit onderdelen een object in elkaar zetten weet dat gereedschappen gebruikt worden voor het waarnemen, het meten en om iets te maken kan voorbeelden geven van gereedschappen die gebruikt worden voor het waarnemen, het meten en om iets te maken weet dat het volgen van de instructies meestal helpt om iets te maken of om iets beter te laten werken weet dat de mens alleen of in een groep steeds bezig is om nieuwe wegen te vinden om een probleem op te lossen kan voorbeelden geven van uitvindingen om een probleem op te lossen Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat de mens altijd en overal werktuigen heeft uitgevonden en gebruikt kan voorbeelden geven van uitvindingen en werktuigen uit verschillende perioden in de geschiedenis weet dat de technologie wetenschappers en anderen in staat stelt om dingen te zien die in feite te klein of te ver weg zijn om gezien te worden kan voorbeelden geven waaruit blijkt dat de technologie wetenschappers en anderen in staat heeft gesteld om dingen te zien die in feite te klein of te ver weg zijn om gezien te worden</p>\n<p class=\"lf-p\">weet dat meet-instrumenten gebruikt kunnen worden om nauwkeurige informatie te verkrijgen nodig voor het ontwerpen en construeren van voorwerpen die aan de gestelde doelen voldoen kan voorbeelden geven van meet-instrumenten die gebruikt kunnen worden om nauwkeurige informatie te verkrijgen nodig voor het ontwerpen en construeren van voorwerpen die aan de gestelde doelen voldoen Weet dat de technologie het vermogen van de mens om de wereld te veranderen vergroot. Men is in staat om materialen te snijden, vorm te geven aan elkaar te hechten. Men kan voorwerpen verplaatsen KERNDOEL: 11 . De leerling herkent de functie van de technologie. * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt dat iedereen iets kan ontwerpen en dat ontwerpen een creatief proces is kan een simpel ontwerp maken en een eenvoudig idée voor een ontwerp beschrijven kent de basis principes van hoe je iets moet ontwerpen begrijpt het belang van het stellen van vragen om er achter te komen waar het ontwerp aan moet voldoen kan voorbeelden geven van eenvoudige vragen die nodig zijn om te weten waar het ontwerp aan moet voldoen Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt de omschrijving en de eisen van het ontwerp kan een ontwerp maken en een idée voor een ontwerp beschrijven begrijpt het proces van ontwerpen en het belang van de creativiteit en de noodzaak om alle ideeen en modellen te bekijken begrijpt het belang van het stellen van vragen om er achter te komen waar het ontwerp aan moet voldoen. kan voorbeelden geven van eenvoudige vragen die nodig zijn om te weten waar het ontwerp aan moet voldoen .</p>\n<p class=\"lf-p\">KERNDOEL: 12. De leerling herkent de invloed van technologie . * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat het in de wetenschap een goede zaak (en hulp) is om in een team te werken en de bevindingen met anderen te delen kan uitkomsten en bevindingen met anderen delen begrijpt het gebruik, het hergebruik en/of het recyclen van materiaal kan een onderscheid maken tussen eenvoudige voorbeelden van gebruikt, hergebruikt en recycled materiaal weet dat ieder mens behoeften en verlangens heeft met betrekking tot het gebruikmaken van de technologische mogelijkheden kan bepaalde goede en slechte effecten van de technologie op de gemeenschap opnoemen en identificeren Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat de technologie goede en slechte effecten op de gemeenschap heeft en dus ook ongewenste gevolgen kan hebben kan goede en slechte effecten van de technologie op de gemeenschap onderscheiden is bekend met het recyclings proces en het verwerken van afval kan een onderscheid maken tussen gebruikt, hergebruikt en recycled materiaal weet dat de technologie het milieu positief en negatief beinvloedt kan veilig materiaal op speelplaatsen en in de huishouding herkennen weet hoe de behoeften en de wensen van de gemeenschap beinvloed worden door uitbreiding of beperking van technologische ontwikkelingen kent de “impact” van de technologie op het gebied van voedselproductie, kleding en bescherming kan technologie gebaseerd op inbreng van mensen vergelijken met de technologie “geproduceerd” door de natuur KERNDOEL: 13. De leerling kan stappen in eenvoudig onderzoek volgen en uitvoeren. * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat men kan leren van het doen van zorgvuldige observaties en het uitvoeren van eenvoudige experimenten kan aangeven hoe nieuwe informatie verkregen kan worden door goed te kijken hoe anderen hun werk doen weet dat het in de wetenschap belangrijk is om zaken en voorwerpen zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven omdat het de mens in staat stelt om elkaars observaties te vergelijken kan alle zintuigen gebruiken om zaken (voorwerpen) te observeren thuis en binnen de school kan een duidelijke beschrijving geven van voorwerpen waarbij het oog hebben voor detail tot uiting komt kan veranderingen observeren en vastleggen (bijv. nadat het materiaal aangepast is) weet dat correcte, nauwkeurige informatie verkregen kan worden met behulp van een verscheidenheid aan gestandaardiseerde en niet-gestandaardiseerde gereedschappen; met inbegrip van thermometers, linialen, globes, weegschalen en computers</p>\n<p class=\"lf-p\">kan metingen doen waarbij gebruikgemaakt wordt van gestandaardiseerde en niet-gestandaardiseerde gereedschappen en instrumenten kan een verscheidenheid aan standaard gereedschap gebruiken om informatie te verkrijgen. (bijvoorbeeld handen, voeten, voorwerpen in het klaslokaal) kan het resultaat van eenvoudige observaties doorgeven De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) heeft enige basiskennis hoe gebruik te maken van wetenschappelijke onderzoekmethoden is in staat een overzicht bij te houden over de observaties, bepaalde patronen in de observaties te herkennen en bevindingen te totaliseren weet hoe belangrijk het is om te letten op de veiligheid gedurende het onderzoek en tijdens de zorg voor levende organismen kan een onderzoek opzetten en uitvoeren om vraagstellingen te kunnen beantwoorden. kan veiligheidsregels en procedures monitoren voor thuis en voor op school weet wat geschikte bewijzen oplevert kan gegevens die een discussie ondersteunen evalueren weet dat wetenschappelijk onderzoek het stellen en beantwoorden van vragen inhoudt en dat de uitkomsten vergeleken moeten worden met de gegevens die de wetenschap al heeft kan een verscheidenheid aan meet-gereedschap gebruiken, waarbij het accent ligt op het gebruik van het juiste gereedschap KERNDOEL: 14 . De leerling herkent de functie van onderzoek. * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat wetenschappelijk onderzoek over het algemeen overal op dezelfde wijze gebeurt en normaliter resultaten oplevert die vaker gebruikt kunnen worden kan verschillende kenmerken en onderdelen in voorwerpen herkennen en onderscheiden kan objecten sorteren op een bepaald kenmerk kan observaties in eigen woorden weergeven kan de stappen in een eenvoudig onderzoek aangeven Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat de algemene gegevens verkregen uit een onderzoek door anderen gebruikt moeten kunnen worden weet dat wetenschappelijke verklaringen gebaseerd moeten zijn op bewijzen (observaties) en wetenschappelijke kennis weet dat wetenschappers resultaten van anderen bestuderen en vragen over het werk van anderen stellen kent de wijze waarop de wetenschap zich onderscheidt van andere kennis en van andere informatiebronnen. (logische argumenten) kan eigen onderzoek onder woorden brengen kan gebruik maken van “als-dan” formulering KERNDOEL: 15. De leerling kan eenvoudige onderzoeksresultaten toepassen. * De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat eenvoudige problemen met een goed ontwerp opgelost kunnen worden</p>\n<p class=\"lf-p\">weet hoe informatie verkregen wordt kan een eenvoudig object bouwen kan nagaan hoe een eenvoudig object gemaakt is weet dat er verschillende manieren zijn om voorwerpen op te bergen zodat zij later gemakkelijk teruggevonden kunnen worden (letters en nummers kunnen gebruikt worden om objecten in een bruikbare volgorde te plaatsen) kan alledaagse symbolen herkennen en toepassen weet dat informatie op verschillende manieren verzonden en ontvangen kan worden Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat instrumenten, zoals thermometers, X-ray apparaten, informatie kunnen verschaffen over hetgeen in het lichaam gebeurt en dat de technologie het mogelijk maakt om lichaamsdelen te behandelen en soms delen van het lichaam te vervangen weet dat computers geprogrammeerd kunnen worden om informatie op te slaan, op te vragen en te verwerken en dat men verschillende informatie-bronnen kan gebruiken kan de computer gebruiken om toegang te hebben tot informatie en om informatie te ordenen weet dat communicatie het mogelijk maakt om informatie snel en betrouwbaar over grote afstanden te versturen en te ontvangen kan communicatie-apparatuur gebruiken (o.m. digitale instrumenten: cell-telefoons en autoalarm-sleutels) Overzicht Kerndoelen Rekenen en WiskundeKerndoel 1VAARDIGHEDEN De leerling heeft basisvaardigheden ontwikkeld en begrijpt eenvoudige wiskundige taal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerndoel 2CIJFEREN De leerling kan de hoofdbewerkingen ( +, -, :, x ) volgens standaardprocedures of varianten daarvan uitvoeren en deze toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerndoel 3De leerling kan verhoudingen, breuken, kommagetallen en procenten berekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerndoel 4METEN De leerling begrijpt het proces van meten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerndoel 5MEETKUNDE De leerling heeft inzicht in eenvoudige bij zijn leeftijd passende noties en begrippen, waarmee hij ruimte meetkundig kan ordenen, beschrijven en beredeneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 1: VAARDIGHEDEN De leerling heeft basisvaardigheden ontwikkeld en begrijpt eenvoudige wiskundige taal De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet hoe hij de getallen 0 t/m 100 moet herkennen, benoemen, ordenen, tellen, vergelijken en schrijven kan de getallen 0 t/m 100 herkennen, benoemen, ordenen, tellen, vergelijken en schrijven weet hoe hij getallen onder de 100 moet optellen en aftrekken kan getallen onder de 100 optellen en aftrekken kent de optel- en aftreksommen t/m 20 kan de optel- en aftreksommen t/m 20 uit het hoofd maken kent de tafels 1,2,3,4,5 en 10 kan de tafels 1,2,3,4,5 en 10 uit het hoofd reproduceren kent de structuur van de getallen onder de 100 en weet het positiesysteem inzichtelijk te hanteren weet hoe hij moet schattend rekenen tot 100 kan schattend rekenen tot 100 Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 1: VAARDIGHEDEN De leerling heeft basisvaardigheden ontwikkeld en begrijpt eenvoudige wiskundige taal De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) weet hoe hij getallen moet herkennen, benoemen, ordenen, tellen, terugtellen, vergelijken en schrijven kan getallen herkennen, benoemen, ordenen, tellen, terugtellen, vergelijken en schrijven kent de tafels van vermenigvuldiging tot en met de tafel van 12 uit het hoofd alsmede de deeltafels die daarvan zijn afgeleid kan de tafels van vermenigvuldiging tot en met de tafel van 12 uit het hoofd reproduceren kent de structuur van de gehele getallen en weet het positiesysteem inzichtelijk te hanteren kan de structuur van de gehele getallen en het positiesysteem inzichtelijk hanteren weet hoe eenvoudige hoofdrekenopgaven vaardig uit te rekenen en weet daarbij hoe verschillende bewerkingen inzichtelijk toe te passen kan eenvoudige hoofdrekenopgaven vaardig uit- rekenen waarbij verschillende bewerkingen inzichtelijk worden toegepast weet hoe hij moet schattend rekenen in alle domeinen kan schattend rekenen in alle domeinen weet de rekenmachine doelmatig en met inzicht te gebruiken kan de rekenmachine passend en met inzicht gebruiken weet hoe hij een eenvoudige, niet in wiskundige taal aangeboden probleemstelling, in wiskundige termen moet omzetten kan eenvoudige alledaagse problemen in wiskundige termen omzetten kan eenvoudige verbanden, regels, patronen en structuren opsporen kan oplossingsstrategieën toepassen Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 2: CIJFEREN De leerling kan de hoofdbewerkingen ( + , - , : , x ) volgens standaard-</p>\n<p class=\"lf-p\">procedures of varianten daarvan uitvoeren en deze toepassen De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) niet van toepassing Cyclus 2 (tussendoelen) kent de hoofdbewerkingen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met natuurlijke en decimale getallen volgens standaardprocedures of varianten daarvan. kan de hoofdbewerkingen in eenvoudige en samengestelde situaties toepassen. kent de regels voor het gebruik van de hoofdbewerkingen. kan de regels voor het gebruik van de hoofdbewerkingen met inzicht uitvoeren. weet standaardprocedures voor optellen en aftrekken en daarvan afgeleide procedures voor vermenigvuldigen en delen in praktische situaties te gebruiken. gebruikt standaardprocedures voor optellen en aftrekken en daarvan afgeleide procedures voor vermenigvuldigen en delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 3: De leerling heeft inzicht in verhoudingen, breuken, kommagetallen en procenten De leerling (Kennis) De leerling (Uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt dat delen een geheel kunnen vormen kan in eenvoudige situaties delen onderscheiden en uit delen een geheel samenstellen; hierbij wordt gebruikgemaakt van: observeren vergelijken mozaïeken puzzels vouwen knippen plakken Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 3: De leerling heeft inzicht in verhoudingen, breuken, kommagetallen en procenten De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt “verhoudingen” en weet hoe verhoudingsproblemen in eenvoudige situaties oplossen kan in alledaagse situaties verhoudingen observeren en vergelijken en kan ze omzetten in getallen. kent het begrip “procent” en weet hoe in praktische situaties procentberekeningen uit te voeren. kan problemen met percentages (in verband met groei, afname, deel van etc.) oplossen. kan procentsommen die gerelateerd zijn aan breuken en verhoudingen oplossen. weet hoe op verschillende manieren betekenis te geven aan een breuk en een kommagetal en weet hoe deze in verschillende situaties te gebruiken. kan berekeningen maken met breuken aangeboden als: deel van het geheel een getal (op de getallenlijn). een deling een verhouding kan sommen maken met kommagetallen als een getal op de getallenlijn waarbij de cijfers achter de komma betekenis krijgen waarbij breuken omgezet worden in kommagetallen (en omgekeerd). in optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen (eventueel met behulp van modellen, schema’s en kaarten) in relatie met geld (ook vreemd geld).</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling begrijpt het verband tussen de begrippen: verhoudingen, breuken, decimale breuken en procenten De leerling kan gewone breuken en percentages omzetten in kommagetallen. (eventueel met behulp van de rekenmachine en verhoudingstabellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 4: METEN De leerling begrijpt het proces van meten De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) heeft inzicht in alledaagse situaties en de factor tijd kent het concept “kwartier” weet hoe de kalender te gebruiken. kan klokkijken tot het kwartier kan de kalender lezen beheerst de begrippen lengte en gewicht kan tekenen en meten met een liniaal kan verschillende lengten vergelijken kan verschillende gewichten vergelijken weet hoe hij geld moet tellen in simpele situaties kan in een eenvoudige situatie met geld rekenen Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 4: METEN De leerling begrijpt het proces van meten De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) weet hoe hij moet klokkijken en hoe tijdsinter- vallen te berekenen, ook met behulp van de kalender kan klokkijken en kan met behulp van de klok en de kalender tijdsintervallen berekenen. heeft kennis van de gangbare maten van lengte, oppervlakte, inhoud, tijd, snelheid, gewicht en temperatuur kan de gangbare maten van lengte, oppervlakte, inhoud, tijd, snelheid, gewicht en temperatuur uitrekenen / schatten en kan deze maten in eenvoudige situaties toepassen weet hoe eenvoudige tabellen en grafieken gelezen moeten worden weet hoe informatie verzameld, georgani- seerd en in tabellen en grafieken verwerkt moet worden kan eenvoudige tabellen en grafieken lezen kan informatie verzamelen en ordenen om in tabellen en grafieken te verwerken weet hoe hij met geld moet rekenen en kent het gebruik van de meest gangbare vreemde valuta kan met Antilliaans geld rekenen en kan vreemd geld herkennen weet welke meetinstrumenten hij in gegeven situaties moet gebruiken kan meten met verschillende meetinstrumenten (standaard en non-standaard) (linialen, maatbekers, weegschalen, thermometers etc).</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 5: MEETKUNDE De leerling heeft inzicht in eenvoudige bij zijn leeftijd passende noties en begrippen, waarmee hij ruimte meetkundig kan ordenen, beschrijven en beredeneren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt de eigenschappen, overeenkomsten en verschillen van simpele meetkundige figuren kan werken met: mozaïeken kijkdozen blokken foto’s tekeningen begrijpt de algemeen gebruikte ruimtelijke taal; bijvoorbeeld: binnen buiten onder boven achter, etc kan ruimtelijke begrippen gebruiken: binnen buiten onder boven achter, etc Educatiegebied: Rekenen en Wiskunde Kerndoel 5: MEETKUNDE De leerling heeft inzicht in eenvoudige bij zijn leeftijd passende noties en begrippen , waarmee hij ruimte meetkundig kan ordenen, beschrijven en beredeneren De leerling / (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 2 (tussendoelen) beschikt over een begrippenkader om de ruimte meetkundig te begrijpen en te ordenen begrijpt de begrippen: plaats, lijn, richting, hoek, afstand, evenwijdigheid, plattegrond, kan werken met: mozaïeken plattegronden kijkdozen kaarten blokken tekeningen foto’s weet ruimtelijk te redeneren en weet hoe eenvoudige problemen op te lossen met behulp van tekeningen, foto’s, bouwsels, kaarten en gegevens over plaats, richting, afstand en schaal kan kijkdozen en eenvoudige bouw- platen maken. kan zich (mentaal) ruimtelijk verplaatsen m.b.v.: waarnemen zich mentaal verplaatsen in kaart brengen vormen van een mentaal beeld weet schaduwbeelden te verklaren, te voorspellen, te ontwerpen en te herkennen kan werken met schaduwmodellen maquettes spiegelen plattegronden roosters begrijpt en ontwerpt bouwplaten van eenvoudige objecten kan werken met schaduwbeelden maquettes spiegelen plattegronden bouwplaten Overzicht Kerndoelen Sociaal Emotionele VormingKerndoel 1: De leerling is toegerust en bezit het vermogen om in groepsverband te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerndoel 2: De leerling weet zich mentaal, emotioneel en lichamelijk te handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerndoel 3: De leerling kent en begrijpt voorwaarden om binnen een proces te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerndoel 4: De leerling begrijpt principes van logisch denken en redeneren en past ze toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Sociale Emotionele Vorming Domein 1: Sociale Vaardigheden Kerndoel 1: De leerling is toegerust en bezit het vermogen om in groepsverband te werken De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) kent handelingen die betrokkenheid, zorg en respect uitdrukken naar zichzelf en anderen (Inclusief degenen met een handicap) gebruikt vaardigheden in communicatie (luisteren, op zijn/haar beurt wachten, ervaringen delen) weet dat hij/zij deel vormt van een gezin en een groep weet het verschil tussen positieve en negatieve relaties weet dat hij verantwoordelijk is voor zijn directe omgeving kent het verschil tussen agressieve en niet agressieve communicatie begrijpt dat mensen zich verschillend gedragen weet waartoe mensen in staat zijn en niet begrijpt dat mensen verschillende ideeën hebben gebruikt technieken van luisteren en op zijn/haar beurt wachten gebruikt de juiste taal in de juiste situatie, bij de verschillende individuen rekening houdend met het te bereiken doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 2 (tussendoelen) kent handelingen die betrokkenheid, zorg en respect uitdrukken naar zichzelf en anderen (inclusief degenen met een handicap) houdt rekening met anderen en met hun gevoelens weet dat mensen verschillende perspectieven hebben begrijpt hoe men reageert op het gedrag van een ander weet dat hij/zij deel is van een gemeenschap kent passende manieren om een relatie aan te gaan en te onderhouden met leeftijdsgenoten, ouders en andere volwassenen (bv. interpersoonlijke communicatie) kent mogelijkheden om met conflicten om te gaan op een geweldloze wijze gebruikt strategieën om een relatie aan te gaan en te behouden. kan omgaan met conflicten op een geweldloze manier weet dat er verschillen zijn tussen mensen die gebaseerd zijn op godsdienst, cultuur, geslacht, handicap en etniciteit accepteert anderen met hun verschillen weet dat alle mensen rechten hebben begrijpt de verschillende instrumenten van mensenrechten Educatiegebied: Sociale Emotionele Vorming Domein 2: Sociale Redzaamheid Kerndoel 2: De leerling weet zich mentaal, emotioneel en lichamelijk te handhaven De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) begrijpt dat hij/zij verantwoordelijk is voor zijn/haar gedrag weet dat zijn daden gevolgen hebben en dat mensen invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving door hun daden weet dat positieve daden leiden tot positieve gevolgen weet dat hij niet onmiddellijk aan alle impulsen kan toegeven begrijpt dat hij op basis van beslissingen zijn doelen kan realiseren weet dat stemmingen en intense gevoelens gedachten en gedrag kunnen beïnvloeden en hoe deze met succes kunnen worden gehanteerd. kan planmatig handelen toont zelfcontrole Cyclus 2 (tussendoelen) kent karakteristieken en condities die geassocieerd zijn met positieve eigenwaarde. begrijpt dat hij/zij op basis van beslissingen zijn/haar doelen kan realiseren weet plannen te maken voor eenvoudige projecten kan planmatig handelen begrijpt dat een goede beslissing leidt tot succes en zelfverzekerdheid (positieve eigenwaarde) weet plannen te maken voor eenvoudige projecten Begrijpt dat zijn daden gevolgen hebben en dat mensen invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving door hun daden Educatiegebied: Sociale Emotionele Vorming Domein 3: Werkhouding Kerndoel 3: De leerling kent en begrijpt voorwaarden om binnen een proces te functioneren De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet dat regels belangrijk zijn houdt zich aan de regels weet dat er verschillende soorten werk zijn en verschillende beroepen</p>\n<p class=\"lf-p\">kan werk van verschillende niveaus onderscheiden, zoals: lichamelijk werk, kantoorwerk en wetenschappelijk onderzoek weet dat hij/zij elk soort werk op elk niveau op zijn waarde moet schatten begrijpt dat je de beste resultaten krijgt wanneer je je volledig inzet toont doorzettingsvermogen in zijn werkhouding weet dat een dag uit vele uren bestaat begrijpt wat tijd betekent begrijpt strategieën om problemen op te lossen begrijpt dat hij/zij verantwoordelijk is voor zijn/haar daden past de stappen van oplossingsstrategieën toe gebruikt alternatieve oplossingen voor problemen experimenteert met verschillende materialen, gedrag en situaties kan in verschillende groepen een leidende rol vervullen Cyclus 2 (tussendoelen) weet dat regels belangrijk zijn begrijpt de waarde van werk op alle niveaus houdt zich aan de regels streeft ernaar om op het hoogste niveau te presteren kan werk van verschillende niveaus onderscheiden, zoals: lichamelijk werk, kantoorwerk en wetenschappelijk onderzoek weet hoe goede luistervaardigheid ingezet kan worden om een goede relatie te vormen en te behouden begrijpt principes van betrouwbaarheid en werk ethiek weet zijn/haar tijd goed te gebruiken past een goed gebruik van de tijd toe door prioriteiten te stellen en gebruik te maken van procedures Educatiegebied: Sociale Emotionele Vorming Domein 4: Kritisch denken en meningsvorming Kerndoel 4: De leerling begrijpt principes van logisch denken en redeneren en past ze toe De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) weet hoe een persoonlijke mening te vormen kan een persoonlijke mening naar voren brengen begrijpt het verschil tussen fantasie en realiteit kan fantasie en realiteit van elkaar onderscheiden weet wat de begrippen “overeenkomst” en “verschil” inhouden kan overeenkomsten en verschillen aantonen weet wat oorzaak en gevolg inhouden kan oorzaak en gevolg aangeven weet hoe oorzaak en gevolg toe te passen in oplossingen van problemen weet hoe een veronderstelling te gebruiken in eenvoudige onderzoeken weet hoe een veronderstelling te testen Cyclus 2 (tussendoelen) begrijpt het verschil tussen fantasie en realiteit in situaties van elke dag kan fantasie en werkelijkheid van elkaar onderscheiden begrijpt het verschil tussen feiten en verbeelding kan feiten en verbeelding van elkaar onderscheiden begrijpt de begrippen “overeenkomst” en “verschil” weet wat de begrippen “oorzaak” en “gevolg” inhouden weet hoe onderscheid te maken tussen overeenkomsten en verschillen Concept Kerndoelen Taal, Geletterdheid en Communicatie MoedertaalDe kerndoelen Taal en communicatie Moedertaal zijn verdeeld over zeven domeinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TaalattitudeDe leerling heeft een positieve houding ten aanzien van zijn moedertaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling heeft een positieve houding ten aanzien van mensen die een andere taal spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mondelinge taalvaardigheidDe leerling kan luister- en spreekstrategieën met verschillende doelen inzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">LeesvaardigheidDe leerling kan algemene vaardigheden en strategieën van het leesproces aanwenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling kan uiteenlopende leesvaardigheden en -strategieën aanwenden om fictionele teksten te lezen en te interpreteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling kan uiteenlopende leesvaardigheden en -strategieën aanwenden om informatieve teksten te lezen en te interpreteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">SchrijfvaardigheidDe leerling kan algemene vaardigheden en strategieën van het schrijfproces aanwenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling kan grammaticale en spellingconventies in teksten toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling kan informatie verzamelen en gebruiken voor onderzoeksdoeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">KijkvaardigheidDe leerling kan kijkvaardigheden en –strategieën aanwenden om informatie uit (audio)visuele media te achterhalen en te interpreteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">MassamediaDe leerling kent de karakteristieken van uiteenlopende vormen van massamedia.</p>\n<p class=\"lf-p\">TaalbeschouwingDe leerling heeft inzicht in het verschijnsel taal en in de manier waarop communicatie in verschillende situaties zich af kan spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling beheerst een aantal regels met betrekking tot taalverschijnselen en kan begrippen hanteren die hem in staat stellen over taal te denken en te praten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: Attitude Kerndoel 1. De leerling heeft een positieve houding ten aanzien van zijn moedertaal De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling: kan met plezier verschillende vormen van zijn moedertaal hanteren weet dat er varianten van zijn moedertaal bestaan en dat hij respect hiervoor moet tonen accepteert varianten van andere taalgebruikers met betrekking tot uitspraak, zinswendingen enz. kent en waardeert verschillende vormen van creatief taalgebruik waardeert culturele expressies en heeft plezier in het lezen van fictie Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: Attitude Kerndoel 2. De leerling heeft een positieve houding ten aanzien van mensen die een andere taal spreken De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling: communiceert zowel mondeling als schriftelijk met anderstaligen vertoont geen negatief gedrag, bijvoorbeeld uitlachen, imiteren heeft een positieve houding ten aanzien van het leren van vreemde talen kan met voorbeelden aangeven wat de voordelen zijn van het kunnen hanteren van verschillende talen Educatiegebied Taal, Geletterdheid en Communicatie: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 3. De leerling kan luister- en spreekstrategieën inzetten met verschillende doelen De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 is op de hoogte van de juiste spreek- en luisterdiscipline en kent de regels van de conversatie wacht op zijn beurt steekt de hand of vinger omhoog vóór het spreken richt de aandacht op de spreker blijft bij het onderwerp respecteert de mening van een ander reageert op medeleerlingen kan deelnemen aan een groepsgesprek: voert samen een gesprek in de kring onder leiding van de leerkracht neemt deel aan een kringgesprek onder leiding van een medeleerling begrijpt de inhoud van wat er tegen hem gezegd wordt reageert adequaat op verbale uitingen weet met het oog op gesprekspartners, publiek of situatie het spreken te variëren in stemvolume, tempo, intonatie en gebaren. kan stemvormen en andere vormen van variatie toepassen bij het spreken in een kleine groep weet hoe vragen te stellen aan de leerkracht en medeleerling stelt vragen om verduidelijking en verheldering; stelt vragen om de reactie en het commentaar van anderen te achterhalen beheerst een voor het spreken en luisteren vastgesteld corpus van woorden dat op zijn ontwikkeling is afgestemd gebruikt woorden die een hoeveelheid of graad aangeven gebruikt beschrijvende woorden voor personen, plaatsen, dingen, gebeurtenissen, dieren, vormen, kleur, grootte, handelingen gebruikt synoniemen, antoniemen, homoniemen en eenvoudige stijlfiguren kent eenvoudige technieken om teksten voor te dragen kan verhalen, gedichten en versjes voordragen kent technieken om fictie te verwerken, te presenteren en te reageren op presentaties kan gebeurtenissen in de juiste chronologische volgorde plaatsen beschrijft verhaalfiguren, plot en ruimte. koppelt informatie uit een verhaal of andere tekst aan de persoonlijke situatie kan commentaar geven op presentaties van medeleerlingen geeft feedback weet dat hij via verschillende media naar verhalende teksten kan luisteren kijkt en luistert naar verhalen in voorleesboeken, op luistercasettes, video-opnames, tv-programma’s, computerprogramma’s kent het verschil tussen free talk (thuistaal) en controled talk (schooltaal) gebruikt schooltaal op zijn niveau receptief en productief Cyclus 2 weet hoe taal te gebruiken in reële taalgebruikssituaties geeft antwoord op vragen; volgt aanwijzingen en instructies op participeert actief in de les en in een groepsgesprek: geeft ervaringen, mening, waardering, afkeuring, op persoonlijke wijze weer legt iets uit; geeft persoonlijke ideëen en eigen kennis over een onderwerp weer neemt initiatief voor een gesprek koppelt eigen ideëen en ervaringen aan die van anderen. geeft feedback geeft uitleg</p>\n<p class=\"lf-p\">geeft argumenten om eigen ideeën en meningen te onderbouwen kent de regels om leiding te geven aan een gesprek leidt een groepsgesprek, kringgesprek en discussie opent en rondt het gesprek af bewaakt de tijd en gespreksregels kent de correcte luisterhouding luistert met aandacht valt de spreker niet in de rede kijkt de spreker aan stelt vragen, vat samen of parafraseert om het begrijpen te bevestigen kent de strategieën om bij het spreken de kerngedachte duidelijk over te brengen uit gedachten in een logische samenhang kan bij het spreken een gepast vocabulaire op zijn niveau hanteren gebruikt specifieke woorden die een hoeveelheid of graad aangeven, beschrijvende woorden voor personen, plaatsen, gebeurtenissen, dieren, vormen, kleur, grootte, handelingen; gebruikt synoniemen, antoniemen, homoniemen en eenvoudige stijlfiguren kent de regels van een eenvoudige presentatie voor de grote groep houdt met betrekking tot het onderwerp rekening met het publiek brengt samenhang aan verwerkt visuele middelen gebruikt verschillende informatiebronnen kent verschillende non-verbale communicatieve vaardigheden. gebruikt oogcontact, gebaren, gezichtsexpressie, lichaamshouding weet hoe een voordracht op te bouwen maakt gebruik van aantekenigen en gebruikt andere geheugensteuntjes zorgt voor een inleiding gebruikt indelingsprincipes zoals de chronologische, oorzaak-gevolg, overeenkomsten en verschillen, probleemstelling of vraagstelling gekoppeld aan de oplossing en het antwoord gebruikt details, voorbeelden en anekdotes om informatie te verduidelijken zorgt voor een afsluiting weet dat je op verschillende manieren kunt luisteren kan op basis van het luisterdoel de juiste luistermanier kiezen: selectief, globaal of intensief kent de strategieën “ luisteren met een specifiek doel” luistert naar consistentie van de plot van een verhaal of gegevens over een verhaalfiguur; luistert naar specifieke informatie op radio en tv luistert naar een luisteropdracht in de klas, naar uitleg van de leerkracht of van de medeleerling begrijpt de hoofdgedachte en belangrijke details in gesproken teksten luistert naar presentaties door medeleerlingen of gastsprekers; luistert naar radioverslagen begrijpt persuasieve boodschappen luistert naar reclameboodschappen op radio en televisie luistert naar opdrachten en verzoeken kan omgaan met “peerpressie” weet dat er non-verbale aanwijzingen zijn interpreteert non-verbale aanwijzingen zoals een stopteken, een teken tot aansporing, enthousiasme begrijpt en gebruikt taal in reële taalgebruikssituaties</p>\n<p class=\"lf-p\">kan het gepaste register hanteren: om iets te kopen in een winkel voor een verzoek aan ouders om te discussiëren met leeftijdgenoten Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: leesvaardigheid Kerndoel 4. De leerling kan algemene vaardigheden en strategieën van het leesproces aanwenden De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 weet dat geschreven en gedrukt materiaal betekenissen overbrengen verbindt betekenissen aan letters en woorden weet dat geschreven en gedrukt materiaal communicatie mogelijk maken vertelt welke boodschap symbolen, pictogrammen, letters en overige symbolen overbrengen herkent verhaaldelen zoals plot, verhaalfiguren etc. begrijpt hoe gedrukt materiaal gestructureerd is en gelezen wordt geeft voor- en achterkant, titelpagina, inhoudsopgave, schrijver en illustrator aan leest in de juiste leesrichting: van links naar rechts en van boven naar beneden kan de functie van hoofdletters en interpunctie uitleggen weet dat structuuraanduiders belangrijke informatiedragers zijn gebruikt aanduiders ter ondersteuning van het tekstbegrip en om voorspellingen te doen met betrekking tot de inhoud zoals: titel, omslag, koppen, alinea’s, illustraties, weet dat informatie gehaald kan worden uit verhaalelementen gebruikt de verhaalstructuur, handelingen, gebeurtenissen, het gedrag van verhaalfiguren ter ondersteuning van het tekstbegrip kent uiteenlopende woordidentificatie-technieken om onbekende woorden te decoderen past woordidentificatietechnieken toe gebruikt compenserende en zelfcorrigerende strategieën herkent valkuilen zoals het onderwerp aan het eind van de zin stelt zichzelf vragen tijdens het lezen herleest een woord, zinsgedeelte of zin vraagt om hulp weet hoe een beeldwoordenboeken te hanteren om betekenissen van woorden te achterhalen kan onbekende woorden in een beeldwoordenboek opzoeken kent op de ontwikkelingsfase afgestemde beeldwoorden/pictogramman en vocabulaire herkent woorden voor personen, plaatsen, dingen, handelingen, en andere hoogfrequente woorden kent de regels om eenvoudige verhalen, verzen en tekstfragmenten hardop, vloeiend en met expressie te lezen let op intonatie, ritme, tempo , accenten en stem Cyclus 2 weet dat vormaspecten belangrijk zijn haalt informatie uit de buitenkant en vorm van het document zoals : het materiaal, de illustraties, het tekstformat, de flap kent de verschillende leesdoelen kan op basis van het leesdoel de juiste leesmanier bepalen leest om informatie te krijgen, om zich te vermaken, om instructie te krijgen kent de strategie “voorspellingen doen met betrekking tot de inhoud van teksten” maakt eenvoudige voorspellingen, bevestigt deze of stelt ze bij: gebruikt daarbij voorkennis; tekstgegevens, titels, illustraties, kernwoorden en –zinnen en vooruitverwijzingen weet dat tijdens het lezen eigen leesstrategieën gecontroleerd moeten worden stelt strategieën indien nodig bij</p>\n<p class=\"lf-p\">stelt zich vragen tijdens het lezen onderkent moeilijke passages vraagt om hulp kent verschillende woordidentificatietechnieken kan woordidentificatietechnieken toepassen gebaseerd op structurele, syntactische en semantische aspecten om onbekende woorden te identificeren kent de strategie om de betekenis van onbekende woorden te achterhalen met behulp van de context gebruikt voorkennis, leest vooruit; gebruikt bekende woorden in de context om de betekenis van woorden af te leiden weet dat informatiebronnen gebruikt kunnen worden om betekenis, uitspraak en afleidingen van woorden te achterhalen gebruikt, woordenboeken, computer, encyclopedieën woordenlijsten kent een scala van specifieke inhoudswoorden begrijpt synoniemen, antoniemen, homoniemen, meer betekenis woorden begrijpt het figuurlijk gebruik van woorden kent technieken om een tekst boeiend voor te lezen leest in gelijkmatig tempo leest met verschillende stemmen leest met melodisch en dynamisch accent leest goed gearticuleerd en op natuurlijke wijze kent persoonlijke criteria om teksten te selecteren kan zijn keuze verantwoorden op basis van: zijn persoonlijke belangstelling zijn kennis van schrijver en genre de moeilijkheidsgraad van de tekst studiedoeleinden; aanbeveling van anderen Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: leesvaardigheid Kerndoel 5. De leerling kan uiteenlopende leesvaardigheden en –strategieën aanwenden om fictionele teksten te lezen en te interpreteren De leerling :</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 kent leesstrategieën om verschillende genres en teksten te begrijpen past strategieën toe bij het lezen van sprookjes, volksverhalen, mythen, gedichten, fabels, verhalen, historische verhalen, biografieën, kinderboeken, dialogen begrijpt belangrijke tekstelementen van fictie kan het thema aangeven kan de hoofdgedachte weergeven kan de hoofdfiguren, belangrijke gebeurtenissen, de chronologie, . ruimte/plaats aanduiden begrijpt de in de tekst expliciet vermelde feiten kan gebeurtenissen in chronologische volgorde navertellen en deze zien als een samenhangend geheel weet uit details de samenhang in teksten af te leiden kan de tijdsorde van gebeurtenissen aangeven ook als die niet expliciet in de tekst genoemd staat kan gebeurtenissen en de afloop voorspellen weet dat fictie naar de werkelijkheid verwijst / een verzonnen werkelijkheid is koppelt nieuwe informatie aan voorkennis en ervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbindt gebeurtenissen, verhaalfiguren, thema’s met eigen ervaring of werkelijkheid Cyclus 2 kent leesstrategieën en –vaardigheden om uit een gevarieerde scala van fictionele teksten informatie te achterhalen en te verwerken kan de moraal weergeven van tekstsoorten als: sprookjes, volksverhalen, historische verhalen, legendes, fabels, mythen weet verhaallijnen te ordenen kan de inhoud van de tekst in eigen woorden kort weergeven heeft inzicht in aspecten van karakterontwikkeling in literaire teksten kan het verschil tussen hoofd- en bijfiguren aangeven. weet dat thema’s genre-overstijgend zijn kan verhaalelementen (gebeurtenissen, motieven) uit verschillende teksten combineren met eigen voorkennis heeft inzicht in het taalgebruik in fictionele teksten kan voorbeelden geven van stijlfiguren en idiomatisch taalgebruik: personificatie, alliteratie, metafoor, vergelijking, hyperbool weet dat er een relatie bestaat tussen verhaalfiguren en gebeurtenissen met eigen leven of dat van anderen kan een gemotiveerde (emotionele) reactie op de tekst geven kent de traditionele literatuur uit eigen land geeft voorbeelden van traditionele literatuur uit eigen land Educatiegebied Taal, Geletterdheid en Communicatie: leesvaardigheid Kerndoel 6. De leerling kan uiteenlopende leesvaardigheden en -strategieën aanwenden om informatieve teksten te lezen en te interpreteren De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 beheerst taalvaardigheden en –strategieën om informatie uit een breed scala van informatieve bronnen te achterhalen en te verwerken zet strategieën in bij het lezen van: instructies en vragen, borden en aanwijzingen, tekens, titels, waarschuwingslabels, eenvoudige brochures kent technieken om in de tekst expliciet en minder expliciet vermelde feiten te herkennen en kan zich deze feiten herinneren kan eigenschappen en hoofdzaken in logische volgorde navertellen kan een reeks opeenvolgende gebeurtenissen in een tekst herkennen en deze zien als een samenhangend geheel kan de hoofdgedachte weergeven. kan de niet-letterlijk geformuleerde hoofdgedachte van (een deel van) de tekst afleiden weet nieuwe informatie aan aanwezige voorkennis en ervaring te koppelen kan bijvoorbeeld verklaren waarom een tekst al dan niet waarheidsgetrouw is Cyclus 2 . weet dat men kan lezen met verschillende doelen. zet strategieën in om de juiste leesmanier bij een tekst te bepalen beheerst taalvaardigheden en –strategieën om informatie uit een breed scala van informatieve teksten te achterhalen en te verwerken zet strategieën in bij het lezen van brieven, dagboeken, aanwijzingen, instructies, jeugdkranten, kinderbladen, teksten uit andere educatiegebieden weet dat de verschillende onderdelen van een boek informatiedragers zijn haalt informatie uit externe aspecten van het document zoals ontwerp, achterflap, inhoudsopgave, voorwoord, de bijlage weet dat structuuraanduiders belangrijke informatie kunnen bevatten let op: titels, koppen, kernzinnen, illustratie, typografische ingrepen, titels van hoofdstukken kent vaardigheden om over gegeven informatie te oordelen beoordeelt of de tekst geschikt is voor het bereiken van het leesdoel neemt een gemotiveerd standpunt in tegenover de geboden informatie Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: Schrijfvaardigheid Kerndoel 7. De leerling kan algemene vaardigheden en strategieën van het schrijfproces aanwenden De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 Schrijfconventies: kent schrijfconventies hanteert het blokschrift en hellend schrift schrijft van links naar rechts en van boven naar beneden schrijft hoofdletters en kleine letters zorgt voor spatie tussen woorden en zinnen zorgt voor een bladspiegel Voorbereiding op het schrijven: kent de strategieën bij de voorbereiding op een schrijftaak activeert zijn voorkennis bespreekt ideeën met medeleerlingen schrijft kerngedachten en vragen op noteert reacties en opmerkingen Kladversie en revisie: kent strategieën om een kladversie te maken en deze te reviseren herleest teksten, herschikt woorden en herformuleert zinnen ter verduidelijking van de betekenis voegt nadere precisering toe aan de tekst schrapt overbodige en onlogische elementen verwerkt suggesties van de docent en van medeleerlingen Vormgeving en presentatie kent strategieën om de vormgeving en de presentatie van teksten te verzorgen kent strategieën om teksten te structureren kent verschillende tekstsoorten Reflectie op het schrijven: gebruikt vorm en andere karakteristieken van de tekstsoort. besteedt aandacht aan de leesbaarheid van zijn teksten met behulp van een woordenboek en andere hulpbronnen. besteedt aandacht aan, de leesbaarheid van het handschrift, de zinsbouw, het gebruik van hoofdletters, de bladspiegel. voegt illustraties, foto’s en kleur toe gebruikt technologie om het werk op te maken en te presenteren deelt het eindproduct met anderen beoordeelt eigen teksten en die van medeleerlingen. stelt vragen en geeft commentaar helpt medeleerlingen grammaticale en spellingconventies toe te passen schrijft een begin, een middenstuk en een slot ontwikkelt een verhaallijn door opeenvolgende gebeurtenissen te beschrijven beschrijft verhaalfiguren, plaatsen, voorwerpen of ervaringen processen, situaties enz. schrijft een mededeling, een verhaal, een gedicht, een samenvatting van een verhaal, een beschrijving, antwoorden op vragen, een uitnodiging, een (felicitatie)brief , een kaart, een verlanglijstje, een eenvoudige instructie Reflectie op het schrijven: kent strategieën om te reflecteren op het schrijfproces kan aangeven hoe effectief de aanpak was bij de voorbereiding, kladversie en revisie, de vormgeving en presentatie De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 2 Voorbereiding op het schrijven: kent de strategieën bij de voorbereiding op een schrijftaak bepaalt doel en publiek stelt schema’s samen stelt woordvelden samen door middel van brainstormen en associatie maakt aantekeningen bijvoorbeeld bij een interview. verzamelt en structureert informatie op basis van doel en publiek Kladversie en revisie: kent strategieën om een kladversie te maken en deze te reviseren werkt een basisidee uit en reviseert een kladversie houdt rekening met het doel en publiek bij de woordkeuze, variatie in zinslengte, alinea-indeling Vormgeving en presentatie: kent strategieën om de vormgeving en de presentatie van teksten te verzorgen kent strategieën om te schrijven met verschillende doeleinden brengt verbeteringen aan met betrekking tot indeling, zinsbouw en woordgebruik, spelling en interpunctie verzorgt bladspiegel en lay-out (alinea-indeling, marges, het inspringen, koppen) kiest een passend presentatieformat brengt illustraties, foto’s, schema’s aan gebruikt technologie om de tekst samen te stellen en te presenteren beoordeelt eigen werk en dat van medeleerlingen bespreekt het werk en let daarbij op creativiteit, levendigheid, stijl/woordgebruik, leesbaarheid; bespreekt sterke punten van een tekst bepaalt hoe en in welke mate het gestelde doel is bereikt vraagt om feedback schrijft om te informeren, vermaken, beschrijven, uit te leggen, om ideeën vast te leggen kent de karakteristieken van verschillende tekstsoorten schrijft informatieve teksten: introduceert het onderwerp blijft bij het onderwerp breidt het onderwerp uit met eenvoudige feiten, details, voorbeelden vermijdt uitweidingen gebruikt indelingsstructuren zoals: oorzaak-gevolg chronologie; overeenkomsten en verschillen gebruikt verschillende informatiebronnen schrijft een concluderende stelling schrijft verhalen en gedichten: zorgt voor een levendige context ontwikkelt verhaalfiguren ontwikkelt een verhaallijn (plot) zorgt voor een bepaalde bouw verwerkt opeenvolgende gebeurtenissen gebruikt tekstelementen zoals dialoog, spanning introduceert een verteller schrijft autobiografische teksten schrijft als reactie op literatuur: vat de hoofdgedachte en belangrijke details samen koppelt verhaalfeiten aan eigen ervaring geeft een beoordeling en onderbouwt deze met behulp van gegevens uit de tekst, uit andere teksten, van andere schrijvers en eigen kennis schrijft persoonlijke brieven: hanteert hierbij briefconventies zoals: datum, plaats, adres, aanhef, kern en afsluiting schrijft en reageert op e-mail schrijft naar aanleiding van lessen in andere schoolvakken:</p>\n<p class=\"lf-p\">formuleert antwoorden op vragen; samenvattingen, verslagen, werkstukken Reflectie op het schrijven: kent strategieën om te reflecteren op het schrijfproces kan aangeven hoe effectief de aanpak was bij de voorbereiding, kladversie en revisie, de vormgeving en presentatie Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: schrijfvaardigheid Kerndoel 8. De leerling kan grammaticale en spellingconventies in teksten toepassen De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 kent verschillende soorten zinnen. schrijft volledige zinnen schrijft enkelvoudige en eenvoudige samengestelde zinnen schrijft bevestigende en vragende zinnen kent de functies en toepassing van werkwoorden in teksten gebruikt werkwoorden voor verschillende situaties, en ook actiewerkwoorden kent de functie en toepassing van zelfstandige naamwoorden in teksten gebruikt namen voor eenvoudige voorwerpen, gezinsleden, beroepen en categorieën kent de functie en toepassing van bijvoeglijke naamwoorden in teksten verwerkt beschrijvende woorden kent de functie en toepassing van andere woordsoorten gebruikt woorden die graad, tijd, plaats, reden enz. van de actie weergeven Cyclus 2 kent spellingconventies en de toepassing ervan in teksten spelt de eigen voor- en achternaam spelt woorden uit in het onderwijs gehanteerde frequentie- en basislijsten spelt woorden uit lijsten van moeilijke woorden gebruikt woordenboeken en andere hulpbronnen om de spelling van woorden te achterhalen kent verschillende soorten zinnen en hun toepassing in teksten schrijft enkelvoudige en samengestelde zinnen schrijft zinnen in de gebiedende wijs schrijft zinnen met een uitroep kent de functie van zelfstandige naamwoorden in teksten gebruikt eigennamen, gebruikt zelfstandige naamwoorden als onderwerp kent de typische regels van enkel- en meervoudsvormen schrijft enkel- en meervoudsvormen kent de functie van voornaamwoorden en hun toepassing in teksten gebruikt voornaamwoorden om te verwijzen naar personen, dieren en voorwerpen kent de regels van het gebruik van lidwoorden gebruikt lidwoorden correct kent de functies van werkwoorden en hun toepassing in teksten: gebruikt: een uitgebreide variatie aan handelingswerkwoorden hulpwerkwoorden tegenwoordige en verleden tijd kent de functie van bijvoeglijke naamwoorden en hun toepassing in teksten kan gebruik maken van betekenisverschillen die samengaan met de wijziging van de plaats van het bijvoeglijk naamwoord kent de functie van bijwoorden en hun toepassing in teksten gebruikt bijwoorden om bijvoorbeeld vergelijkingen te maken weet dat er tussen verschillende tekstelementen verbanden bestaan gebruikt verbindingswoorden om relaties aan te duiden kent de regels van het gebruik van negatie in teksten vermijdt incorrecte vormen van dubbele of enkele negatie kent spellingconventies spelt woorden uit in het onderwijs gehanteerde frequentie- en basislijsten spelt woorden uit lijsten van moeilijke woorden gebruikt woordenboeken en andere hulpbronnen kent conventies met betrekking tot interpunctie in teksten</p>\n<p class=\"lf-p\">schrijft de volgende tekens: punt achter een bevestigende zin en achter voorletters bij namen en in afkortingen komma’s in onderdelen van de brief, na elk woord in een opsomming een vraagteken na een vraag Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: Schrijfvaardigheid Kerndoel 9. De leerling kan informatie verzamelen en gebruiken voor onderzoeksdoeleinden De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 kent verschillende informatiebronnen hanteert uitgebreide informatiebronnen, zoals boeken, encyclopedieën, illustraties, kaarten, atlassen, inhoudsopgaven, video en televisieprogramma’s, gastsprekers, internet, overige computerprogramma’s, eigen observatie Cyclus 2 kent verschillende strategieën om onderzoek te plannen bepaalt het onderwerp door te brainstormen, een vragenlijst te maken, een associatieweb of een woordveld te maken; structureert zijn voorkennis; ontwikkelt een stappenplan; bepaalt de benodigde informatiebronnen gebruikt encyclopedieën en woordenboeken om informatie te verzamelen gebruikt elektronische media als informatiebron, zoals elektronische bestanden (databases), internet, CD-roms, televisie, video’s, geluidsbanden, afrol-menu’s, zoekprogramma’s voor woorden gebruikt sleutelwoorden, themawoorden, alfabetische indelingsprincipes, thema- en woordenlijsten om onderzoeksonderwerpen te vinden gebruikt verschillende modaliteiten van informatie, bijvoorbeeld schema’s, grafieken, kaarten, atlassen, foto’s, tabellen om onderzoeksonderwerpen te zoeken gebruikt strategieën om informatie te verzamelen en vast te leggen, bijvoorbeeld aantekeningen, schema’s, tabellen; parafraseert en vat verzamelde informatie samen; verzamelt citaten; geeft commentaar vermeldt informatiebronnen en geraadpleegde werken op een gestandaardiseerde wijze Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: Kijkvaardigheid Kerndoel 10. De leerling kan kijkvaardigheden en –strategieën aanwenden om informatie uit (audio) visuele media te achterhalen en te interpreteren De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 begrijpt de hoofdgedachte of boodschap in visuele media geeft de hoofdgedachte of boodschap weer in onder andere: illustraties, strips, televisieprogramma’s, foto’s in kranten, bladen, boeken en prentenboeken kent verschillende signalen om de genres van visuele media te herkennen; weet op basis hiervan een kijkhouding aan te nemen met betrekking tot de vorm: gebruikt voorkennis met betrekking tot de structuur van tv-programma’s gebruikt voorkennis met betrekking tot het genre: herkent logo’s, kleuren, herkenningsmelodieën van kinder-, sport-, nieuwsprogramma’s en series met betrekking tot de inhoud: gebruikt kennis met betrekking tot bijvoorbeeld oorzaak en gevolg-relaties om voorspellingen te doen kent de opbouw van visuele media, zoals films, video, televisie, kranten, tijdschriften, posters geeft onderdelen aan zoals, overzicht, vooruitblik, hoogtepunten, samenvatting geeft de functie aan van titel, inleiding, grafische beelden herkent geluidseffecten, animatie, layout, muziek weet dat verschillende elementen onderdelen van fictie ondersteunen herkent de rol van actiemomenten, bijvoorbeeld angstige fragmenten, dialoog, muziek, gelaatsuitdrukking, figuren en gebeurtenissen, variatie in stemgeluid, spanning weet dat verschillende elementen de perceptie van de kijker kunnen beïnvloeden herkent gelaatsuitdrukking, lichaamstaal, gebaren, kleding, acties, relaties, dialoog., muziek begrijpt overeenkomsten en verschillen tussen eigen werkelijkheid en die in visuele media vergelijkt gebeurtenissen en figuren uit visuele media met eigen werkelijkheid weet dat er een verschil is tussen een figuur uit een film en de acteur. herkent types zoals de held en de boef Cyclus 2 begrijpt verschillende boodschappen die door middel van visuele media worden overgebracht geeft de hoofdgedachte en belangrijke details weer geeft feiten en meningen weer geeft hoofdfiguren en opeenvolgende gebeurtenissen weer geeft de moraal aan begrijpt technieken om boodschappen over te brengen door middel van visuele media noemt technieken zoals: lay-out, animatie, stemvariaties in audioproducties oefent met ICT begrijpt de verschillende manieren waarop visuele media mensen stereotyperen geeft voorbeelden van rolbevestigende stereotyperingen, zoals een moeder die in huis werkt; de slimme persoon die een bril draagt; superhelden, personen uit andere socio-culturele groepen; geeft aan hoe zulke figuren op een andere manier uitgebeeld kunnen worden begrijpt technieken om een bepaalde sfeer en stemming te creëren noemt voorbeelden van:</p>\n<p class=\"lf-p\">opnametechnieken zoals de hoek en afstand van de camera om een bepaald effect te creëren het versterken van spanning door muziek en geluid de rol van stemgeluid en verlichting begrijpt het gebruik en de betekenis van symbolen en beelden geeft voorbeelden van: kleursymboliek: wit is vrede/zuiverheid; rood is emotie gebruik van expressie: glimlach is geluk; geeft met voorbeelden aan dat symbolen afhankelijk zijn van onderliggende en gedeelde sociale en culturele conventies; geeft voorbeelden aan van de symbolische koppeling van produktnamen en logo’s met de produkten zelf begrijpt basiselementen van reclame in visuele media geeft voorbeelden van verkooptechnieken gericht op kinderen; geeft aan hoe kleuren, muziek, taalgebruik, kleding, mode, bekende personages gebruikt worden voor reclamedoeleinden Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: Massamedia Kerndoel 11. De leerling kent de karakteristieken van uiteenlopende vormen van massamedia en hun toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 kent de verschillende vormen van massamedia en hun verschillende functies kan het gebruik aangeven van verschillende vormen van massamedia: dagbladen, tijdschriften, radio, televisie, internet, reclameborden kent de verschillende indelingen van massamedia noemt nieuwsprogramma’s, sportprogramma’s, reclamespots, showprogramma’s, rubrieken, feuilletons, websites kent conventies in media maakt gebruik van conventies van massamedia, bijvoorbeeld: layout in geschreven media kan aangeven dat herkenningsmelodieën van programma’s, geluidseffecten, titels en illustraties het begin en slot van een televisieprogramma aankondigen. begrijpt dat boodschappen via massamedia gebaseerd kunnen zijn op werkelijke en verzonnen ervaringen reageert kritisch op elementen van werkelijke en verzonnen ervaringen Cyclus 2 kent de kenmerken van de meest gebruikte vormen van massamedia kan karakteristieken noemen van bijvoorbeeld: quizprogramma’s advertentievormen geschreven media en beeldmedia, zoals reclameborden reclamespots kan de meest geschikte vorm hiervan inschakelen ten behoeve van eigen doelen begrijpt dat mediaboodschappen en producten bestaan uit diverse samenstellende delen noemt bijvoorbeeld van films begin en hoogtepunten ,tv-programma’s, reclameborden, shots, onderdelen van kranten kent technieken om een bepaalde sfeer en stemming te creëren geeft het effect aan van toepassingen van bijvoorbeeld: opnametechnieken zoals close-ups, het versterken van spanning door muziek en geluid de rol van stemgeluid en verlichting kent het gebruik en betekenis van symbolen en beelden geeft voorbeelden van kleursymboliek, bijvoorbeeld wit is vrede/zuiverheid, rood is emotie geef het effect aan van gebruik van expressie, bijvoorbeeld: glimlach is geluk geeft met voorbeelden aan dat symbolische betekenissen bepaald worden door onderliggende en gedeelde sociale conventies geeft voorbeelden van symbolische koppeling van merknamen en logo’s en producten begrijpt basiselementen van reclame in visuele media geeft voorbeelden van verkooptechnieken gericht op kinderen geeft aan hoe kleuren, muziek, taalgebruik, kleding, mode, bekende personages ingezet worden voor reclamedoeleinden Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie/ Domein : Taalbeschouwing Kerndoel 12. De leerling heeft inzicht in het verschijnsel taal en in de manier waarop communicatie in verschillende situaties zich af kan spelen De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 weet dat taal een communicatieve functie heeft geeft voorbeelden van vormen van communicatie door taal: verhalen, prentenboeken, kranten, opschriften, borden geeft voorbeelden van de boodschap zelf: een mededeling, oproep, uitnodiging, gebod weet dat er ook andere vormen van taal worden gehanteerd geeft voorbeelden van taal voor doven en blinden en hun achtergrond weet dat er in zijn omgeving te weten, thuis, buurt, klas, school en in de wereld verschillende talen en taalvarianten worden gesproken kan een aantal talen noemen weet dat taal aan verandering onderhevig is en dat er varianten zijn van zijn moedertaal geeft voorbeelden van: uitspraakvarianten betekenisvarianten verouderde woorden taalvariëteit weet dat de betekenis van een taaluiting beïnvloed wordt door gebaren, de lichaamshouding en gelaatsuitdrukking kan voorbeelden geven van non-verbale beïnvloeding weet dat mondelinge communicatie gebaat is bij regels kan voorbeelden geven van bijvoorbeeld mislukte communicatie vanwege onnauwkeurig mondeling taalgebruik is kritisch ten aanzien van eigen taalgebruik en dat van anderen kan naar aanleiding van een gesprek, dialoog etc. oordelen over eigen taalgebruik en dat van anderen in zijn omgeving, bijvoorbeeld klasgenoten, leeftijdgenoten, leerkracht, gezinsleden Cyclus 2 weet dat talen relaties tussen mensen kunnen bepalen en dat die relaties samenhangen met culturele overeenkomsten en verschillen kan verschillende groepen in de maatschappij noemen die door de gesproken taal een gemeenschap vormen kan voorbeelden geven van hoe taal relaties bepalen kan voorbeelden geven van overeenkomsten en verschillen die samenhangen met cultuur kent de getalsverhoudingen tussen de sprekers van de verschillende talen in de maatschappij herkent specifieke taalsituaties en de functie ervan: stemmingen, moedertaal, vreemde taal, gebarentaal en ander non-verbaal taalgedrag kent de geschiedenis van de moedertaal kan de aanwezigheid van de moedertaal plaatsen in historische context kent de voornaamste kenmerken van het type taal waartoe de moedertaal behoort. kan aan de hand van voorbeelden karakteristieken van de taal noemen, bijv. woorden, woordvorming, zinnen, klanken/tonaliteit weet dat taal aan verandering onderhevig is en dat er taalvarianten zijn geeft voorbeelden van archaïsch taalgebruik, neologismen, modernismen, groepstalen geeft voorbeelden van varianten, dialecten en taalregisters weet dat de betekenis van een taaluiting mede beïnvloed wordt door de situatie en de vorm herkent situaties waarbij sprake is van beïnvloeding van de boodschap</p>\n<p class=\"lf-p\">door de taalsituatie en de vorm weet dat taal op verschillende manieren gebruikt kan worden kan voorbeelden geven van taalgebruik in positieve en negatieve zin, zoals lovend, stimulerend, misleidend, kwetsend taalgebruik weet dat aan talen en taalvarianten bepaalde status wordt toegekend geeft voorbeelden van de status van de verschillende talen in zijn omgeving weet dat mondelinge en schriftelijke communicatie gebaat zijn bij regels geeft voorbeelden van positieve invloed van regels bij mondelinge communicatie weet dat de betekenis van een taaluiting mede beïnvloed wordt door onuitgesproken bedoelingen herkent onuitgesproken bedoelingen van een taaluiting: idiomatisch taalgebruik, zoals spreekwoorden, zegswijzen, sarcasme, retorica is kritisch met betrekking tot eigen taalgebruik en dat van anderen oordeelt naar aanleiding van een gesprek, dialoog, geschreven tekst over eigen taalgebruik en dat van anderen Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie/ Domein : Taalbeschouwing Kerndoel: 13. De leerling beheerst een aantal regels met betrekking tot taalverschijnselen en kan begrippen hanteren die hem in staat stellen over taal te denken en te praten De leerling: (kennis) De leerling: (uitvoeren) Cyclus 1 kent regels van verdeling van woorden in lettergrepen kan eenvoudige woorden in lettergrepen verdelen heeft inzicht in een aantal woordvor- mingsprincipes en de structuur van woorden werkt met enkelvoud en meervoud van zelfstandige naamwoorden, met samenstellingen kan voorbeelden geven van betekenisverandering door tonaliteit kan voorbeelden geven van de voorkeurstructuur (CVCV) weet dat in toontalen tonaliteit distinctieve waarde heeft kan het verschil in toon en accent in woorden horen; kan woorden met de juiste toon en het juiste accent uitspreken. heeft inzicht in ordenings- en bouwprincipes van zinnen maakt eenvoudige enkelvoudige en samengestelde zinnen kort zinnen in, breidt zinnen uit, verandert de volgorde in zinnen zonder betekenisverlies begrijpt betekenisaspecten van een gevarieerd scala van taalelementen kent bepaalde termen met betrekking tot taal en taalverschijnselen oefent met: relaties tussen zinnen, vraag- en antwoordzinnen, gebiedende wijs tegenstellingen; rubriceren en sorteren van woorden naar bij voorbeeld alfabetische volgorde, naar vorm, inhoud, synoniemen, acroniemen, homoniemen gebruikt termen als moedertaal, vreemde taal, klank, uitspraak, woord, spelling, poëzie, verhaal, toneelstuk, zin, lettergreep, komma, punt Cyclus 2 heeft inzicht in ordenings- en bouwprincipes van zinnen voegt woorden en zinsdelen tot verschillende zinnen, breidt zinnen uit na een voegwoord</p>\n<p class=\"lf-p\">onderscheidt en gebruikt woordsoorten met de daarbij behorende termen gebruikt de volgende termen: werkwoord , zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, lidwoord, voorzetsel onderscheidt en gebruikt zinsdelen met de daarbij behorende termen werkt met redekundig ontleden: onderwerp, persoonsvorm, gezegde, persoonsvorm in verschillende tijden, verandert het getal van de persoonsvorm en het onderwerp heeft notie van de zin als betekenisvolle eenheid begrijpt betekenisaspecten van een gevarieerde scala van taalelementen kent bepaalde termen met betrekking tot taal en taalverschijnselen gebruikt tijdsbepalingen; rubriceert zinnen naar betekenis; legt relaties tussen zinnen rubriceert en sorteert woorden op basis van bepaalde eigenschappen legt relatie tussen dingen, begrippen en woorden herkent beeldspraak, metaforisch en symbolisch taalgebruik; werkt met spreekwoorden herkent het verschil tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik herkent causale, middel/doel- en deel/geheel-relaties herkent synoniemen antoniemen, homoniemen; acroniemen werkt met afkortingen gebruikt termen als: tweede taal, accent, toon, hoofdstuk gebruikt: beeldspraak, letterlijk en figuurlijk taalgebruik, uitdrukkingen, gezegdes, spreekwoorden, synoniemen, gevoelswaarde, symbool, beeldtaal, pictogram, gespreksregel, formeel en informeel taalgebruik onderwerp van een zin, persoonsvorm, gezegde, werkwoord, tegenwoordige tijd, verleden tijd, enkelvoud, meervoud gedicht, poëzie, verhaal, toneelstuk, jeugdboek, monoloog, hoofdstuk, paragraaf, alinea, klemtoon Kerndoelen Taal, Geletterdheid en Communicatie Nederlands voor het Funderend OnderwijsDe kerndoelen Nederlands zijn verdeeld over de domeinen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mondelinge taalvaardigheid De leerling kan mondelinge informatie met betrekking tot alledaagse en schoolse onderwerpen op verschillende niveaus verwerken De leerling kan met medeleerlingen, docenten en moedertaalsprekers van het Nederlands gesprekken voeren; hij kan daarbij informatie geven en meningen en gevoelens uiten. Hij hanteert daarbij een uitspraak die voor moedertaalsprekers van het Nederlands begrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De leerling kan informatie die hij verzameld heeft weergeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leesvaardigheid 4.De leerling kan informatie uit teksten op verschillende niveaus verwerken Schrijfvaardigheid De leerling kan over verschillende onderwerpen schriftelijke informatie geven 6.De leerling kan informatie die hij verzameld heeft weergeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taalbeschouwing De leerling begrijpt dat het Nederlands voor communicatie gebruik maakt van verschillende structuren De leerling kan het belang aangeven van de beheersing van het Nederlands.</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 1. De leerling kan mondelinge informatie met betrekking tot alledaagse en schoolse onderwerpen begrijpen De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling: kent de spraakklanken van het Nederlands herkent de verschillende klanken van het Nederlands gesproken door een persoon of met behulp van audio-visuele middelen begrijpt eenvoudige instructies en taalfuncties reageert adequaat op eenvoudige instructies in de dagelijkse sfeer reageert adequaat op groet- en afscheidformules, reageert adequaat op eenvoudige liedjes en versjes reageert adequaat op informatie op audiomiddelen en computersoftware geschikt voor zijn ontwikkelings-niveau, zoals bandjes en CD-ROMs Cyclus 2 weet dat de bij de moedertaal verworven luisterstrategieën ingezet kunnen worden past luisterstrategieën voor, tijdens en na het luisteren toe begrijpt de hoofdgedachte van een mondelinge boodschap of van een meer of minder informeel gesprek reageert adequaat op mededelingen over hobby’s, eten en drinken, gebeurtenissen, gebeurtenissen in sprookjes, liedjes en versjes reageert adequaat op aanwijzingen, bijvoorbeeld de weg kunnen vinden begrijpt de belangrijkste boodschap in teksten in multimediale vormen kan de boodschap op CD-ROM, video- en tv-programma’s over bekende onderwerpen die geschikt zijn voor zijn ontwikkelingsniveau weergeven (al dan niet in de vreemde taal) begrijpt mondelinge informatie in schoolse situaties reageert adequaat op: vragen in onderwijsleergesprekken opdrachten instructies definities cassette- en video-opnames uiteenzettingen voor het onderwijs geconstrueerde audiovisueel materiaal illustratieve verduidelijkingen in onderwijsleergesprekken feedback Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 2. De leerling kan met medeleerlingen, docenten en met moedertaalsprekers van het Nederlands gesprekken voeren; ij kan daarbij informatie geven, meningen en gevoelens uiten. Hij hanteert daarbij een uitspraak die voor moedertaalsprekers van het Nederlands begrijpelijk is De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 herkent de verschillende klanken van het Nederlands kan de verschillende klanken van het Nederlands reproduceren kent woorden en formules rondom alledaagse en bijzondere gebeurtenissen kan een aantal formules gebruiken met betrekking tot: groeten en afscheid nemen instemmen en afwijzen bedanken verontschuldigen aandacht vragen gelukwensen bij verjaardagen, kerst en nieuwjaar persoonlijke gegevens zoals naam, leeftijd, adres en telefoonnummer aanspreekvormen Cyclus 2 beheerst een op de communicatieve behoefte afgestemde woordenlijst receptief en productief kan woorden adequaat gebruiken om een bepaalde voorkeur of afkeur te uiten met betrekking tot: dingen, personen, gebeurtenissen, school, eten en drinken hanteert woorden adequaat om uiteenlopende voorwerpen te beschrijven kan woorden adequaat gebruiken om schoolse taken uit te voeren kent de conventies met betrekking tot alledaagse en bijzondere situaties kiest de juiste groet- en afscheidformules en aanspreekvormen; gebruikt de juiste formules om: te bedanken, met iets in te stemmen, iets af te wijzen, zich te verontschuldigen, persoonlijke informatie te geven; vraagt om de naam, leeftijd, woonplaats en nationaliteit van anderen gebruikt formules bij verjaardagen, kerst- en nieuwjaar beschrijft het weer geeft zijn of haar voorkeur met betrekking tot kleren, voedsel, muziek en hobby’s beschrijft eigen stemming en die van anderen kent woorden die numerieke gegevens uitdrukken geeft tijd, datum, jaar, uitslagen, leeftijden, telefoonnummers; zegt hoe laat iets plaatsvindt beschikt over voldoende productieve vaardigheid om schoolse taken uit te voeren kan een verzoek om verduidelijking uiten m.b.t. toelichting op leerstof kan gepast interrumperen kan een mening weergeven naar aanleiding van: een gelezen boek of ervaring een discussie kan antwoorden in onderwijsleergesprekken geven zoals reproductie van kennis, definities kan een samenvatting geven naar aanleiding van: gelezen of beluisterde tekst groepswerk uiteenzetting kan een argumentatie geven naar aanleiding van: een discussie groepswerk een gelezen of beluisterde tekst visueel materiaal heeft inzicht in compenserende strategieën kan compenserende strategieën inzetten, wanneer de woordenschat ontoereikend is kan non-verbale taal gebruiken zoals gebaren en mime Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 3. De leerling kan informatie die hij verzameld heeft aan een publiek presenteren De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 kent eenvoudige liedjes kan eenvoudige liedjes voor een groep zingen Cyclus 2 weet hoe een verslag is opgebouwd kan een verslag van de volgende activiteiten presenteren: een excursie een proef het lezen van een boek het bekijken van een educatief programma een groepsgesprek een waarneming het beluisteren van een programma kan een spreekbeurt houden over onderwerpen in de persoonlijke sfeer, zoals gezin, vrienden, hobby, wijk kent verschillende bekende tekstsoorten kan bekende gedichten, verzen en korte verhaaltjes voordragen Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: leesvaardigheid Kerndoel 4. De leerling kan informatie uit teksten op verschillende niveaus verwerken De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 heeft inzicht in de technieken om technisch (hardop) nauwkeurig te lezen en met de juiste intonatie kan woorden, korte zinnen, eenvoudige dialogen, korte gedichten technisch goed lezen weet dat de bij het moedertaalonderwijs verworven leesstrategieën ingezet kunnen worden past leesstrategieën voor, tijdens en na het lezen toe. kan personen en voorwerpen in de omgeving identificeren op basis van een beschrijving kan personen en voorwerpen aanwijzen heeft inzicht in compenserende strategieën kan betekenis van woorden afleiden uit de context; kan om hulp vragen Cyclus 2 weet dat informatieve teksten bijna altijd een onderwerp en hoofdgedachte bevatten en weet hoe deze te vinden kan het onderwerp en hoofdgedachte aanwijzen van informatieve teksten met veel contextuele ondersteuning: krantenberichten, advertenties, teksten op internet begrijpt korte geschreven mededelingen en persoonlijke berichten kan de boodschap achterhalen uit persoonlijke mededelingen en berichten over alledaagse gebeurtenissen in school- en gezinsverband begrijpt informatie om schoolse taken uit te voeren kan de boodschap achterhalen uit de volgende teksten: commentaar in studieteksten opdrachten en vragen in studieteksten eenvoudige woordenboeken eenvoudige handleidingen definities (cyclus 3) leerteksten naslagwerken emails en webpagina’s registers eenvoudige tabellen en grafieken concretisering in studieteksten begrijpt de hoofdzaken in eenvoudige op zijn ontwikkelingsniveau afgestemde fictionele teksten kan de inhoud van verhalen, gedichten, korte volksverhalen of geïllustreerde verhalen geschikt voor het ontwikkelingsniveau weergeven al of niet in de doeltaal Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: schrijfvaardigheid Kerndoel 5. De leerling kan over verschillende onderwerpen schriftelijke informatie geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 kent de basisregels van de spelling van het Nederlands kan eenvoudige woorden en zinnen correct opschrijven weet hoe eenvoudige formele informatie te geven kan persoonlijke en andere gegevens invullen op een eenvoudig invulformulier Cyclus 2 kent technieken om korte, persoonlijke en informele teksten te schrijven schrijft teksten met informatie over / beschrijving van zichzelf, zijn gezin, vrienden of activiteiten op school. schrijft emailberichten kent strategieën om informatie met betrekking tot schoolse taken weer te geven kan informatie geven in de volgende teksten: verslag van een activiteit antwoorden op vragen en opdrachten toets weet dat de bij het moedertaalonderwijs verworven schrijfstrategieën ingezet kunnen worden past schrijfstrategieën voor, tijdens en na het schrijven toe Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Taalbeschouwing Kerndoel 6. De leerling begrijpt dat het Nederlands voor communicatie gebruik maakt van verschillende structuren De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 Cyclus 2 kent woorden die van andere talen zijn geleend en weet hoe ze zich hebben ontwikkeld herkent verwante woorden kent het klanksysteem en de spelling van de doeltaal en weet hoe deze verschillen vergeleken met dezelfde elementen uit de moedertaal kan eenvoudige vormen van interferentie aanwijzen begrijpt dat een gedachte op verschillende manieren geuit kan worden in de doeltaal kan voorbeelden aangeven van manieren van zeggen/eenvoudige stijlfiguren Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: Vreemde Talen Domein:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerndoel 7. De leerling kan het belang aangeven van de beheersing van het Nederlands.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) Cyclus 2 (tussendoelen) heeft inzicht in het gebruik van het Nederlands vanuit historisch perspectief kan spellen, liedjes, feestdagen, verhalen, toneel, noemen kan traditionele gewoontes noemen kan beroepen noemen kan belangrijke monumenten noemen zoals musea heeft inzicht in de huidige positie van het Nederlands in de Nederlandse Antillen en erbuiten kan deze conventies noemen met betrekking tot de school, het gezin, de maatschappij, heeft inzicht in het belang van de beheersing van het Nederlands in verband met de oriëntatie op de toekomst herkent speelgoed, kleding, voedsel en drank Kerndoelen Taal, Geletterdheid en communicatie Vreemde Talen (I) voor het Funderend OnderwijsDe kerndoelen Vreemde Talen zijn verdeeld over de domeinen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mondelinge taalvaardigheid De leerling begrijpt gesproken teksten met betrekking tot alledaagse onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling kan met medeleerlingen en met moedertaalsprekers van de doeltaal eenvoudige gesprekken voeren; hij kan daarbij informatie geven, meningen, gevoelens en emoties uiten. Hij hanteert hierbij een uitspraak die voor moedertaalsprekers van de doeltaal begrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De leerling kan informatie of zijn eigen mening met betrekking tot onderwerpen die aansluiten bij zijn belevingswereld aan een publiek presenteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leesvaardigheid 4.De leerling begrijpt de hoofdzaken van eenvoudige fictionele en niet-fictionele teksten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schrijfvaardigheid 5.De leerling kan over verschillende onderwerpen schriftelijke informatie geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taalbeschouwing 6.De leerling begrijpt dat talen voor communicatie gebruik maken van verschillende structuren; hij past deze kennis ook toe op zijn eigen moedertaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennis van land en cultuur 7.De leerling kent belangrijke componenten uit het land en de cultuur van de sprekers van de vreemde taal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 1. De leerling begrijpt gesproken teksten met betrekking tot alledaagse onderwerpen De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 weet dat fonetische systemen van talen verschillen herkent een aantal vreemde talen en kan deze benoemen op basis van hun klanken en woorden kent de spraakklanken van de doeltaal herkent de verschillende klanken van de doeltaal gesproken door een persoon of met behulp van audio-visuele middelen begrijpt eenvoudige instructies en taalfuncties reageert adequaat op eenvoudige instructies reageert adequaat op groet- en afscheidformules Cyclus 2 weet dat de bij de moedertaal verworven luisterstrategieën ingezet kunnen worden past luisterstrategieën voor, tijdens en na het luisteren toe begrijpt de hoofdgedachte van een mondelinge boodschap of van een gesprek over alledaagse onderwerpen reageert adequaat op mededelingen over hobby’s, eten en drinken, gebeurtenissen, gebeurtenissen in sprookjes reageert adequaat op aanwijzingen, bijvoorbeeld de weg kunnen vinden begrijpt de belangrijkste boodschap in video- en tv-programma’s over bekende onderwerpen die geschikt zijn voor zijn ontwikkelingsniveau kan de boodschap weergeven (al dan niet in de vreemde taal) begrijpt verschillende taalfuncties reageert adequaat op verschillende taalfuncties begrijpt algemene zinsintonatie in eenvoudige gesproken teksten reageert op functionele intonatie in gesproken teksten: een vraag, een mededeling, een uitroep, emotie weet dat manieren van zeggen binnen talen kunnen verschillen herkent typische uitdrukkingen en kan ze interpreteren Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 2. De leerling kan met medeleerlingen en met moedertaalsprekers van de doeltaal eenvoudige gesprekken voeren; hij kan daarbij informatie geven, meningen, gevoelens en emoties uiten. Hij hanteert daarbij een uitspraak die voor moedertaalsprekers van de doeltaal begrijpelijk is De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 herkent de verschillende klanken van de doeltaal kan de verschillende klanken van de doeltaal reproduceren kent een aantal woorden en formules rondom alledaagse en bijzondere gebeurtenissen kan een aantal formules gebruiken met betrekking tot: groeten en afscheid nemen instemmen en afwijzen bedanken verontschuldigen aandacht vragen gelukwensen bij verjaardagen, kerst en nieuwjaar condoleren persoonlijke gegevens zoals naam, leeftijd, adres en telefoonnummer aanspreekformules Cyclus 2 beheerst een op de communicatieve behoefte afgestemde woordenlijst receptief en productief kan woorden adequaat gebruiken om een bepaalde voorkeur of afkeur te uiten met betrekking tot: dingen, personen, gebeurtenissen, school, eten en drinken hanteert woorden adequaat om uiteenlopende voorwerpen te beschrijven beschikt over voldoende productieve vaardigheid kan eenvoudige instructies in de doeltaal geven met betrekking tot bijvoorbeeld spelletjes, in een groep, naar aanleiding van een tekening kan informatie uitwisselen over: eigen stemming en gezondheid hobby’s algemene gebeurtenissen, met betrekking tot lessen, bijeenkomsten, feesten, concerten, de plaats, datum tijd heeft inzicht in compenserende strategieën kan compenserende strategieën inzetten, wanneer de woordenschat ontoereikend is kan non-verbale taal gebruiken zoals gebaren en mime kent het verschil tussen formele en informele taalgebruik-situaties en weet dat daar bepaalde taalvormen bij horen kan de bij de situatie passende juiste taalvorm kiezen en hanteren: het betreft hierbij om de volgende taalvormen: woorden, conventies en gebaren kent de conventies met betrekking tot alledaagse en bijzondere situaties kiest de juiste groet- en afscheidformules en aanspreekvormen; gebruikt de juiste formules om: te bedanken, met iets in te stemmen, iets af te wijzen, zich te verontschuldigen, persoonlijke informatie te geven vraagt om de naam, leeftijd, woonplaats en nationaliteit van anderen gebruikt formules bij verjaardagen, kerst- en nieuwjaar beschrijft het weer geeft zijn of haar voorkeur met betrekking tot kleren, voedsel, muziek en hobby’s beschrijft eigen stemming en die van anderen kent woorden die numerieke gegevens uitdrukken geeft tijd, datum, jaar, uitslagen, leeftijden, telefoonnummers; zegt hoe laat iets plaatsvindt Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 3. De leerling kan informatie of zijn eigen mening met betrekking tot verschillende onderwerpen aan een publiek presenteren</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 kent eenvoudige liedjes kan eenvoudige liedjes voor een groep zingen Cyclus 2 weet hoe een verslag of eenvoudige spreekbeurt is opgebouwd kan een verslag over gebeurtenissen in de huis- en schoolsfeer aan leeftijdgenoten presenteren kan een spreekbeurt houden over onderwerpen in de persoonlijke sfeer, zoals gezin, vrienden, hobby, wijk kent verschillende bekende tekstsoorten kan bekende gedichten, verzen, liedjes en korte verhaaltjes voordragen Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: leesvaardigheid Kerndoel 4. De leerling begrijpt de hoofdzaken van fictionele en niet-fictionele teksten De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 Cyclus 2 weet dat de bij het moedertaalonderwijs verworven leesstrategieën ingezet kunnen worden past leesstrategieën voor, tijdens en na het lezen toe. heeft inzicht in compenserende strategieën kan betekenis van woorden afleiden uit de context; kan om hulp vragen kent bronnen om betekenissen van woorden te achterhalen kan een woordenboek gebruiken om betekenissen van woorden te achterhalen heeft inzicht in de technieken om technisch (hardop) nauwkeurig te lezen en met de juiste intonatie kan woorden, korte zinnen, eenvoudige dialogen, korte gedichten technisch goed lezen weet dat informatieve teksten bijna altijd een onderwerp en hoofdgedachte bevatten en weet hoe deze te vinden kan het onderwerp en hoofdgedachte aanwijzen van informatieve teksten met veel contextuele ondersteuning: krantenberichten, advertenties, teksten op internet begrijpt korte geschreven mededelingen en persoonlijke berichten kan de boodschap achterhalen uit persoonlijke mededelingen en berichten over alledaagse gebeurtenissen in school- en gezinsverband kan personen en voorwerpen in de omgeving identificeren op basis van een beschrijving kan personen en voorwerpen aanwijzen begrijpt de hoofdzaken in eenvoudige fictionele teksten kan de inhoud van verhalen, gedichten, korte volksverhalen of geïllustreerde verhalen geschikt voor het ontwikkelingsniveau weergeven al of niet in de doeltaal Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: schrijfvaardigheid Kerndoel 5. De leerling kan over verschillende onderwerpen schriftelijke informatie geven De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 kent technieken om korte, persoonlijke en informele teksten te schrijven schrijft teksten met informatie over / beschrijving van zichzelf, zijn gezin, vrienden of activiteiten op school schrijft deze teksten via email weet hoe eenvoudige formele informatie geven kan persoonlijke gegevens invullen op een eenvoudig invulformulier kent de spelling van de doeltaal kan beluisterde woorden en korte zinnen correct opschrijven weet dat de bij het moedertaalonderwijs verworven schrijfstrategieën ingezet kunnen worden past schrijfstrategieën voor, tijdens en na het schrijven toe Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en CommunicatieVreemde Talen Domein: Taalbeschouwing Kerndoel 6. De leerling begrijpt dat talen voor communicatie gebruik maken van verschillende structuren; hij past deze kennis ook toe op zijn eigen moedertaal De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 1 Cyclus 2 kent woorden die van andere talen zijn geleend en weet hoe ze zich hebben ontwikkeld herkent verwante woorden kent het klanksysteem en de spelling van de doeltaal en weet hoe deze verschillen vergeleken met dezelfde elementen uit de moedertaal kan eenvoudige vormen van interferentie aanwijzen begrijpt dat een gedachte op verschillende manieren geuit kan worden in de doeltaal kan voorbeelden aangeven van manieren van zeggen/eenvoudige stijlfiguren Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie: Vreemde Talen Domein: kennis van land en cultuur Kerndoel: 7. De leerling kent belangrijke componenten uit het land en de cultuur van de sprekers van de vreemde taal De leerling (kennis) De leerling (uitvoeren) Cyclus 1 (tussendoelen) Cyclus 2 (tussendoelen) kent verschillende culturele uitingen en instituten van de doelcultuur kan spellen, liedjes, feestdagen, verhalen, toneel, noemen kan traditionele gewoontes noemen kan beroepen noemen kan belangrijke monumenten noemen zoals musea kent eenvoudige gedrags- en omgangsvormen in verschillende situaties kan deze conventies noemen met betrekking tot de school, het gezin, de maatschappij kent folkloristische gebruiken en artikelen herkent speelgoed, kleding, voedsel en drank kent enkele belangrijke culturele vormen van expressie in de doelcultuur kan een aantal kinderliedjes, een aantal kinderboeken, kunstobjecten voor leeftijdgenoten in de doelcultuur noemen Kerndoelen Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen II voor het Funderend Onderwijs De kerndoelen Vreemde Talen II zijn verdeeld over de domeinen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mondelinge taalvaardigheidDe leerling begrijpt gesproken teksten met betrekking tot alledaagse onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling kan met medeleerlingen en met moedertaalsprekers van de doeltaal eenvoudige gesprekken voeren; hij kan daarbij informatie geven, meningen, gevoelens en emoties uiten. Hij hanteert hierbij een uitspraak die voor moedertaalsprekers van de doeltaal begrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De leerling kan informatie of zijn eigen mening met betrekking tot onderwerpen die aansluiten bij zijn belevingswereld aan een publiek presenteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schrijfvaardigheid4.De leerling kan over verschillende onderwerpen schriftelijke informatie geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 1. De leerling begrijpt gesproken teksten met betrekking tot alledaagse onderwerpen De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 2 weet dat fonetische systemen van talen verschillen herkent een aantal vreemde talen en kan deze benoemen op basis van hun klanken en woorden kent de spraakklanken van de doeltaal herkent de verschillende klanken van de doeltaal gesproken door een persoon of met behulp van audiovisuele middelen begrijpt eenvoudige instructies en taalfuncties reageert adequaat op eenvoudige instructies reageert adequaat op groet- en afscheidformules Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 2. De leerling kan met medeleerlingen en met moedertaalsprekers van de doeltaal eenvoudige gesprekken voeren; hij kan daarbij informatie geven, meningen, gevoelens en emoties uiten. Hij hanteert daarbij een uitspraak die voor moedertaalsprekers van de doeltaal begrijpelijk is De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 2 herkent de verschillende klanken van de doeltaal kan de verschillende klanken van de doeltaal reproduceren kent een aantal woorden en formules rondom alledaagse en bijzondere gebeurtenissen kan een aantal formules gebruiken met betrekking tot: groeten en afscheid nemen instemmen en afwijzen bedanken verontschuldigen aandacht vragen gelukwensen bij verjaardagen, kerst en nieuwjaar condoleren persoonlijke gegevens zoals naam, leeftijd, adres en telefoonnummer aanspreekformules Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: Mondelinge taalvaardigheid Kerndoel 3. De leerling kan informatie of zijn eigen mening met betrekking tot verschillende onderwerpen aan een publiek presenteren De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 2 kent eenvoudige liedjes kan eenvoudige liedjes voor een groep zingen Educatiegebied: Taal, Geletterdheid en Communicatie Vreemde Talen Domein: schrijfvaardigheid Kerndoel 4. De leerling kan over verschillende onderwerpen schriftelijke informatie geven De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cyclus 2 kent technieken om korte, persoonlijke en informele teksten te schrijven schrijft teksten met informatie over / beschrijving van zichzelf, zijn gezin, vrienden of activiteiten op school. schrijft deze teksten via email weet hoe eenvoudige formele informatie te geven kan persoonlijke gegevens invullen op een eenvoudig invulformulier kent de spelling van de doeltaal kan beluisterde woorden en korte zinnen correct opschrijven weet dat de bij het moedertaalonderwijs verworven schrijfstrategieën ingezet kunnen worden past schrijfstrategieën voor, tijdens en na het schrijven toe</p></div>", "next": 0}