{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bij vervanging van bestaande drainage binnen beschermde gebieden wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de hydrologische plus wordt uit gegaan van de bestaande situatie. Daarbij geldt dat de diepte waarop de uitmondingconstructie kan worden ingesteld gelijk dient te zijn aan de bestaande diepte, met een maximum diepte van 70 cm beneden het gemiddelde maaiveldniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.4.3.Attentiegebieden Nieuwe drainage binnen attentiegebieden wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop is als de cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden niet leiden tot een significant negatief effect op de Beschermde gebieden . Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vervanging van bestaande drainage binnen attentiegebieden wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de stand-still wordt uit gegaan van de bestaande situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.4.4.Beperkt beschermde gebieden Aanleg en het vervangen van drainagesystemen kan worden toegestaan, mits deze wordt aangelegd volgens het principe van peilgestuurde drainage. Daarbij geldt als maximale ontwateringsdiepte 70 cm beneden het gemiddelde maaiveldniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.4.5.Beekdalen Drainage binnen de beekdalen wordt niet toegestaan, tenzij de combinatie van maatregels cumulatief bijdraagt aan het bereiken van waterhuishoudkundige condities van de natuurdoelen in de beekdalen (hydrologische plus). Een verbijzondering hiervan is een compensatiemaatregel als gevolg van natschade door een vernattingsmaatregel binnen de EHS. Als deze effecten neutraal of negatief zijn, zal de vergunning geweigerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vervanging van drainage binnen beekdalen wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de hydrologische plus wordt uit gegaan van de bestaande situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.4.6.Wijstgebieden Drainage die tot een structurele daling van de grondwaterstand leidt, kan slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drainage die tot een structureel grotere afstand leidt tussen maaiveld hoogte en grondwaterstand kan slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het initiatief voor de aanvullende maatregelen ligt bij de aanvrager waarvan de hydrologische effectiviteit van de aanvullende maatregelen door het waterschap wordt beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">14ABeleidsregel profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewaterlichamen 14A.1Kader 14A.1.1Keur Op grond van artikel 3.1, derde lid van de Keur is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">14A.1.2Begripsbepaling Profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen: de ruimte zoals vastgelegd in de legger ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen, zoals ecologische verbindingszones, beekherstel en meandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">14A.1.3Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op nieuw aan te leggen of te vervangen werken die niet eenvoudig ongedaan te maken zijn in het profiel van vrije ruimte oppervlaktewaterlichamen, aangegeven in de legger oppervlaktewateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">14A.2Doel van de beleidsregel De waterschappen hebben de mogelijkheid om in de legger een ‘profiel van vrije ruimte’ bij oppervlaktewateren op te nemen, als reservering voor toekomstige verbetering of uitbreiding van het waterstaatswerk. Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang, zoals de aanleg van ecologische verbindingszones, beekherstel en meandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die de uit te voeren verbeteringen belemmeren of onmogelijk maken. Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">14A.3Motivering van de beleidsregel 14A.3.1Algemeen Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang. Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die de uit te voeren (her)inrichtingswerkzaamheden ernstig belemmeren of onmogelijk maken. Ook moet worden voorkomen dat (bouw)werken tegen hoge kosten in een later stadium alsnog moeten worden verplaatst of compenserende maatregelen moeten worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone. Voor werken in de beschermingszone moet getoetst worden aan de specifieke regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een werk niet eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt de uit te voeren ontwikkeling ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘eenvoudig’ wordt verstaan een constructie die met eenvoudige hulpmiddelen (gangbaar gereedschap) snel te verwijderen en bij schade te herstellen is. Bijvoorbeeld een klinkerverharding, afrastering, tuinhuisje of bankje welke niet duurzaam met de grond verbonden is d.m.v. fundamenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval worden de volgende werken niet aangemerkt als eenvoudig ongedaan te maken: nutsleidingen; bouwwerken welke duurzaam met de grond verbonden zijn d.m.v. fundamenten; infrastructurele werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke werken vallen dan ook onder de vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat ontwikkelingen worden uitgevoerd, zal de eigenaar van de eenvoudig ongedaan te maken werken verplicht worden om die werken op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een werk in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar van het werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">14A.3.2&lt;vervallen&gt; 14A.4Toetsingscriteria 14A.4.1Algemeen In het profiel van vrije ruimte worden alleen eenvoudig ongedaan te maken werken toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van criterium 1 kan vergunning voor niet eenvoudig ongedaan te maken werken worden verleend, daar waar aannemelijk is dat het profiel van vrije ruimte in de te voorziene toekomst niet benut zal worden voor uit te voeren ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van criterium 1, kan vergunning worden verleend voor niet eenvoudig ongedaan te maken werken, indien de werken niet of anders op zeer moeilijke wijze zijn te realiseren. Daarbij worden door de vergunninghouder zoveel mogelijk compenserende, of indien dat niet kan, mitigerende maatregelen genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">14A.4.2&lt;vervallen&gt; Beleid Keringen 15.Algemene Toetsingscriteria Waterkeringen 15.1.Kader Uitgangspunt bij het vaststellen van de beleidsregels voor waterkeringen is te borgen dat de waterkeringen veilig zijn en blijven en dat het waterschap zijn zorgplicht / beheertaak zo efficiënt mogelijk kan blijven uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het oogpunt van uniformiteit, robuustheid, beheer(s)baarheid en doelmatigheid hanteert het waterschap daarbij als streefbeeld een waterkering in de vorm van een grondlichaam bekleed met een erosiebestendige grasmat vrij van niet-waterkerende objecten als bijvoorbeeld bouwwerken en bomen en struiken, kabels en leidingen. Het waterschap is zich er van bewust dat het streefbeeld als zodanig niet over de volle lengte en breedte van de waterkering realiseerbaar is en dat maatschappelijke, landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden en ruimtelijke kwaliteit medebepalend (kunnen) zijn bij de uiteindelijke inrichting en beheer van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt rekening gehouden met het gebruik van de waterkering voor bestaande nevenfuncties van de waterkering zoals wonen, transport e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veilige keringen Een waterkering is “veilig” (c.q. het waterkerend vermogen is op orde) als deze aan de vastgestelde normen en de daarvan afgeleide eisen voldoet. Voor primaire keringen zijn dit de normen in de Waterwet, voor regionale keringen de normen in de verordening. Bij de technische uitwerking worden o.a. de in figuur 15.1 opgenomen faalmechanismen in beschouwing genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 15.1: Faalmechanismen waterkeringen (bron: ENW, Grondslagen Hoogwaterbescherming, december 2016) Hierbij wordt gebruik gemaakt van het wettelijke beoordelings- en ontwerpinstrumentarium en de vigerende (technische) leidraden van het Expertisenetwerk Waterkeringen (ENW, www.enwinfo.nl) en de Stichting Toegepast Onderzoek Water (STOWA, www.stowa.nl) voor primaire respectievelijk regionale waterkeringen..</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor overige keringen zijn (nog) geen normen vastgesteld. Bij de beoordeling van een aanvraag om een watervergunning kan het projectplan Waterwet dat voor deze keringen is opgesteld, worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelmatig beheer Waterkeringen moeten worden beheerd om te zorgen dat ze – bij diverse waterstanden – stabiel blijven en het water tegenhouden. Daarvoor voert het waterschap bijvoorbeeld periodiek controles en onderhoud uit. Voorkomen moet worden dat activiteiten van derden leiden tot slechtere bereikbaarheid voor inspectie of onderhoud of hogere kosten voor het beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legger In de legger zijn de ligging en afmetingen van de waterkeringen opgenomen zoals die volgens de normen zouden moeten zijn. Daarnaast zijn in de legger beschermingszones en het profiel van vrije ruimte opgenomen, waarbinnen restricties gelden aan activiteiten die kunnen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In figuur 15.2 is het leggerprofiel van een waterkering met bijbehorende zones aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feitelijke dijkprofiel (beheerprofiel) zoals buiten waarneembaar kan afwijken van het (normatieve) leggerprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 15.2: Principe van leggerprofiel en bijbehorende zones en profiel van vrije ruimte 15.2.Toetsingscriteria 15.2.1.Geen waterkeringtechnische verweving tussen verschillende functies waterkering Naast de waterkerende functie kan een waterkering andere functies hebben, zoals wonen, transport, natuur en recreatie. De waterkerende functie van de waterkering is van primair belang; alle andere functies zijn ondergeschikt aan de waterkerende functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen de waterkerende voorzieningen (grondlichaam, damwanden e.d.) zoals vastgelegd in de legger en de voorzieningen voor andere functies (woningen e.d.) moet zoveel mogelijk een duidelijke scheiding aanwezig zijn. Zo mag bijvoorbeeld een (deel van een) woning waterkeringtechnisch geen onderdeel zijn van het voor de waterveiligheid noodzakelijke grondlichaam of waterkerende constructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.2.Voldoen aan vastgestelde normen Voor alle handelingen en activiteiten geldt dat de waterkering moet blijven voldoen aan de wettelijk vastgestelde normen c.q. dat geen belemmering wordt opgeworpen om deze normen te bereiken (toekomstige dijkverzwaring).</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.3.Beheer en onderhoud moeten op een doelmatige wijze mogelijk blijven De kering moet te allen tijde bereikbaar blijven voor het doelmatig kunnen uitvoeren van regulier onderhoud. Ook andere beheeractiviteiten, zoals inspectie en monitoring moeten op eenvoudige wijze mogelijk blijven om tijdig noodzakelijke maatregelen te kunnen treffen. Daarnaast mogen activiteiten of werkzaamheden niet leiden tot hogere kosten voor beheer of onderhoud op termijn. Daarbij valt onder meer te denken aan het aanbrengen van voorzieningen, waarbij als neveneffect ongewenste graverij van bijvoorbeeld bevers of dassen in of bij de waterkering plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke voorzieningen worden alleen toegestaan op voldoende afstand van de waterkering of wanneer compenserende maatregelen worden getroffen bijvoorbeeld in de vorm van het aanbrengen van bever- of dassengaas.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.4.Profiel van vrije ruimte voor toekomstige uitbreiding van waterkering De waterkering moet niet alleen nu maar ook in de toekomst zijn waterkerende functie kunnen blijven behouden. Door klimaatontwikkeling, bodemdaling en aanpassing van normen kan versterking van de waterkering nodig zijn. Voorkomen moet worden dat een dergelijke dijkversterking leidt tot hoge kosten of kapitaalvernietiging. Het waterschap houdt hiermee rekening door het vastleggen van een profiel van vrije ruimte in de legger waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het profiel van vrije ruimte worden werken alleen toegestaan wanneer een toekomstige dijkversterking niet wordt belemmerd. Hiervan kan worden afgeweken wanneer: aannemelijk is dat het profiel van vrije ruimte ter plaatse van het voorgenomen werk in de te voorziene toekomst niet benut zal worden voor een dijkverzwaring; sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang en het werk niet of anders op zeer moeilijke wijze is te realiseren. Daarbij worden door de vergunninghouder zoveel mogelijk compenserende, of indien dat niet kan, mitigerende maatregelen genomen; het werk een tijdelijk karakter heeft of eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden en het werk - door en op kosten van de vergunninghouder – voorafgaand aan een eventuele dijkverzwaring wordt verwijderd / ongedaan gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.5.Ontgraven en ophogen Permanente ontgravingen in / onder het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte Permanente ontgravingen in / onder het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte zijn toegestaan mits: sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang en een vervangende waterkering of waterkerende voorziening wordt aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente ontgravingen in de waterkering en beschermingszone A en B Permanente ontgravingen in de waterkering en de beschermingszones A en B zijn toegestaan mits: de ontgraving buiten / boven het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte plaatsvinden en de ontgraving geen negatief effect heeft op de waterkerende functie en de bereikbaarheid van de waterkering voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd en doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering mogelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente ophogingen op de waterkering en in beschermingszones A en B Permanente ophogingen op de waterkering en in beschermingszones A en B zijn toegestaan mits: de ophoging geen belemmering vormt voor een toekomstige dijkverzwaring en de ophoging geen negatief effect heeft op de waterkerende functie en de bereikbaarheid van de waterkering voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd en doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering mogelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke ontgravingen en ophogingen Tijdelijke ontgravingen en ophogingen in de waterkering, de beschermingszones A en B en het profiel van vrije ruimte, bijvoorbeeld ten behoeve van in de beleidsregels 16 tot en met 21 opgenomen werkzaamheden zijn toegestaan mits: de ontgravingen en ophogingen geen nadelige invloed hebben op de waterkerende functie en de ontgravingen na de werkzaamheden zodanig worden aangevuld en verdicht dat de waterkerende functie van de waterkering wordt geborgd en; de ophogingen na de werkzaamheden worden verwijderd en; de grasmat / bekleding in oorspronkelijk staat wordt hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.6.Beperking werkzaamheden in het gesloten seizoen / situaties met hoge waterstanden Ter beperking van de risico’s op overstromingen tijdens hoogwaterperiodes is een gesloten seizoen vastgesteld waarin werkzaamheden in en nabij waterkeringen alleen onder aanvullende voorwaarden beperkt worden toegestaan. Het gesloten seizoen is van toepassing op primaire en regionale waterkeringen inclusief bijbehorende beschermingszone A en geldt van 1 oktober tot 1 april. Voor compartimenteringskeringen en overige keringen geldt geen gesloten seizoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoering van werkzaamheden in het gesloten seizoen wordt alleen toegestaan wanneer: sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang en de bereikbaarheid van de waterkering tijdens hoogwater gewaarborgd blijft en wordt aangetoond dat de waterkerende functie tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ook bij optredend hoog water gewaarborgd blijft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering hierop zijn activiteiten / werkzaamheden die boven het bestaande maaiveld plaatsvinden en geen negatieve invloed hebben op het waterkerende vermogen en de kwaliteit van de grasmat of andere dijkbekleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Los van deze periode zijn werkzaamheden - anders dan ter beperking van eventuele calamiteiten - in de waterkeringen en beschermingszone A tijdens hoog buitenwater (primaire waterkeringen) of situaties van potentiële wateroverlast en inzet van waterbergingsgebieden (regionale en overige keringen) niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de lokale omstandigheden en de werkzaamheden waarvoor vergunning wordt aangevraagd, kunnen aanvullende voorschriften in de vergunning worden opgenomen bijvoorbeeld ten aanzien van uitvoeringsperiode en eventueel te treffen (nood)maatregelen tijdens situaties van hoge waterstanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.7.Gebruik van de waterkering gaat niet ten koste van de kwaliteit van de grasmat Voor de sterkte, stabiliteit en veiligheid van de waterkeringen is een goede grasmat op taluds en de kruin vereist. Een goede grasmat is in staat een aanzienlijke golfbelasting te weerstaan en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de sterkte van de waterkering. De sterkte van de grasmat wordt bepaald door de soortendiversiteit, een goede en diepe doorworteling en het ontbreken van kale plekken. De erosiebestendigheid van de grasmat moet kunnen worden gegarandeerd voor aanvang van het gesloten seizoen. Beschadigde grasmatgedeelten moeten ingezaaid worden vóór 1 september met graszaad “Natuurdijk II” (of gelijkwaardig) of er moeten geschikte graszoden aangebracht worden op aangevulde en zorgvuldig verdichte grond met nagenoeg dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beweiding Beweiding op de regionale en primaire waterkering is niet toegestaan, met uitzondering van dieren die zijn aangewezen in de algemene regel 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">De praktijk heeft uitgewezen dat beweiding met dieren (met uitzondering van schapen en geiten) dermate schadelijk is voor de grasmat dat een goede staat niet te garanderen is. Dit geldt eveneens voor de instandhouding van het dijkprofiel. Dit is zowel van toepassing voor intensief als extensief gebruik. Om deze reden geldt een totaalverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor specifiek aangelegde klimaatrobuuste, verheelde keringen zijn uitzonderingen mogelijk, in gevallen waarbij de grasmat niet meer maatgevend is voor de waterveiligheid, omdat bij het ontwerp van deze kering al rekening is gehouden met beweiding door groot vee.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.8.Veiligheid tegen explosies Explosies in een waterkering of beschermingszone kunnen leiden tot aantasting van de waterkering of de afdichtende laag met daardoor een verhoogd risico op verlies aan stabiliteit of kwel / piping. Het hebben van explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen in beschermingszone B is daarom alleen mogelijk wanneer maatregelen worden getroffen waardoor bij een eventuele explosie geen schade ontstaat aan de afdichtende laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.Beleidsregel Kabels en leidingen waterkeringen 16.1.Kader 16.1.1.Keur Op grond van de artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.1.2.Begripsbepaling Bijzondere waterkerende constructie (BWC): een constructieve voorziening zoals een damwand of een klei- of groutkist die een waterkerende functie vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap onderscheidt in het kader van deze beleidsregel een aantal groepen kabels en leidingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels: Onder kabels vallen voorzieningen voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteits-, signaal en telecommunicatievoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidingen: Mediumvoerende buisconstructies, die geen lozingswerk zijn, en die niet in open verbinding staan met oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelbuizen (drukloze leidingen): Leidingen ter bescherming van (mediumvoerende) leidingen en/of kabels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleine (druk)leidingen: Kleine (druk)leidingen (kleiner of gelijk aan Ø 125 mm en/of een inwendige druk lager en/of gelijk aan 10 Bar) zijn onder andere vrij verval rioleringen, drainage en kleine industriële leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote (druk)leidingen: Grote (druk)leidingen (groter dan Ø 125 mm en/of een inwendige druk hoger dan 10 Bar) zijn onder andere water- en gasleidingen, drukrioleringen, stadsverwarming en industriële leidingen, maar ook leidingen welke onderdeel uitmaken van het hoofdtransportnet. Met name de voorzieningen voor de hoofdtransportnetten worden veelal gezien als kapitaalintensieve werken voor een periode van 50 jaar of meer en/of zijn in de toekomst moeilijk aan te passen. Daarom zijn hiervoor specifieke toetsingscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisaansluiting: Een huisaansluiting is het deel van een kabel of leiding dat een directe verbinding vormt tussen één specifiek pand (gebouw met een BAG-adres) en het (distributie)net van de netbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt in deze beleidsregel onderscheid gemaakt tussen: kabels en leidingen die parallel aan de waterkering in de waterkering en / of de beschermingszone worden aangebracht; kabels en leidingen die een waterkering kruisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.1.3.Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle kabels en leidingen in een waterkering, beschermingszone A en B en profiel van vrije ruimte met uitzondering van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisaansluitingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidingen in de schil van de compartimenteringskering die vallen buiten het toepassingsgebied van de NEN3650-1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels in beschermingszone B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor leidingen in de schil van compartimenteringskeringen die vallen buiten het toepassingsgebied van de NEN3650-1 geldt algemene regel 25A: Werkzaamheden in schil compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor huisaansluitingen geldt algemene regel 31: Kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van kabels en leidingen in het waterstaatswerk en beschermingszones van een waterkering is het voornamelijk van belang dat de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.Motivering van de beleidsregel De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende functie van de waterkering aantasten en leiden tot hogere beheerkosten. Daarnaast kan de aanwezigheid van kabels en leidingen leiden tot aanzienlijk hogere kosten bij een eventuele dijkversterking. Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen in de waterkering, de beschermingszones en het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.1.Waterkerende functie Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken en die niet noodzakelijk binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A moeten liggen, daarbuiten aan te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruisingen van leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een leiding die de waterkering kruist, vormt als het ware een tunnel (kwelweg) door of onder de waterkering. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de waterkering als de leiding) zo klein mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3.2.Drainage Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen, kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A van de waterkering verhoogt echter het risico op het aantrekken van kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn, als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert, of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.4.Toetsingscriteria Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.4.1.Kabels en leidingen Bij het ontwerp, de aanleg van en het hebben van leidingen en het beheer dient voldaan te worden aan de richtlijnen volgens de geldende normen in de NEN3650-serie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe en te vervangen kabels en leidingen moeten zoveel mogelijk buiten de waterkering en beschermingszone A worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande tracés binnen de waterkering en beschermingszone A kunnen benut blijven en eventueel uitgebreid wanneer: er redelijkerwijs geen mogelijkheden zijn de bestaande tracés te wijzigen, waarbij rekening wordt gehouden met een mogelijke dijkversterking, en de veiligheid van de waterkering door de aanleg voldoende gewaarborgd blijft, en wijziging van het bestaande tracé geen effect heeft op de veiligheid van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stabiliteit van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van kabel- en leidingwerkzaamheden worden gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De \"rakettechniek\" is in de waterkering en beschermingszones A en B niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij alle sleufloze technieken moet middels berekeningen worden aangetoond dat de stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering gewaarborgd zijn. . Dit moet gebaseerd zijn op in de buurt van de aanleglocatie uitgevoerd grondmechanisch en hydrologisch onderzoek en/of lokaal bekende parameters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij grote (druk)leidingen moet bij een open ontgraving middels een berekening aangetoond worden dat er geen negatieve effecten optreden op de stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van mantelbuizen parallel aan de waterkering wordt alleen toegestaan: onder een afrit of zijweg buiten het leggerprofiel, of als er sprake is van bundeling van kabels bij een horizontaal gestuurde boring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij leidingen waarbij als gevolg van falen een erosiekrater kan ontstaan, moet de berekende erosiekrater volledig buiten het leggerprofiel liggen .</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen moeten de waterkering zoveel mogelijk haaks kruisen. De leidingkruising moet zoveel mogelijk door middel van een open ontgraving aangelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal dijkkruisingen dient zo gering mogelijk te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een horizontaal gestuurde boring is alleen toegestaan als uit grondonderzoeken, kwelwegberekeningen en sterkteberekeningen blijkt, dat de waterkerende functie van de waterkering gegarandeerd blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van de gesloten front techniek is alleen toegestaan indien de kruising plaatsvindt op ten minste 1 meter boven het leggerprofiel van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen is alleen toegestaan als dit voor het behoud van de stabiliteit van de waterkering nodig is en wanneer sprake is van glasvezelverbindingen of bundeling van een groot aantal kabels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dijkkruising moet zodanig ontworpen en aangelegd worden dat: de leiding als één stuk binnen het waterstaatswerk en beschermingszones A en B aangelegd wordt, en bij een primaire waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 10 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden; bij een regionale waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden; bij een overige waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden. Er wordt geen watervergunning verleend om binnen de waterkering aan een dijkkruisende kabel of leiding een aftakking en/of aansluiting te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dijkkruising moet drukloos gemaakt en afgesloten kunnen worden. Afsluiters dienen zowel aan de binnendijkse als aan de buitendijkse zijde geplaatst te worden en moeten altijd bereikbaar en bedienbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen die buiten gebruik worden gesteld, dienen te worden verwijderd, tenzij: dit een groot risico oplevert voor de stabiliteit van de waterkering en/of dit technisch niet mogelijk (bijvoorbeeld dicht tegen woningen met risico voor de fundering daarvan) en/of dit ten koste gaat van ecologische, cultuurhistorische of landschappelijke waarden en/of dit leidt tot onevenredig hoge kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verwijderen van kabels en leidingen worden alle kabels en leidingen en toebehoren verwijderd. De sleuf wordt aangevuld en verdicht met grond geschikt voor de functie van de waterkering. Er wordt een grasmat aangelegd die bestand is tegen optredende erosie als gevolg van golfoploop /-overslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer verwijderen van leidingen niet mogelijk is, worden de leidingen volledig afgevuld met drillgrout.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidingen / mantelbuizen van gestuurde boringen die buiten bedrijf worden gesteld worden volledig afgevuld met drillgrout. Eventuele toegangsputten worden volledig verwijderd en de waterkering wordt hersteld c.q. aangevuld en verdicht met grond geschikt voor de functie waterkering. Er wordt een grasmat aangelegd die bestand is tegen optredende erosie als gevolg van golfoploop /-overslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.4.2.Drainage Voor het aanbrengen en hebben van drainage in het waterstaatswerk en beschermingszone A wordt alleen een watervergunning verleend wanneer de aanvrager aantoont dat er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.Beleidsregel Bouwwerken waterkeringen 17.1.Kader 17.1.1.Keur Op grond van de artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is het verboden zonder vergunning bouwwerken in beschermingszone B te plaatsen, aan te passen of te verwijderen die een afdichtende laag doorsnijden, 17.1.2.Begripsbepaling Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken: bouwwerken die op eenvoudige wijze (c.q. tegen geringe kosten) te verplaatsen of te verwijderen zijn. Voorbeelden hiervan zijn speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, hekwerken, tuinmuurtjes, brievenbussen, palen e.d. zonder zware funderingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken met een in de bodem aangebrachte fundering dieper dan 30 cm of 100 cm voor paalvormige bouwwerken worden als niet eenvoudig te verplaatsen beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaand bebouwd gebied: gebied dat op grond van het vigerende bestemmingsplan kan worden aangemerkt als gebied met een woon-, bedrijfs- of kantoorfunctie. Hieronder vallen ook agrarische en recreatieve bouwvlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lintbebouwing: rij van aaneengesloten bouwwerken langs een waterkering in bestaand bebouwd gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overhoogte: de extra ruimte tussen het bestaande maaiveld (beheerprofiel) van de waterkering en het ter plaatse vastgestelde leggerprofiel danwel profiel van vrije ruimte (zie figuur 17.1);</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 17.1: Principeprofiel waterkering met overhoogte Steunberm: Extra hoogte aan de zijkant (binnendijks of buitendijks) van een waterkering ter bescherming van de stabiliteit van de waterkering (zie voorbeeld in figuur 17.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Pipingberm: Extra hoogte aan de zijkant (binnendijks) van een waterkering als bescherming tegen piping / opbarsten van de bodem (vergelijkbaar met een steunberm, zie figuur 17.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">17.1.3.Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle bouwwerken op of in een waterkering, inclusief bijbehorende beschermingszones A en B en profiel van vrije ruimte, met uitzondering van: bouwwerken in / op de schil van een compartimenteringskering en bijbehorende beschermingszone A; hiervoor is algemene regel 25A van toepassing; eenvoudig verplaatsbare bouwwerken in beschermingszone A; hiervoor is Algemene Regel 26 van toepassing; interne verbouwingen; hiervoor is algemene Regel 32 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is te waarborgen dat bij bouwwerkzaamheden de waterkering zijn waterkerende functie behoudt, dat het beheer en onderhoud aan de waterkering doelmatig kan worden uitgevoerd en te zorgen dat de waterkeringen in de toekomst zonder hoge extra kosten versterkt kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.Motivering van de beleidsregel Het waterschap wil in principe geen nieuwe bouwwerken of herbouw van bestaande bouwwerken toestaan op of in de waterkering of aan de buitendijkse kant van de waterkering. Bouwwerken kunnen een grote impact hebben op de waterkerende functie van de waterkering en het beheer en onderhoud; daarnaast kunnen bouwwerken belemmerend of kostenverhogend werken op een toekomstige dijkversterking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitendijkse bouwwerken kunnen bij hoogwater mogelijk bezwijken en een gevaar vormen voor de bekleding van het buitentalud (erosie, schade).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het streefbeeld is ‘onbebouwd blijft onbebouwd’. Zoals aangegeven in paragraaf 15.2 kunnen landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden alsmede ruimtelijke kwaliteit medebepalend zijn om in specifieke gevallen van dit streefbeeld af te wijken. Ook andere, zwaarwegende (maatschappelijke) belangen kunnen reden zijn om bouwwerken alsnog toe te staan. Denk daarbij bijvoorbeeld aan grote infrastructurele werken waarbij brugpijlers of fundaties gecombineerd worden met de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand is voor een aantal specifieke gevallen aangegeven welke ruimte wordt geboden voor bouwwerkzaamheden op of nabij de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.1.Bouwwerken in profiel van vrije ruimte Het profiel van vrije ruimte geeft de contouren aan van een eventuele toekomstige dijkversterking. Binnen het profiel van vrije ruimte mag in principe niet gebouwd worden omdat dit belemmerend werkt op een toekomstige dijkversterking c.q. leidt tot hogere kosten. Voor verbouw van bestaande bebouwing kan onder voorwaarden een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.2.Bouwwerken in beschermingszone A Bouwwerken in beschermingszone A hebben (zeker aan de binnenzijde van de waterkering) een minder groot effect op de waterkerende functie dan bouwwerken in de waterkering. Aandachtspunten zijn de stabiliteit vlak bij de teen van de waterkering en het in stand houden van eventuele afdichtende lagen (voorkomen van piping). Daarnaast moet rekening gehouden worden met de ruimte die nodig is voor toekomstige dijkversterking en de mogelijke impact van de bouwwerken op het beheer en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.3.Verbetering bestaande situatie Op een aantal locaties is sprake van bouwwerken die in het verleden in de waterkering zijn aangelegd, waarbij het werk feitelijk een deel van de waterveiligheidsfunctie heeft overgenomen of waarbij – bijvoorbeeld als gevolg van holle ruimtes (kelders e.d.) sprake is van een qua waterveiligheid moeilijk te beoordelen c.q. te beheren situatie. Bij bouwwerkzaamheden waarbij deze situatie wordt opgeheven/verbeterd, kan onder voorwaarden vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.4.Overhoogte in bestaand bebouwd gebied Op sommige locaties is sprake van een grote overhoogte van de waterkering, ook boven het profiel van vrije ruimte. Met name in al bestaand bebouwd gebied is maatschappelijk behoefte aan mogelijkheden om hier bouwwerken toe te staan (verdichting). Bij een grote overhoogte hebben bouwwerken weinig invloed op de waterkerende functie en kunnen daarom onder voorwaarden worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.5.Lintbebouwing Op en aan de bestaande waterkeringen zijn vaak (historische) bebouwinglinten aanwezig. Maatschappelijk is er behoefte om in open gevallen ruimtes binnen deze bebouwingslinten bebouwing te kunnen plaatsen waarmee weer een aaneengesloten bouwlint ontstaat (ruimtelijke kwaliteit). Vanuit waterveiligheidsoogpunt bestaat echter de voorkeur om zo min mogelijk bebouwing in de waterkering of beschermingszone te hebben (zie ook beleidsregel 15).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een bestaande lintbebouwing is nu al sprake van aangepast beheer; bij een toekomstige dijkversterking zal ook maatwerk geleverd moeten worden. Nieuwbouw of herbouw bij een lintbebouwing kan daarom worden toegestaan wanneer beheer en onderhoud alsmede de kosten voor een toekomstige dijkversterking niet wezenlijk zullen afwijken ten opzichte van de situatie zonder de nieuwbouw of herbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.6.Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken zijn geen groot bezwaar bij het beheer van de waterkering of een toekomstige dijkversterking. Zij kunnen snel en tegen geringe kosten worden verwijderd of verplaatst wanneer sprake is van een risico voor de waterkerende functie van de waterkering of wanneer de waterkering wordt versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenvoudig verwijderbare bouwwerken kunnen daarom onder voorwaarden worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3.7.Bouwwerken in beschermingszone B Bouwwerken in beschermingszone B hebben een minder groot effect op de waterkerende functie dan bouwwerken in de waterkering of beschermingszone A. Aandachtspunt is het in stand houden van eventuele afdichtende lagen (voorkomen van piping). Een voorbeeld is de aanleg of het verwijderen van een steiger met een grote hoeveelheid palen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.Toetsingscriteria Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de algemene toetsingscriteria in hoofdstuk 15;</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.1.Bouwwerken algemeen Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen de stabiliteit van de waterkering nadelig beïnvloeden. Voor dit soort bouwwerken binnen de waterkering en beschermingszone A wordt daarom geen watervergunning verleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">In de waterkering en beschermingszone A mogen onder het bouwwerk geen nieuwe holle ruimtes (zoals kruipruimten, ruimtes tussen randbalken e.d.) worden gemaakt of aanwezig zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">De geplande bouwwerkzaamheden mogen niet leiden tot een verslechtering van het waterkerend vermogen, de stabiliteit van de waterkering en de weerstand tegen piping.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.2.Nieuwbouw bouwwerk Nieuwbouw van bouwwerken op / in de waterkering of in de buitendijkse beschermingszone A is niet toegestaan, tenzij sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken inclusief funderingen en mogelijke buitendijkse erosiekuilen mogen: het leggerprofiel niet doorsnijden; het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 is niet van toepassing op funderingspalen in beschermingszone A, in de steunberm en / of pipingberm van de waterkering en in het daarboven gelegen profiel van vrije ruimte mits ze grondverdringend en zonder verbrede voet worden aangebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toekomstige dijkverzwaring binnen het profiel van vrije ruimte moet mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het aan te brengen bouwwerk ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toekomstige dijkverzwaring moet voldoende werkruimte aanwezig blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middels berekeningen moet worden aangetoond dat de bebouwing en/of fundatie daarvan geen schade op zal lopen door de belasting van het grondlichaam conform het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.3.Herbouw bouwwerk De herbouw van een bestaand bouwwerk op de waterkering of in beschermingszone A is toegestaan wanneer geen aanpassing van de fundering plaatsvindt;</p>\n<p class=\"lf-p\">In overige gevallen wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.4.Uitbreiding bouwwerk Een op zichzelf staand bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 10% van het bebouwde grondoppervlak;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitbreiding van een bouwwerk met meer dan 10% van het bebouwd grondoppervlak binnen het profiel van vrije ruimte wordt beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een uitbreiding van een bouwwerk moet de uitbreiding buiten het leggerprofiel van de waterkering worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitbreiding binnen de waterkering en beschermingszone A mag niet in de richting van of evenwijdig aan de waterkering plaatsvinden tenzij direct aangrenzende bouwwerken reeds dichter naar de waterkering gebouwd zijn en dit niet binnen afzienbare tijd zal veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.5.Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken In afwijking van de artikelen 17.4.2 tot en met 17.4.4 zijn nieuwbouw, herbouw en uitbreiding van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken op een waterkering toegestaan, mits: sprake is van een bouwwerk dat wettelijk is voorgeschreven of sprake is van een bouwwerk ter bescherming van de (verkeers)veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen 17.4.2 tot en met 17.4.4 zijn nieuwbouw, herbouw en uitbreiding van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken op een waterkering toegestaan, mits: het bouwwerk minimaal 1 meter uit de kruin- of teenlijn wordt geplaatst en het bouwwerk boven het bestaande maaiveld staat en de fundering het leggerprofiel niet doorkruist.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.6.Verbetering bestaande situatie In afwijking van artikel 17.4.2 lid 1 en lid 2 is nieuwbouw op de waterkering toegestaan mits: sprake is van sloop van een bestaand bouwwerk waardoor een verbetering gerealiseerd wordt van de waterkering uit het oogpunt van waterkerend vermogen en de nieuwbouw qua bebouwd grondoppervlak niet groter is dan 110% van het bebouwde grondoppervlak van het gesloopte bouwwerk. de nieuwbouw niet in de richting van of evenwijdig aan de waterkering plaatsvindt tenzij direct aangrenzende bouwwerken reeds dichter naar de waterkering gebouwd zijn en dit niet binnen afzienbare tijd zal veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.7.Bouwwerken in lintbebouwing In afwijking van artikel 17.4.2 lid 1 is nieuwbouw op de waterkering toegestaan mits:</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwbouw plaats vindt als opvulling van een lege ruimte in een bestaande lintbebouwing en De nieuwbouw qua afmetingen en ruimtebeslag aansluit op de bestaande bebouwing in de lintbebouwing en De nieuwbouw niet dichter naar de kering wordt gebouwd of dieper dan de bestaande lintbebouwing en De nieuwbouw geen waterkerende functie gaat vervullen (geen functieverweving) en Het beheer en onderhoud van de waterkering alsmede de kosten voor een toekomstige dijkversterking niet wezenlijk zullen afwijken ten opzichte van de situatie zonder de nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.8.Bouwwerken in bestaand bebouwd gebied met overhoogte In afwijking van artikel 17.4.2 lid 1 is nieuwbouw op de waterkering toegestaan mits:</p>\n<p class=\"lf-p\">Sprake is van bestaand bebouwd gebied en Sprake is van overhoogte boven het profiel van vrije ruimte en De nieuwbouw, inclusief fundering het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden en De nieuwbouw geen negatief effect heeft op de stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.9.Bouwwerken in beschermingszone B Het plaatsen, aanpassen en verwijderen van bouwwerken in beschermingszone B is toegestaan mits de waterremmende werking van de aanwezige afdichtende bodemlagen niet wordt verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.Beleidsregel Wegen, parkeerplaatsen en perceelsontsluitingen waterkeringen 18.1.Kader 18.1.1.Keur Op grond van artikel 3.3 en 3.4 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.1.2.Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op de aanleg, het onderhoud en het verwijderen van wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen op alle waterkeringen inclusief bijbehorende beschermingszones A en profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor klein onderhoud aan openbare wegen is algemene regel 25: “Klein onderhoud aan openbare wegen op de waterkering” van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.2.Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van wegen, op- en afritten op de waterkering is het voornamelijk van belang dat de stabiliteit, dus ook de waterkerende functie van de waterkering, evenals het doelmatig onderhoud is gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.3.Motivering van de beleidsregel 18.3.1.Waterkerende functie Wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen (zoals op- en afritten, trappen en aanbermingen) hebben door hun aanwezigheid en het transport hierover een negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten voor een vergroting van het grondlichaam, wat aan de ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de andere kant extra belasting voor het bestaande grondlichaam oplevert. Bovendien kan door de toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden tot verweking. De fundering en verharding mogen geen nadelige invloed hebben op de dijkbekleding. Daarnaast vormen aanbermingen, op- en afritten een extra belasting voor eventueel aanwezige leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.3.2.Beheer en onderhoud Trappen, parkeerplaatsen, op- en afritten en aanbermingen tegen het talud van de waterkering maken doelmatig beheer en onderhoud moeilijker. Dit is niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van nieuwe aanbermingen, op- en afritten en trappen. Een watervergunning voor de aanleg van aanbermingen, trappen en op- en afritten tegen het talud van de waterkering kan alleen worden verleend als de constructie zo aangelegd wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uit te voeren beheer en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4.Toetsingscriteria 18.4.1.Algemeen Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gebieden waar door de aanleg van grondophogingen grote zettingen verwacht worden, moet de initiatiefnemer door middel van berekeningen aantonen dat de ophoging geen nadelige gevolgen heeft voor de waterkering en bijbehorende of inliggende voorzieningen en/of belendende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plaats van aan te leggen trappen, op- en afritten, aanbermingen en wegen, moet worden afgestemd op het regulier beheer en onderhoud van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De breedte, talud helling, bekleding en samenstelling van de aanberming, op- en afritten en trappen moeten in overeenstemming zijn met de bestemming/functie van het aangevraagde werk en mogen geen afbreuk doen aan LNC-waarden. Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toetsen van een watervergunningsaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een goede wijze mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4.2.Perceelsontsluitingen Per perceel gelegen aan de waterkering is één ontsluiting voldoende. Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande aanbermingen, op- en afritten en/of trappen, hiervan gebruik gemaakt moet worden, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij splitsing van percelen moet naar handhaving van de bestaande ontsluiting worden gestreefd. Een nieuwe persceelsontsluiting via de waterkering is slechts vergunbaar bij een aangetoond zwaarwegend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe ontsluitingen via de waterkering kunnen worden toegestaan als er sprake is van inbreidingsplannen binnen de bebouwde kom. Het aantal ontsluitingen naar de waterkering moet dan binnen het plan tot een minimum worden beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op- en afritten en trappen moeten buiten leggerprofiel van de waterkering aangelegd worden en mogen de stabiliteit en de taludbekleding van de waterkering niet negatief beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de op- en afrit wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de op- en afrit geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de op- en afrit of de trap en bijbehorende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4.3.Parkeerplaatsen Voor de aanleg van een parkeerplaats op de waterkering wordt alleen vergunning verleend als parkeren op eigen terrein niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De parkeerplaats moet voorzien zijn van een halfopen verharding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanleg van de parkeerplaats mag geen aanberming aan de waterkering worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de parkeerplaats wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de parkeerplaats geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel bij onderhoud van de waterkering door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de parkeerplaats en bijbehorende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4.4.Wegen De wegverharding en onderliggende fundering dient zodanig aangelegd te worden dat de verkeers-belasting voldoende wordt verspreid naar het onderliggende grondlichaam en zonder dat er negatieve effecten op kunnen treden met betrekking tot de constructie en functie van de waterkering. Dit is van toepassing op zowel wegreconstructies als voor aanleg van nieuwe wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersvoorzieningen, zoals reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV)-borden, komportalen en openbare verlichting, die het leggerprofiel doorsnijden zijn toegestaan mits ze vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen in het buitentalud of in de buitenkruinlijn zijn toegestaan mits ze vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.Beleidsregel Bodemonderzoek waterkeringen 19.1.Kader 19.1.1.Keur Op grond van de artikelen 3.3, 3.4 en 3.5 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling Bodemonderzoek: onderzoek naar de opbouw en eigenschappen van de in de waterkering of de bodem aanwezige grondlagen / stoffen inclusief het daarin aanwezige (grond)water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogwaterperiode: periode waarin een sterk verhoogde waterstand voorkomt Kwelscherm: Een ondoorlatende constructie voor verlenging van de kwelweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Exploratieboring: Een boring ter verkenning van de mogelijke winning van delfstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oplengen: het plaatsen van een opzetstuk op een bestaande peilbuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.1.2.Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op grondmechanisch onderzoek in alle waterkeringen met uitzondering van de schil van compartimenteringskeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is tevens van toepassing op exploratieboringen en seismisch onderzoek in beschermingszones A en B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor grondmechanisch onderzoek in de schil van de compartimenteringskeringen geldt algemene regel 25A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor grondmechanisch onderzoek, met uitzondering van seismisch onderzoek en exploratieboringen, in beschermingszones A en B geldt algemene regel 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen en grond- en milieuonderzoek is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.Motivering van de beleidsregel Het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek kan invloed hebben op de waterkering. Vooral in kwel- en pipinggevoelige gebieden kan het zeer nadelig zijn wanneer het afdichtende kleipakket van een waterkering wordt geperforeerd. Hierdoor kan er kortsluiting ontstaan tussen de watervoerende lagen, waardoor het risico van piping toeneemt. Ook kunnen trillingen van seismische onderzoekmethodes onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens hoogwater situaties kan de stijghoogte in peilbuizen hoger liggen dan de bovenkant van de peilbuis. Voorkomen moet worden dat in dergelijke situaties ongewenste kwelstromen onder de waterkering optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.4.Toetsingscriteria Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.4.1.Sonderingen, boringen en (peil)buizen voor grond- en grondwateronderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeren van boringen en sonderingen en het plaatsen van peilbuizen in de waterkering is toegestaan mits: sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang of sprake is van een wettelijke verplichting (bijvoorbeeld verplicht milieuonderzoek) en het uitvoeren van het onderzoek elders niet mogelijk is In verband met de stabiliteit van de waterkering moeten de boorgaten worden gedicht met ondoorlatend materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeren van boringen en sonderingen tijdens een situatie van verhoogde waterspanning in de bodem (bijvoorbeeld bij tijdens een hoogwaterperiode) is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterkerende vermogen van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van het onderzoek worden gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspoeling van gronddeeltjes moet worden voorkomen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een kwelscherm bij peilbuizen die langere tijd blijven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De peilbuis moet – in geval van een hoogwaterperiode – opgelengd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.4.2.Overige onderzoeken Seismische onderzoeken en exploratieboringen in de waterkering of beschermingszone A zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seismische onderzoeken en exploratieboringen in beschermingszone B zijn toegestaan mits: de uitvoering van deze onderzoeken / boringen buiten het gesloten seizoen en buiten de hoogwaterperioden gebeuren aangetoond wordt dat de werkzaamheden geen nadelige invloed zullen hebben op de stabiliteit en waterkerende functie van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.Beleidsregel bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen bij waterkeringen 20.1.Kader 20.1.1.Keur Op grond van de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.1.2.Begripsbepaling Bodemenergiesysteem: systeem om energie uit de bodem te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn 2 typen bodemenergiesystemen: open systeem; hierbij wordt grondwater opgepompt en teruggevoerd in de bodem. De warmteoverdracht vindt boven de grond plaats; gesloten systeem of bodemwarmtewisselaars; hierbij wordt vloeistof door lussen rondgepompt in een gesloten systeem in de bodem. Warmte overdracht vindt in de bodem plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.1.3.Toepassingsgebied Deze beleidsregel geldt voor alle bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen in c.q. onder alle waterkeringen en beschermingszones A en profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.2.Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen en het plaatsen, houden en verwijderen van verticale buizen is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.3.Motivering van de beleidsregel Voor bodemenergiesystemen moet meestal een fors boorgat worden gemaakt, moeten er leidingen in het boorgat worden gemaakt, moeten de afdichtingen tussen boorbuis en bodem betrouwbaar zijn en moet dit alles aan het eind van de levensduur van het bodemenergiesysteem weer afgedicht worden. Deze constructie mag per definitie de werking van de waterkering niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor grondwateronttrekkingen geldt dat hierbij meestal gebruik wordt gemaakt van verticaal geplaatste buizen die de afsluitende bodemlagen doorbreken. Voorkomen moet worden dat hierdoor onbedoelde kwelstromen ontstaan die kunnen leiden tot bijvoorbeeld piping of stabiliteitsverlies.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.Toetsingscriteria 20.4.1.Algemeen Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boringen ten behoeve van bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen in de waterkering zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen kabels en leidingen moeten voldoen aan de beleidsregel voor kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het plaatsen, houden en verwijderen van verticale buizen moet worden voldaan aan de beleidsregel 19: ‘Grondmechanisch onderzoek’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het onttrekken van grondwater moet worden voldaan aan de beleidsregel 22: ‘Grondwater’;</p>\n<p class=\"lf-p\">De stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering moeten tijdens en na de uitvoering van de boringen worden gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verwijderen van bodemenergiesystemen of grondwateronttrekkingsbuizen moeten de gaten in de bodem, zodanig laagsgewijs worden aangevuld en verdicht dat geen kwelstromen kunnen ontstaan via de af te dichten gaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vergunning zullen voorschriften worden opgenomen voor het buiten gebruik stellen van het bodemenergiesysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.2.Plaats van de boringen De boringen moeten zo ver mogelijk uit de waterkering plaatsvinden en De boringen mogen binnen het profiel van vrije ruimte plaatsvinden en De afwerking van de boring, de warmtewisselaar, de ontvang- en verdeelput moeten worden geplaatst buiten of boven het profiel van vrije ruimte en Het bodemenergiesysteem moet altijd aan dezelfde zijde (binnen- of buitendijks) van de waterkering worden geplaatst als het object waarvoor het geïnstalleerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.3.Boren en afdichten Door de houder van de onttrekkingsinrichting dient binnen 4 weken na uitvoering van de boring de beschrijving van het veldwerk zoals die vereist is krachtens het Besluit Bodemkwaliteit (BRL SIKB protocol 2101 Mechanisch boren), aan het bestuur te worden gestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve voor het boren van het bodemenergiesysteem mogen er geen verdere ontgravingen worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.4.Aanvullende criteria voor open systemen De mate van risico op de waterkering moet gekwantificeerd worden met een 3-dimensionaal grondwatermodel waarbij rekening wordt gehouden met variatie van de dikte van de bodemlagen, doorlaatfactoren en situering van de onttrekkings- en retourfilters. Dergelijke berekeningen zijn verplicht en moeten bij de aanvraag om een vergunning worden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.5.Ondiepe grondwateronttrekkingen Ondiepe onttrekkingsputten voor bijvoorbeeld veedrenking of beregening, moeten worden geplaatst buiten de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.Beleidsregel beplanting waterkeringen 21.1.Kader 21.1.1.Keur Op grond van de artikelen 3.3 en 3.4 van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszones, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.1.2.Begripsbepaling Beplanting: bomen, struiken en laagblijvende planten die worden aangebracht om de tuin in te richten, natuur te ontwikkelen of het landschap te verfraaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.1.3.Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het aanbrengen en onderhouden van beplanting op alle waterkeringen en in bijbehorende beschermginszone A..</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verwijderen en snoeien van beplanting geldt algemene regel 29A respectievelijk algemene regel 29B.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.2.Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Het is van belang dat bij het planten van bomen, struiken en beplanting geen piping ontstaat, de erosiebestendigheid van het talud gegarandeerd is en de aanwezigheid van bomen niet leidt tot instabiliteit van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.3.Motivering van de beleidsregel 21.3.1.Waterkerende functie Bij de toetsing of bomen, struiken en planten invloed hebben op de waterkering, zijn drie aspecten belangrijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaduwwerking. Door schaduwwerking kan het gras, de standaard taludbekleding, onder bomen en struiken minder goed groeien. De erosiebestendigheid van het talud komt hiermee in gevaar. Daarom wordt er in de toetsingscriteria voor bomen en struiken een horizontale afstand tot de waterkering aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit. Om de stabiliteit van een waterkering te garanderen, zijn bepaalde afmetingen nodig. Doorsnijding van de waterkering en aanliggende gronden met bijv. een wortelkluit van een boom of struik, maakt de waterkering minder stabiel. Omgewaaide bomen kunnen door het ontstane gat van de wortelkluit de waterkering ernstig beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Piping. Piping is een verschijnsel waarbij, door een erosieproces, onder een waterkering tunnels ontstaan. Kleilagen in en onder de waterkering voorkomen piping. Het wortelstelsel van bomen en struiken zou door deze kleilagen heen kunnen dringen, waardoor de kans op piping toeneemt. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van het dijkmateriaal (klei of zand) en de omstandigheden waarin de boom wortelt (wisselende grondwaterstand, natte of juist droge omstandigheden) zijn sommige soorten bomen en struiken wel of juist niet geschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.3.2.Beheer en onderhoud Het talud van de waterkering is bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking is inspectie door het waterschap niet (goed) mogelijk. Daarom wordt geen watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande taludbekleding door een andere vorm van taludbedekking, ook niet in combinatie met een bodembedekker.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.Toetsingscriteria Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.1.Bestaande bomen en struiken Dode, zieke, (gedeeltelijk) omgewaaide, zwaar beschadigde en gerooide bomen en/of struiken moeten worden verwijderd. De wortelresten moeten worden uitgefreesd en het uitgefreesde materiaal dient uit de wortelgaten te worden verwijderd en afgevoerd. In de wortelgaten moet kleigrond van (nagenoeg) dezelfde samenstelling als de dijkbekleding worden aangebracht en zorgvuldig laagsgewijs worden verdicht. Vervolgens moeten de wortelgaten worden voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september worden ingezaaid met graszaad “Natuurdijk II” (of gelijkwaardig) ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang gesloten seizoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.2.Nieuwe bomen en struiken Nieuwe bomen en struiken op het buitentalud van de primaire en regionale waterkering en tot een afstand van 10 meter uit de buitenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop gelden de volgende uitzonderingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen en struiken in tuinen van buitendijkse panden waar, door middel van constructieve maatregelen, ten behoeve van de reeds aanwezige werken de erosiebestendigheid van het buitentalud gegarandeerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een hoog liggend voorland, waardoor bomen en struiken buiten het leggerprofiel geplaatst kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe bomen en struiken op de waterkering en tot 4 meter uit de binnenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop zijn enkele uitzonderingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van aanzienlijke landschappelijke- ecologische en/of culturele waarden kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor nieuwe bomen en struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een (zeer) brede kruin kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor bomen en struiken op de kruin. Te allen tijde moet een zone van 5 meter vanuit de buitenkruinlijn obstakelvrij blijven ten behoeve van onderhoud en inspectie van de waterkering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe bomen en struiken, inclusief de ontgrondingskuil, moeten buiten het leggerprofiel van de waterkering worden geplaatst en op termijn goed vervangbaar zijn. Voor bomen wordt uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil met een diepte van 1 meter en een straal, vanuit het hart van de boom, van 2 meter. Voor struiken wordt eveneens uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil, met een diepte van 0,5 meter en een straal, vanuit het hart van de struik, van 1 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nieuwe bomen en struiken op of in de schil van een compartimenteringskering gelden geen restricties voor de locatie ten opzichte van het leggerprofiel mits: het profiel van de waterkering na plaatsing in oorspronkelijke staat wordt hersteld en beheer en onderhoud van de waterkering niet worden belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.3.Herplanten van bomen en struiken Herplanten, het vervangen van bestaande bomen en struiken, wordt beoordeeld als het aanbrengen van nieuwe bomen en struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.4.Onderhoud van bomen en struiken Bomen op de waterkering dienen zodanig te worden gesnoeid, dat zich een takvrije stamlengte van 4 meter hoog kan ontwikkelen. Dit vanwege bereikbaarheid en inspectie van de waterkering en om voldoende licht op de grasmat toe te laten. Het snoeihout en bladval moeten worden verwijderd en afgevoerd. Knotten moet minimaal eens in de drie jaar geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grasmat moet worden hersteld zodra er schade is ontstaan die te wijten is aan aanwezigheid van bomen en/of struiken (ontworteling, schaduwwerking, wortelopschot, afgewaaide takken etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4.5.Inspectie van bomen Periodieke controle, inspectie en schouw naar de conditie en stabiliteit van de bomen bij waterkeringen is noodzakelijk. Hiervoor kan de methodiek Visual Tree Assesment (VTA) worden gevolgd, of een vergelijkbare methodiek. Het is van belang dat bomen bij de waterkering niet kunnen omwaaien en tot instabiliteit van de waterkering kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleid Grondwater 22.Beleidsregel Grondwater 22.1.Kader Waterwet artikel 6.4 en de keur artikelen 3.10 tot en met 3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.2.Algemeen beleid voor alle activiteiten In deze beleidsregels is voor verschillende vormen van grondwatergebruik uitgewerkt hoe met vergunningverlening wordt omgegaan. Voor al deze uitwerkingen geldt echter dat deze uitgaan van steeds dezelfde basisbeginselen. Gezien de kaders en doelstellingen van de Waterwet heeft het grondwaterbeheer vier pijlers:</p>\n<p class=\"lf-p\">Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infiltreren van water, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Adequaat voorraadbeheer Er is in feite niet sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde: zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering); benutten gebiedseigen water; wateraanvoer; en dan pas grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd worden, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd worden. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de grondwaterkwaliteit Drinkwaterbeschermingsbeleid is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (Waterwet en Provinciale Milieuverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Hogere regelgeving regelt voor inrichtingen en activiteiten al uitvoerig wat wel en niet toegestaan is met het oog op de bescherming van de kwaliteit van grondwater bestemd voor menselijke consumptie. Het is dan ook niet nodig daarvoor aanvullende regels te stellen in bijvoorbeeld de keur, maar wel te voorkomen dat toepassing van regels de hogere regelgeving (de Provinciale Milieuverordening) doorkruisen. Dit betekent dat in vergunningen voor activiteiten in gebieden die beschermd worden voor de drinkwatervoorziening, aanvullende of afwijkende voorschriften kunnen worden opgenomen ten behoeve van de drinkwaterbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip menselijke consumptie komt overigens uit de Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (Drinkwaterrichtlijn) en komt in de Nederlandse wetgeving ook terug in het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, artikel 1, onder g. Onder water voor menselijke consumptie wordt daar verstaan al het water, niet zijnde natuurlijk mineraalwater, bronwater of een geneesmiddel, dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde waren of stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de drinkwaterbescherming speelt de kwaliteit van grondwater in het algemeen een rol van betekenis voor de vergunningverlening. Hoewel het waterschap geen directe bevoegdheid heeft op dit vlak krachtens de Waterwet, dient het waterschap hier wel rekening mee te houden bij de belangenafweging op grond van artikel 2.1 van de Waterwet. Specifiek voor infiltreren geldt bovendien op grond van artikel 6.26 Waterwet dat slechts vergunning verleend kan worden als er geen gevaar voor de grondwaterkwaliteit is, en dat er aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter verzekering van de controle op de kwaliteit van het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedsspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden/gebieden met wateraanvoer de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale nadelige effecten tegengaan Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermde gebieden, attentiegebieden, Invloedsgebieden Natura 2000 en beperkte invloedsgebieden Natura 2000 Nieuwe onttrekkingen, die niet zijn gericht op behoud of versterking van de natuurwaarden en die niet vallen onder de specifieke beleidsregels genoemd onder artikel 22.3 tot en met 22.9, zijn in deze gebieden niet toegestaan. Verplaatsingen worden in dit verband als nieuwe onttrekkingen aangemerkt en zijn dus niet toegestaan. Met uitzondering van putten die op last van overheidsingrijpen verplaatst moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het strikte beschermingsbeleid heeft zowel betrekking op de individuele ingrepen als op het cumulatieve effect van de ingrepen. Daarom worden de effecten van de ingrepen niet individueel beoordeeld (bijvoorbeeld in de vorm van een standstill op de rand van de natte natuurparel), maar wordt de ingreep niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurbeleid en Kaderrichtlijn Water Waar grondwateronttrekkingen moeten worden verminderd om de gestelde doelen in de natte natuurparels te bereiken, dan geldt dat in principe voor alle categorieën grondwateronttrekkingen in dat gebied. Mede op basis van de beschikbare alternatieven wordt vervolgens per onttrekking of per onttrekkingscategorie de omvang van de vermindering bepaald. Ook wordt de termijn bepaald waarbinnen deze vermindering moet plaatsvinden. Dit wordt samen met de provincie in een gebiedsplan vastgesteld. Bij vergunningverlening op grond van de Waterwet houden we rekening met natuurdoelstellingen van Natura 2000 en de vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet. Ook wordt rekening gehouden met de zuiveringsinspanning voor grondwater voor menselijke consumptie in het kader van de Kaderrichtlijn Water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsspecifiek grondwaterbeleid In grondwaterbeleid is een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. De gebiedsindeling daarvoor is opgenomen in de algemene regels. Die gebiedsindeling wordt in deze beleidsregel eveneens toegepast. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrijafwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per gebied is in de algemene regels aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Met deze aanpak worden nog steeds dezelfde doelen nagestreefd als voorheen, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. In de algemene regels zijn tevens vaste waarden voor de te onttrekken diepte opgenomen voor die gevallen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanduiden van de bodemopbouw bestaan meerdere typologieën in Nederland. Het waterschap sluit aan op de typologie van Regis II van TNO-NITG. Dit is een landelijke erkende digitale database die een model geeft van de landelijke geologische kartering van de Nederlandse ondergrond. Deze standaard wordt ook in andere regelgeving toegepast zoals het Protocol mechanisch boren krachtens artikel 25 Besluit Bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.3.Vergunningenbeleid voor industriële onttrekkingen kleiner dan 150.000 m3 per jaar Bij de vraag naar grondwateronttrekkingen door toenemende bedrijvigheid wordt van de bedrijven gevraagd zo veel mogelijk alternatieven in te zetten, zoals de inzet van oppervlaktewater of hergebruik van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">In stedelijk gebied met wateroverlast kan een uitzondering gemaakt worden op het principe dat grondwater alleen wordt gebruikt voor menselijke consumptie. Hier kunnen onttrekkingen wel toestaan worden voor andere doeleinden dan menselijke consumptie. In elk geval wordt gestreefd naar een nuttig gebruik van het onttrokken grondwater. De benodigde drooglegging in de stad is goed verenigbaar met waterwinning. Verwacht mag worden dat de onttrekkingen om wateroverlast tegen te gaan, maar tijdelijk nodig zullen zijn, omdat bij de herinrichting van deze wijken een aangepaste ont- en afwatering deze problemen kan oplossen. Om een verspreiding van bodem- en grondwaterverontreinigingen te voorkomen is een toename van de onttrekkingen dieper dan de bodemlaag aangegeven in tabel zoals vermeld in algemene regel 34 aangegeven ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform de algemene uitgangspunten voor grondwatergebruik geldt ook hier dat er zo zuinig mogelijk met grondwater moet worden omgaan. Daarnaast mag er geen verdroging optreden, met name in beschermde gebieden en attentiegebieden. Nieuwe onttrekkingen worden in deze gebieden in beginsel niet verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de vermindering van de onttrekkingen door waterleidingbedrijven en industrie ontstaat ruimte voor nieuwe onttrekkingen en uitbreiding van bestaande onttrekkingen binnen stedelijk gebied. Om een beheerste ontwikkeling te garanderen is door de provincie een grens aan de mogelijk optredende groei gesteld. Groeit de omvang van de onttrekkingen tot boven de grens, dan worden maatregelen genomen. Dit behelst onder meer het intrekken van reservecapaciteit binnen bestaande vergunningen en gezamenlijk met de andere waterschappen en provincie een uitwerkingsplan vaststellen. Hierin geven we de oorzaken van de opgetreden groei, de prognose voor de toekomstige waterbehoefte en de inzet van alternatieven aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende uitgangspunten zijn bij verplaatsing van winningen van toepassing:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid voor de verplaatsing ligt bij de bedrijven zelf;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek tot verplaatsing van winningen zal worden getoetst op: het doel waarvoor het grondwater wordt gebruikt; de mogelijkheden voor de inzet van alternatieven; geen toename van het effect op het natuurlijk milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitbreidingsmogelijkheden voor grondwateronttrekkingen door bedrijven kunnen als volgt worden samengevat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bedrijven/onttrekkingen voor andere doeleinden dan menselijke consumptie geldt dat die zijn gelegen binnen de bebouwde kom;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de aanvraag moet blijken dat grondwater noodzakelijk is. Indien binnen drie jaar na vergunningverlening geen gebruik is gemaakt van de vergunning, of een belangrijk deel hiervan, dan zal de vergunning hierop worden aangepast of ingetrokken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grondwater wordt gebruikt, of mede gebruikt, voor menselijke consumptie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De putten mogen een maximale diepte hebben tot in de bodemlaag aangegeven in tabel zoals in algemene regel 34 aangegeven;</p>\n<p class=\"lf-p\">De putten mogen niet gelegen zijn in beschermde gebieden en attentiegebieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale grondwateronttrekking in Noord-Brabant door waterleidingbedrijven en industriële onttrekkers mag maximaal 268 miljoen m3 bedragen (onttrekking 2007 + 10%). Indien de gestelde grenswaarde wordt bereikt zullen geen uitbreidingen meer worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.4.Vergunningenbeleid voor agrarische beregening Gebiedspecifiek beleid voor agrarische beregening Het beleid voor beregenen uit grondwater voorziet in meer flexibiliteit in agrarische gebieden, maar alleen waar dit mogelijk is met goede bescherming van de natuurwaarden binnen Brabant. Om deze bescherming te kunnen borgen is een indeling gemaakt in vijf deelgebieden: beschermde gebieden attentiegebieden invloedsgebieden Natura 2000 beperkte invloedsgebieden Natura 2000 overig gebied De ligging van deze gebieden is terug te vinden op de keurkaart “beschermde gebieden Keur”. In ieder gebied geldt een eigen beschermingsbeleid. Hieronder wordt de bescherming verder uitgelegd. Omdat de bescherming binnen de eerste drie gebieden gelijk is, worden deze samengepakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningenbeleid voor de beschermde gebieden, attentiegebieden, invloedsgebieden Natura 2000 en beperkte invloedsgebieden N 2000 In beginsel verlenen we in deze gebieden geen nieuwe vergunningen voor beregening. Bedrijven zullen bij het opstellen van bedrijfsplannen uit moeten gaan van de bestaande situatie en het al dan niet beschikbaar zijn van een bestaande vergunning. We stimuleren vermindering van het gebruik van grondwater voor beregening via projecten en afspraken met de sector. Indien een besparing wordt bereikt binnen het bestaande gebruik, achten we een verruiming van de onttrekkingen voor (nieuwe) kapitaalintensieve teelten mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het grondwatergebruik voor beregening te beheersen geldt dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen nieuwe vergunningen meer worden verleend voor beregening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande grondwateronttrekkingen niet mogen worden verplaatst. Alleen bij de realisatie van overheidsplannen kan een grondgebruiker die het bestaand gebruik moet beëindigen, een put verplaatsen naar een nieuw perceel. De nieuwe put mag hierbij niet zijn gelegen in een beschermd gebied of attentiegebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grasland niet mag worden beregend voor 1 juni en in juni en juli niet tussen 11:00 en 17:00 uur. (Dit is opgenomen in de vergunning, hierbij is tevens voorzien in een ontheffingsregeling). In de periode 1 januari tot 1 juni mag grasland beregend worden in voornoemde periode binnen 48 uur na een emissiearme bemestingsmethode met dierlijke mest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor intensieve grondgebonden teelten, waarbij vruchtwisseling belangrijk is, kan een raamvergunning worden verleend, waarin de totale pompcapaciteit per uur is aangegeven en de maximale diepte van de put. Bij wijzigingen moet de locatie van de te gebruiken put(ten) worden opgegeven. De nieuwe put mag niet zijn gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. In raamvergunningen wordt de voorwaarde opgenomen dat de vergunning nooit meer kan worden gebruikt voor de beregening van grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande putten mogen worden verplaatst vanuit de beschermde gebieden naar de attentiegebieden, de invloedsgebieden Natura 2000 en de beperkte invloedgebieden Natura 2000. Bestaande putten mogen ook worden verplaatst binnen de attentiegebieden, invloedsgebieden Natura 2000 en de beperkte invloedgebieden Natura 2000 indien de afstand tot de beschermde gebieden daarmee wordt vergroot (afwaartse beweging). Verplaatsing van de put is ook mogelijk naar een locatie buiten de beschermde gebieden, attentiegebieden, invloedsgebieden Natura 2000 en de beperkte invloedgebieden Natura 2000. Het doel is steeds het vergroten van de afstand van de onttrekking ten opzichte van natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande putten mogen worden vervangen binnen 50 meter van de bestaande ingemeten locatie, waarbij de nieuwe put dezelfde diepte dient te hebben als de bestaande of ondieper dient te zijn, maar deze niet dieper mag zijn dan de maximale diepte conform de algemene regels grondwater. Deze voorwaarde is eveneens in de vergunningen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overdracht van eigendommen en/of bodemgebruik kan een vergunning overgaan op een rechtsopvolger. Dit kan ook betrekking hebben op een deel van de vergunning, waarbij echter elk deel van de vergunning minimaal dient te bestaan uit een put en 11 m3 per uur pompcapaciteit. Waarbij de totale pompcapaciteit en het aantal putten in de beschermde gebieden, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000 niet toeneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningenbeleid voor de beperkte invloedsgebieden Natura 2000 Om zoveel mogelijk invulling te geven aan het verkrijgen van meer flexibiliteit in de agrarische gebieden is, daar waar het mogelijk is, een extra gebied aangemerkt. Dit zijn de “beperkte invloedsgebieden Natura 2000”. Dit gebied geeft een geleidelijke overgangszone tussen het flexibele “overig gebied” en de beschermde gebieden waar het standstillbeleid van toepassing is (beschermde gebieden, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beperkte invloedgebieden natura 2000 zijn nieuwe onttrekkingen niet toegestaan. De flexibiliteit ten opzichte van de hierboven genoemde beschermde gebieden bestaat uitsluitend uit het opheffen van het voorjaars- en urenverbod voor het beregenen van grasland. Voorjaars- en urenverbod voor beregenen van grasland is niet van toepassing, indien er waterbesparende- en waterconserverende maatregelen zijn uitgevoerd die zijn vastgelegd in een bedrijfswaterplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningenbeleid voor de overige gebieden Toepassingsbereik Deze beleidsregel is van toepassing op grondwateronttrekkingen die niet voldoen aan de criteria uit de algemene regels grondwater artikel 4 en 5. Op dat moment is een vergunningplicht aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel en motivering van de beleidsregel Voor agrarisch gebruik geldt dat de onttrekkingsinrichting veelal bestaat uit een pomp met meerdere putten. Er wordt niet uit alle putten tegelijkertijd onttrokken, maar meerdere putten zijn nodig vanwege de omvang van agrarische bedrijven en teeltwisselingen. Bij agrarische onttrekkingen zijn twee doelstellingen van belang. Enerzijds het onder controle houden van de hoeveelheden onttrokken grondwater, anderzijds de bescherming van de kwaliteit van het diepere grondwater door middel van het beschermen van de slechtdoorlatende lagen tegen onnodige doorboringen. Voor beregening van grasland, akkerbouw en vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt, glastuinbouw en container- en substraatteelt geldt dat dit primair via algemene regels gereguleerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningverlening is nog aan de orde bij een voorgenomen afwijking van de algemene regels, zoals een groter aantal putten of een groter pompcapaciteit dan in de algemene regels is toegestaan. Aangezien de algemene regels afgestemd zijn op de draagkracht van het grondwatersysteem, een normale bedrijfsvoering, en gezien de algemene uitgangspunten ten aanzien van grondwatergebruik, zal getoetst worden of het aangevraagde redelijk en noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en wat er aan waterbesparing en/of waterconservering gedaan kan worden ten einde zuinig grondwatergebruik te realiseren. Zoals ook bij de algemene regels wordt ook hier een bedrijfswaterplan vereist, conform hetzelfde model.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen met het oog op zuinig grondwatergebruik in de vergunning waterconserverende of waterbesparende maatregelen voorgeschreven worden. Voor de maximale diepten worden in beginsel de algemene regels (artikel 1) gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Voor de vergunningverlening hanteren we de volgende toetsingscriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aangevraagde moet redelijk en noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diepere onttrekkingen dan de algemene regels stellen worden niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1) Het aangevraagde moet redelijk en noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet aangetoond worden dat de bedrijfsomvang of bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt. Hierbij wordt getoetst aan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nachtvorstbestrijding. Het bedrijf past nachtvorstbestrijding toe daar waar geen of onvoldoende oppervlaktewater beschikbaar is, omdat er gelijktijdig meerdere percelen moeten worden beregend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemopbouw. De bodemopbouw op de locatie van het bedrijf is zodanig dat niet volstaan kan worden met de pompcapaciteit of diepte uit de algemene regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfsomvang. Het bedrijf is beduidend groter van omvang dan soortgelijke bedrijven in Brabant, dit betekent minimaal 50% groter dan op basis van gegevens van het CBS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer dan 1 put per 5 hectare wordt slechts toegestaan indien wordt aangetoond dat dit voor de bedrijfsomvang en bedrijfsvoering noodzakelijk is. (Bijvoorbeeld bij bedrijven met een grote geografische spreiding. De haspel kan dan wel verplaatst worden, maar er is nog wel een put in de omgeving nodig. Bij een bedrijf waar gronden bij elkaar liggen, kunnen meerdere percelen met een put bediend worden.) Ad2) Diepere onttrekkingen dan de algemene regels stellen worden niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bescherming van het diepe grondwater is sinds 2000 ingezet om de kwaliteit van het drinkwater te beschermen. Een onttrekkingsput kan namelijk ook als lek gaan fungeren waardoor ondiep grondwater met mogelijke vervuiling naar de diepere lagen stroomt. Er mag daarom niet dieper dan de bodemlaag aangegeven in tabel zoals vermeld in algemene regel 34 aangegeven worden onttrokken. Dat is uitgewerkt in de algemene regels. Ook voor situaties die onder de vergunningplicht vallen blijven we deze grens volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterconserverende maatregelen/besparende maatregelen Het bedrijfswaterplan is verplicht voor alle beregeningsvergunningen in overig gebied. De maatregelen uit het bedrijfswaterplan moeten zijn uitgevoerd, voordat de onttrekking mag starten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra waterconserverende of besparende maatregelen worden opgenomen als voorschrift in de vergunningverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vraag of er nadere eisen gesteld worden aan waterconservering en – besparing geldt in het algemeen dat de hoofdlijn van het beregeningsbeleid is: “voor wat, hoort wat”. Onder de algemene regels is dat ingevuld door het bedrijfswaterplan met een minimum aantal te nemen maatregelen. Indien niet voldaan kan worden aan de algemene regels (artikel 4 en 5) moet één extra maatregel genomen worden bovenop hetgeen conform het bedrijfswaterplan al verplicht is. Voor specifieke agrarische bedrijfstypen zijn geen algemene regels opgesteld en geldt direct een vergunningplicht. In dat geval is geen extra watermaatregel bovenop het bedrijfswaterplan vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.5.Vergunningenbeleid voor bronbemalingen, grondwater- en bodemsaneringen, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform de algemene uitgangspunten voor grondwatergebruik geldt ook hier dat er zo zuinig mogelijk met grondwater moet worden omgaan. Daarnaast mag er geen verdroging optreden, met name in beschermde gebieden en attentiegebieden, en mag er geen overlast of schade ontstaan aan nabij gelegen opstallen. Daarom richt het beleid zich enerzijds op minimalisatie van de grondwateronttrekking en anderzijds op retourbemaling. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe vergunningen voor permanente verlagingen van de grondwaterstand voor het droog houden van gebouwen en werken, worden niet verleend. Bestaande vergunningen dienen te worden beëindigd en indien dit niet mogelijk is dient het onttrokken grondwater terug gebracht te worden in de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bronbemaling is minimalisatie van de grondwateronttrekking door het toepassen van aangepaste bouwtechnieken en zorgvuldige planning van de uitvoering van bouwwerkzaamheden een absolute noodzaak. Iedere aanvraag voor bronbemaling zal hierop worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij onttrekkingen groter dan 0,5 miljoen m3 per jaar moet worden gestreefd het onttrokken grondwater terug te brengen in de bodem. Bij onttrekkingen tussen 0,2 en 0,5 miljoen m3 per jaar moet het streven gericht zijn op het minimaal 50% terugbrengen in de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij niet te vermijden vergunningplichtige bronbemalingen in beschermde gebieden en attentiegebieden dient gestreefd te worden het onttrokken water altijd volledig terug te brengen in de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bodem- en grondwatersanering dient te worden gestreefd naar een minimalisatie van de netto-onttrekking die is te bereiken door: toepassing van alternatieve saneringstechnieken (o.a. in situ-sanering); toepassen van technieken om toestroming schoon grondwater te beperken (o.a. damwanden, efficiënt onttrekken); het onttrokken grondwater na zuivering terug te brengen in de bodem (waarbij mogelijk snellere sanering kan plaatsvinden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het onttrokken grondwater niet in de bodem kan worden teruggebracht, moet ingeval van mogelijk negatieve effecten op de omgeving worden onderzocht of de effecten zo veel mogelijk kunnen worden verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.6.Vergunningenbeleid kleine onttrekkingen Deze beleidsregel is ook van toepassing op alle kleine onttrekkingen tot 10 m3/uur die niet vallen onder de vrijstelling van artikel 3 van de algemene regel 34, daarvan uitgezonderd grondwateronttrekkingen voor toepassingen waarvoor specifieke beleidsregels zijn opgesteld zoals bedoeld in de artikelen 22.3, 22.4, 22.5, 22.7, 22.8 en 22.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe kleine onttrekkingen worden binnen de beschermde gebieden, attentiegebieden, Invloedsgebieden Natura 2000 en beperkte invloedsgebieden Natura 2000 niet toegestaan. Verplaatsingen worden in dit verband als nieuwe onttrekkingen aangemerkt en zijn dus niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor onttrekkingen met een pompcapaciteit van niet meer dan 10 m3 per uur en een put dieper dan bepaald in algemene regel 34, artikel 1 geldt dat nieuwe vergunningen niet worden verleend. Bij uitzondering kan een diepere put worden vergund indien het een bestaande put betreft die op last van overheidsingrijpen verplaatst moet worden, en de put een doel dient die het afwijken van de algemene lijn rechtvaardigt, en het voor dat doel daadwerkelijk noodzakelijk is een diepere put te slaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.7.Vergunningenbeleid voor onttrekkingen voor stofbestrijding Op grond van milieuwetgeving gelden verplichtingen voor het nathouden van bouwwegen en opslag van bulkgoederen in de openlucht (bijv. ertsen), om zo verwaaien van stof tegen te gaan. Het Activiteitenbesluit verplicht het gebruik van hemelwater dat in aanraking is geweest met de desbetreffende stoffen. Dit neemt echter niet weg dat er soms extra water nodig kan zijn. In het bijzondere geval waar er onvoldoende oppervlaktewater beschikbaar is of andere alternatieven, kan aanspraak op grondwater dus noodzakelijk zijn, ondanks dat het om laagwaardig gebruik gaat. Vast moet staan dat grondwater het enige alternatief is om aan wettelijke verplichtingen te voldoen. Dan geldt vervolgens dat dit grondwater alleen ter aanvulling van de waterbehoefte gebruikt mag worden indien en voor zover stofbestrijding verplicht is. Bovendien moet het grondwater zo ondiep mogelijk gewonnen worden, of er wordt grondwater gewonnen dat kwalitatief ongeschikt is voor hoogwaardig gebruik. Ten slotte geldt dat het slaan van meerdere putten tot een minimum beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Vergunningenbeleid voor parken en openbaar groen, golfbanen/recreatie en sportvelden Deze functies gebruiken veel water voor gebruik dat in het landelijk grondwaterbeleid als laagwaardig gebruik geclassificeerd wordt. Daarbij geldt dat er per situatie sprake is van maatwerk. In het algemeen geldt dat de nadruk ook hier ligt op alternatieven gebruiken boven grondwater. Als het gebruik van grondwater toch onvermijdelijk is dan dient dit zo zuinig mogelijk te gebeuren en dient het gebruik van grondwater ter plaatse te worden gecompenseerd. Dit wordt immers ook verwacht van andere meer hoogwaardige gebruiksvormen. Conform de algemene beleidsuitgangspunten wordt hierbij gekeken naar de laatste stand der techniek. Ten slotte geldt dat het slaan van meerdere putten tot een minimum beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek voor nieuw aan te leggen sportvelden geldt dat gezien de laatste stand der techniek bevloeiing van onderaf wordt voorgestaan in plaats van reguliere beregening. Dit is een relatief nieuwe techniek voor zowel natuurgras als kunstgras die overmatige verdamping en afvloeiing van beregeningswater tegengaat en tegelijkertijd benut kan worden om het sportveld in te natte omstandigheden beter te ontwateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor parken en openbaar groen, golfbanen/recreatie en sportvelden die liggen in beschermde gebieden, attentiegebieden invloedsgebieden Natura 2000 of beperkte invloedsgebieden N 2000 geldt echter dat in die gevallen het vergunningenbeleid voor agrarische beregening gevolgd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.9.Vergunningenbeleid voor brandblusvoorzieningen Brandblusvoorzieningen zijn vergunningplichtig als de brandblusvoorziening niet valt onder de algemene regel voor brandblusvoorzieningen, bijvoorbeeld omdat een grotere diepte wenselijk gevonden wordt dan in de algemene regel is toegestaan. Op dat moment wordt primair getoetst in hoeverre brandblusvoorziening daadwerkelijk in afwijking van de algemene regels aangelegd moet worden om te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 en andere regelgeving op het gebied van brandveiligheid en brandweerzorg. Daarnaast wordt ook bezien in hoeverre extra waarborgen nodig zijn ten behoeve van de bescherming van de grondwaterkwaliteit. In de vergunning worden verder in beginsel basisvoorwaarden van dezelfde aard opgenomen als in de algemene regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.10.Overgangsbeleid Voor vergunningen die zijn afgegeven voor inwerkingtreding van de keur en de algemene regels geldt de overgangsregeling die in de keur is opgenomen. Voor zover van toepassing blijven daarvoor de oude beleidsregels van toepassing gedurende de overgangstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voortijdige wijziging van een bestaande vergunning geldt dat, indien en voor zover de vergunde onttrekkingsinrichting wordt gehandhaafd en niet onder de algemene regels valt, dit middels een revisievergunning geformaliseerd wordt conform het nieuwe beleid. Dit geldt ook voor gevallen waarin de overgangstermijn afloopt en de vergunde onttrekkingsinrichting niet (geheel) past binnen de algemene regels.</p></div>", "next": 0}