{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">3 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven essen stelt regels gericht op bescherming van de landschappelijke openheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De in het derde lid bedoelde regels bevatten in elk geval een verbod op nieuwe houtteelt en op de aanleg van bos en boomgaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.52.2</span><span class=\"lf-art-t\">Esgehuchten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de directe omgeving van de op kaart 7 aangegeven esgehuchten stelt regels gericht op bescherming van de landschappelijke openheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een verbod op nieuwe houtteelt en op de aanleg van bos en boomgaarden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.27 Wierden en zones rond wierden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.53.1</span><span class=\"lf-art-t\">Wierden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven wierden, stelt regels gericht op bescherming van het reliëf, voor zover de Erfgoedwet niet in bescherming voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid, kunnen de regels voorzien in aanvulling van een wierde als die aanvulling dient om de landschappelijke en cultuurhistorische waarden te versterken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.53.2</span><span class=\"lf-art-t\">Zones rond wierden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de zones rond wierden en wierdedorpen aangegeven op kaart 7 bevat regels gericht op bescherming van de landschappelijke openheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval een verbod op nieuwe houtteelt en op de aanleg van bos en boomgaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.54</span><span class=\"lf-art-t\">Kanalen en wijken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven kanalen en wijken bevat regels gericht op bescherming van de herkenbaarheid van de kanalen- en wijkenstructuur.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.28 Houtsingelgebied, pingoruïnes, herkenbare verkaveling Zuidelijk Westerkwartier</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.55.1</span><span class=\"lf-art-t\">Houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier bevat regels gericht op bescherming van de herkenbare verkaveling en de houtsingels. Ook bevat het in elk geval een verbod op het kappen of rooien van houtsingels, als dat niet gebeurt voor normaal onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2552\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.55.2</span><span class=\"lf-art-t\">Pingoruïnes Zuidelijk Westerkwartier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven pingoruïnes Zuidelijk Westerkwartier bevat regels gericht op bescherming van deze ruïnes. Ook bevat het in elk geval een verbod op het dempen, egaliseren en afschuiven van pingoruïnes.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.29 Besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde en pingoruïnes Gorecht</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.56.1</span><span class=\"lf-art-t\">Besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het op kaart 7 aangegeven besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde, stelt regels gericht op bescherming van de houtwallen, houtsingels en meidoornhagen. Ook bevat het in elk geval een verbod op het kappen of rooien daarvan, anders dan ten behoeve van normaal onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.56.2</span><span class=\"lf-art-t\">Pingoruïnes Gorecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7, aangegeven pingoruïnes Gorecht, stelt regels ter bescherming van deze ruïnes. Ook bevat het in elk geval een verbod op het dempen, egaliseren en afschuiven van pingoruïnes.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.30 Glaciale ruggen, reliëfinversie en dekzandruggen en oude dijken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2571\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.57.1</span><span class=\"lf-art-t\">Glaciale ruggen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7, aangegeven glaciale ruggen stelt regels gericht op bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval: een verbod op het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van de glaciale ruggen; regels voor houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In een bestemmingsplan kan aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden toegekend om – in afwijking van het tweede lid - een omgevingsvergunning te verlenen voor het afgraven, egaliseren en afschuiven van glaciale ruggen, indien de uitvoering van de werkzaamheden niet leidt tot aantasting van de herkenbaarheid van de glaciale rug.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2572\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.57.2</span><span class=\"lf-art-t\">Reliëfinversie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7, aangegeven ‘reliëfinversie’ stelt regels gericht op bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval: een verbod op het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van de inversieruggen; regels voor houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2573\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.57.3</span><span class=\"lf-art-t\">Dekzandruggen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7, aangegeven ‘dekzandruggen’ stelt regels gericht op de bescherming van het reliëf, al dan niet in combinatie met stuifzandreliëf, en de herkenbaarheid daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in elk geval: een verbod op diepploegen, egaliseren en afschuiven van de dekzandruggen; regels voor houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2574\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.57.4</span><span class=\"lf-art-t\">Oude dijken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan voorziet niet in bouwmogelijkheden die leiden tot wijziging van het profiel van de op kaart 7 aangegeven 'oude dijken' of delen of restanten daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een bestemmingsplan stelt in elk geval de volgende regels voor de gebruiksmogelijkheden van de op kaart 7 aangegeven oude dijken: een verbod op het diepploegen, egaliseren en afschuiven van dijkgronden; een verbod op het gebruik anders dan als grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een bestemmingsplan voorziet in regels gericht op bescherming van de landschapselementen die met de oude dijken samenhangen, waaronder coupures, schotbalkloodsjes en kolken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing wanneer de aanpassing van het profiel van de oude dijk of van een deel of een restant daarvan nodig is: om onevenredig grote hinder voor de landbouw te voorkomen; of om de landschappelijke of cultuurhistorische waarden te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Een bestemmingsplan voorziet niet in bouw- of gebruiksmogelijkheden die aanwending van de op kaart 7 aangegeven oude dijken als waterkering beperken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.31 Karakteristieke waterlopen en daarmee samenhangende laagten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2581\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.58.1</span><span class=\"lf-art-t\">Karakteristieke waterlopen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven karakteristieke waterlopen bevat regels gericht op bescherming van het beloop en het profiel van deze waterlopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.58</span><span class=\"lf-art-t\">2 Karakteristieke laagten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven karakteristieke laagten bevat regels gericht op bescherming van de laagten die vanuit de natuurlijke oorsprong met een waterloop samenhangen of hebben samengehangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De regels, bedoeld in het eerste lid, bevatten in elk geval een regeling voor het diepploegen, ophogen, egaliseren en afschuiven van de laagten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.32 Diepe plassen en meren, groene linten en Waddenzee</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2591\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.59.1</span><span class=\"lf-art-t\">Diepe plassen en meren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven 'diepe plassen en meren' bevat een verbod op het dempen en op het geheel en gedeeltelijk verondiepen van de plassen en meren, als dat niet gebeurt ten behoeve van het afwerken van diepe plassen en meren en van aanpassingen aan oevers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2592\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.59.2</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtstreeks werkende regel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.59.1, ofwel bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om de op kaart 7 aangegeven diepe waterplassen en meren te dempen of geheel of gedeeltelijk te verondiepen. Werkzaamheden die samenhangen met het afwerken van diepe waterplassen en aanpassingen aan de oevers zijn uitgezonderd van dit verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2593\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.59.3</span><span class=\"lf-art-t\">Groene linten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven groene linten bevat regels gericht op bescherming van de wegbeplanting en de daarmee samenhangende slingertuinen. Deze regels bevatten in ieder geval: regels gericht op bescherming van de bestaande wegbeplanting en de inrichting van de daarmee samenhangende slingertuinen; regels gericht op voorkoming van onnodige kap en het verplichten van herplant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2594\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.59.4</span><span class=\"lf-art-t\">Waddenzee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7 aangegeven Waddenzee, voorziet niet in exploratie- of exploitatieboringen naar aardgas.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.33 Bosaanleg/houtteelt, opstrekkende verkaveling en onregelmatige blokverkaveling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2601\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.60.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleg van bos en nieuwe houtteelt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied voorziet niet in de aanleg van bos en nieuwe houtteelt, tenzij de aanleg van het bos een integraal onderdeel vormt van een meer omvattende functieverandering en plaatsvindt in aansluiting op bebouwd gebied of aangrenzende bebouwingslinten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2602\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.60.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bosontwikkelingszones</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een op kaart 7 aangegeven bosontwikkelingszone, kan voorzien in nieuwe houtteelt en in de aanleg van bos.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2603\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.60.3</span><span class=\"lf-art-t\">Landschap met herkenbare opstrekkende verkaveling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het op kaart 7 aangegeven 'landschap met herkenbare opstrekkende verkaveling 'bevat regels gericht op bescherming van de herkenbare opstrekkende verkaveling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2604\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.60.4</span><span class=\"lf-art-t\">Landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het op kaart 7 aangegeven landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling, bevat regels gericht op bescherming van de herkenbare onregelmatige blokverkaveling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.34 Slotenpatroon Appingedam-Delfzijl</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.61.1</span><span class=\"lf-art-t\">Slotenpatroon Appingedam-Delfzijl</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op de op kaart 7aangegeven karakteristieke sloten Appingedam-Delfzijl bevatregels gericht op bescherming van het beloop en het profiel van de sloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De regels bedoeld in het eerste lid bevatten in elk geval een verbod op het verleggen en dempen van de op kaart 7 aangegeven karakteristieke sloten Appingedam-Delfzijl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.61.2</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtstreeks werkende regel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.61.1, of bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om de in kaart 7 aangegeven karakteristieke sloten Appingedam-Delfzijl te verleggen of te dempen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.62</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten kaart 7 landschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn bevoegd kaart 7 landschap te wijzigen teneinde deze kaart in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Water</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3.1 Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet; waterbergingsgebied: berging wateroverlast, noodberging wateroverlast en zoekgebied noodberging; minister: minister van Infrastructuur en Milieu; infiltratie: brengen van water in een grondwaterlichaam om het grondwater aan te vullen; onttrekking: onttrekken van grondwater aan een grondwaterlichaam; projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet; regionale waterkering: door Gedeputeerde Staten als zodanig aangewezen waterkering; regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet; waterstaatkundige eenheid: een stelsel van gemeenliggende oppervlaktewateren. grondwateronttrekker: houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2 van de Verordening op het instellen en invorderen van de grondwaterheffing van de provincie Groningen; milieubeschermingsgebied: door Provinciale Staten als zodanig aangewezen gebied; werk: werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In dit hoofdstuk wordt onder waterschap verstaan het bevoegde orgaan van het betrokken waterschap.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3.2 Waterveiligheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De regionale waterkeringen zijn de keringen, als aangegeven op kaart 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten stellen voor de in het eerste lid genoemde regionale waterkeringen de maatgevende hoogwaterstanden (MHW’s) vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde Staten kunnen langs regionale waterkeringen beschermingszones vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Op het aanwijzingsbesluit van het derde lid is Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsnormen voor hoogte en stabiliteit van regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De veiligheidsnormen voor de regionale waterkeringen, langs de boezems van de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s, zijn aangegeven op de kaarten van bijlage 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De veiligheidsnorm voor de regionale waterkeringen langs de Friese boezem is 1:100.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde Staten stellen regels vast voor de door de waterschappen te verrichten beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkeringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpassing aan veiligheidsnormen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De regionale waterkeringen in de boezems van de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa's moeten uiterlijk op 1 januari 2020 aan de veiligheidsnormen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De regionale waterkeringen in de Friese boezem moeten uiterlijk op 1 januari 2020 aan de voorgeschreven veiligheidsnormen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In afwijking van het eerste lid moeten de regionale waterkeringen van het waterschap Noorderzijlvest, die de maatgevende waterstanden op de Eemskanaal-Dollardboezem moeten keren, uiterlijk op 1 januari 2019 aan de veiligheidsnormen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Op basis van een gemotiveerd voorstel van een waterschap kunnen Provinciale Staten de veiligheidsnormen voor stabiliteit van de regionale waterkeringen met een veiligheidsnorm van 1/300 of 1/1000 wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Een besluit van Provinciale Staten tot wijziging van de veiligheidsnorm voor stabiliteit wordt uiterlijk vóór 1 januari 2023 genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De regionale waterkeringen waarvoor een gewijzigde veiligheidsnorm voor stabiliteit wordt vastgesteld, moeten uiterlijk op 1 januari 2029 aan de veiligheidsnormen voor stabiliteit voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Regionale waterkeringen die in aardbevingsgevoelig gebied liggen, moeten uiterlijk op 1 januari 2020 aan de veiligheidsnormen voor hoogte en stabiliteit voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht op provinciegrensoverschrijdende regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten van de betrokken provincies kunnen besluiten dat het toezicht op een regionale waterkering die in meer dan één provincie ligt, wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de waterkering grotendeels is gelegen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3.3 Waterkwantiteit</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Normen waterkwantiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De normen waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moet zijn ingericht staan per gebied aangeduid op kaart 9. Provinciale Staten stellen ook regels vast voor de beoordeling door het waterschap van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het waterschap het tijdstip vast waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren moet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde normen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Watertekort en regionale verdringingsreeks</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied om botulisme en blauwalgen te voorkomen, als er sprake is van risico voor de volksgezondheid; onttrekking van proceswater aan het oppervlaktewater voor de industrie en gietwater; doorspoeling van het Eemskanaal voor zover dat nodig is voor het zoet houden van de voedingsweg naar Oost-Groningen; beregening van akker- en tuinbouwgewassen anders dan voorzien in het tweede lid, onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: beregening van akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens; doorspoeling voor aanvoer van beregening van akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens; peilhandhaving in het gebied ten zuiden van het Winschoterdiep en de Westerwoldse Aa, onverminderd artikel 2.1, eerste lid onder 1, van het Waterbesluit; peilhandhaving in de overige gebieden, onverminderd artikel 2.1, eerste lid onder 1, van het Waterbesluit; watervoorziening voor peilhandhaving en doorspoeling in niet-kwetsbare natuurgebieden; onttrekking uit het oppervlaktewater voor beregening van gras en maïs; doorspoeling uit het oppervlaktewater voor aanvoer van beregening van gras en maïs; waterstandsverhoging ten behoeve van extra-infiltratie tot maximaal 0.20 m in het gebied ten zuiden van het Winschoterdiep en Westerwoldse Aa; waterstandsverhoging voor extra infiltratie in de overige gebieden; eventuele lokstromen voor de visintrek; overige doorspoeling; zuinig aandoen met schutbedrijf, eventueel door konvooivaart.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.3.1 Waterakkoord, regionale plannen en beheerplannen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Advies bij voorbereiding waterakkoord</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de voorbereiding van het waterakkoord, bedoeld in artikel 3.7 van de Waterwet, raadpleegt het waterschap het college van burgemeester en wethouders van de gemeente(n) en Gedeputeerde Staten van de provincie(s) die geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het beheersgebied waarop het waterakkoord van toepassing is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.3.2 Regionaal waterplan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud regionaal waterplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Onverminderd artikel 4.4 van de Waterwet bevat het regionaal waterplan, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring die de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het regionaal waterplan duidt de aspecten aan van het provinciale ruimtelijke beleid, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het regionaal waterplan kan bepalen dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan uitwerken volgens de in datzelfde plangegeven regels.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.3.3 Beheerplannen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud beheerplannen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 4.6 van de Waterwet bevat het beheerplan ten minste: het beleid voor het beheer van de watersystemen, gericht op de aan deze watersystemen toegekende functies en doelstellingen; een beschrijving van de maatregelen om de gestelde doelen te bereiken met prioriteitstelling en fasering; een raming van de kosten voor de maatregelen die tijdens de planperiode genomen moeten worden, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de omslagen of heffingen die in de planperiode moeten worden opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbereiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een beheerplan is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het waterschap overlegt vóór de vaststelling van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het beheerplan met de aangrenzende waterschappen, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die in het plangebied liggen, en met de Gedeputeerde Staten van de betrokken provincies.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het waterschap raadpleegt over het ontwerpbesluit tot vaststelling van het beheerplan de beheerders van de grensoverschrijdende of grensvormende watersystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het waterschap stuurt een vastgesteld beheerplan toe aan de instanties, bedoeld in het tweede en derde lid, en aan de minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.13</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het beheerplan kan voorzien in de bevoegdheid om het beheerplan of onderdelen daarvan uit te werken volgens de in het plan gegeven regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Artikel 3.12 is van overeenkomstige toepassing bij de voorbereiding van een op grond van het eerste lid vast te stellen besluit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.3.4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.14</span><span class=\"lf-art-t\">Projectprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op: projectplannen van waterschappen voor de aanleg of wijziging van waterkeringen met uitzondering van primaire waterkeringen in de zin van de Waterwet; en op andere waterstaatswerken van bovenlokale betekenis die met spoed en gecoördineerd uitgevoerd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.15</span><span class=\"lf-art-t\">Toezending projectplan voor primaire waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het waterschap stuurt een projectplan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet, dat van toepassing is op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijktraject dat is gelegen in de provincie Groningen en in één of meer andere provincies, ook aan die andere provincie(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een projectplan als bedoeld in artikel 5.7 van de Waterwet dat is gericht op het grondgebied van twee of meer provincies.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.16</span><span class=\"lf-art-t\">Legger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Onverminderd artikel 5.1, tweede lid, van de Waterwet bevat de legger in ieder geval: het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen, regionale oppervlaktewaterlichamen onder beheer bij het waterschap en waterbergingsgebieden, voor zover het de berging wateroverlast betreft, en de noodberging wateroverlast; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire- en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en waterbergingsgebieden, voor zover het de berging wateroverlast betreft, en de noodberging wateroverlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op de overzichtskaart, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, tweede volzin, van de Waterwet, zijn de waterkeringszones aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De legger vervalt van rechtswege wanneer niet binnen tien jaar na vaststelling is besloten tot herziening of hernieuwde vaststelling. Na herziening of hernieuwde vaststelling is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, gedurende een aangegeven termijn, niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.17</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering leggerplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht, als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet, als het gaat om vorm, afmeting en constructie, als deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.3.5 Peilbesluiten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.18</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing verplichte peilbesluiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap stelt in ieder geval het peil vast voor de onder het beheer van het waterschap staande: boezem; waterstaatkundige eenheden die geheel of gedeeltelijk de bestemming natuur hebben of waarin gronden liggen die grenzen aan een natuurgebied; andere door Gedeputeerde Staten aan te wijzen waterstaatkundige eenheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud peilbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een peilbesluit gaat vergezeld van een kaart met de begrenzing van het gebied waarop het besluit van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het peilbesluit gaat ook vergezeld van een toelichting waarin in ieder geval opgenomen: de afwegingen en uitkomsten van de onderzoeken waarop het besluit is gebaseerd; een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-320\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.20</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare voorbereiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.3.6 Grondwater</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.21</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterregister(s)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten zorgen voor inschrijving van inrichtingen in het Landelijk Grondwater Register met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.14 van de Waterwet worden verstrekt. Bovendien worden daarin de vergunningen vermeld, op grond waarvan de onttrekking of de infiltratie plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het waterschap houdt een register bij van onttrekkingen en infiltraties, waarin in ieder geval de verleende vergunningen en meldingen en de feitelijk onttrokken of geïnfiltreerde hoeveelheden per jaar per vergunninghouder worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het waterschap verschaft de op grond van het tweede lid geregistreerde gegevens aan Gedeputeerde Staten, die ervoor zorgen dat deze gegevens in het Landelijk Water Register komen te staan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.22</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting die niet op grond van artikel 3.21, derde lid, is gemeld, ambtshalve in het Landelijk Water Register laten inschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij toepassing van het eerste lid wordt de datum waarop de onttrekking is begonnen als datum van inschrijving aangehouden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.3.7 Verslaglegging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.23</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag waterschappen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het waterschap brengt jaarlijks verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de stand en de voortgang van zijn taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten stellen nadere regels voor de voorbereiding, de inhoud en de inzendtermijn van het in het eerste lid bedoelde verslag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3.4 Schoon en voldoende water</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.4.1 Milieubeschermingsgebieden en voor verzuring gevoelige, zeer kwetsbare gebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In deze titel wordt verstaan onder: boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, inclusief een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering; drinkwaterbedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; grond- of funderingswerk: werk in de bodem, inclusief het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies; schadelijke stof: iedere stof of combinatie daarvan in welke vorm dan ook die, wanneer die op of in de bodem wordt gebracht, de bodem verontreinigt of kan verontreinigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onder oprichten, aanbrengen, in exploitatie nemen, houden en gebruiken wordt in deze titel ook wijzigen of uitbreiden begrepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.25</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijke regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften van deze titel zijn niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer noch op normale werkzaamheden van visserijtechnische, bosbouwkundige of beheerstechnische aard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing en begrenzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Milieubeschermingsgebieden en de gebieden, bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, zijn de gebieden zoals aangeven op kaart 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.27</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een milieubeschermingsgebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als beschermingsgebied is aangewezen, kan worden geschaad is, behalve wanneer dat volgens deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan, verplicht dergelijk handelen achterwege te laten of als dat laatste redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die schade te voorkomen, of wanneer die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing: op handelingen verricht in inrichtingen waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod geldt; op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer; voor zover artikel 9.2.1.2. of artikel 10.1 van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ontheffing van het eerste lid is niet mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.28</span><span class=\"lf-art-t\">Milieubeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Milieubeschermingsgebieden onderscheiden zich in stiltegebieden, gebieden met verbod op fysische bodemaantasting, grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het besluit tot aanwijzing van een milieubeschermingsgebied zoals vastgelegd op kaart 3, vermeldt of de aanwijzing een stiltegebied, een grondwaterbeschermingsgebied, een waterwingebied of een combinatie hiervan betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels en vrijstellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen voor de uitvoering van de voorschriften van deze titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat de verbodsbepalingen van deze titel niet van toepassing zijn op door hen te bepalen handelingen en gedragingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29</span><span class=\"lf-art-t\">A Aanduiding grondwaterbeschermingsgebied en waterwingebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Gedeputeerde Staten of de grondwateronttrekker zorgen ervoor dat het grondwaterbeschermingsgebied en waterwingebied voor het publiek zichtbaar wordt aangeduid door middel van borden, waarvan het model wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als de grondwateronttrekker de borden plaatst, kunnen Gedeputeerde Staten aanwijzingen geven voor de locaties waar dat moet gebeuren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.4.2 Gebieden met verbod op fysische bodemaantasting</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.30</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden om in een gebied met verbod op fysische bodemaantasting een bodemenergiesysteem aan te brengen, in exploitatie te nemen of te houden, of anderszins een inrichting op te richten voor zover die inrichting wordt gebruikt voor het onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het is verboden om in een boringvrije zone een boorpunt aan te leggen, in exploitatie te nemen of te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het is verboden om de grond dieper te roeren dan 3 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op werkzaamheden ter uitvoering van een besluit op grond van de Waterwet, de Wet bodembescherming of de Ontgrondingenwet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.4.3 Grondwaterbeschermingsgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.31</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten die behoort tot een categorie, als bedoeld in Bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten als die inrichting behoort tot één van de door Gedeputeerde Staten aan te wijzen categorieën van inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het tweede lid is niet van toepassing op een inrichting waarop artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.32</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod ondergrondse tanks en bodemenergiesysteem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden om in een grondwaterbeschermingsgebied een ondergrondse tank voor de opslag van vloeibare aardolieproducten op te richten, in exploitatie te nemen, te houden of te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het is verboden om in een grondwaterbeschermingsgebied een bodemenergiesysteem aan te brengen, in exploitatie te nemen of te houden, als anderszins een inrichting op te richten voor zover die inrichting wordt gebruikt voor het onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.33</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden opslag stoffen in inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een inrichting die behoort tot een categorie als bedoeld in Bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht is het verboden om zeer licht ontvlambare stoffen, licht ontvlambare stoffen, ontvlambare stoffen, of brandbare stoffen al dan niet in een ondergrondse tank op te slaan, als die opslag naar redelijke verwachting nadelige gevolgen heeft of zal hebben voor de kwaliteit van de bodem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod schadelijke stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden om buiten inrichtingen schadelijke stoffen te houden, te gebruiken, te vervoeren of in de bodem te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing op het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van kleine hoeveelheden schadelijke stoffen in, naar en bij een woning of een ander gebouw, op voorwaarde dat; er sprake is van een kleine hoeveelheid van die schadelijke stoffen; de schadelijke stoffen nodig zijn voor het normale gebruik van de woning of het andere gebouw; en de schadelijke stoffen worden bewaard in een deugdelijke verpakking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste lid is niet van toepassing op schadelijke stoffen die aanwezig of nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer en het gebruik van middelen ter bestrijding van gladde wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking en deugdelijk geladen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het eerste lid is niet van toepassing op kunstmest voor normaal landbouwkundig gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Het eerste lid is niet van toepassing op graafwerkzaamheden en het in de bodem brengen van grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet en het in de bodem brengen van niet plaatselijk verbrede hulpbuizen die grondverdringend worden ingebracht en niet worden getrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Het eerste lid is niet van toepassing op de verwerking van grond of baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen op niet verdachte locaties en waarvan de achtergrondwaarde AW-2000 niet overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoeren van schadelijke stoffen die deugdelijk zijn verpakt in vloeistofdichte tanks of andere verpakking en deugdelijk zijn geladen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 De verpakking en belading als bedoeld in het tweede lid onder c, en in het vijfde lid, is deugdelijk, wanneer weersomstandigheden geen invloed hebben op de schadelijke stoffen en er geen risico bestaat op verspreiding of verstuiving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.35</span><span class=\"lf-art-t\">Zuiveringsslib</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied buiten inrichtingen zuiveringsslib te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.36</span><span class=\"lf-art-t\">Constructies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een werk aan te leggen of te houden dat gebruikt kan worden voor het vervoeren, het bergen, het opslaan, het overslaan, het storten of het verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.37</span><span class=\"lf-art-t\">Begraafplaatsen en strooivelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of een strooiveld in de zin van de Wet op de lijkbezorging of een dierbegraafplaats aan te leggen, te houden of te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.38</span><span class=\"lf-art-t\">Boorputten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een boorput aan te leggen, in exploitatie te nemen of te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.39</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om in grondwaterbeschermingsgebieden buiten inrichtingen: de grond dieper te roeren dan 3 meter onder het maaiveld of anderszins werken op of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; wegen, parkeergelegenheden, al dan niet tijdelijk, en terreinen voor gemotoriseerd verkeer, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; kampeergelegenheden, recreatiecentra, of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; kadavers in of op de bodem te brengen of te hebben; een lozing in de bodem uit te voeren, waaronder diepinfiltratie van regen of oppervlaktewater; grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde AW-2000 overschrijdt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.40</span><span class=\"lf-art-t\">Inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Wanneer Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning verlenen voor een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied, bevat deze vergunning in ieder geval voorschriften en verplichtingen gericht op het wegnemen of minimaliseren van het bodemrisico.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten kunnen inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, aanwijzen, waarin het verboden is om zeer licht ontvlambare stoffen, licht ontvlambare stoffen, ontvlambare stoffen, of brandbare stoffen al dan niet in een ondergrondse tank op te slaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.4.4 Waterwingebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.41</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod inrichtingen en bodemenergiesystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een waterwingebied: een inrichting op te richten die behoort tot een categorie als bedoeld in Bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht; of een bodemenergiesysteem aan te brengen, in exploitatie te nemen of te houden, of anderszins een inrichting op te richten voor zover die inrichting wordt gebruikt voor het onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.42</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod schadelijke stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden in een waterwingebied schadelijke stoffen te houden, te vervoeren, te gebruiken of in de bodem te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing op het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van kleine hoeveelheden schadelijke stoffen in, naar en bij een woning of een ander gebouw, op voorwaarde dat: er sprake is van een kleine hoeveelheid van die schadelijke stoffen; de schadelijke stoffen nodig zijn voor het normale gebruik van de woning of het andere gebouw; en de schadelijke stoffen worden bewaard in een deugdelijke verpakking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste lid is niet van toepassing op schadelijke stoffen die aanwezig of nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer en het gebruik van middelen ter bestrijding van gladde wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoeren van schadelijke stoffen die deugdelijk zijn verpakt in vloeistofdichte tanks of andere verpakking en deugdelijk zijn geladen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De verpakking en belading, bedoeld in het tweede lid onder c, en in het vijfde lid, is deugdelijk, wanneer weersomstandigheden geen invloed hebben op de schadelijke stoffen en er geen risico bestaat op verstuiving van de schadelijke stoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.43</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod boorputten en roeren grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden om: een boorput aan te leggen, in exploitatie te nemen of te houden; de grond dieper dan 3 meter onder het maaiveld te roeren of op een andere manier een werk op of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waardoor de beschermende functie van een bodemlaag voor onderliggende lagen vermindert.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing op: het verrichten van werkzaamheden gericht op grondwateronttrekkingen voor de productie van drinkwater; de aanleg, de exploitatie of het houden van een boorput waarvoor op grond van de Waterwet een vergunning is verleend of die nodig is voor de uitvoering van de Wet bodembescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.44</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod diepinfiltratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden via diepinfiltratie regen- of oppervlaktewater in de bodem te brengen of op een andere manier een lozing in de bodem uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid in niet van toepassing op een lozing die is begonnen voordat het gebied waarin de lozing wordt verricht, aangewezen is als waterwingebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.45</span><span class=\"lf-art-t\">Overige verbodsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om: dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost te gebruiken; een werk tot stand te brengen of te houden dat gebruikt kan worden voor het vervoer, de opslag, het overslaan, het storten of het verzinken van schadelijke stoffen; een begraafplaats of een strooiveld op grond van de Wet op de lijkbezorging aan te leggen, te houden of te gebruiken; een weg, een parkeergelegenheid of een ander terrein dat openstaat voor gemotoriseerd verkeer, aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; een kampeergelegenheid, recreatiecentrum of kampement aan te leggen, te houden, in exploitatie te nemen of te exploiteren; een kadaver op of in de bodem te brengen of te houden; grond of baggerspecie toe te passen, waarvan de achtergrondwaarde AW-2000 overschrijdt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3.a. Wet natuurbescherming</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3a.1 Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: faunabeheereenheid: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; wildbeheereenheid: wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; grondgebruiker: grondgebruiker als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; wet: Wet natuurbescherming; boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 5 hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke Provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg; taxateur: taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3a.2 Handelingen ten aanzien van Natura 2000-gebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Vrijstelling vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet zijn aangewezen: het weiden van vee; en het op of in de bodem brengen van meststoffen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3a.3 Vrijstellingen soortenbescherming</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Aanwijzing soorten schadebestrijding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de wet worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage 7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Vrijstelling schadebestrijding</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 3.5, tweede lid, van de wet is het aan grondgebruikers toegestaan om de in bijlage 7 aangewezen soort opzettelijk te verstoren op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende ernstige schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt ten behoeve van de in bijlage I bij de betreffende soort genoemde belangen, voor het in deze bijlage genoemde gebied, onder gebruik van de in deze bijlage genoemde middelen en onder de in deze bijlage genoemde voorschriften en beperkingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Handelingen als bedoeld in het eerste lid worden verricht overeenkomstig het faunabeheerplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de wet de vrijstelling door een ander laat uitoefenen, dient deze persoon de schriftelijke en gedagtekende toestemming op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar te tonen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen de werking van dit artikel opschorten indien bijzondere weersomstandigheden hier, naar hun oordeel, aanleiding toe geven.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Aanwijzing soorten onderhoud, beheer en werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als soorten als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, van de wet worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage 8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Vrijstelling onderhoud, beheer en werkzaamheden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 3.10, eerste lid, van de wet gelden de in dat lid opgenomen verboden niet voor de soorten genoemd in bijlage 8, mits het gaat om handelingen die worden verricht in verband met: de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting; de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; bestendig gebruik.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid bedoelde vrijstellingen gelden indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten wijzen de middelen aan waarmee gebruik mag worden gemaakt van de vrijstelling bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft vangen en doden als bedoeld in artikel 3.25, eerste lid, van de wet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Vrijstelling voor bescherming weidevogels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden, bedoeld in artikel 3.1, tweede, derde en vierde lid, en artikel 3.5, tweede, derde en vierde lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van weidevogels, behorende tot vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en 3.5, eerste lid, van de wet, ten behoeve van activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van weidevogels, hun eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">8 Aanwijzing soort overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als soort als bedoeld in artikel 3.16, derde lid, van de wet wordt aangewezen de soort genoemd in bijlage 9.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">9 Vrijstelling bestrijding overlast</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, van de wet is het aan gemeenten in de provincie Groningen toegestaan om dieren van de in bijlage 9 aangewezen soort opzettelijk te vangen, of de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen, ter bestrijding van overlast veroorzaakt door deze dieren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt ten behoeve van de in bijlage 9 bij de betreffende soort genoemde belangen, voor het in deze bijlage genoemde gebied, onder gebruik van de in deze bijlage genoemde middelen en onder de in deze bijlage genoemde voorschriften en beperkingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen bij regeling voor een daarbij aangegeven periode of voor daarbij aangewezen bebouwde kommen de vrijstelling bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen indien afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van dieren van de in het eerste lid bedoelde soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3a.4Faunabeheer</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3a.1 Faunabeheereenheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">10Faunabeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan of, indien meer faunabeheerplannen van kracht zijn, deze faunabeheerplannen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">11 Werkgebied faunabeheereenheidHet werkgebied van een faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het grondgebied van andere Provincies</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Er is één faunabeheereenheid waarvan het werkgebied zich uitstrekt over de gehele provincie Groningen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het werkgebied van een faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het grondgebied van andere Provincies.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">12 Erkenningsvoorwaarden faunabeheereenheid</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Om door Gedeputeerde Staten te worden erkend als faunabeheereenheid in de zin van artikel 3.12 van de wet voldoet de faunabeheereenheid aan artikel 3a.11 en bevatten haar verenigings- of stichtingsstatuten bepalingen die overeenstemmen met artikel 3a.13 en 3a.14.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">13 Vertegenwoordigende partijen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In het bestuur van de faunabeheereenheid is een bestuurszetel beschikbaar voor in ieder geval elk van de volgende vertegenwoordigers van jachthouders en belangengroepen: terreinbeherende organisaties; jachthouders met een jachtakte uit het werkgebied van de faunabeheereenheid; de agrarische sector; private grondeigenaren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Naast de zetels genoemd in het eerste lid zijn er in het bestuur van de faunabeheereenheid in elk geval twee zetels beschikbaar voor maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het profiel van de in het tweede lid genoemde partijen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">14 Voorzitter</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het bestuur van de faunabeheereenheid wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De voorzitter wordt geacht onafhankelijk te zijn indien deze geen dienstverband heeft bij of geen lid of bestuurslid is van één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">15 Tellingen en registratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De faunabeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan of de faunabeheerplannen, deel aan trendtellingen van diersoorten, en tevens de afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren van deze soorten, voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de faunabeheereenheid uitstrekt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3a.2 Faunabeheerplannen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">16 Doelstelling faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een faunabeheerplan is gericht op het duurzaam beheer van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">17 Reikwijdte faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5.000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">18 Geldigheidsduur faunabeheerplan</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In een faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren heeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De faunabeheereenheid kan een faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">19 Eisen aan faunabeheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens: de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van de in onderdeel c bedoelde soorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°, artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h, en artikel 3.17, eerste lid, van de wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen in de vijf jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren; de huidige en gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten; per diersoort een beschrijving van de locatie, periode, aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken, en schade te voorkomen; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voorzover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; voorzover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden; voorzover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen; een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;</p>\n<p class=\"lf-p\">een omschrijving van de redelijke wildstand, bedoeld in artikel 3.20, derde lid, van de wet alsmede een onderbouwing van de wijze waarop de jacht hieraan zal bijdragen; een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens onderverdeeld naar diersoort per wildbeheereenheid, in de vijf jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">20 Goedkeuring</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Om voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de wet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 3a.16 tot en met 3a.19.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van een faunabeheerplan als bedoeld in artikel 3a.18, tweede lid.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3a.3 Wildbeheereenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">21 Werkingsgebied wildbeheereenheid</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied binnen de provincie Groningen met een oppervlakte van ten minste 5.000 hectare.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid wordt door de betreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door Gedeputeerde Staten bekendgemaakt in het provinciaal blad. De kaart wordt tevens door de faunabeheereenheid op internet gepubliceerd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">22 Afbakening werkgebied wildbeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">23 Organisatie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De wildbeheereenheid dient volledige rechtsbevoegdheid te hebben.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij of krachtens de statuten van de wildbeheereenheid worden de plichten opgenomen die de bij de wildbeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de wildbeheereenheid verleende bevoegdheden of de aan de wildbeheereenheid door grondgebruikers of door de faunbeheereenheid afgegeven toestemmingen in de zin van artikel 3.15, zevende lid en artikel 3.17, derde lid van de wet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">24 Samenwerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wildbeheereenheden die niet kunnen voldoen aan artikel 3a.21, eerste lid, genoemde eis gaan met betrekking tot de uitvoering van de wettelijke taken van de wildbeheereenheid een samenwerkingsovereenkomst aan met een naburige wildbeheereenheid, zodanig dat ze gezamenlijk voldoen aan deze eis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">25 Lidmaatschap vereniging wildbeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jachthouders met een jachtakte sluiten zich aan bij de wildbeheereenheid in het werkgebied waarbinnen zij een jachtveld hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">26 Opzegging lidmaatschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De statuten van de wildbeheereenheid bevatten een regeling waarmee het lidmaatschap van een lid van de wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer dit lid bij handelingen ten behoeve van de uitvoering van een faunabeheerplan niet handelt overeenkomstig dit faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">27 Geschillenregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wildbeheereenheden stellen een door de faunabeheereenheid goedgekeurde gezamenlijke geschillenregeling in, waarmee geschillen worden behandeld die voortkomen uit bestuursbesluiten als bedoeld in artikel 3a.26.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">28Vrijstelling aansluiting bij wildbeheereenheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen regels stellen die betrekking hebben op de gevallen waarin en voorwaarden waaronder jachthouders met een jachtakte zijn vrijgesteld van lidmaatschap van een wildbeheereenheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3a.5 Houtopstanden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">29 Eisen aan de melding van een velling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen regels met betrekking tot de eisen waaraan meldingen als bedoeld in artikel 4.2, eerste en tweede lid, van de wet moeten voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">30Termijnen voor meldingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, wordt niet minder dan 6 weken voorafgaand aan de velling gedaan en niet langer dan 1 jaar voorafgaand aan de velling 2. Gedeputeerde staten kunnen op verzoek toestaan dat binnen 6 weken na de melding als bedoeld in het eerste lid wordt aangevangen met de velling.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">31 Wijze van melden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet wordt niet anders gedaan dan via een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld formulier of vastgestelde elektronische wijze.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">32 Eisen aan herbeplantingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voor een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de wet geldt onder meer dat: de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; de nieuwe houtopstand gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; de nieuwe houtopstand binnen een periode van 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak dient te kunnen vormen; de nieuwe beplanting zowel kwalitatief als kwantitatief in redelijke verhouding staat tot de gevelde of tenietgegane houtopstand; het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse niet is toegestaan; indien herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden plaatsvindt deze geschiedt op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet; en, de herbeplante houtopstand op termijn ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden dient te kunnen vertegenwoordigen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen ook een vrijstelling inhouden van de eis dat bepaalde soorten bij herbeplanting niet mogen worden toegepast.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">33 Eisen aan herbeplanting op andere gronden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet, indien: de grond die de rechthebbende wil beplanten niet gelegen is in de provincies Groningen, Drenthe of Friesland; de grond die de rechthebbende wil beplanten van mindere kwaliteit is dan die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; de grond die de rechthebbende wil beplanten een kleinere oppervlakte heeft dan die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; de gevelde houtopstand deel uitmaakte van een boskern; andere belangen, die verband houden met de bodemproductie of de bosbodem zoals die aanwezig is ter plaatse van de velling, hierdoor zouden worden geschaad; de grond die de rechthebbende wil beplanten niet vrij is van compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving of die voortvloeien uit ontheffingen voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet; de grond die de rechthebbende wil beplanten niet vrij is van herbeplantingplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de wet; of, de herbeplanting op andere grond afbreuk doet aan beschermde natuurwaarden of bijzondere landschappelijke waarden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet geschiedt op bosbouwkundig verantwoorde wijze als bedoeld in artikel 3a.32.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen aan de bij herbeplanting te gebruiken soorten, de wijze van beplanting, de locatie en oppervlakte van de herbeplanting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen in de gevallen genoemd in het eerste lid, onder a, b, c, d, e en h, op grond van bijzondere omstandigheden alsnog ontheffing verlenen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">34 Vrijstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de grond, waarop de velling zal worden verricht of waarop zich de gevelde of tenietgegane houtopstand bevond, nodig is voor de uitvoering van een werk overeenkomstig een bestemmingsplan, geldt geen meldings- of herbeplantingsplicht in de zin van artikel 4.2 en 4.3 van de wet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3a.6 Tegemoetkoming in schade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">35 De aanvraag om tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de wet in de door in het wild levende, beschermde vogels of dieren aangerichte schade aan de landbouw in behandeling nemen met inachtneming van de hierna volgende bepalingen: een aanvraag om een tegemoetkoming wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen; de aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen, nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd; schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">36Taxatie van de schade</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3a.7 Bijzondere situaties</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">37 Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens dit hoofdstuk buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 Vaarwegen en wegen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 4.1 Een veilige, vlotte doorvaart op de vaarwegen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.1.1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: vaarweg: vaarweg in de zin van het Binnenvaartpolitiereglement; vaarwegbeheer: overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van het profiel van een vaarweg, behoudens het beheer van de sluizen en de bruggen; vaarwegbeheerder: bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld in bijlage 4; waterschap: waterschap Noorderzijlvest, waterschap Hunze en Aa's of wetterskip Fryslân; werk/kunstwerk/waterstaatswerk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, inclusief oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen; eigenaar: degene die krachtens eigendom of enig ander zakelijk recht tot het genot is gerechtigd; gebruiker: degene die krachtens welke titel dan ook gerechtigd is tot het gebruik; nautisch beheer: het geheel aan verkeersmaatregelen en -voorzieningen die een vlotte en veilige afwikkeling van het scheepvaartverkeer moeten waarborgen; nautisch beheerder: bevoegd bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het nautisch beheer is belast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Deze titel is van toepassing op de vaarwegen in de provincie Groningen met uitzondering van de vaarwegen in beheer bij het Rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor vaarwegen van andere beheerders dan de provincie Groningen is deze titel alleen van toepassing voor zover het de doorvaart van de scheepvaart betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De vaarwegbeheerder zorgt voor de instandhouding van de vaarweg, voor een doelmatig gebruik van de vaarweg door de scheepvaart en voor de bediening van sluizen en bruggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De vaarwegen binnen de provincie Groningen worden weergegeven in de functiekaart vaarwegen zoals vastgesteld in de Omgevingsvisie van de provincie Groningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Toedeling vaarwegbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het vaarwegbeheer is opgedragen aan het waterschap waarbinnen de vaarweg ligt, tenzij Provinciale Staten het beheer van een vaarweg aan een ander overheidslichaam hebben opgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Provinciale Staten wijzen als vaarwegbeheerder de bestuursorganen aan anders dan het waterschap zoals in bijlage 4 opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoudsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Tot onderhoud van kanalen en waterstaatswerken zijn gehouden: zij die de verplichting krachtens wet, verordening, vergunning of overeenkomst hebben; zij die of wier rechtsvoorgangers zich daartoe bij een verbintenis hebben verplicht; zij die of wier rechtsvoorgangers zich als onderhoudsplichtigen hebben gedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor zover als gevolg van het eerste lid geen onderhoudsplichtigen kunnen worden aangewezen, rust de onderhoudsplicht op de eigenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderhoudsplicht omvat in ieder geval: de instandhouding van de vaarweg overeenkomstig het vastgestelde vaarwegprofiel; de instandhouding van de waterstaatswerken door, over of in de vaarweg, tenzij het onderhoud van die werken aan een ander is opgedragen; en het schoonhouden van de vaarweg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vrije doorvaart</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ieder is gehouden om zijn eigendommen in een zodanige staat te houden dat de vrije doorvaart van de vaarweg niet belemmerd wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.1.2 Vaarwegen in beheer bij de provincie Groningen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciale beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer van de provinciale vaarwegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing bevoegde autoriteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement, voor de vaarwegen in beheer bij de provincie Groningen, wordt door Gedeputeerde Staten aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bevoegde autoriteit is bevoegd tot het geven van aanwijzingen aan de gebruikers van vaarwegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarwegprofielen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen de vaarwegprofielen vast overeenkomstig artikel 5.1, derde lid, van de Waterwet van de vaarwegen in beheer bij de provincie Groningen. Zij nemen daarbij de Richtlijnen Vaarwegen 2011 als uitgangspunt, tenzij dit vanwege de plaatselijke situatie niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Bedieningstijden van bruggen en sluizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, voor zover deze in beheer en onderhoud zijn bij de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing andere ligplaats (Verhaalplicht)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaarpolitiereglement moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheerder een andere ligplaats innemen, wanneer onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt, of als de veilige of vlotte afwikkeling van de scheepvaart in het geding is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden: een vaarweg zodanig te veranderen dat de doorvaart belemmerd kan worden, anders dan met een vergunning van Gedeputeerde Staten en met in achtneming van de daaraan verbonden voorschriften; onder, op of boven een vaarweg riolen, duikers, leidingen, buizen, kabels en dergelijke te bouwen of aan te leggen of te verwijderen, anders dan met vergunning van Gedeputeerde Staten en met in achtneming van de daaraan verbonden voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het in het eerste lid genoemde verbod geldt ook voor situaties waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die vaarwegen in het geding is of kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit over de beperking van de gebruiksmogelijkheid van een vaarweg voor de scheepvaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor werken die door of namens de provincie Groningen worden uitgevoerd is een vergunning, als genoemd in het eerste lid niet vereist.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 4.2 Een vlotte en veilige doorstroming op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: weg: weg als bedoeld in van de Wegenverkeerswet 1994 ; alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen, zijkanten, sloten, rust- en parkeerplaatsen;. beheerder: Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen; onderhoudsplichtige: Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze titel is van toepassing op wegen die in beheer en onderhoud zijn bij de provincie Groningen. Daarnaast gelden de bepalingen van deze titel op situaties buiten wegen, waarbij het doelmatig en veilig gebruik, of het onderhoud van die wegen in het geding is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleg nieuwe wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor de aanleg van nieuwe wegen waaraan de bestemming van openbare weg zal worden gegeven en die zullen zijn gelegen buiten de door Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 27 van de Wegenwet vastgestelde grenzen van bebouwde kommen en van de daartoe behorende werken is, een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist, tenzij het Rijk of de provincie de wegen aanlegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor het bouwen van bruggen, tunnels en viaducten in bestaande of in nieuw aan te leggen wegen binnen de in het eerste lid bedoelde bebouwde kommen is, een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist, tenzij het Rijk of de provincie deze bruggen, tunnels of viaducten aanlegt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beheerder zorgt in ieder geval voor: het in stand houden van de weg en een doelmatig gebruik van de weg door het verkeer; de afvoer van water vanaf de weg; de afwikkeling van het verkeer bij hinder als gevolg van sneeuw of ijzel; het in stand houden van wegbebakening en bewegwijzering; zodanige beplanting op, langs, boven of onder de weg, dat het verkeer daarvan geen hinder ondervindt; en de verwijdering van stoffen, materialen en voorwerpen die op de weg zijn achtergelaten en die de verkeersveiligheid beperken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het onderhoud van de wegen omvat alles wat nodig is om de wegen in goede staat te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Tot het in goede staat houden van de wegen behoort in ieder geval: het handhaven van de aard en de afmetingen van de weg overeenkomstig de omschrijving in de legger, bedoeld in artikel 27 van de Wegenwet; het zodanig afwaterend houden van de weg, dat het water steeds vrij kan aflopen; het deugdelijk aanvullen van sporen en andere laagten en het onder een behoorlijk profiel houden van de weg; het in lichte kleur houden van de leuningregels van bruggen en andere kunstwerken; het zoveel mogelijk wegruimen van sneeuw, wanneer het verkeer over de weg in belangrijke mate wordt gehinderd door ophoping hiervan en het zo mogelijk nemen van maatregelen om het gevaar te ondervangen, dat voor het verkeer kan ontstaan door ernstige gladheid van het wegdek als gevolg van ijsvorming; het in doelmatige staat houden van de wegbebakening en van de bewegwijzering; zorgen voor goede afwatering van de weg door het geschikt houden van de sloten, greppels, goten, duikers en riolen die daarvoor dienen, met dien verstande dat de onderhoudsplicht voor sloten alleen geldt voor die helft van de sloot, die zich aan de wegzijde bevindt, tenzij, over dit onderhoud een afwijkende regeling bestaat; het houden van de kunstwerken in een zodanige staat, dat weggebruikers ongehinderd kunnen passeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Beplanting naast wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De rechthebbende op de beplanting naast de wegen zorgt ervoor dat deze beplanting steeds in een zodanige staat verkeert, dat zij geen hinder of gevaar veroorzaakt voor weggebruikers of het vrije uitzicht belemmert.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De rechthebbende op de beplanting naast de wegen is verplicht overhangende takken van naast de weg staande bomen en andere houtgewassen af te snijden en de in de wegen doorschietende wortels van die bomen en houtgewassen te verwijderen, als daardoor gevaar voor het verkeer of schade aan het wegdek kan ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanschrijving herstellen gebreken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als blijkt dat een weg of een gedeelte daarvan niet overeenkomstig de Wegenwet en deze verordening in goede staat verkeert, schrijven Gedeputeerde Staten de beheerder aan om te zorgen dat de gebreken worden hersteld binnen een bij die aanschrijving te bepalen termijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden naar een weg een uitweg te maken, te hebben of te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het is verboden van een weg gebruik te maken voor het leggen of laten liggen van riolen, duikers, leidingen, buizen en kabels, behoudens het bepaalde in de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het is verboden om tussen een weg en een andere niet bij de provincie in beheer zijnde weg een verbinding te maken, te hebben of te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het is verboden: op een weg, aan een weg, langs een weg, op een rust- of parkeerplaats langs de weg een standplaats in te nemen voor de levering van goederen en diensten; een voertuig als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of enige constructie voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op een weg, aan een weg, langs een weg, op een rust- of parkeerplaats langs de weg te parkeren, te plaatsen of te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het is verboden: in een weg te graven of te spitten of een berm op andere wijze te bewerken; een bermsloot te dempen of af te dammen of de afvoercapaciteit daarvan te wijzigen; in een berm beplanting aan te brengen, te hebben of te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het is verboden van een weg gebruik te maken voor het plaatsen en laten staan van borden, spandoeken en dergelijke, met uitzondering van de verkeerstekens volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Het is, voor zover dat niet al bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 strafbaar wordt gesteld, verboden buiten een weg verlichting en voorwerpen zodanig aan te brengen of te hebben, dat daardoor de veiligheid van het verkeer op de weg in gevaar kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Het is verboden op gronden langs een weg, voertuigen, werken, voorwerpen, stoffen en materialen, wallen, bouwwerken en beplanting te plaatsen, op te richten, uit te breiden, geheel of gedeeltelijk te vernieuwen of te veranderen, wanneer daardoor het vrije zicht voor het verkeer wordt belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Het is verboden gebruik te maken van een weg anders dan waartoe een weg is bestemd, door: enig werk, niet elders in deze verordening genoemd, in, op, onder of over een weg te maken of te behouden; in, onder of op een weg vaste stoffen of voorwerpen te leggen of te laten liggen; een weg te verontreinigen met stoffen of vloeistoffen die hinderlijk of schadelijk zijn voor het verkeer of de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 De in deze titel vervatte verbodsbepalingen gelden niet voor: onderhouds- en verbeteringswerken, die door of op last van Gedeputeerde Staten worden uitgevoerd; het maken van lasgaten en huisaansluitingen voor de watervoorziening, de energievoorziening of de telecommunicatie op voorwaarde dat daarvoor geen verhardingen van de weg moeten worden opgebroken of gekruist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voornemen om de onder het tiende lid, onder b, bedoelde werkzaamheden uit te voeren, meldt de belanghebbende ten minste twee weken van tevoren schriftelijk aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Milieu</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 5.1 Tegengaan milieuhinder</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gesloten stortplaats: gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, van de Wet milieubeheer; milieubeschermingsgebied: door Gedeputeerde Staten als zodanig aangewezen gebied; nazorgvoorzieningen: voorzieningen ter bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer; werk: werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 5.2 Gesloten stortplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden handelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het is verboden in, op, onder of over een gesloten stortplaats, aangeduid in bijlage 5: werken te maken of te behouden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten als die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren, of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing op: het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer; handelingen die gericht zijn op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften bij ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een ontheffing van de in artikel 5.2 vervatte verboden kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 5.3 Milieubeschermingsgebieden en voor verzuring gevoelige, zeer kwetsbare gebieden</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.3.1 Stiltegebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.23 tot en met artikel 3.28 zijn van overeenkomstige toepassing op deze afdeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Begrip toestel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder toestel: door Gedeputeerde Staten als zodanig aangewezen apparaat, zie bijlage 6, dat bestemd of mede bestemd is voor het voortbrengen van geluid en een apparaat dat bij gebruik anders dan met menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, met uitzondering van een luchtvaartuig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen voor stiltegebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in een stiltegebied: zonder noodzaak zoveel geluid voort te brengen, te doen of te laten voortbrengen dat de heersende natuurlijke rust in dat gebied kennelijk is of wordt verstoord; gebruik te maken van een toestel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 5.4 Gebruik van de ondergrond</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.4.1 Bodemsanering</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: saneringsplan: plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; saneringsverslag: verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; nazorgplan: plan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Formulieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten bepalen welke formulieren gebruikt worden voor de uitvoering van de Wet bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op de formulieren wordt aangegeven welke gegevens bij de inzending moeten worden meegestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het vermelden van gegevens kan achterwege blijven als: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken; daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken en waarom die gegevens niet nodig zijn voor de beoordeling van het ingezonden document.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten bepalen hoeveel exemplaren ingediend moeten worden van het rapport van het nader onderzoek, bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming, wanneer deze documenten niet elektronisch worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Nadat Gedeputeerde Staten hebben ingestemd met het saneringsplan, wordt het feitelijke begin van de sanering ten minste tien dagen tevoren aan Gedeputeerde Staten gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Wanneer de sanering niet wordt begonnen op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, wordt de nieuwe aanvangsdatum direct aan Gedeputeerde Staten gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Wanneer bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de uitvoerder Gedeputeerde Staten ten minste twee werkdagen van te voren op de hoogte van de datum waarop de einddiepte bereikt zal worden en de datum waarop de ontgraving zal worden aangevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De uitvoerder meldt de beëindiging van de sanering binnen een week na beëindiging van de werkzaamheden aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Wanneer sprake is van een sanering waarbij Gedeputeerde Staten heeft ingestemd met een fasegewijze sanering, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere fase overeenkomstig het vierde lid gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Ontheffing van het in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel is niet mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Saneringsverslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten bepalen hoeveel exemplaren van het verslag over de sanering of de betreffende fase moeten worden ingezonden, wanneer het verslag niet elektronisch wordt ingediend, en welke gegevens in of bij het verslag moeten worden ingezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Degene die de bodem heeft gesaneerd of een fase van de sanering heeft uitgevoerd, stuurt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het verslag over de sanering of de betreffende fase aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Nazorgplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Als uit het saneringsverslag blijkt dat er beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen in het belang van de bodembescherming nodig zijn, dient degene die de bodem heeft gesaneerd, uiterlijk dertien weken na indiening van het saneringsverslag een nazorgplan in.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten bepalen welke gegevens in het nazorgplan moeten worden opgenomen en hoeveel exemplaren van dit plan bij een niet elektronische inzending moet worden ingezonden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Ontgrondingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling van vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op grond van de Ontgrondingenwet is een vergunning niet vereist: voor aanleg en onderhoud van waterstaatswerken, wegen en bijbehorende kunstwerken, wanneer de ontgronding wordt uitgevoerd door of in opdracht van het Rijk, de provincie of een gemeente; voor het maken, wijzigen, onderhouden of verwijderen van funderingen en bouwwerken, het aanleggen onderhouden of verwijderen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, onderhouden of verwijderen van palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het delven, openen en ruimen van graven; voor het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van watergangen door of in opdracht van een waterschap, voor zover de ontgronding wordt uitgevoerd voor de waterhuishouding of de scheepvaart; voor het doen van een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet voor werkzaamheden die behoren tot de normale uitoefening van het landbouw-, tuinbouw- of bosbouwbedrijf. voor het aanleggen, onderhouden of wijzigen van watergangen door anderen dan de beheerder, mits: grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveldniveau ongemoeid blijven, de watergangen een bovenbreedte hebben van niet meer dan 6 m, een bodembreedte niet meer dan 3 m, en, voor zover sprake is van een vastgesteld polder- of boezempeil, een diepte van niet meer dan 1 m beneden dat peil, en voor dat aanleggen, onderhouden of wijzigen de vereiste vergunningen en ontheffingen van het Waterschap in werking zijn getreden; voor het uitvoeren van een bestemmingsplan, daaronder mede begrepen een inpassingsplan, of omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, mits het besluit in werking is getreden en niet is geschorst en het betreft het aanleggen, wijzigen of opruimen van een weg, spoorweg, plein, parkeerterrein of luchthaven; voor het aanleggen van een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, mits: grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveldniveau ongemoeid blijven, niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven, deze niet in open verbinding staat met een bestaand oppervlaktewatersysteem.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als voor een ontgronding een omgevingsvergunning is vereist voor het aanleggen van een werk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een omgevingsvergunning is verleend op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van voornoemde wet, is een vergunning op grond van de Ontgrondingenwet niet vereist, in het geval dat: grondlagen op grotere diepte dan 3,00 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven, en minder dan 10.000 m3 bodemmateriaal wordt weggenomen van de plaats waarop dit materiaal voor de ontgronding aanwezig was.</div>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het eerste en tweede lid genoemde vrijstellingen zijn niet van toepassing op ontgrondingen, die strekken tot of tot gevolg hebben het geheel of gedeeltelijk afgraven van dijken of voormalige dijken, het verflauwen van het talud van dijken of voormalige dijken, het verlagen van de kruin van dijken of voormalige dijken of het maken of wijzigen van doorgangen in of overritten over dijken of voormalige dijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.3 is niet van toepassing op besluiten op grond van de Ontgrondingenwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Adviseurs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen bestuursorganen uitnodigen om hun opmerkingen over een aanvraag kenbaar te maken, voordat hun ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten kunnen adviezen van deskundigen inwinnen alvorens zij hun ontwerpbesluit ter inzage leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ontgrondingen van eenvoudige aard</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Op een ontgronding van eenvoudige aard, als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Ontgrondingenwet waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, is artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van die wet niet van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een ontgronding als bedoeld in het eerste lid is een ontgronding ten behoeve van het egaliseren van land- en tuinbouwgronden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een aanvraag tot verlening van een vergunning wordt met behulp van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier (schriftelijk of digitaal als één document in pdf-formaat) ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bijlagen overgelegd: naam, adres en woonplaats van de aanvrager; een topografische kaart of een luchtfoto, waarop de ligging van het te ontgronden terrein of water in ruime omgeving is aangegeven; een tekening, op schaal niet kleiner dan 1 : 2500, aanduidende de percelen met hun kadastrale gegevens, waarop de aanvraag betrekking heeft; een uittreksel uit de kadastrale legger alsmede een lijst van namen en adressen van de eigenaren van de andere zakelijk gerechtigden tot en de gebruikers van de te ontgronden percelen; een beschrijving van het te ontgronden terrein of water met - zo mogelijk - zijn plaatselijke aanduiding en foto’s van de bestaande situatie; de redenen van de ontgronding; het bodemprofiel tot ten minste de diepte van de ontgronding; de wijze waarop de ontgronding wordt uitgevoerd; de hoogteligging, vóór en na gereedkoming van de ontgronding, van het terrein of de bodem van het water ten opzichte van het aanliggende terrein of water; de te ontgraven laagdiktes; de hoeveelheid en de bestemming van het vrijkomende bodemmaterial(en) in m3; het gebruik dat aan het te ontgronden terrein of water wordt gegeven; het gewenste aanvangstijdstip en de verwachte tijdsduur van de ontgronding; indien de aanvrager niet de eigenaar is van de te ontgronden percelen, een verklaring van de eigenaar waarin deze toestemming geeft voor de uitvoering van de voorgenomen ontgronding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wijzing of intrekking vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een aanvraag tot wijziging of intrekking van een vergunning wordt schriftelijk of digitaal ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens overgelegd: de datum en het nummer van de door Gedeputeerde Staten verleende vergunning of, indien deze gegevens bij de aanvrager niet bekend zijn, een aanduiding van de gemeente waarin de ontgronding plaatsvindt, de naam van de vergunninghouder, de kadastrale aanduiding van het perceel en het karakter van de ontgronding; indien het een aanvraag tot wijziging betreft, een aanduiding van de te wijzigen vergunningvoorschriften, alsmede de reden van de aanvraag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Planschade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op de voorbereiding van besluiten over toekenning van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing adviseurs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen één of drie adviseurs aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als Gedeputeerde Staten drie adviseurs aanwijzen, vormen deze drie adviseurs een schadebeoordelingscommissie. In dat geval wijzen Gedeputeerde Staten ook de voorzitter van de commissie aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gedeputeerde Staten zorgen ervoor dat de aan te wijzen adviseurs niet uit anderen hoofde verbonden zijn met de belangen van de provincie of van een andere belanghebbende. Gedeputeerde Staten zorgen er eveneens voor dat de schijn van belangenverstrengeling wordt vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De aan te wijzen adviseurs zijn op grond van opleiding, kennis en ervaring gekwalificeerd om te adviseren over een besluit over de toekenning van een tegemoetkoming in schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het voornemen tot de aanwijzing van de adviseur of de adviseurs wordt bekendgemaakt aan de aanvrager en aan andere belanghebbenden. Binnen twee weken na de bekendmaking kunnen de aanvrager en de andere belanghebbenden hun zienswijzen schriftelijk aan Gedeputeerde Staten kenbaar maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Wanneer Gedeputeerde Staten na de ontvangst van een zienswijze hun voornemen herzien, zijn het tweede, derde, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.3 De werkwijze van één adviseur 1 De adviseur hoort de aanvrager, de eventuele betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbende, bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening over de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De adviseur bepaalt dag, tijd en plaats van de hoorzitting, en bepaalt ook de wijze waarop deze zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De adviseur zorgt ervoor dat van de hoorzitting een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het definitieve rapport met bevindingen en advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voordat de adviseur zijn advies uitbrengt stelt hij de aanvrager, en in voorkomend geval de belanghebbende, bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, gedurende zes weken in de gelegenheid om schriftelijk te reageren op het ontwerpadvies.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Gedeputeerde Staten voegen een afschrift van het advies bij hun besluit op de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Schadebeoordelingscommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een aanvraag wordt voorgelegd aan een schadebeoordelingscommissie, is artikel 7.3 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Toezicht en Handhaving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht en opsporing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen voor het toezicht op de naleving van deze verordening of van de afzonderlijke hoofdstukken van deze verordening één of meer toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde toezichthouders zijn belast met het toezicht op de naleving van de in of krachtens deze verordening gegeven regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Met de opsporing van overtredingen zijn belast de krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en de door Gedeputeerde Staten aangewezen personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in strijd te handelen met een op grond van deze verordening verleende ontheffing of vergunning of de daaraan verbonden voorschriften of verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor zover daarin niet is voorzien door of krachtens een wet gestelde bepaling, wordt overtreding van een bij of krachtens deze verordening gegeven voorschrift, of een voorschrift verbonden aan een vergunning of ontheffing gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak .</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Overtreding van de artikelen 2.9.2, eerste lid, 2.10.2, 2.22.2, 2.26.8, eerste lid, 2.29.5, eerste lid, 2.29.6, eerste lid, 2.41.5, 2.41.7, 2.42.3, eerste lid, 2.59.2, 2.61.2, 3.30, eerste, tweede en derde lid, 3.31, eerste en tweede lid, 3.32, eerste en tweede lid, 3.33, 3.34, eerste lid, 3.41, 3.42, eerste lid, 3.43, eerste lid, 3.44, eerste lid, 3.45, 4.12, eerste en tweede lid, 4.20, 5.2, eerste lid, en 5.6 is een strafbaar feit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaren die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van strafbaar gestelde feiten zijn wat betreft het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht over activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, onverminderd hetgeen in artikel 5.13 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vermeld, bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bijlagen en rangorde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij deze verordening behorende bijlagen maken deel uit van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als er strijdigheid is tussen een bepaling van deze verordening en een in een bijlage vermelde bepaling, geldt de bepaling van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde Staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten zijn bevoegd deze verordening te wijzigen voor zover, het betreft: de nummering van hoofdstukken, artikelen en bijlagen en de verwijzing daarnaar, een en ander indien daartoe aanleiding bestaat ter uitvoering van een besluit van Provinciale Staten of van landelijke wetgeving; redactionele en wetstechnische aanpassingen van niet-inhoudelijke aard;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Vergunningen en ontheffingen, hoe ook genaamd, verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 9.4 blijven van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken, voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de regelingen bedoeld in artikel 9.4, blijven van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken, voor zover de bepalingen op grond waarvan deze verplichtingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Vergunningen en ontheffingen als bedoeld in het eerste lid en verplichtingen als bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen en verplichtingen te zijn in de zin van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Wanneer voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag is ingediend om een vergunning of ontheffing op grond van een verordening als bedoeld in artikel 9.4 en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift over een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid dan wel een voorschrift of beperking als bedoeld in het tweede lid, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Gebods- en verbodsbepalingen op grond waarvan een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 9.4 zijn niet van toepassing: gedurende zes weken na inwerkingtreding van deze verordening: ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De intrekking van de regelingen, bedoeld in artikel 9.4, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op grond van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Het bepaalde in voorgaande leden van dit artikel geldt, tenzij in deze verordening anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de eis in artikel 3a.21, eerste lid, voor de duur van ten hoogste 2 jaar gerekend vanaf 1 januari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Indien een ontheffing op basis van artikel 6, tweede lid, van de Boswet is verleend onder de voorwaarde dat periodiek rapportage plaatsvindt aan een instantie van het Rijk, dan dient deze ontheffing zo te worden gelezen dat rapportage plaatsvindt aan de Provincie Groningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Indien aanpassing van de statuten of het reglement van een faunabeheereenheid noodzakelijk is voor erkenning als bedoeld in artikel 3a.12, dient deze aanpassing uiterlijk 1 januari 2018 gereed te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende regelingen worden ingetrokken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsverordening provincie Groningen 2009, vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 17 juni 2009, nr. A1;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kanalenreglement Groningen, het Reglement, regelende het toezicht op kanalen, watergangen en daarbij behorende kunstwerken in de provincie Groningen, vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 22 november 1972 nr. 7a, en de op grond van voornoemd reglement opgemaakte leggers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegenreglement der provincie Groningen, het Reglement, regelende het toezicht op wegen in de provincie Groningen, vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 1 juli 1964, nr. 15;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening vaarwegenbeheer Groningen 2015, vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 16 december 2015, nr. 4b;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgrondingenverordening Groningen 1998, vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 29 september 1998, nr. 5.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Publicatie en inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad van de provincie Groningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening provincie Groningen 2016.</p></div>", "next": 0}