{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Partij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag voor een lening heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 2,5 miljoen. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een financiering van € 1 miljoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor meer dan 25% deelneemt in project X, telt het bedrag van project Y volledig mee en zou het maximum van € 2,5 miljoen worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor project X kan derhalve maximaal een financiering van € 1,5 miljoen worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou A voor minder dan 25% deelnemen in project X, telt de aanvraag voor Y niet mee in het bereiken van het maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de- minimissteun is toegestaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toetsingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, zijn een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het moet gaan om tenminste 10 wooneenheden, danwel een minimum investeringsbedrag van € 1.0 miljoen (excl. verwerving). Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige woningen met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ten aanzien van de mimimumomvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlokatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Er dienst sprake te zijn van een haalbaar project met voldoende ruimte voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van het voldoen van rente en aflossing. Dit dient te worden onderbouwd door het overleggen van een onderbouwde business-case met onderliggende exploitatie en balansprognoses, waaruit deze ruimte blijkt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale financiering of garantie geldt as uitgangspunt dat dit alleen de projectkosten betreft die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. Verwerving van gronden en/of opstalen behoren daar niet toe. Ook kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wel toe te rekenen posten zijn onder meer voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag. Het onderscheid ligt daarbij in het feit dat de subsidiabele kosten allen leiden tot directe werkgelegenheid in de bouwsector.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt een maximum leningsbedrag van € 2,5 miljoen per aanvrager. In het geval van een garantie gaat het eveneens om een maximum van € 2.5 miljoen. Aangezien een garantie maximaal 80% mag bedragen van de gegarandeerde lening betekent dit dat de maximale leninghoogte waarvoor sprake kan zijn van een garantie € 3.125 miljoen bedraagt, waarvoor de maximale garantie van € 2.5 miljoen kan worden afgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerdeelsystematiekVoor het geval dat het totaal aan ingediende aanvragen meer is dan het plafond van € 20 miljoen, zal een keuze worden gemaakt voor de volgorde van de te honoreren projecten. Daarvoor worden twee criteria gehanteerd, te weten de relatieve hoogte van de gevraagde financiering of garantie en de door de aanvrager te stellen zekerheid voor de ontvangen ondersteuning Ten aanzien van hoogte van de financiering volgt de regeling de doelstelling van Wurkje foar Fryslan om zoveel mogelijk investeringen in de provincie los te trekken. Dit betekent dat naarmate het aandeel van de provinciale financiering in het project lager is, het project hoger zal scoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.1.11 en Artikel 6.1.12 Lening- en garantieconditiesVoor de vaststelling van leningcondities wordt aangesloten bij de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (2008/C/14/02) ter voorkoming van staatssteun. Daarbij wordt op basis van de door de aanvrager te stellen zekerheid en de kredietwaardigheid een marktconforme rente bepaald overeenkomstig de regels van de mededeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslagen voor leningen in basispunten Ratingcategorie Zekerheidstelling Hoog Normaal Laag Zeer goed (AAA-A) 60 75 100 Goed (BBB) 75 100 220 Bevredigend (BB) 100 220 400 Zwak (B) 220 400 650 Slecht/Financiele moeilijkheden (CCC en lager)* 400 650 1000 Zekerheden * Hoog: 70% of meer * Normaal: tussen 69% en 41% * Laag: 40% of minder De te hanteren rente zal echter nooit onder de door de hoofdfinancier te hanteren rente liggen. Eventuele afwijkingen worden getoetst op de regels ten aanzien van de-minimissteun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zekerheid worden in dit kader opgevat hypotheekstellingen en borgstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aflossing geldt een looptijd van maximaal 15 jaar en wordt uitgegaan van een lineaire aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bestaat de mogelijkheid dat door de provincie een garantie wordt afgegeven aan een externe financier voor het betalen van de verschuldigde aflossing. In de regel zal dit leiden tot gunstiger leningcondities van de betreffende financier in verband met de zekerheid voor betaling van aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een garantie is door de subsidieontvanger een garantieprovisie over het gegarandeerde bedrag aan de provincie verschuldigd. Deze wordt op basis van kredietwaardigheid bepaald en dient jaarlijks te worden voldaan. Deze komt dus boven de door de betreffende financier te hanteren rentecondities.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de verschuldigde provisie is gerelateerd aan de kredietwaardigheid van de subsidieontvanger. kredietkwaliteit Standard &amp; Poor's Fitch Moody's Jaarlijkse safe harbour premie Hoogste kwaliteit AAA AAA Aaa 0,4% Zeer sterke betalingskwaliteit AA + AA AA – AA + AA AA – Aa 1 Aa 2 Aa 3 0,4% Sterke betalingscapaciteit A+ A A– A+ A A– A1 A2 A3 0,55% Toereikende betalingskwaliteit BBB + BBB BBB – BBB + BBB BBB – Baa 1 Baa 2 Baa 3 0,8% Betalingscapaciteit gevoelig voor ongunstige omstandigheden BB + BB BB – BB + BB BB – Ba 1 Ba 2 Ba 3 2,0% Betalingscapaciteit dreigt in het gedrang te komen door ongunstige omstandigheden B+ B B– B+ B B– B1 B2 B3 3,8%-6,3% Betalingscapaciteit dreigt in het gedrang te komen door ongunstige omstandigheden CCC + CCC CCC – CC CCC + CCC CCC – CC C Caa 1 Caa 2 Caa 3 Niet mogelijk In of bijna in een situatie van wanbetaling SD D DDD DD D Ca C Niet mogelijk De hoogte van de garantie daalt jaarlijks gedurende de overeengekomen garantieperiode. Dit betekent dat indien bijvoorbeeld een garantieperiode van 10 jaar overeen is gekomen de garantie jaarlijks met 1/10 daalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Op het moment dat gedeputeerde Staten besluit tot het beschikbaar stellen van een lening of garantie zullen de definitieve afspraken rond de leningcondities en zekerheden worden vastgelegd in een leningovereenkomst of garantieovereenkomst.</div>\n<p class=\"lf-p\">Behalve de leningcondities of garantiecondities worden daarin eveneens de afspraken met betrekking tot de betaalbaarstelling vastgelegd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Met de participatieregeling beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelicht om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 500.000 ontvangen lening of garantie gaat dit om 1.200 opleidingsuren. Als bijvoorbeeld een lening is ontvangen van € 1.1 miljoen dient tijdens de realisatie van het project in totaal 2.640 opleidingsuren te worden aangeboden. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichten van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidie-ontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. De leningplafonds uit de beschikking liggen echter vast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Met het verstrekken van een lening of garantie wordt een langdurige relatie aangegaan. Als financier wil de provincie Fryslân tenminste eenmaal per jaar een financieel verslag (jaarrekening) en een activiteitenverslag van de subsidieontvanger krijgen uiterlijk binnen 6 maanden na het verstrijken van het betreffende verslagjaar. Op basis hiervan vindt een persoonlijk gesprek plaats met de provinciale accountmanager. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kunnen nadere eisen worden gesteld aan de frequentie van de verstrekking worden gesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Communicatieuitingen kunnen afgestemd worden met de provincie. Er zijn voorbeeld bestanden en formats beschikbaar die gebruikt kunnen worden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.14</span><span class=\"lf-art-t\">Staatssteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De condities voor leningen en garanties worden in eerste instantie vastgesteld op basis van marktconformiteit volgens de Europese mededeling. Indien wordt afgeweken van de aldus bepaalde condities wordt deze afwijking beschouwd als staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld op basis van Europese regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van deze steun wordt bepaald op basis van de looptijd van de betreffende lening of garantie in het jaarlijks verschil tussen de marktconforme voorwaarden en de daadwerkelijk gehanteerde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou bijvoorbeeld bij een lening van € 1.0 miljoen een marktconforme rente van 7,06% gelden (normale zekerheid, geen creditrating) en wordt er in werkelijkheid een rente van 4,5% gehanteerd, dan is bij een looptijd van 15 jaar de steun te berekenen als het jaarlijks renteverschil gedurende 15 jaar, in dit geval € 187.895,-</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.2 Herbestemmingsregeling bestaande bedrijfs- en kantoorpanden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op 6 november 2013 is door Provinciale Staten het Aanvalsplan Woningmarkt vastgesteld in het kader van het programma Wurkje foar Fryslan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de maatregelen uit het Aanvalsplan Woningmarkt is de “herbestemmingsregeling bestaande panden”, waarvoor een bedrag van € 2 miljoen is gereserveerd. In 2014 wordt een eerste tranche opengesteld van € 1 miljoen op hetzelfde moment als ook de participatieregeling wordt opengesteld, namelijk vanaf 15 september 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijs</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De herbestemmingsregeling heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de huursector in bestaande ruimten van gebouwen, die als gevolg van een onrendabele top in verbouwkosten niet van de grond komen. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten buiten de reguliere sociale huur. Naast het geconstateerde tekort aan woningen voor bijzondere doelgroepen (waaronder geliberaliseerde huur en combinaties met zorg) is op een groot aantal plaatsen sprake van leegstand van bestaande ruimten in gebouwen welke in beginsel geschikt zijn voor herbestemming naar een woonfunctie voor de genoemde doelgroepen. Het kan dan gaan om ruimten in bijvoorbeeld kantoorpanden, winkelpanden, industriële panden, maar ook om ruimten in kerkgebouwen of overige gebouwen met een maatschappelijke functie. In de praktijk blijkt deze herbestemming te stuiten op een aantal problemen, deels van technische aard (de meerkosten van bouwkundige aanpassingen voor de woonfunctie) en deels van bedrijfseconomische aard (afwaardering van de boekwaarde bij functiewijziging).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten betreffen het realiseren van projecten in de huursector voor de genoemde marktsegmenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de herbestemmingsregeling wordt steun verleend door het verstrekken van een subsidie ten behoeve van de realisatie van de betreffende huurprojecten. Daarbij gaat het om een subsidie tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele activiteiten. De overige financiering dient te worden vertrekt door derden danwel te worden voldaan uit eigen vermogen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling richt zich op investeerders/beleggers in huurwoningen buiten het reguliere aanbod van de woningcorporaties. Het kan dan gaan om woningen in het geliberaliseerde segment (huur &gt; 699,- per maand, prijspeil 1-1-2014) of om bijzondere doelgroepen zoals combinaties met zorg, studentenhuisvesting etc. Voor deze laatste categorie is geen sprake van een huurgrens, maar gaat het vooral om de combinatie met aanvullende diensten en voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de met de provincie aan te gane verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen voor ondersteuning in het kader van de herbestemmingsregeling kunnen worden ingediend in de periode tussen 15 september 2014 en 31 december 2014. Eerder ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. Vanaf 15 september 2014 vindt beoordeling van de aanvragen plaats, volgens het principe van “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Zodra het aantal toegekende aanvragen het plafond van € 1 miljoen overschrijdt, wordt dit bekend gemaakt en worden nieuwe aanvragen niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen aanvragen met een volledig ingevuld aanvraagformulier worden in behandeling genomen. Dit om misverstanden betreffende de volledigheid van de aanvraag en de volgorde van binnenkomst te voorkomen. Immers de dag waarop een volledige aanvraag aan de hand van het aanvraagformulier is ingediend geldt voor het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een subsidie van meer dan € 25.000 in behandeling genomen. Dat betekent dat er dus sprake dient te zijn van tenminste € 125.000 aan subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de herbestemmingsregeling een subsidie aan te vragen. Het totaal aan ontvangen subsidie op grond van de herbestemmingsregeling mag echter niet meer dan € 200.000 bedragen per aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen voor zover sprake is van een belang van meer dan 25%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 200.000. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een subsidie van € 100.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor meer dan 25% deelneemt in project X, telt het bedrag van project Y volledig mee en zou het maximum van € 200.000 worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor project X kan derhalve maximaal een financiering van € 100.000 worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou A voor minder dan 25% deelnemen in project X, telt de aanvraag voor Y niet mee in het bereiken van het maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de-minimissteun is toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">ToetsingscriteriaNaast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, is een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het moet gaan om tenminste 3 wooneenheden in ruimten die voordat het herbestemmingsproject van start ging geen woonfunctie kenden. Het Bestemmingsplan voor de betreffende locatie is voor deze definitie leidend. Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige eenheden met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bij een combinatie met andere functies dient de minimale oppervlakte voor de woonbestemming 70% van de totale bruto vloeroppervlakte te bedragen conform de Nederlandse Norm voor oppervlakte NEN2580. In het geval van bijvoorbeeld de omvorming van een winkelruimte in een binnenstad kan een beperkt deel van deze ruimte (meestal de begane grond) de bedrijfsbestemming behouden, mits deze kleiner is dan 30 %van de totale bruto vloeroppervlakte van de in het verbouwproject betrokken ruimte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ten aanzien van de minimumomvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlokatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Alleen projecten, gelegen in de provincie Fryslân worden gesubsidieerd. Binnen de provinciegrenzen wordt geen onderscheid gemaakt in gewicht of belang naar de Friese gemeente waarin het project is gelegen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale subsidie geldt als uitgangspunt dat dit alleen de projectkosten betreft die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. Verwerving van gronden en/of opstallen behoren daar niet toe. Ook kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen. De wel toe te rekenen posten zijn onder meer voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag. Het onderscheid ligt daarbij in het feit dat de subsidiabele kosten allen leiden tot directe werkgelegenheid in de bouwsector.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt een maximum subsidiebedrag van € 200.000 per aanvrager en een minimum subsidiebedrag van € 25.000 per herbestemmingsproject. Met een maximale bijdrage in de subsidiabele kosten van 20% betekent dit dat alleen projecten in aanmerking komen waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 125.000 bedragen. Voor wat betreft de bovengrens mogen de subsidiabele kosten van één of meerdere projecten per aanvrager wel hoger zijn dan € 1.000.000,- maar ook daarboven bedraagt de subsidie maximaal € 200.000 per aanvrager aangezien dat het maximale subsidiebedrag is. Bij een herbestemmingsproject van een aanvrager met € 1.800.000,- aan subsidiabele kosten, bedraagt de subsidie dus maximaal €200.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerdeelsystematiekDe verdeelsystematiek is op basis van het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. De volledigheid van de aanvraag is daarbij wel bepalend voor de datum van binnenkomst. Dus bij een onvolledige aanvraag wordt de datum van binnenkomst vastgesteld op het moment dat uw aanvraag volledig is binnengekomen bij de provincie Fryslân op het in het aanvraagformulier aangegeven contactadres Na binnenkomst van een volledige aanvraag zal deze worden beoordeelt op de door GS vastgestelde regeling. Aanvragen kunnen afvallen vanwege weigeringsgronden of toetsingscriteria. Zodra het subsidieplafondbudget van € 1 mln. voor 2014 is bereikt, wordt de aanvraag geweigerd, ook al voldoet deze aan de subsidievereisten. Op voorhand is nog niet aan te geven of dit zich voordoet in de loop van 2014, wat het belang onderstreept van het vroegtijdig indienen van een volledige aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Met de herbestemmingsregeling beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelegd om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 100.000 ontvangen subsidie gaat dit om 0,2 opleidingsplaatsen oftewel 240 opleidingsuren. Als bijvoorbeeld een subsidie is ontvangen van € 150.000 dient tijdens de realisatie van het project in totaal 360 opleidingsuren te worden aangeboden. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De in de regeling vermelde looptijden zijn opgenomen om te borgen dat met de regeling op zo’n kort mogelijke termijn het gewenste effect wordt bereikt, onder andere op het gebied van werkgelegenheid. Start van het project uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening is alleen realistisch als bijvoorbeeld gemeenten mee wensen te werken aan de voor het project benodigde bestemmingswijziging. Dat is tevens de reden dat de subsidieaanvrager desgevraagd inzicht moet geven in stukken waaruit onder andere de planologische haalbaarheid kan worden afgeleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Met een activiteitenverslag of een controleverklaring dient de subsidieaanvrager aan te tonen dat het toegekende subsidiebedrag ook daadwerkelijk is ingezet voor subsidiabele activiteiten. Mocht dat achteraf niet of in mindere mate het geval zijn, dan kan de provincie (een deel van) het subsidiebedrag terugvorderen. Mochten er achteraf meer kosten zijn gemoeid van de subsidiabele activiteiten dan vooraf in het subsidieverzoek is aangegeven, dan hanteert de provincie desondanks het (lagere) eerder vastgestelde subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichte van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidieontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. De subsidieplafonds uit de beschikking liggen echter vast, zowel absoluut als procentueel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Als financier wil de provincie Fryslan binnen zes maanden na afloop van de werkzaamheden een activiteitenverslag en/of een controleverklaring van de subsidieontvanger. Op basis hiervan kan een persoonlijk gesprek plaatsvinden met de provinciale accountmanager en de subsidieontvanger dient daaraan mee te werken. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kan een (gedeeltelijke) terugvordering plaatsvinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Communicatieuitingen kunnen afgestemd worden met de provincie. Er zijn voorbeeld bestanden en formats beschikbaar die gebruikt kunnen worden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Staatssteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidies voor economische activiteiten vallen onder Europese regelgeving betreffende staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld door Europa in Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Kortweg komt het er op neer dat aan organisaties ten behoeve van economische activiteiten maximaal € 200.000 aan subsidie mag worden verstrekt in een periode van 3 jaar.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.3   Renovatiesubsidie</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Deze renovatiesubsidie is een van de maatregelen genoemd in het aanvalsplan woningmarkt uit de investeringsagenda van Wurkje foar Fryslân die vastgesteld is door Provinciale Staten. De regeling is een vervolg op de Uitvoeringsregeling Wurkje foar Fryslân, paragraaf 3 tijdelijke renovatieregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De renovatiesubsidie heeft tot doel renovatie en modernisering van goedkope bestaande koopwoningen voor potentiële kopers mogelijk te maken. Het doel is de kwaliteitsverbetering van goedkope koopwoningen waardoor deze aantrekkelijker worden voor potentiële kopers. Dit bevordert doorstroming vanuit de huursector en brengt daarmee de verhuisketen op gang.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelsgewijsArtikel 6.3.2 Subsidiabele activiteiten Er is een onderscheid gemaakt in de subsidiabele activiteiten. De renovatie kan louter betrekking hebben op aanpassingen aan de (gebouw) schil of dragende constructie of dit gecombineerd met de renovatie van sanitaire voorzieningen of de keuken. Bij een gecombineerde aanvraag moeten de renovatiewerkzaamheden voor minimaal 50% betrekking hebben op aanpassingen aan het (gebouw)schil of dragende constructie (bouwkundige aanpassingen). Het overige gedeelte mag bestaan uit zogenaamde comfortmaatregelen. Met bouwkundige aanpassingen in dit onderdeel worden aanpassingen aan de (gebouw)schil en/of dragende constructie van de woning bedoeld, waaronder wordt verstaan de fundering, de vloer van de begane grond, de gevel, ramen en buitenkozijnen, dak, wanden, verdiepingsvloeren, uit- en aanbouwen, installatiewerk, binnentrap bouwkundige en installatiewerkzaamheden tbv sanitair en keuken.Overige investeringen mogen aard- en nagelvaste comfortmaatregelen zijn, zoals keuken, badkamer, WC. Het gaat niet om inrichtingsmaatregelen zoals meubels en gordijnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">DoelgroepDe subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan natuurlijke personen die een huis willen kopen om er zelf in te wonen. Stichtingen, corporaties verenigen etc. vallen buiten de doelgroep van de subsidie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">AanvraagperiodeEen aanvraag voor subsidie kan worden ingediend vanaf 15 september 2014 tot en met 15 september 2015</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Let wel, de periode voor het aangaan van de (voorlopige) koopovereenkomst loopt van 15 september 2014 tot en met 15 december 2014. Dit ten behoeve van het stimulerend effect van de regeling. In verband met het verkrijgen van het eigendom over de woning is gekozen voor een aanvraagperiode vanaf 15 september 2014 totdat het subsidieplafond op is. De aanvrager kan op grond van deze regeling slechts subsidie aanvragen indien hij in het bezit is van een akte van levering (eigendomsverklaring). Hij zal dan wel moeten aantonen dat de koop van het huis is geschied binnen de subsidiabele periode, namelijk van 15 september 2014 tot en met 15 december 2014.Artikel 6.3.5 AanvraagvereistenMet dit artikel is beoogd om bij de aanvraag van de subsidie een goed beeld te krijgen van de subsidiabele activiteit en de toetsingscriteria om de aanvraag te kunnen beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kopie van de akte van levering zal te allen tijde opgestuurd moeten worden. Daarnaast moet door de aanvrager ook aangetoond worden dat de koop is aangegaan in de subsidiabele periode. Dit kan door middel van een voorlopig koopcontract, maar dit wordt niet altijd afgesloten, vaak wordt de koop bevestigd door een mail van de makelaar. Een afschrift van een dergelijke mail voldoet in dit geval. Een uitvoeringsplan of een omschrijving van de werkzaamheden in het aanvraagformulier voor de renovatiewerkzaamheden en een getekende offerte of een gedetailleerde begroting van de renovatiewerkzaamheden maken integraal onderdeel uit van de aanvraag. Op deze manier kan worden nagegaan of er voor de renovatie wordt voldaan aan de toetsingscriteria.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet er op dat de bestaande regeling Friese Energiepremie niet wordt benadeeld (uitgehold) met de komst van deze regeling. Indien een subsidiabele activiteit, zoals isolatie, reeds op grond van de andere regeling in aanmerking kan komen voor subsidie, wordt het geweigerd op grond van deze regeling. Let wel, de subsidie hoeft niet te zijn verleend. Het gaat hier louter om een subsidiabele activiteit die eventueel onder de Friese Energiepremie kan vallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toetsingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteit betreft het moderniseren dan wel het renoveren van een relatief goedkope bestaande koopwoning. Het bedrag is door Gedeputeerde Staten vastgesteld op het bedrag van € 150.000. Voor de Waddeneilanden gelden andere prijscategorieën van woningen, daarom, is voor de Waddeneilanden aangehaakt bij het bedrag van de Nationale Hypotheek Garantie d.d. 1 juli 2014, ter hoogte van € 265.000. De hoogte van de huizenprijzen dienen afgeleid te worden uit de WOZ beschikking op peildatum 1 januari 2012.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de subsidiabele activiteiten limitatief opgesomd. Niet subsidiabel zijn de kosten voor zaken die niet aard- en nagelvast zijn. Denk bijvoorbeeld aan interieur, meubels en gordijnen. Ook is het niet de bedoeling dat verven of behangen, ofwel werkzaamheden ten behoeve van de eindafwerking, binnen het huis worden gesubsidieerd. Het verven van de buitenkant van het huis kan zeker wel bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van het huis en is derhalve wel subsidiabel. Tevens zijn materialen ten behoeve van de eindafwerking niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de werkzaamheden zelf worden uitgevoerd, zijn de eigen uren niet subsidiabel. Het gebruikte materiaal is wel subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie voor subsidiabele activiteiten bedoeld in artikel 6.3.2 aanhef en onder a, bedraagt 25% van de totale subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000. Dit betekent dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald door de totale investering voor de subsidiabele kosten bij elkaar op te tellen en daar 25% van te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekenvoorbeeld: Het totaal aan subsidiabele kostenposten betreft € 15.000, 25% daarvan is € 3.750. Dat is de hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie voor subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 6.3.2 aanhef en onder b,bedraagt 25% van de totale subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000, waarvan maximaal 50% van de subsidiabele kosten zien op aanpassingen aan de woning die betrekking hebben op aanschaf en installatie van sanitaire voorzieningen en de keuken (comfortmaatregelen). Met andere woorden de totstandkoming van de subsidiabele kosten is afhankelijk van de onderlinge verhouding. De subsidiabele kostenposten voor aanpassingen die betrekking hebben op comfortmaatregelen mogen maximaal 50% zijn van het geheel. Indien deze kosten meer bedragen, zullen ze worden gecorrigeerd naar een maximum van 50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekenvoorbeeld: Het totaal aan subsidiabele kosten voor de(gebouw)schil betreft € 7.500. Het totaal aan subsidiabele kosten voor de comfortmaatregelen betreft € 10.000. Het bedrag van de comfortmaatregelen wordt gecorrigeerd naar € 7.500 zodat dit maximaal 50% van het totaal van de subsidiabele kosten wordt. Het totaal van de subsidiabele kosten komt daarmee op € 15.000, dus de subsidie komt dan neer op € 3.750 (25% van € 15.000)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatieverantwoording en vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De renovatiewerkzaamheden dienen binnen een jaar na datum van de verleningsbeschikking uitgevoerd te worden. Daarna stuurt de aanvrager desgevraagd een activiteitenverslag waaruit volgt dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de aanvraag en verlening. De subsidie wordt vervolgens ambtshalve vastgesteld 18 maanden na subsidieverlening. De aanvrager hoeft hiervoor geen verzoek tot vaststelling in te dienen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.4 Financieringsregeling sociale huurprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichtingArtikel 6.4.1 Doel van de regelingDe financieringsregeling sociale huur heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de sociale huursector die als gevolg van de moeizame toegang tot de kapitaalmarkt niet van de grond komen door het ontbreken van het laatste deel van de financiering. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten binnen de sociale huur. Sociale huur wordt in dit verband opgevat als huurwoningen met een aanvangshuur onder de liberalisatiegrens. Per 1 januari 2014 is de liberalisatiegrens vastgesteld op een aanvangshuur van € 699,48 per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huurliberalisatie-grens kent een peildatum per 1 januari van het betreffende jaar. Deze regeling volgt de periodieke rijksaanpassingen van deze grens. De aanpassingen worden via rijkscirculaire bekend gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten betreffen het realiseren van projecten in de sociale huursector. In het kader van de regeling kan het daarbij gaan om nieuwbouw van woningen in de sociale huursector, maar ook om de herbestemming van panden met een andere functie tot huurwoningen in dit segment. Tevens wordt in dit verband onder “realisatie” de overname van bestaande huurwoningen van woningcorporaties in dit segment verstaan, al dan niet in combinatie met renovatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de financieringsregeling sociale huur wordt steun verleend door het verstrekken van een lening. Daarbij gaat het om een lening tot een hoogte van maximaal 50% van de subsidiabele kosten, afhankelijk van de projectomvang en wijze van zekerheidsstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige financiering dient te worden vertrekt door derden, danwel te worden voldaan uit eigen vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit kader zijn op 13 mei 2014 afspraken gemaakt met de Friese woningcorporaties voor die situatie waarin sprake is van realisatie van een project door middel van overname van bestaande sociale huurwoningen van de woningcorporaties, al dan niet in combinatie met renovatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afspraken zijn als bijlage A toegevoegd aan deze toelichting en betreffen de volgende onderdelen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de bereidheid van de corporaties om 25% van het overnamebedrag als financiering ter beschikking te stellen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de bereidheid van de corporaties om ook na overdracht de verhuuradministratie en het verhuurbeheer van de overgedragen huurwoningen ten behoeve van de overnemende partij uit te voeren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het staat de aanvrager vrij om al dan niet gebruik van te maken van het hiervoor genoemde aanbod van de corporaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling richt zich op investeerders/beleggers in huurwoningen in de sociale huursector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de verplichtingen die worden aangegaan met de provincie.Artikel 6.4.4 Aanvraagperiode Aanvragen voor subsidie in het kader van de financieringsregeling sociale huurprojecten kunnen voor de projecten met 10 of meer wooneenheden worden ingediend in de periode vanaf 1 december 2014 tot en met 15 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na 15 december 2014 vindt beoordeling van de aanvragen plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor projecten van 3 tot en met 9 wooneenheden kunnen de aanvragen voor subsidie worden ingediend in de periode vanaf 16 maart 2015 tot en met 31 maart 2015. Eerder ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. Na 31 maart 2015 vindt beoordeling van de aanvragen plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.4.10.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">WeigeringsgrondenIn verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een bijdrage meer dan € 125.000 in behandeling genomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de financieringsregeling sociale huur een financiering aan te vragen. Het totaal aan ontvangen provinciale financiering op grond van deze financieringsregeling, danwel eventuele leningen uit hoofde van andere maatregelen die zijn voortgekomen uit het aanvalsplan Woningmarkt, zoals vastgesteld door provinciale Staten van de provincie Fryslân op 6 november 2013, mag echter niet meer dan € 2.500.000 bedragen per aanvrager. Bij het bepalen van de maximale financiering per aanvrager wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen en bijvoorbeeld samenwerkingsverbanden waarin de aanvrager deelneemt. Als grondslag wordt daarvoor gekeken naar het aandeel van de aanvrager in deze samenwerkingsverbanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een tweetal voorbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag voor een lening heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 2,5 miljoen. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een financiering van € 1 miljoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor 30% deelneemt in project X, telt deze aanvraag voor 30% mee, derhalve voor € 750.000. Daarmee wordt in totaal aan A een bedrag van € 1.750.000 toegerekend en is het maximale subsidiebedrag voor A na toekenning van de aanvragen voor X en Y nog niet overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">A is voor 50% aandeelhouder in B die een aanvraag indient voor project X voor een lening van € 1.000.000. Daarnaast is A eveneens voor 50% aandeelhouder in project C, die een leningsaanvraag doet van € 2,5 miljoen voor project Y. Tot slot besluit A om voor 60% deel te nemen in D die op haar beurt een aanvraag indient voor project Z van € 1.000.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de verleende steun gaat het in dit geval om A, die daarmee in totaal voor € 0,5 + 1,25 + 0,3 = € 2,05 miljoen aanvragen heeft gedaan. Dit ligt nog steeds onder de grens van € 2,5 miljoen. Zou A met nog een project willen komen voor eigen rekening, dan zou hiervoor maximaal € 495.000 lening kunnen worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de-minimissteun is toegestaan. Als onderneming wordt in dit verband een ieder aangemerkt die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de entiteit waarin dit gebeurt. Het kan dus ook om een natuurlijk persoon gaan die bijvoorbeeld panden verhuurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toetsingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, is een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het moet gaan om tenminste 3 wooneenheden. Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige woningen met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ten aanzien van de minimum omvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlocatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Er dient sprake te zijn van een haalbaar project met voldoende ruimte voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van het voldoen van rente en aflossing. Dit dient te worden onderbouwd door het overleggen van een onderbouwde businesscase met onderliggende exploitatie- en balansprognoses, waaruit deze ruimte blijkt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet subsidiabele kostenVoor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale financiering wordt onderscheid gemaakt in projecten met 3 tot en met 9 wooneenheden en projecten met 10 of meer wooneenheden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat met name wordt gekeken naar de projectkosten die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. In het geval van projecten met 3 tot en met 9 wooneenheden mogen de verwervings- en grondkosten tot de subsidiabele kosten worden gerekend. Voor projecten met 10 of meer wooneenheden worden verwervings- en grondkosten niet tot de subsidiabele kosten gerekend Kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wel toe te rekenen posten zijn onder meer: verwerving bij projecten met minder 10 eenheden, voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidies en bijdragen die zijn verkregen op de opgevoerde kosten, bijvoorbeeld op grond van paragraaf 6.2 Herbestemmingsregeling bestaande panden of Subsidieregeling Monumenten Fryslan, worden in mindering gebracht op de projectkosten die meetellen voor het bepalen van het maximale subsidiepercentage en uiteindelijke leningbedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor projecten met 3 tot en met 9 wooneenheden geldt een maximum leningsbedrag van € 1.0 miljoen per project, met een maximum leningsbedrag van € 2,5 miljoen per aanvrager in het geval van meerdere projecten. In het geval van projecten met 10 of meer wooneenheden geldt een maximum leningsbedrag per project van € 2.5 miljoen en eveneens een maximum van € 2,5 miljoen per aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerdeelsystematiekVoor het geval dat het totaal aan ingediende aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, zal een keuze worden gemaakt voor de volgorde van de te honoreren projecten. Daarvoor wordt de relatieve hoogte van de gevraagde financiering als criterium gehanteerd Ten aanzien van de hoogte van de financiering volgt de regeling de doelstelling van Wurkje foar Fryslân om zoveel mogelijk investeringen in de provincie los te trekken. Dit betekent dat naarmate het aandeel van de provinciale financiering in het project lager is, het project hoger zal scoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">LeningconditiesVoor de vaststelling van leningcondities wordt aangesloten bij de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (2008/C/14/02) ter voorkoming van staatssteun. Daarbij wordt op basis van de door de aanvrager te stellen zekerheid en de kredietwaardigheid een marktconforme rente bepaald overeenkomstig de regels van de mededeling Opslagen voor leningen in basispunten Ratingcategorie Zekerheidstelling Hoog Normaal Laag Zeer goed (AAA-A) 60 75 100 Goed (BBB) 75 100 220 Bevredigend (BB) 100 220 400 Zwak (B) 220 400 650 Slecht/Financiele moeilijkheden (CCC en lager)* 400 650 1000 Zekerheden * Hoog: 70% of meer * Normaal: tussen 69% en 41% * Laag: 40% of minder Indien sprake is van een andere partij als hoofdfinancier zal de te hanteren rente echter nooit onder de door de hoofdfinancier te hanteren rente liggen. Het betreft de rente die de hoofdfinancier voor het project gaat hanteren, met dien verstande dat deze referentie rente een vergelijkbare rentevastperiode dient te hebben als de rentevastperiode van de provincie, zijnde de looptijd van de geldlening. Onder hoofdfinancier wordt in dit verband de financier verstaan met de zekerheden welke voorgaan op de zekerheden van de provincie, bijvoorbeeld in de vorm van een eerste hypothecaire inschrijving op het betreffende onroerend goed dat binnen het project gerealiseerd gaat worden, dan wel het onroerend goed waar het project betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele afwijkingen worden getoetst op de regels ten aanzien van de-minimissteun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zekerheid worden in dit kader opgevat hypotheekstellingen en borgstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aflossing geldt een looptijd van maximaal 20 jaar en wordt uitgegaan van een lineaire aflossing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerplichtingenOp het moment dat gedeputeerde Staten besluit tot het beschikbaar stellen van een lening zullen de definitieve afspraken rond de leningcondities en zekerheden worden vastgelegd in een leningovereenkomst. Behalve de leningcondities worden daarin eveneens de afspraken met betrekking tot de betaalbaarstelling vastgelegd Met de financieringsregeling sociale huur beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelicht om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 500.000 ontvangen lening gaat dit om 1.200 opleidingsuren. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen. Bij de bepaling van het aantal opleidingsuren hoeven de kosten van eventuele verwervingen niet te worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Coöperatie A neemt 6 sociale huurwoningen over van corporatie B voor € 600.000 en renoveert die voor een bedrag van € 300.000. Van de provincie wordt een lening ontvangen voor verwerving en renovatie van 50% = € 450.000. Van het leningbedrag wordt dan eveneens 50% van de renovatiekosten aangemerkt als grondslag voor de inzet van opleidingsplaatsen, in dit geval derhalve voor 360 uur In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichten van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidie-ontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. Wijzigingen in het project kunnen leiden tot bijstelling van de hoogte van de te verstrekken lening. Bijstelling kan nooit leiden tot een hoger leningbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het verstrekken van een lening wordt een langdurige relatie aangegaan. Als financier wil de provincie Fryslân tenminste eenmaal per jaar een financieel verslag (jaarrekening) en een activiteitenverslag van de subsidieontvanger krijgen uiterlijk binnen 6 maanden na het verstrijken van het betreffende verslagjaar. Op basis hiervan vindt een persoonlijk gesprek plaats met de provinciale accountmanager. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kunnen nadere eisen worden gesteld aan de frequentie van de verstrekking worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">StaatssteunDe condities voor leningen worden in eerste instantie vastgesteld op basis van marktconformiteit volgens de Europese mededeling. Indien wordt afgeweken van de aldus bepaalde condities wordt deze afwijking beschouwd als staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld op basis van Europese regelgeving. In dit verband worden alle entiteiten die een economische activiteit uitoefenen aangemerkt als onderneming De waarde van deze steun wordt bepaald op basis van de looptijd van de betreffende lening in het jaarlijks verschil tussen de marktconforme voorwaarden en de daadwerkelijk gehanteerde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou bijvoorbeeld bij een lening van € 1.0 miljoen een marktconforme rente van 7,06% gelden (normale zekerheid, geen creditrating) en wordt er in werkelijkheid een rente van 4,5% gehanteerd, dan is bij een looptijd van 15 jaar de steun te berekenen als de netto contante waarde van het jaarlijks renteverschil gedurende 15 jaar, in dit geval € 187.895,- Procedure Na vrijgave van het budget voor de regeling door Provinciale Staten (24 september 2014) is door GS de regeling vastgesteld op 28 oktober 2014 Vervolgens zal de regeling worden opengesteld voor aanvragen van projecten met 10 of meer wooneenheden, welke kunnen worden ingediend vanaf 1 december 2014 tot en met 15 december 2014. Voor projecten met 3 tot en met 9 wooneenheden geldt dat de aanvragen ingediend kunnen woorden van 16 maart 2015 tot en met 31 maart 2015. Op de aanvraag volgt in eerste instantie een besluit van GS over het al dan niet beschikbaar stellen van een lening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het betreffende besluit vindt vervolgens het opstellen van de leningsovereenkomst plaats, waarin opgenomen de resulterende condities, invulling van de zekerheden en de wijze van beschikbaarstelling van de middelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.6 Herbestemmingsregeling bestaande panden 2015</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na een eerste succesvolle openstelling, is dit het vervolg op de subsidie voor het herbestemmen van woningbouwprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De herbestemmingsregeling heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de huursector in bestaande ruimten van gebouwen, die als gevolg van een onrendabele top in verbouwkosten niet van de grond komen. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten. Er is op een groot aantal plaatsen sprake van leegstand van bestaande ruimten in gebouwen welke in beginsel geschikt zijn voor herbestemming naar een woonfunctie. Het kan dan gaan om ruimten in bijvoorbeeld kantoorpanden, winkelpanden, industriële panden, maar ook om ruimten in kerkgebouwen of overige gebouwen met een maatschappelijke functie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten betreffende verbouwingskosten van het project die betrekking hebben op de aanpassingen van de constructie van gebouwen, welke nog geen woonfunctie hebben. Hiervoor is gekozen omdat over het algemeen deze kosten de zogenaamde onrendabele top vormen. Daarbij gaat het om een subsidie tot een hoogte van maximaal 10% van de subsidiabele activiteiten. De overige financiering dient te worden verstrekt door derden danwel te worden voldaan uit eigen vermogen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">DoelgroepDe regeling richt zich op investeerders /beleggers in herbestemmingsprojecten waarbij de functie van de ruimten wordt omgezet in een woonfunctie in de huursector Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de verplichtingen die met de provincie zijn aangegaan ten behoeve van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen voor ondersteuning in het kader van de herbestemmingsregeling kunnen worden ingediend in de periode tussen 15 november 2015 en 31 december 2015. Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst in behandeling genomen. Aanvragen die eerder ingediend worden dan vermelde periode worden niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen aanvragen met een volledig ingevuld aanvraagformulier worden in behandeling genomen. Dit om misverstanden betreffende de volledigheid van de aanvraag en de volgorde van binnenkomst te voorkomen. Immers de dag waarop een volledige aanvraag aan de hand van het aanvraagformulier is ingediend, geldt voor het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden a , b en c zijn in het leven geroepen om het uithollen van verschillende subsidiebudgetten die gelieerd zijn aan elkaar te voorkomen. Let wel het gaat hierbij om andere regelingen dan de subsidieregeling Wurkje foar Fryslan. d. De ruimte waarin het project zich plaatsvindt mag voordat het herbestemmingsproject van start gaat geen woonfunctie kennen. Het Bestemmingsplan voor de betreffende locatie is voor deze definitie leidend. e. In verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een subsidie van meer dan € 25.000 in behandeling genomen. Dat betekent dat er dus sprake dient te zijn van tenminste € 250.000 aan subsidiabele kosten. f. Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de herbestemmingsregeling een subsidie aan te vragen. Het totaal aan ontvangen subsidie op grond van de herbestemmingsregeling mag echter niet meer dan € 100.000 bedragen per aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen voor zover sprake is van een belang van meer dan 25%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de-minimissteun is toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">ToetsingscriteriaNaast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, is een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. De verbouwing ziet toe op de subsidiabele activiteiten die betrekking hebben op de schil of wel de constructie van het gebouw, Dit wil zeggen dat de verbouwing aanpassingen aan de gevel, het dak, scheidende wanden en vloeren van een woning of de funderingen moet inhouden. b. De regeling richt zich op de totstandkoming van huurwoningen. Het moet gaan om tenminste 3 zelfstandige wooneenheden. Wooneenheden zijn in dit verband fysiek zelfstandige eenheden met eigen voorzieningen als sanitair en keuken en een eigen entree. Kamerverhuur met gemeenschappelijk sanitair en/of keuken voldoet hier dus niet aan. c. Bij een combinatie met andere functies dient de minimale oppervlakte voor de woonbestemming 70% van de totale bruto vloeroppervlakte te bedragen conform de Nederlandse Norm voor oppervlakte NEN2580. In het geval van bijvoorbeeld de omvorming van een winkelruimte in een binnenstad kan een beperkt deel van deze ruimte (meestal de begane grond) de bedrijfsbestemming behouden, mits deze kleiner is dan 30 %van de totale bruto vloeroppervlakte van de in het verbouwproject betrokken ruimte. d. Ten aanzien van de minimumomvang van 3 te realiseren huurwoningen worden de projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit, dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlokatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een functionele, organisatorische en/of geografische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd. e. Alleen projecten, gelegen in de provincie Fryslân worden gesubsidieerd. Binnen de provinciegrenzen wordt geen onderscheid gemaakt in gewicht of belang naar de Friese gemeente waarin het project is gelegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale subsidie geldt als uitgangspunt dat dit alleen de projectkosten betreft die leiden tot directe werkzaamheden zoals beschreven in deze regeling. Verwerving van gronden en/of opstallen behoren daar niet toe. Daarnaast worden ook kosten voor leges, vergunningen, verzekeringen, provisie, bouwrente, courtage niet gerekend tot de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen. De wel toe te rekenen posten zijn onder meer voorbereidingskosten, bouw- en verkoopkosten en bouwbegeleiding, allen voor zover de verplichtingen zijn aangegaan na indiening van de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt een maximum subsidiebedrag van € 100.000 per aanvrager en een drempelbedrag van minimaal € 25.000 per herbestemmingsproject. Het laatste betekent dat het berekende subsidiebedrag ten minste moet uitkomen op €25.000, anders wordt de subsidie geweigerd. Met een maximale bijdrage in de subsidiabele kosten van 10% betekent dit dat alleen projecten in aanmerking komen waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 250.000 bedragen. Voor wat betreft de bovengrens mogen de subsidiabele kosten van één of meerdere projecten per aanvrager wel hoger zijn dan € 1.000.000,- maar ook daarboven bedraagt de subsidie maximaal € 100.000 per aanvrager aangezien dat het maximale subsidiebedrag is. Bij een herbestemmingsproject van een aanvrager met € 1.800.000,- aan subsidiabele kosten, bedraagt de subsidie dus maximaal €100.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerdeelsystematiekDe verdeelsystematiek is op basis van het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. De volledigheid van de aanvraag is daarbij wel bepalend voor de datum van binnenkomst. Dus bij een onvolledige aanvraag wordt de datum van binnenkomst vastgesteld op het moment dat uw aanvraag volledig is binnengekomen bij de provincie Fryslân op het in het aanvraagformulier aangegeven contactadres Na binnenkomst van een volledige aanvraag zal deze worden beoordeeld. Met een volledige aanvraag wordt bedoeld het aanvraagformulier welke rechtsgeldig is ondertekend en alle daarin verplichte bijlagen zijn bijgevoegd. Aanvragen kunnen geweigerd worden vanwege het de bepalingen in de weigeringsgronden of toetsingscriteria. Ook zodra het subsidieplafondbudget is bereikt, wordt de aanvraag geweigerd, ook al voldoet deze aan de subsidievereisten. Op voorhand is nog niet aan te geven of dit zich voordoet in de loop van 2015, wat het belang onderstreept van het tijdig indienen van een volledige aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerplichtingenMet de herbestemmingsregeling beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in bouw. Daartoe wordt de verplichting opgelegd om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 100.000 ontvangen subsidie gaat dit om 0,2 opleidingsplaatsen oftewel 240 opleidingsuren. Als bijvoorbeeld een subsidie is ontvangen van € 150.000 dient tijdens de realisatie van het project in totaal 360 opleidingsuren te worden aangeboden. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen De in de regeling vermelde looptijden zijn opgenomen om te borgen dat met de regeling op zo’n kort mogelijke termijn het gewenste effect wordt bereikt, onder andere op het gebied van werkgelegenheid. Start van het project uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening is alleen realistisch als bijvoorbeeld gemeenten mee wensen te werken aan de voor het project benodigde bestemmingswijziging. Dat is tevens de reden dat de subsidieaanvrager desgevraagd inzicht moet geven in stukken waaruit onder andere de planologische haalbaarheid kan worden afgeleid. Ook gaat de verlening pas in nadat de benodigde omgevingsvergunning is verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichte van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidieontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân en daarvoor schriftelijke toestemming te verkrijgen. De subsidieplafonds uit de beschikking liggen echter vast, zowel absoluut als procentueel. Wijzigingen kunnen nimmer leiden tot een hogere provinciale financiering noch in absolute, noch in relatieve zin;</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatie uitingen kunnen afgestemd worden met de provincie. Er zijn voorbeeld bestanden en formats beschikbaar die gebruikt kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6.13</span><span class=\"lf-art-t\">Staatssteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidies voor economische activiteiten vallen onder Europese regelgeving betreffende staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld door Europa in Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Kortweg komt het er op neer dat aan organisaties ten behoeve van economische activiteiten maximaal € 200.000 aan subsidie mag worden verstrekt in een periode van 3 jaar.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.7 Financieringsregeling huurprojecten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De financieringsregeling huurprojecten heeft als doel het stimuleren van woningbouwprojecten in de huursector die als gevolg van de moeizame toegang tot de kapitaalmarkt niet van de grond komen door het ontbreken van een deel van de financiering. Het gaat dan om op zichzelf rendabele projecten binnen de huursector.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit kader zijn op 13 mei 2014 tevens afspraken gemaakt met de Friese woningcorporaties voor die situatie waarin sprake is van realisatie van projecten door middel van overname van bestaande huurwoningen van de woningcorporaties, al dan niet in combinatie met renovatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afspraken betreffen de bereidheid van de corporaties om 25% van het overnamebedrag als participatie of financiering ter beschikking te stellen. De vorm waarin dit gebeurt, is in overleg tussen de aanvrager en de betreffende corporatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zijn de woningcorporaties bereid na overdracht de verhuuradministratie en het verhuurbeheer van de overgedragen huurwoningen ten behoeve van de overnemende partij uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het staat de aanvrager vrij om al dan niet gebruik van te maken van het hiervoor genoemde aanbod van de corporaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten betreffen het realiseren van projecten in de huursector. In het kader van de regeling kan het daarbij gaan om nieuwbouw van woningen in de huursector, maar ook om de herbestemming van panden met een andere functie tot huurwoningen. Tevens wordt in dit verband onder “ realisatie” de overname van bestaande huurwoningen van woningcorporaties in dit segment verstaan, al dan niet in combinatie met renovatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige financiering dient te worden verstrekt door derden danwel te worden voldaan uit eigen vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verdeling van de beschikbare gelden wordt onderscheid gemaakt op basis van de hoogte van de aanvangshuur, grootte van projecten en of het al dan geen zelfstandige woonruimten betreft. De huurliberalisatie-grens kent een peildatum per 1 januari van het betreffende jaar. Deze regeling volgt de periodieke rijks aanpassingen van deze grens. De aanpassingen worden via rijks circulaire bekend gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling richt zich op investeerders/beleggers in huurwoningen in de huursector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een samenwerkingsverband tussen meerdere partijen anders dan in de vorm van een juridische entiteit dient een penvoerder door de aanvragers te worden benoemd als contactpersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat staat los van het feit dat alle samenwerkingspartners altijd hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de met de provincie aan te gane verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen voor subsidie in het kader van de grootschalige huurprojecten met 10 of meer eenheden (onderdelen b, c en d uit artikel 6.7.2) kunnen worden ingediend in de periode tussen 15 november 2015 en 1 december 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na 1 december 2015 vindt beoordeling van de aanvragen plaats en wordt er zonodig gerangschikt zoals vermeldt in artikel 6.7.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kleinschalige projecten met 3 tot en met 9 eenheden (onderdeel a uit artikel 6.7.2) kunnen aanvragen voor subsidie worden ingediend in de periode tussen 16 maart 2016 en 31 maart 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na 31 maart 2016 vindt beoordeling van de aanvragen plaats en wordt er zonodig gerangschikt zoals vermeldt in artikel 6.7.10. Eerder ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">WeigeringsgrondenIn verband met de efficiëntie van de regeling worden alleen aanvragen voor een bijdrage meer dan € 125.000 in behandeling genomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk om voor meerdere projecten in het kader van de financieringsregeling huurprojecten een financiering aan te vragen. Het is echter niet mogelijk om een project in delen op te knippen om voor hetzelfde project twee keer in aanmerking te komen voor subsidie, behoudens het onderscheid in de onderscheid voor woningen boven of onder de liberalisatiegrens. Een voorbeeld hiervan is als volgt: Stel u heeft een project voor het realiseren van 16 zelfstandige woonheden in de huursector met een aanvangsuur onder de liberalisatiegrens. Dit is één project en wordt dan als zodanig behandeld. Indien u twee aanvragen indient, waarvan één voor kleinschalige projecten voor 5 woningen en de ander voor grootschalige projecten voor 11 woningen, wordt alleen maar subsidie verstrekt voor één van deze projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen in de gevallen dat bijvoorbeeld het grootschalige project betrekking heeft op woningen met een aanvangshuur boven de liberalisatiegrens worden allebei uw aanvragen in behandeling genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, het knippen van projecten, anders dan op grond van de aanvangshuur (boven of onder de liberalisatiegrens) of zelfstandigheid van de wooneenheden is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totaal aan ontvangen provinciale financiering op grond van de financieringsregeling mag echter niet meer dan € 2.500.000 bedragen per aanvrager. Daarbij worden tevens eventuele leningen betrokken die zijn ontvangen uit hoofde van andere maatregelen die zijn voortgekomen uit het aanvalsplan Woningmarkt zoals vastgesteld door provinciale Staten van de provincie Fryslân op 6 november 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de maximale financiering per aanvrager wordt ook rekening gehouden met aan de aanvrager gelieerde partijen en bijvoorbeeld samenwerkingsverbanden waarin de aanvrager deelneemt. Als grondslag wordt daarvoor gekeken naar het aandeel van de aanvrager in deze samenwerkingsverbanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een tweetal voorbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1: samenwerkingPartij A neemt voor 30% deel in een samenwerking welke een aanvraag voor een lening heeft ingediend voor project X ter hoogte van € 2,5 miljoen. Partij A dient ook een aanvraag in voor een eigen project Y en vraagt daarvoor een financiering van € 1 miljoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met project Y komt A nog niet aan het maximum, dus kan deze aanvraag in behandeling worden genomen. Aangezien A voor 30% deelneemt in project X, telt deze aanvraag voor 30% mee, derhalve voor € 750.000. Daarmee zou in totaal aan A met de projecten X en Y een bedrag van € 1.750.000 toegerekend en is het plafond voor A na toekenning van de aanvragen voor X en Y nog niet overschreden.Voorbeeld 2: gelieerde partijenA is voor 50% aandeelhouder in B die een aanvraag indient voor project X voor een lening van € 1.000.000. Daarnaast is A eveneens voor 50% aandeelhouder in project C, die een leningsaanvraag doet van € 2,5 miljoen voor project Y. Tot slot besluit A om voor 60% deel te nemen in D die op haar beurt een aanvraag indient voor project Z van € 1.000.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de verleende steun gaat het in dit geval om A, die daarmee in totaal voor € 0,5 (50% x 1.0 miljoen)+ 1,25 (50% van 2,5 miljoen)+ 0,6 (60% van 1.0 miljoen) = € 2,35 miljoen aanvragen heeft gedaan. Dit ligt nog steeds onder de grens van € 2,5 miljoen. Zou A met nog een project willen komen voor eigen rekening, dan zou hiervoor maximaal € 150.000 lening kunnen worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande laat onverlet dat de aanvrager die een onderneming drijft, ongeacht het percentage van deelname aan het project, nimmer meer subsidie kan ontvangen dan het maximum dat op grond van de- minimissteun is toegestaan, wanneer sprake zou zijn rentepercentages onder hetgeen kan worden aangemerkt als marktconforme rente. Als onderneming wordt in dit verband aangemerkt het uitoefenen van een economische activiteit, ongeacht de entiteit waarin dit gebeurt. Het kan dus ook om een natuurlijk persoon gaan die bijvoorbeeld panden verhuurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toetsingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de eisen ten aanzien van de doelgroep en de aard van de projecten, is een aantal voorwaarden aan de steunverlening verbonden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bijzondere doelgroepen (artikel 6.7.2 categorie c) worden in dit verband opgevat als woningen met een aanvangshuur boven de liberalisatiegrens of woningen voor de bijzondere huur zoals studentenwoningen en zorgwoningen. Ten aanzien van zorgwoningen geldt als uitgangspunt dat daadwerkelijk in zorgfaciliteiten dient te zijn voorzien op de betreffende locatie en deze zorg deel uitmaakt van de huurovereenkomst. Dit dient door de aanvrager te worden aangetoond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Voor zover sprake is van 50 of meer eenheden (artikel 6.7.2 categorie d) is de regeling ook van toepassing indien sprake is van wooneenheden waar sprake is van gemeenschappelijk sanitair en/of keuken. Voorbeelden zijn studentenhuisvesting en intramurale zorgeenheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ten aanzien van de minimum omvang van projecten worden projecten afzonderlijk beoordeeld. Het bij elkaar voegen van (kleinere) projecten op verschillende locaties om aan de minimumomvang te voldoen is niet toegestaan. In de praktijk betekent dat sprake dient te zijn van een aaneengesloten projectlocatie ten hoogste gescheiden door bijvoorbeeld een openbare weg o.i.d. Daarbij is eveneens van belang dat er een geografische en/of organisatorische samenhang bestaat tussen de verschillende projectonderdelen om als een project te worden beschouwd. Dit ook in relatie tot de weigeringgrond onder 6.7.6, eerste lid onderdeel b.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Een samenhangend project (geografisch en locatie verbonden) telt 22 wooneenheden met allen een aanvangshuur onder de liberalisatiegrens. De aanvrager besluit om 2 aanvragen in te dienen, te weten 1 aanvraag voor een financiering van 25% voor 13 wooneenheden in de categorie b en 1 aanvraag voor een financiering van 50% voor 9 wooneenheden in de categorie a. Dit is niet toegestaan. Het project wordt opgevat als 1 project met 22 eenheden en kent dus een maximale financiering van 25% van de subsidiabele projectkosten. Indien sprake zou zijn van 22 eenheden, waarvan 9 met een aanvangshuur onder de liberalisatiegrens en13 boven de liberalisatie is wel sprake van twee aanvragen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Er dienst sprake te zijn van een haalbaar project met voldoende ruimte voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van het voldoen van rente en aflossing. Dit dient te worden onderbouwd door het overleggen van een onderbouwde business-case met onderliggende exploitatie- en balansprognoses, waaruit deze ruimte blijkt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van de subsidiabele kosten als grondslag voor de provinciale financiering wordt onderscheid gemaakt in grootschalige en kleinschalige projecten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat met name wordt gekeken naar de projectkosten die leiden tot directe werkzaamheden in de realisatie en de bijbehorende voorbereiding. In het geval van kleinschalige projecten tot 9 eenheden (artikel 6.7.2, onderdeel a) mogen de verwervings- en grondkosten tot de subsidiabele kosten worden gerekend. Voor grootschalige projecten met 10 of meer eenheden (artikel 6.7.2. onderdelen b, c en d) worden verwervings- en grondkosten niet tot de subsidiabele kosten gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten welke zijn gemaakt voor de indiening van de aanvraag worden niet meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidies en bijdragen die zijn verkregen op de opgevoerde kosten, bijvoorbeeld op grond van paragraaf 6.2 of 6.6 Herbestemmingsregeling bestaande panden, of monumentenregelingen (provinciaal, gemeentelijk of Rijksregelingen), worden in mindering gebracht op de projectkosten die meetellen voor het bepalen van maximale leningbedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de financieringsregeling huurprojecten wordt steun verleend door het verstrekken van een lening. Daarbij gaat het om een lening tot een hoogte van maximaal 50% van de subsidiabele projectkosten voor kleinschalige projecten als bedoeld in artikel 6.7.2. onderdeel a, en een lening van maximaal 25% van de subsidiabele projectkosten voor de overige projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kleinschalige projecten geldt een maximum leningsbedrag van €500.000 miljoen per project, met een maximum leningsbedrag van € 2,5 miljoen per aanvrager in het geval van meerdere projecten. In het geval van projecten met 10 of meer eenheden geldt een maximum leningsbedrag per project van € 2.5 miljoen en eveneens een maximum van € 2,5 miljoen per aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerdeelsystematiekVoor het geval dat het totaal aan ingediende aanvragen meer is dan het beschikbare budget zal een keuze worden gemaakt voor de volgorde van de te honoreren projecten. Daarvoor wordt de relatieve hoogte van de gevraagde financiering als criterium gehanteerd Ten aanzien van de hoogte van de financiering volgt de regeling de doelstelling van Wurkje foar Fryslân om zoveel mogelijk investeringen in de provincie los te trekken. Dit betekent dat naarmate het aandeel van de provinciale financiering in het project lager is, het project hoger zal scoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Condities voor een lening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vaststelling van leningcondities wordt aangesloten bij de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (2008/C/14/02) ter voorkoming van staatssteun. Daarbij wordt op basis van de door de aanvrager te stellen zekerheid en de kredietwaardigheid een marktconforme rente bepaald overeenkomstig de regels van de mededeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslagen voor leningen in basispunten Ratingcategorie Zekerheidstelling Hoog Normaal Laag Zeer goed (AAA-A) 60 75 100 Goed (BBB) 75 100 220 Bevredigend (BB) 100 220 400 Zwak (B) 220 400 650 Slecht/Financiele moeilijkheden (CCC en lager)* 400 650 1000 Zekerheden * Hoog: 70% of meer * Normaal: tussen 69% en 41% * Laag: 40% of minder Indien sprake is van een andere partij als hoofdfinancier zal de te hanteren rente echter nooit onder de door de hoofdfinancier te hanteren rente liggen. Het betreft de rente die de hoofdfinancier voor het project gaat hanteren, met dien verstande dat deze referentie rente een vergelijkbare rentevast periode dient te hebben als de rentevastperiode van de Provincie, zijnde de looptijd van de geldlening. Onder hoofdfinancier wordt in dit verband de financier verstaan met de zekerheden welke voorgaan op de zekerheden van de provincie, bijvoorbeeld in de vorm van een eerste hypothecaire inschrijving op het betreffende onroerend goed dat binnen het project gerealiseerd gaat worden, dan wel het onroerend goed waar het project betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele afwijkingen worden getoetst op de regels ten aanzien van de-minimissteun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zekerheid worden in dit kader opgevat hypotheekstellingen en borgstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aflossing geldt een looptijd van maximaal 15 respectievelijk 20 jaar en wordt uitgegaan van een lineaire aflossing beginnend in de maand volgend op de datum van oplevering van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Op het moment dat Gedeputeerde staten besluiten tot het beschikbaar stellen van een lening zullen de definitieve afspraken rond de leningcondities en zekerheden worden vastgelegd in een leningovereenkomst. Behalve de leningcondities worden daarin eveneens de afspraken met betrekking tot de betaalbaarstelling vastgelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Met de financieringsregeling huurprojecten beoogt de provincie eveneens het creëren van opleidingsplaatsen in de bouw. Daarom wordt de verplichting opgelicht om gedurende de realisatieperiode opleidingsplaatsen aan te bieden. Voor iedere € 500.000 ontvangen lening gaat dit om 1.200 opleidingsuren. Dit kunnen stageplaatsen zijn, maar ook leer-werktrajecten of andere vormen van opleidingsplaatsen. De kosten van eventuele verwervingen in het geval van projecten met 3 – 9 eenheden hoeven hierbij niet te worden meegenomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Coöperatie A neemt 6 sociale huurwoningen over van corporatie B voor € 600.000 en renoveert die voor een bedrag van € 300.000. Van de provincie wordt een lening ontvangen voor verwerving en renovatie van 50% = € 450.000. Van het leningbedrag wordt dan eveneens 50% van de renovatiekosten aangemerkt als grondslag voor de inzet van opleidingsplaatsen, in dit geval derhalve voor 360 uur</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>In de looptijd van een project is het altijd mogelijk dat wijzigingen ontstaan ten opzichte van de oorspronkelijke verwachtingen. Dat kan betrekking hebben op kosten, maar ook op inhoudelijke aspecten van het project. Als zich wijzigingen voordoen is de subsidie-ontvanger verplicht deze wijzigingen te melden aan de provincie Fryslân. Wijzigingen in het project kunnen leiden tot bijstellingen van de hoogte van de te verstrekken lening of de leningcondities ten nadele van de subsidie-ontvanger. Bijstelling kan nooit leiden tot een hoger leningbedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Met het verstrekken van een lening wordt een langdurige relatie aangegaan. Als financier wil de provincie Fryslân tenminste eenmaal per jaar een financieel verslag (jaarrekening) en een activiteitenverslag van de subsidieontvanger krijgen uiterlijk binnen 6 maanden na het verstrijken van het betreffende verslagjaar. Op basis hiervan vindt een persoonlijk gesprek plaats met de provinciale accountmanager. Bij afwijkingen op de oorspronkelijke verwachtingen kunnen nadere eisen worden gesteld aan de frequentie van de verstrekking worden gesteld.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Staatssteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De condities voor leningen worden in eerste instantie vastgesteld op basis van marktconformiteit volgens de Europese mededeling. Indien wordt afgeweken in het voordeel van de begunstigde van de aldus bepaalde condities wordt deze afwijking beschouwd als staatssteun. Daaraan zijn grenzen gesteld op basis van Europese regelgeving. In dit verband worden alle entiteiten die een economische activiteit uitoefenen aangemerkt als onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van deze steun wordt bepaald op basis van de looptijd van de betreffende lening in het jaarlijks verschil tussen de marktconforme voorwaarden en de daadwerkelijk gehanteerde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou bijvoorbeeld bij een lening van € 1.0 miljoen een marktconforme rente van 7,06% gelden (normale zekerheid, geen creditrating) en wordt er in werkelijkheid een rente van 4,5% gehanteerd, dan is bij een looptijd van 15 jaar de steun te berekenen als de netto contante waarde van het jaarlijks renteverschil gedurende 15 jaar, in dit geval € 187.895,- Procedure De regeling zal worden opengesteld voor aanvragen van projecten welke kunnen worden ingediend tussen 15 november 2015 en 1 december 2015. Voor projecten tussen de 3 en 9 eenheden met een aanvangshuur onder de liberalisatiegrens geldt dat de aanvragen ingediend kunnen worden van 15 maart 2016 tot en met 31 maart 2016. Op de aanvraag volgt in eerste instantie een besluit van GS over het al dan niet beschikbaar stellen van een lening onder opschortende voorwaarden van het sluiten van een overeenkomst Op basis van het betreffende besluit vindt vervolgens het opstellen van de leningsovereenkomst plaats, waarin opgenomen de resulterende condities, invulling van de zekerheden en de wijze van beschikbaarstelling van de middelen.Paragraaf 7.1 Friese Energiepremie Algemeen In noordelijk verband hebben de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen middelen vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) ontvangen in het kader van het project Stimuleringsfonds Energiebesparing Bestaande Bouw (SEBB). Deze regeling maakt nog gebruik van het budget, overgebleven vanuit het budget dat eerder bestemd was voor de regeling voor woningcorporaties (Subsidieregeling Innovatieve Energieprojecten Bestaande Bouw woningcorporaties 2010-2013). Na goedkeuring door GS (beschikking afgegeven op 30 mei 2013) kan het budget ingezet worden ten behoeve van particuliere woningbezitters.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wijziging Friese Energiepremie is een wijziging van de bestaande Friese Energiepremie en (vrijwel) identiek aan de tijdelijke subsidieregelingen in de provincie Drenthe (Drentse Energiepremie 2014) en de provincie Groningen (Groningse Energiepremie 2014). Omdat het Europese budget in 2014 gebruikt moet zijn, heeft de regeling in Groningen en Drenthe een tijdelijk karakter, de subsidie moet zijn vastgesteld in 2014 om aanspraak te kunnen maken op EFRO geld. De regeling in provincie Fryslân gaat ook na 2014 door, uit het budget van Wurkje Foar Fryslân.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling beoogt particuliere woningbezitters aan te zetten tot het treffen van een pakket van energiebesparende maatregelen om daarmee hun woning energiezuiniger en comfortabeler te maken. Tevens beoogt de regeling hiermee de activiteiten van lokale installateurs en aannemers aan te jagen. Een nevendoelstelling van de regeling is om particuliere woningbezitters aan te moedigen in collectief verband maatregelen te treffen. Hiermee kunnen bijvoorbeeld energiecoöperaties of samenwerkingsverbanden van particulieren hun voordeel doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte kunnen particuliere woningbezitters naast de energiepremie ook een Duurzaamheidslening aanvragen, zodat zij de kosten van de investering over meerdere jaren kunnen spreiden. Aanvragen voor beide regelingen kunnen worden ingediend bij SNN (www.snn.eu). Wel dient een aanvrager beide het liefst ongeveer gelijktijdig aan te vragen, gezien de behandeltermijn van de ingediende aanvragen (maximaal 8 weken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen in de huidige Friese Energiepremie zijn noodzakelijk vanuit twee oogpunten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bijsturing nodig: de resultaten van de Friese Energiepremie tot nu toe (maart 2014) wijzen uit dat relatief veel particuliere woningbezitters slechts één of twee maatregelen uitvoeren. De ambitie van de provincie Fryslân is 5.000 woningen met 3 of 4 energiemaatregelen te verbeteren. Uit de praktijk blijkt dat tot nu toe 65% van de subsidieaanvragen één maatregel betreft en 18% betreft 2 maatregelen. Met de nieuwe regeling en hogere subsidiebedragen voor drie of vier maatregelen beogen wij dat de aanvrager ten minste 3 maatregelen per aanvraag uit zal voeren. De bedragen zijn verhoogd van € 1.500 naar € 2.000 (bij 3 maatregelen) en van € 2.400 naar € 2.800 (bij 4 of meer maatregelen) om bewoners extra te verleiden de investering te doen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Uniformiteit: Om aanspraak te kunnen maken op EFRO-geld, is het verplicht in Groningen, Fryslân en Drenthe uniforme regelingen te hanteren. De wensen van de provincies Groningen en Drenthe zijn daarom in de regeling Friese Energiepremie verwerkt, het gaat met name om: a. Collectieven/VVE’s: Door collectieven en VVE’s de mogelijkheid te bieden aan te vragen, beogen we dat bewoners elkaar aanspreken c.q. stimuleren en helpen om energiebesparingsmaatregelen te treffen. Dit bevordert ook de sociale cohesie in een appartementencomplex, straat, wijk of buurt. Dit sluit ook aan op de trend van steeds meer opkomende lokale duurzame initiatieven, waaronder energiecoöperaties en andere groepen van mensen die gezamenlijke acties voorbereiden en uitvoeren; b. Warmtepompen en warmtepompboilers zijn interessante duurzame energietechnieken die veelal in de nieuwbouw worden toegepast. Langzamerhand worden deze technieken ook meer in de bestaande bouw toegepast. De regeling beoogt de toepassing in de bestaande bouw een extra stimulans te geven. Dit geldt eveneens voor lage temperatuur verwarmingssystemen; c. Bij SNN zal een zogenaamde Energiecoach bewoners voorlichten over de voordelen van energiebesparende en duurzame energieopwekkende maatregelen (lagere energienota, comfortverhoging, beter energielabel en betere verkoopbaarheid van de woning). De Energiecoach kan aanvragers ook ondersteunen bij het voorbereiden en indienen van een aanvraag.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks dat we in de wijziging Friese Energiepremie nu sterk inzetten op 3 of 4 maatregelen, willen we woningbezitters die slechts 1 of 2 maatregelen laten uitvoeren, wel kunnen bedienen. Ook moeten woningbezitters met een woning jonger dan 1995 een aanvraag kunnen indienen, bijvoorbeeld voor een zonneboiler. Dit is echter niet mogelijk binnen het EFRO-budget, vanwege de uniformiteit van de regeling in Drenthe, Groningen en Fryslân. Daarom maken we 2014 gebruik van twee budgetten: EFRO-geld en Wurkje Foar Fryslân.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om aanspraak te kunnen maken op EFRO-budget, gelden de volgende voorwaarden (bovenop de overige in de regeling vast te stellen voorwaarden):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De regeling richt zich op relatief oudere woningen van voor 1995;.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is uitsluitend mogelijk een energiepremie aan te vragen voor drie of vier maatregelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorwaarden worden niet opgenomen in de wijziging Friese Energiepremie, maar in de backoffice bij SNN geregeld. Aanvragen in 2014 worden uitgekeerd en niet voldoen aan één van beide bovengenoemde voorwaarden (dus de woning is jonger dan 1995 en/of er wordt voor 1 of 2 maatregelen subsidie aangevraagd), worden in Friesland wel gehonoreerd en gefinancierd uit het budget Wurkje Foar Fryslan. Aanvragen die in 2015 e.v. uitgekeerd worden, worden alle gefinancierd uit het budget Wurkje Foar Fryslan, totdat dit subsidieplafond is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn op deze subsidieregeling van toepassing. Onderwerpen die geregeld zijn in de Awb worden niet herhaald in de regeling. Zo mogelijk is in de toelichting gewezen op de bepalingen uit de Awb. Deze onderwerpen zijn onder andere subsidieverlening, de beslistermijn en de aanvraag. Omdat het een subsidie betreft die wordt gefinancierd met Europees budget (vanuit het EFRO-programma) wordt de subsidie apart vastgesteld op basis van de ingediende facturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijs</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beperking in definitie van Vereniging van Eigenaars in het eerste lid tot alleen natuurlijke personen komt voort uit het feit dat anders wellicht sprake kan zijn van het verlenen van staatssteun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag collectieve maatregelen als bedoeld in het tweede lid is één aanvraag uit (tenminste) 3 aanvragen met dezelfde maatregelen, die door (tenminste) 3 particuliere woningbezitters zijn ingediend die dicht bij elkaar wonen (in hetzelfde postcodegebied). Om administratieve redenen wijzen de aanvragers zelf één van hen aan als de hoofdaanvrager. De omvang van de maatregelen kan per woning verschillen (bijvoorbeeld bij isolatie vrijstaande woning of middenwoning). De regeling beoogt dat woningbezitters elkaar aanmoedigen om bijvoorbeeld de vloer (1e maatregel), het dak (2e maatregel) van woning te gaan isoleren en HR++glas (3e maatregel) te laten installeren en daarvoor dezelfde aannemer of installateur vragen. De voordelen zijn dat ze meer energiepremie krijgen en lagere kosten hebben omdat de aannemer/installateur goedkoper kan aanbieden dan als de aanvraag individueel was gedaan. Dit voordeel kan oplopen naarmate er meer woningbezitters meedoen! Elke bewoner dient vervolgens zelf een aanvraag in voor zijn woning bij SNN, maar geeft dan op de aanvraag aan dat dit een “aanvraag voor collectieve maatregelen” is en verwijst tevens naar de hoofdaanvrager. De andere (twee of meer) woningbezitters doen dat net zo, waarbij alle aanvragen binnen een tijdsbestek van 2 kalenderweken worden ingediend bij SNN. De aanvragen worden vervolgens door SNN gebundeld op basis van de verwijzingen naar de hoofdaanvrager. De hoofdaanvrager vervult verder geen enkele rol meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie hoopt dat particuliere woningbezitters elkaar “over de streep” trekken of dat energiecoöperaties in Friesland op deze manier worden aangezet om een actie voor hun leden te gaan organiseren om deze voordelen voor hun leden te verzilveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt een postcodegebied van vier cijfers gehanteerd: dit biedt voldoende kleinschaligheid binnen een gemeente. Terwijl in het buitengebied de oppervlakte aanzienlijk groter is, is het aantal mensen in die oppervlakte ongeveer vergelijkbaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de activiteiten opgesomd waarvoor de energiepremie aangevraagd kan worden. De isolatiewaarden zijn aangescherpt ten opzichte van de oorspronkelijke Friese energiepremie. Aanvullend zijn ook nog enkele maatregelen opgenomen, die in de nieuwbouw al worden toegepast, maar in de bestaande bouw nog gestimuleerd dienen te worden. Hierbij geldt dat het gebruik van een warmtepomp altijd in combinatie zal zijn met Lage Temperatuurverwarming (LTV). Daarom is deze maatregel gecombineerd met LTV, maar geldt deze maatregel wel als een afzonderlijke maatregel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toetsingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a Huurders van woningen kunnen geen gebruik maken van de energiepremie. Eigenaren van bijvoorbeeld recreatiewoningen die zij maar een deel van het jaar bewonen, kunnen ook geen gebruik maken van de energiepremie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c De kwantiteitseisen zijn minimumeisen. Bij een aanvraag collectieve maatregelen gelden de kwantiteitseisen vanzelfsprekend per aanvraag en kunnen de eisen per aanvraag daarom betrekking hebben op een verschillend woningtype. Bijvoorbeeld: Zes bewoners dienen ieder een aanvraag collectieve maatregelen in voor dakisolatie, vloerisolatie en HR++glas. Twee bewoners bezitten een rij-hoekwoning, één bewoner een rij-tussenwoning, twee bewoners bezitten een twee-onder-één-kap woning en één bewoner bezit een vrijstaande woning. Hierdoor zullen de oppervlakten voor de te treffen maatregelen per aanvraag verschillend kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdelen d en e Het genoemde certificaat garandeert een bepaalde kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel f Een VVE dient een positief besluit, genomen door de leden van de VVE, mee te zenden met de aanvraag, zodat duidelijk is dat de VVE de maatregelen ook kan uitvoeren en niet meer op bezwaren van de bewoners kan stuiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SNN gaat na of de kosten en tarieven in de onderliggende offertes redelijk zijn en in verhouding staan tot de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager mag de (geselecteerde) offerte(s), die met de aanvraag worden meegestuurd, niet ondertekenen! Anders is er al een verplichting aangegaan, waardoor de premie niet meer verstrekt kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de subsidieIn dit artikel wordt de hoogte van de energiepremie bepaald. De premies voor drie en vier maatregelen liggen hoger dan in de oorspronkelijke Friese Energiepremie, om een extra prikkel te geven meerdere maatregelen (minimaal 3) aan de woning te treffen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7.2 Vuilwaterinzamelingsvoorziening</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Ondanks het Lozingsverbod dat al sinds 2009 van kracht is wordt er helaas nog steeds op grote schaal illegaal vuil water geloosd door de recreatievaart. Het handhaven van dit Lozingsverbod verloopt moeizaam. De pakkans is erg klein, men kan makkelijk ongezien vuil water lozen. Dat dit nog steeds veel voorkomt komt onder andere omdat er te weinig (publieke) voorzieningen zijn om op een eenvoudige manier vuil water te lozen. Met deze subsidiemogelijkheid voor het aanleggen van vuilwaterinnamepunten willen we bevorderen dat het aantal voorzieningen toeneemt. Daarnaast heeft het relatief groot aantal lozingen te maken met een geringe bewustwording binnen de recreatievaart over de negatieve effecten van dergelijke lozingen op de kwaliteit van het zwemwater. Om deze bewustwording te stimuleren zal ook gerichte publiciteit subsidiabel zijn binnen de regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelsgewijsArtikel 7.2.1 Subsidiabele activiteitenDe subsidie kan worden verstrekt voor een vuilwaterinnamevoorziening. Hiermee wordt bedoeld een aan- en uitschakelbaar innamepunt voor vloeibare afvalstoffen (toiletwater en /of bilgewater) uit de recreatie- en/of beroepsvaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige subsidieregeling heeft tot doel de kwaliteit van het zwemwater in Fryslân verbeteren en daarmee de kwaliteit van de leefomgeving. Momenteel wordt het zwemwater vervuild door lozingen van vuilwater door de recreatievaart. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Wurkje foar Fryslân is € 1 mln. gereserveerd voor het uitvoeren van een aantal projecten, waarbij o.a. vuilwaterinnamepunten voor de bruine vloot, rondvaartboten en in havens worden gerealiseerd. Een deel van dit budget zal via deze subsidieregeling verdeeld worden. Een tweede doel van deze regeling is het verbeteren van de werkgelegenheid op korte termijn. Het betreft hier dan de directe werkgelegenheid van bedrijven die betrokken zijn bij het realiseren van de vuilwaterinnamepunten. Tenslotte bevordert een schoner leefmilieu de aantrekkelijkheid van Fryslân voor toeristen. Een derde doelstelling is het stimuleren van het toerisme in Fryslân en daarmee ook het de indirecte werkgelegenheid die dit met zich meebrengt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">DoelgroepSubsidie kan worden aangevraagd door een gemeente als eigenaar van een jachthaven of kade of door een privaatrechtelijke rechtspersoon die eigenaar is van een jachthaven</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AanvraagDe aanvraag moet een projectplan en een begroting bevatten. Uit deze begroting moet duidelijk blijken welke manuren een gemeente of particulier haveneigenaar zelf inzet om het vuilwaterinnamepunt te realiseren. Daarnaast moet het een offerte bevatten van het installatiebedrijf dat de opdracht uitvoert. En tenslotte een offerte voor een periode van drie jaar ten behoeve van het onderhoud van de installatie. Gebleken is namelijk dat adequaat onderhoud essentieel is voor het in werking houden van het systeem. Daarom zijn deze, met een offerte onderbouwde, onderhoudskosten ook subsidiabel</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het bepaalde onder b is beoogd om een spreiding tussen aanvragers te realiseren. Het is niet de bedoeling een aanvrager die zich meer systemen kan veroorloven, subsidie te verlenen voor meer dan twee systemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond bepaald onder onderdeel c is om te voorkomen dat de provincie subsidie verstrekt voor een wettelijke verplichting. Immers, een ieder dient zich te houden aan de wet. Het is niet de bedoeling subsidie te verstrekken aan een organisatie om te voldoen aan zijn wettelijke verplichting. Dat zou oneerlijk zijn tegenover organisaties die zich wel houden aan hun wettelijke taken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-727\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toetsingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De criteria in het eerste lid onder a tot en met i zijn bedoeld om aan te duiden waar het systeem aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze regeling dient een vuilwaterinnamevoorziening te voldoen aan het volgende: het is een aan- en uitschakelbaar innamepunt voor vloeibare afvalstoffen (toiletwater en /of bilgewater) uit de recreatie- en/of beroepsvaart, direct toegankelijk vanaf het vaarwater in de provincie Fryslân en voorzien van de in de watersport gebruikelijke standaard aansluitingen en wat voldoet aan de daarvoor geldende technische specificaties, veiligheidsvoorschriften, toepasselijke regelgeving en vergunningen en is goedgekeurd door daartoe bevoegde instanties. Daarnaast dient elk onderdeel uit duurzaam, onderhoudsarm, gemakkelijk te reinigen materiaal te bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze van de (vacuüm) pomp hangt samen met de omvang van de voorziening; in alle gevallen is een laag energiegebruik, een bedrijfszekere uitvoering en een onderhoudsarm systeem het uitgangspunt Zowel de boordkoppeling als het afvoersysteem dient lekvrij te zijn uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk systeem dient voorzien te zijn van een teller voor inzicht van het gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten die op basis van deze regeling voor subsidie in aanmerking komen moeten direct te maken hebben met de aanschaf van de voorziening of de installatie hiervan. Dat betekent bijvoorbeeld dat indien de installatie gecombineerd wordt met andere werkzaamheden, die niet strikt noodzakelijk zijn, maar uit efficiency overwegingen wel worden meegenomen (bijvoorbeeld de aanleg van elektriciteitskabels, internet of drinkwaterleidingen deze niet als subsidiabele kosten worden beschouwd in het kader van deze regeling. Het is belangrijk dat toeristen ook geattendeerd worden op de aanwezigheid van de voorziening en op die manier gestimuleerd worden er gebruik van te maken. Dit kan in de vorm van een informatiebord, een flyer en met behulp van digitale middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die hieraan verbonden zijn, worden tot een bepaald bedrag subsidiabel geacht. Dit betreft maximaal 5 % van het totaal van de subsidiabele kosten. Verder is het onderhoud van de installatie van belang voor het functioneren en daarmee voor het garanderen van optimaal gebruik. Daarom zijn onderhoudskosten onder bepaalde voorwaarden subsidiabel. In de toelichting bij artikel 7.2.5 is dit verder toegelicht. Tenslotte is het hebben van een vuilwaterinnamevoorziening één van de vereisten waaraan voldaan moet worden wil een jachthaven in aanmerking kunnen komen voor de zogenaamde “blauwe vlag”, een internationaal milieukenmerk voor jachthavens en stranden. Daarnaast moet uiteraard nog aan andere criteria voldaan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil een jachthaven na installatie van een vuilwatersysteem voor de eerste keer deze blauwe vlag aanvragen, dan komen de kosten die hieraan verbonden zijn voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de huidige praktijk worden soms kosten in rekening gebracht aan de toerist voor het gebruik van het vuilwaterinnamepunten. Wij zijn van mening dat een dergelijke voorziening laagdrempelig moet zijn en daarom kosteloos moet worden aangeboden. Onder d. is derhalve als verplichting opgenomen dat de subsidieontvanger geen kosten in rekening brengt voor het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder e. is bepaald dat de subsidieontvanger verplicht is mondeling en schriftelijk instructie te geven aan de gasten over het gebruik van de voorziening.</p></div>", "next": 0}