{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het onderzoek van de gemeente kost tijd. De woningbouwvereniging moet de woning voor de betreffende kandidaat langer beschikbaar houden. Om de woningbouwvereniging hierin te compenseren, kan de gemeente maximaal een maand huurderving vergoeden. De gemeente vergoedt de kale huur over het aantal dagen tussen het moment dat de kandidaat in eerste instantie op zijn laatst had kunnen reageren op de woning en het moment dat de kandidaat de woning daadwerkelijk heeft geaccepteerd of geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12 Tijdelijke huisvesting en dubbele huur In het geval dat een cliënt wegens de aanpassing van zijn woning tijdelijk niet in zijn woning kan verblijven, kan de gemeente een maandelijks bedrag toekennen voor tijdelijke huisvesting. Dit bedrag is € 550,- per maand voor als de cliënt in een zelfstandige woonruimte verblijft en € 250,- bij een niet-zelfstandige woonruimte. De vergoeding wordt alleen toegekend als de cliënt niet anders kan dan zijn woning verlaten tijdens de verbouwing. Dit is ter beoordeling aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten die verhuizen naar een aangepaste woning maar moeten wachten tot die woning is aangepast, kunnen te maken hebben met dubbele woonlasten. In dat geval kan de huur voor de nieuwe woning door de gemeente betaald worden. Dit geldt maximaal voor de duur van zes maanden en alleen als er voldaan wordt aan de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt kan logischerwijs niet in de nieuwe woning wonen terwijl de aanpassing van de woning gaande is;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpassingen waardoor cliënt niet in de nieuwe woning terecht kan, zijn medisch gezien noodzakelijk en door de gemeente als dusdanig aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13 Algemene woonvoorzieningen De gemeente kan, bijvoorbeeld ter bevordering van de bewegingsvrijheid van bewoners van een bepaald appartementencomplex, ervoor kiezen om een algemene woonvoorziening te verstrekken (zie ook paragraaf 2.3 van dit verstrekkingenboek). Algemene woonvoorzieningen zijn bijvoorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Automatische deuropeners Hellingbaan Drempelhulpen in gezamenlijke ruimtes Voorwaarden voor de verstrekking van algemene voorzieningen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening heeft te maken met de algemene toegankelijkheid en het opheffen van belemmeringen die bewoners hierin dagelijks ondervinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De situatie levert een belemmering op voor mensen met een lichamelijke beperking, die een hulpmiddel, bijvoorbeeld een rollator, rolstoel of scootmobiel gebruiken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen andere route te nemen waarop men geen obstakels tegenkomt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevraagde voorziening is het goedkoopst-compenserend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene woonvoorzieningen worden verstrekt aan de eigenaar van het betreffende wooncomplex met als voorwaarde dat deze eigenaar (of vereniging van eigenaren) akkoord is met de woonvoorziening en zorg draagt voor het onderhoud en eventuele reparaties. Vervanging van de voorziening is slechts mogelijk als de gangbare afschrijvingstermijn van 10 jaar verstreken is en de voorziening niet meer functioneert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een algemene woonvoorziening hoeft geen eigen bijdrage te worden betaald. Ook is een aanvraagformulier in principe niet nodig. Eigenaren die in aanmerking willen komen voor een algemene woonvoorziening in hun woongebouw, kunnen contact opnemen met het Wmo-loket om dit te bespreken. De gemeente inventariseert hoeveel bewoners zijn die de voorziening nodig hebben en zonodig de voorziening treffen. Huurders die in aanmerking willen komen voor een algemene woonvoorziening worden in eerste instantie naar de eigenaar van hun wooncomplex verwezen, zodat die contact met de gemeente kan opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de eigenaar van het woongebouw zelf. Is dit woongebouw bedoeld voor een bepaalde doelgroep, bijvoorbeeld ouderen? Dan mag van de woningeigenaar verwacht worden dat hij zelf de voorzieningen treft die voor deze doelgroep nodig zijn (zie hierover ook paragraaf 4.3.6 van dit verstrekkingenboek). Ook ten behoeve van gebouwen die onlangs zijn gebouwd of gerenoveerd wordt er vanuit gegaan dat de eigenaar de voorzieningen bij de bouw of renovatie zonder veel meerkosten had kunnen treffen. Er wordt door de gemeente dan geen voorziening verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5.Vervoersvoorzieningen 5.1Inleiding Een belangrijke oorzaak van mobiliteitsproblemen is dat het reguliere openbaar vervoer voor sommige mensen met een beperking niet toegankelijk is. Ze kunnen niet bij de halte of het station komen of kunnen niet in de bus of trein stappen. Daar waar er geen mogelijkheid is voor gehandicapten om van het openbaar vervoer of andere algemene middelen zoals een fiets of bromfiets gebruik te maken, is het nodig dat er alternatieven worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatieplicht voor vervoer gaat over het sociaal vervoer van de cliënt. Dit wordt ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22 gaat in op de omvang van het vervoersgebied. Deze omvang van 1.500 kilometer komt deels voort uit de Wvg. Onder deze wet is uitgebreide jurisprudentie gevormd over zaken die met het doel van het vervoer te maken hadden. Deze jurisprudentie is van kracht gebleven onder de Wmo en vormt het kader voor de Wmo-compensatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2Algemeen Bij de beoordeling van een aanvraag voor een Wmo vervoersvoorziening is een aantal specifieke thema’s van belang. Deze worden hieronder besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.1Mobiliteit Mobiliteit is het vermogen van de mens om zich te verplaatsen van de ene naar de andere plaats op een wijze die de situatie verlangt. In het perspectief van de Wmo wordt met verplaatsen bedoeld het zich in en om de woning bewegen en het afleggen van afstanden in de directe woonomgeving (de regio).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer iemand beperkt is in zijn vermogen zich te verplaatsen, wordt zijn mobiliteit kleiner. Aangezien mobiliteit een belangrijke voorwaarde is voor het participeren in de samenleving, is er sprake van een probleem. Hoe ernstig dit probleem voor betrokkene is, hangt af van de verhouding tussen zijn vervoersbehoefte en de reële verplaatsingsmogelijkheden. Mobiliteitsbeperkingen kunnen worden verminderd door verstrekking van een vervoersvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.2Bovenregionaal vervoer De gemeente heeft een compensatieplicht voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving (regio). Voor bovenregionaal vervoer kan de aanvrager terugvallen op het vervoer van Valys.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een Valyspas kan iemand met beperkingen per jaar een bepaald aantal kilometers tegen een speciaal tarief reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Valyspas kan aangevraagd worden bij Valys. De aanvrager dient te beschikken over één van de volgende documenten: een bewijs van de gemeente dat er recht is op Wmo-vervoer (bijvoorbeeld een vervoerskostenvergoeding); een bewijs van de gemeente dat er recht is op een Wmo-rolstoel of scootmobiel; een gehandicaptenparkeerkaart van de gemeente; een OV-begeleiderskaart van de Nederlandse Spoorwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verkrijgen van een Valyspas is niet gebonden aan een inkomensnorm. Daarom kan ook een afwijzing van een vervoerskostenvoorziening van de gemeente wegens een te hoog inkomen, gelden als “bewijs” richting Valys. Bij de beoordeling door de gemeente moet dan wel geconstateerd zijn dat de aanvrager beperkingen heeft waardoor reizen met het openbaar vervoer onmogelijk is. Dit wordt in de afwijzingsbeschikking vermeldt, waardoor deze toch gebruikt kan worden bij het aanvragen van de Valyspas. Het bovenstaande geldt ook bij een afwijzing van een vervoerskostenvoorziening wegens een te lage regionale vervoersbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.3Vervoer in het leven van alledag De aanvrager kan dankzij de verstrekking van een vervoersvoorziening deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, oftewel het leven van alledag. Onder het leven van alledag kunnen we verschillende activiteiten scharen. Het gaat om activiteiten op het maatschappelijke en sportieve vlak die zich met regelmaat voordoen. Activiteiten in de directe omgeving van de cliënt, zoals boodschappen doen, familiebezoek, het zomaar buiten zijn, naar de biljartvereniging, naar de kerk, naar de huisarts of naar het ziekenhuis (tenzij het vergoed wordt door de AWBZ), naar een cursus of gewoon een middagje winkelen. Allemaal zaken die iemands leven compleet maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de gemeente mag worden verwacht dat zij het vervoerspatroon van de cliënt meeneemt in haar afweging en dan vooral het vervoer dat de cliënt nodig heeft om zijn sociale contacten te onderhouden. Op die manier zorgt de gemeente ervoor dat de voorziening op maat wordt geleverd, toegesneden op de individuele cliënt. Van belang is het vervoerspatroon voorafgaand aan het optreden van de beperkingen en de vervoersbehoefte die de cliënt heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.4Vervoersbehoefte De vervoersbehoefte kan worden beschreven aan de hand van de volgende kenmerken: het verplaatsingsmotief (waarom); de verplaatsingsbestemming (waarheen); de frequentie van verplaatsen (hoe vaak); de wijze van verplaatsen (hoe verplaatst men zich).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij mobiliteitsbeperkingen moet worden onderzocht welk deel van de vervoersbehoefte onder de compensatieplicht van de Wmo valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. Uitzondering is een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen of van essentieel belang is. De compensatieplicht van de gemeente voor wat betreft het vervoer heeft een omvang van 1500 kilometer per jaar met een bandbreedte tot 2000 kilometer per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Frequentie Bij het bepalen van de relevante vervoersbehoefte gaat het niet om de vraag hoe vaak een belanghebbende een bepaalde bestemming kan bereiken, Het gaat om de vraag hoe vaak hij dat moet kunnen doen om deel te nemen aan het leven van alledag en om de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten te onderhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd Het verplaatsingsgedrag van mensen heeft een relatie met de leeftijd. De gemeente gaat uit van de volgende aannames, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk blijkt: kinderen jongerdan vijf jaar hebben geen zelfstandige vervoersbehoefte omdat de ouders hen kunnen meenemen. Voor kinderen met een beperking in deze leeftijdsgroep lijken de vervoersproblemen, voor zover ze betrekking hebben op begeleiding of gesloten vervoer, veel op de vervoersproblemen van niet-gehandicapte leeftijdgenoten. Immers, alle kinderen jonger dan 5 jaar hebben begeleiding nodig bij het reizen. Situaties waarin het niet verstrekken van voorzieningen leiden tot onredelijkheid, worden individueel beoordeeld. Voorbeelden hiervan zijn situaties waarin een speciale wandelwagen of rolstoel nodig is die niet meegenomen kan worden in het openbaar vervoer; kinderen van vijf tot en met elfjaarhebben in enkele gevallen een beperkte zelfstandige verplaatsingsbehoefte. De meeste kinderen in deze leeftijdscategorie worden bijna altijd bij het verplaatsen begeleid; vanaf twaalf jaar wordt verondersteld dat zich verplaatsingsgedrag ontwikkelt, in de richting van dat van een volwassene. Een jongere gaat steeds vaker en verder van huis; vanaf vijftien jaar gaat men uit van het verplaatsingsgedrag van een volwassene; bij hoogbejaarden kunnen steeds meer functionele beperkingen gaan optreden. Onder invloed van die beperkingen gaan ouderen vaak over op een ander verplaatsingspatroon, waarbij het aantal verplaatsingen afneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3Vormen van vervoersvoorzieningen Vervoersvoorzieningen zijn er op twee terreinen: voor vervoer op korte afstand. Dit is vervoer in de woonomgeving, het zogenaamde loop- en fietsvervoer; voor vervoer op de wat langere afstand. Voor het vervoer op de wat langere afstand zou een niet beperkte aanvrager van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is ook de term vervoer voor de middellange afstand waarvoor bijvoorbeeld de scootmobiel als voorziening gegeven wordt Als iemand vervoersproblemen heeft op zowel de korte als de langere afstand, wordt voor beide situaties gekeken welke oplossingen noodzakelijk zijn. Dit betekent niet dat de cliënt ook voor beide een oplossing krijgt aangeboden. Alleen als iemand maar heel weinig kan lopen, maximaal honderd meter, dan vereist de wet van de CRvB dat er op beide terreinen een oplossing komt. In andere gevallen kan het overigens best noodzakelijk zijn dat er voor de korte en de wat langere afstand een oplossing wordt gevonden, maar dan is het niet zo dwingend voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening kan bestaan uit: een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer; een vervoersvoorziening in natura; een pgb te besteden aan een vervoersvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Zeist biedt vanuit de Wmo geen vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer aan. Het primaat bij het toekennen van een vervoersvoorziening ligt bij de financiële tegemoetkoming in de kosten van het vervoer. Het pgb is een manier van verstrekken, waarbij de hoogte wordt bepaald aan de hand van de actuele tegenwaarde van een voorziening in natura zoals de gemeente die inkoopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.1Primaat openbaar vervoer Alleen als het openbaar vervoer niet adequaat is, komt iemand met beperkingen in aanmerking voor een vervoersvoorziening via de Wmo. Openbaar vervoer is niet adequaat als iemand ten gevolge van ziekte of gebrek wordt belemmerd in het bereiken of het gebruiken van de voor het openbaar vervoer gebruikte voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende situaties is openbaar vervoer niet adequaat: de loopafstand die de persoon met beperkingen kan overbruggen is minder dan achthonderd meter. Dit is de gemiddelde afstand die iemand moet afleggen tot een halte voor het openbaar vervoer; de persoon met beperkingen kan niet langer dan tien minuten staan of wachten bij een bushalte; de persoon met beperkingen kan de in/uitstap van het openbaar vervoer niet nemen; de persoon met beperkingen is wegens bijvoorbeeld incontinentie niet in staat met het openbaar vervoer te reizen en incontinentiematerialen bieden onvoldoende uitkomst; de persoon met beperkingen maakt langdurig (langer dan zes maanden) gebruik van een rollator of rolstoel op medisch advies; de persoon met beperkingen vertoont sociaal storend gedrag zoals agressie, onrust of decorumverlies dat door begeleiding niet te corrigeren is; de persoon met beperkingen heeft aantoonbare fobische klachten die geen behandelingsoptie hebben; de persoon met beperkingen heeft ernstige aangetoonde bronchiale hyperreactiviteit, waarbij de benauwdheidsklachten verergeren door luchtjes van andere passagiers en mogelijke aanwezigheid van honden; de persoon met beperkingen heeft relatief frequent (één tot twee keer per week) een epileptische aanval bij optimaal ingestelde medicatie; de persoon met beperkingen kan visueel het voertuig niet onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze lijst is niet limitatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">OV-begeleiderskaart Personen met een beperking kunnen een OV-begeleiderskaart gebruiken om een begeleider gratis in het openbaar vervoer mee te nemen. De persoon die begeleid wordt, betaalt zelf wel voor zijn reis. De begeleider moet overigens wel daadwerkelijk alle begeleiderstaken op zich nemen. De begeleiderskaart kan worden aangevraagd bij de Nederlandse Spoorwegen en is geldig voor alle vormen van het reguliere openbaar vervoer, inclusief de regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.2Primaat financiële tegemoetkoming voor vervoer Bij iedere vraag voor een vervoersvoorziening via de Wmo wordt gekeken of de financiële tegemoetkoming in de kosten van het vervoer, voldoende compensatie biedt voor de beperkingen in het vervoer. Is dit niet het geval, dan zijn er andere mogelijkheden. Iemand komt voor een vervoersvoorziening in natura in aanmerking zodra blijkt dat, op grond van aantoonbare beperkingen, het gebruik van een financiële tegemoetkoming onmogelijk of niet toereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toekennen van een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer, gaat het erom dat voor het gebruik van de taxi en/of eigen vervoer een bepaald bedrag beschikbaar wordt gesteld. Het is niet zo dat dit bedrag voldoende moet zijn om al het vervoer dat de gehandicapte wenst, te betalen. Het compensatiebeginsel gaat hier dus om het in staat stellen van het zich laten vervoeren door middel van een taxi door het beschikbaar stellen van een financiële tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervoerskostenvergoeding wordt beschikbaar gesteld in de vorm van een (periodieke) forfaitaire vergoeding. De hoogte van deze vergoeding is neergelegd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is vervoer per taxi niet mogelijk vanwege medische omstandigheden. Dan kan worden gekozen voor een andere al dan niet aanvullende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4Financiële tegemoetkoming voor vervoer Men komt uitsluitend in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor vervoer, oftewel vervoerskostenvergoeding, als door aantoonbare beperkingen het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk is (zie paragraaf 5.3.1). Ook wordt rekening gehouden met de vervoersbehoefte in de directe woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervoerskostenvergoeding is een tegemoetkoming in de kosten, waarmee wordt bedoeld dat de cliënt zelf ook een deel van de algemene kosten voor zijn rekening neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.1Inkomensgrens Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor vervoer geldt een inkomensgrens. Heeft men een inkomen van anderhalf keer het minimuminkomen of hoger, dan bestaat er geen recht op een vervoerskostenvergoeding. Uitzondering hierop is het geval dat iemand uitsluitend gebruik kan maken van een rolstoeltaxi. In een dergelijke situatie wordt het verschil tussen een vervoerkosten-vergoeding voor een auto of taxi en die voor een rolstoeltaxi vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkomensgrens vervoerskostenvoorziening 2009 - te gebruiken bij aanvragen in 2011 waarbij gegevens uit 2009 zijn ingediend Categorie Inkomensgrens a.Gehuwden, beiden jonger dan 65 jaar € 26.742,24 b.Alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar € 26.004,87 c.Alleenstaande, jonger dan 65 jaar € 20.592,81 d.Gehuwden, één partner ouder dan 65 jaar € 27.625,14 e.Gehuwden, beiden 65 jaar of ouder € 27.625,14 f.Alleenstaande ouder, 65 jaar of ouder € 24.974,73 g.Alleenstaande, 65 jaar of ouder € 19.797,21 N.B. ·onder “gehuwden” worden ook samenwonenden verstaan; ·onder “alleenstaande ouder” wordt een persoon verstaan bij wie alleen kinderen onder de 18 jaar in huis wonen; ·het inkomen van volwassen kinderen die bij de ouder(s) thuis wonen, wordt apart gezien van dat van de ouder(s) en dus niet meegeteld als de ouders een vervoerskostenvergoeding aanvragen. Ook het inkomen van de ouders wordt niet meegeteld als het volwassen kind een vervoerskostenvergoeding aanvraagt; ·bovenstaande bedragen worden jaarlijks geïndexeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van het inkomen wordt aangesloten bij het verzamelinkomen dat geldt voor de berekening van de eigen bijdrage. Dit is het inkomen over het jaar van verstrekking min 2. In 2011 wordt dus het inkomen over 2009 als uitgangspunt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzamelinkomen wordt vastgesteld door de belastingdienst. Aan de aanvrager van een vervoerskostenvoor-ziening wordt daarom een kopie van de belastingaanslag van 2 jaar geleden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.2Richtlijnen hoogte financiële vergoeding De hoogte van de financiële tegemoetkoming staat genoemd in het Besluit. Als een vervoerskostenvergoeding voor taxi- of autokosten wordt verstrekt, gelden de volgende richtlijnen om de hoogte van de vergoeding te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: als de aanvrager een geringe vervoersbehoefte heeft, kan de vergoeding worden verlaagd naar vijftig procent; als de aanvrager gebruik maakt van een rolstoel en in deze rolstoel moet worden vervoerd, wordt de rolstoeltaxi-norm toegekend. Ook hier kan deze vergoeding worden gehalveerd als er sprake is van een geringe vervoersbehoefte; als het inkomen van aanvrager hoger is dan de betreffende inkomensgrens, wordt in het geval dat iemand uitsluitend gebruik kan maken van een rolstoeltaxi, het verschil tussen een financiële vergoeding voor het gebruik van een auto of taxi en een rolstoeltaxi vergoed; als door de aanvrager gebruik gemaakt wordt van een mechanisch aangedreven verplaatsingsmiddel, bijvoorbeeld een scootmobiel, kan het normbedrag worden verlaagd tot vijftig procent als er sprake is van deels overlappende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijden: tot vijf jaar geen vergoeding; van vijf tot en met elf jaar vijftig procent van het normbedrag; vanaf twaalf jaar honderd procent van het normbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leefsituaties: wanneer beide echtgenoten of huisgenoten voor vergoeding van een vervoerskostenvergoeding in aanmerking komen en de vervoersbehoeften grotendeels samenvallen, wordt aan elk van de echtgenoten of huisgenoten maximaal driekwart van het normbedrag voor vervoerskostenvergoeding toegekend; aan een oudere die woonachtig is in een verzorgingshuis of verpleeghuis kan het normbedrag worden verlaagd tot vijftig procent als er sprake is van een aanmerkelijk kleinere verplaatsingsbehoefte; voor bewoners van een AWBZ-instelling (niet leeftijdsgebonden) die niet zelfstandig kunnen reizen, kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt om naar huis te gaan (ook buiten de regio). Gelet op het feit dat een aantal bezoeken ook binnen de instelling gebeurt, wordt ervan uitgegaan dat een bewoner gemiddeld drie keer per twee maanden naar huis gaat. personen die in een AWBZ-instelling wonen en het lage kilometerbudget (750 km. per jaar) krijgen van Valys, kunnen via de gemeente in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten zodat het vervoer tot over 1500 km. per jaar mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Mogelijk te verstrekken vervoersvoorzieningen Over het algemeen worden vervoermiddelen in bruikleen verstrekt. Dit geldt ook voor in de vorm van pgb verstrekte vervoermiddelen. In plaats van het vervoermiddel, kan dan het pgb deels worden teruggevorderd als het vervoermiddel niet meer nodig is en de afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Voor vervoersvoorzieningen, verstrekt in natura als in pgb, wordt een eigen bijdrage gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.1 Scootmobiel Iemand die, in het kader van het leven van alledag, belemmeringen ondervindt in het bereiken van vervoersbestemmingen in de directe woonomgeving en voor middellange afstanden, kan in aanmerking komen voor een scootmobiel. Hierbij worden de volgende zaken in overweging genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager is niet in staat gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een fiets, al of niet met trapondersteuning of hulpmotor, snorfiets, brommer of een scooter. Het verstrekken van de scootmobiel is de goedkoopst adequate oplossing voor het vervoersprobleem van de aanvrager. Een driewielfiets of handbike zijn niet adequaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager kan verder: zelfstandig op en van de scootmobiel stappen; enkele meters zelfstandig, zonder loophulpmiddel lopen; de scootmobiel op een adequate wijze (technisch) bedienen; zelfstandig deelnemen aan het verkeer op de openbare weg op basis van voldoende verkeersinzichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een gehandicapte een (elektrische) rolstoel heeft voor alleen binnengebruik, kan het gewenst zijn dat hij ook beschikt over een elektrisch voertuig voor buiten, te gebruiken op korte afstand rond de woning. Voor deze verplaatsingen is het immers over het algemeen niet logisch of zelfs onmogelijk om een taxi te laten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de scootmobiel een mobiliteitsprobleem in de directe woonomgeving compenseert, wordt een scootmobiel niet verstrekt voor vervoersbestemmingen buiten dit vervoersgebied, bijvoorbeeld vakantiebestemmingen. Voorzieningen voor het meenemen van de scootmobiel in een taxibus (fixatie) worden daarom ook niet vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobiellessen De mogelijkheid bestaat om lessen voor de scootmobiel toe te kennen. Er zijn twee soorten lessen: de observatielessen om te bekijken of een scootmobiel geschikt is voor de gebruiker. Deze lessen vinden plaats voordat de scootmobiel is toegekend; de gewenningslessen om te leren omgaan en oefenen met de scootmobiel. Deze lessen vinden plaats nadat de scootmobiel is toegekend en voornamelijk in de eigen omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden vier situaties onderscheiden, te weten: scootmobiel is niet geschikt voor cliënt: Het kan zijn dat, op basis van het indicatieonderzoek of bij een eventuele passing, geconstateerd wordt dat een scootmobiel duidelijk niet geschikt is voor de betreffende cliënt, vanwege een gebrek aan rijvaardigheid en/of verkeersinzicht. Als lessen binnen korte termijn geen soelaas zullen bieden, dan wordt de aanvraag afgewezen. Geprobeerd wordt om de vervoersbeperkingen van de cliënt op een andere manier te compenseren. Het staat de cliënt vrij om in dat geval via de huisarts nog rijlessen vanuit de eerstelijn aan te vragen en later nogmaals een scootmobiel aan te vragen; twijfel over geschiktheid scootmobiel voor cliënt: Het kan ook zijn dat, op basis van het indicatieonderzoek of bij een eventuele passing, getwijfeld wordt aan de rijvaardigheid en/of het verkeersinzicht van de cliënt. Mogelijk kunnen lessen nog voor verbetering zorgen. In dat geval is er de mogelijkheid om observatielessen aan te bieden. Doel van de observatielessen is om duidelijk te krijgen of een scootmobiel een geschikte voorziening is. De observatielessen worden gegeven door een ergotherapeut. Het resultaat van de lessen (positief of negatief) wordt door de ergotherapeut aan de gemeente kenbaar gemaakt. De gemeente neemt daarna het besluit om een scootmobiel toe te kennen (eventueel met gewenningslessen) of af te wijzen. Er kunnen maximaal 3 observatielessen worden gegeven. Eén van de leveranciers van de gemeente kan zo nodig tijdelijk een scootmobiel leveren om mee te oefenen; scootmobiel geschikt voor cliënt, gewenningslessen nodig: Als tijdens de passing blijkt dat een scootmobiel een passende voorziening is voor de cliënt, maar de cliënt nog extra oefening of les nodig heeft om de voorziening veilig en adequaat te besturen, is er de mogelijkheid om gewenningslessen aan te bieden. De leverancier geeft bij aflevering van het hulpmiddel al standaard 1 gewenningsles van 1 uur. Wanneer bij de indicatie of passing ingeschat wordt dat dit onvoldoende zal zijn, dan kan er een aantal extra gewenningslessen worden geïndiceerd. Deze worden gegeven door een ergotherapeut. Het resultaat van de lessen wordt de ergotherapeut aan de gemeente kenbaar gemaakt. Er worden maximaal 6 gewenningslessen gegeven. Als er nog meer lessen nodig zijn, is er nog de mogelijkheid voor de cliënt om extra lessen aan te vragen via een eerstelijns verwijzing via huisarts; scootmobiel geschikt voor cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Essentieel verschil met de observatielessen is dat bij de gewenninglessen al een scootmobiel wordt toegekend en de cliënt met die scootmobiel gaat oefenen. Bij observatielessen is er twijfel over toekenning en worden de lessen gebruikt om daar een advies over te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stalling scootmobiel Belangrijk is dat er een stallingmogelijkheid voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als dit niet het geval is, komen ook de kosten voor de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt voor vergoeding in aanmerking. Als deze kosten erg hoog zijn, kunnen andere vervoersvoorzieningen worden overwogen. Als de stalling niet te realiseren is, kan de aanvrager eventueel in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat bij de toekenning van een scootmobiel, de stalling van de voorziening als onderdeel wordt meegenomen. De gemeente onderzoekt, indien van toepassing, in overleg met de woningeigenaar (bijvoorbeeld een woningbouwcorporatie) de stallingmogelijkheid. Vooropgesteld wordt dat het scootmobielverkeer in de woning of woongebouw veilig moet zijn. Hierdoor moet rekening worden gehouden met de brandveiligheid. Zie hiervoor www.scootmobielwegwijzer.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snelheid scootmobiel De scootmobiel is standaard afgesteld op twaalf kilometer per uur. Deze snelheid stelt de aanvrager nog net in de gelegenheid om met een fietser mee te rijden. Het is mogelijk dat wordt geadviseerd om de scootmobiel op een lagere maximumsnelheid in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.2 Fietsen Het meest gebruikelijke verplaatsingsmiddel is de fiets. De fiets kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Om deze reden komt een fiets nooit voor verstrekking in aanmerking. Dit geldt ook voor de bromfiets. De redenering gaat niet op voor bijzondere fietsen. Een bijzondere fiets wordt in bruikleen verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangepaste fiets of driewielfiets Het gemeentelijk beleid geeft mogelijkheden voor het verstrekken van een driewielfiets voor degenen die voor fietsvervoer daarop zijn aangewezen. Het gaat hierbij veelal om mensen met evenwichtsbeperkingen. Een driewieler voor kleine kinderen kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en komt niet voor verstrekking in aanmerking. Alle driewielfietsen voor kinderen in bijzondere uitvoering, komen dat wel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tandem De tandem is een fietsmogelijkheid voor personen die niet zelfstandig kunnen fietsen en begeleiding nodig hebben. Als de tandem louter een rol speelt voor ontwikkeling en ontspanning, valt deze verstrekking niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Wanneer de tandem een rol heeft in het verplaatsen van alledag, kan een deze worden toegekend. Aan een gehandicapte die woont in een AWBZ-instelling wordt alleen een tandem verstrekt als hiervan aantoonbaar gebruik wordt gemaakt buiten het instellingsterrein en daarvoor geen tandems binnen de instelling beschikbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopfiets Een loopfiets stelt gehandicapten in staat om zich over grotere afstanden te verplaatsen. Het kan een geschikt hulpmiddel zijn voor gehandicapten die voor het dagelijks verplaatsen gebruik maken van krukken of een stok. Vooral mensen met versleten heup- en kniegewrichten komen in aanmerking voor een loopfiets. Een goede loopmotoriek en een goed evenwicht zijn noodzakelijk om van een loopfiets gebruik te kunnen maken. In het kader van de Wmo kan een loopfiets alleen worden verstrekt als verplaatsingsmiddel voor buiten. Binnenshuis is men aangewezen op een rollator. Een loopfiets kan worden verstrekt als vervoermiddel voor de kortere afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiets met hulpmotor Een fiets of tandem met hulpmotor is zeer bruikbaar voor mensen met bepaalde beperkingen. Echter, de hulpmotor voor de fiets is niet speciaal voor gehandicapten ontwikkeld. Deze voorziening wordt daarom als algemeen gebruikelijk beschouwd en komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dit ongeacht de leeftijd van de gebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.3 Gesloten buitenwagen als invalidenvoertuig Een invalidenvoertuig wordt ook wel een gesloten buitenwagen genoemd. Het is een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een invalide. Het voertuig is niet breder dan één meter en is uitgerust met een elektrische motor of een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van maximaal vijftig cc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gesloten buitenwagen kan een adequate voorziening zijn als het collectieve vervoerssysteem, een scootmobiel of een tegemoetkoming in het gebruik van de eigen auto of taxi niet of onvoldoende adequaat zijn en er een medische indicatie voor een dergelijk voertuig bestaat. Hierbij kan worden gedacht aan ernstige beperkingen ten aanzien van wisselende weersomstandigheden. De gesloten buitenwagen is bedoeld voor de korte en de middellange afstanden. Het voertuig wordt in bruikleen verstrekt. De gemeente Zeist gaat terughoudend om met het verstrekken van gesloten buitenwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.4 Handbike Een handbike is een soort aankoppelfiets aan de rolstoel, waarmee iemand met behulp van armkracht de rolstoel kan voortbewegen. Een handbike kan gebruikt worden voor afstanden die normaal met de fiets afgelegd zouden worden. De handbike is alleen geschikt voor mensen die genoeg armkracht hebben om zich te kunnen voortbewegen. Over het algemeen zijn dat de jongere gehandicapten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toekennen van de handbike wordt afgewogen of deze voorziening het goedkoopst compenserend is, ook in relatie tot de vervoerskostenvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.5 Vervoermiddelen voor kinderen Buggy’s Licht gehandicapte kinderen worden vaak vervoerd in een aangepaste buggy. Aangepaste buggy’s zijn breder en groter dan de buggy’s voor niet-gehandicapte kinderen. Ze bieden meer ondersteuning voor kinderen met een minder goede zitfunctie. Aangepaste buggy’s vallen onder de Wmo. De gemeente Zeist hanteert een leeftijdsgrens van drie jaar waarboven de voorziening volledig wordt vergoed. Onder de drie jaar wordt een bedrag voor algemeen gebruikelijke kosten gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duwwandelwagens Voor zwaardere gehandicapte kinderen zijn er diverse soorten duwwandelwagens die in meer of mindere mate ondersteuning bieden. De duwwandelwagens vallen onder de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonnescherm Als accessoire bij duwwandelwagens en buggy’s kan een zonnescherm worden geleverd. De kosten van een dergelijk scherm worden alleen vergoed, als het betreffende kind allergisch is voor zonlicht, dus als er een medische noodzaak is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelvoertuigen Voor jonge gehandicapte kinderen zijn voorzieningen beschikbaar die het midden houden tussen (therapeutische) speelvoorzieningen en mobiliteitshulpmiddelen. Het gaat daarbij concreet om speelmobielen, kruipwagens en kruiphulpmiddelen. Deze speelvoertuigen komen op grond van de Wmo in aanmerking voor vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelmobielen zijn speelvoorzieningen/vervoermiddelen voor buiten. Deze voorzieningen op drie wielen worden door de gebruiker zelf voortbewogen door middel van een op en neer bewegende hendel of een koffiemolen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruipwagens zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Liggend of zittend op een kruipwagen of kruiphulpmiddel kunnen deze kinderen zich met hun handen voortbewegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.6 Begeleidingskosten Voor een aantal gehandicapten kan het noodzakelijk zijn dat zij bij het reizen worden begeleid, bijvoorbeeld: visueel gehandicapten die in vreemde situaties moeite hebben om bijvoorbeeld de vertrekplaats van bussen te vinden; auditief gehandicapten die op een station de omroepberichten vaak niet kunnen verstaan, zodat zij van belangrijke informatie verstoken blijven; motorisch gehandicapten voor wie de openbare weg en het openbaar vervoer niet toegankelijk zijn. Ze zijn afhankelijk van een begeleider; mensen met een ernstige psychosociale stoornis waardoor ze niet zelfstandig kunnen reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bestaande openbaar vervoer is een zogenaamde begeleiderkaart beschikbaar. Via de NS kan deze begeleiderskaart aangevraagd worden. Een gehandicapte die over een begeleiderkaart beschikt, kan in het openbaar vervoer gratis een begeleider meenemen. Hij moet dan zelf wel voor zijn reis betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het vervoer van AWBZ bewoners Ook de begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners is in de Wmo gebaseerd op bestaande jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen tot de compensatieplicht van de gemeente behoren. Bij AWBZ-bewoners zijn er echter al capabele en bevoegde begeleiders aanwezig in de vorm van het personeel van de instelling. Dit geldt voornamelijk voor de gezinsvervangende tehuizen. Maar ook voor grotere AWBZ-instellingen heeft de gemeente minder zorgplicht of compensatieplicht als het gaat om begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.7 Autoaanpassingen Iemand komt alleen voor een autoaanpassing in aanmerking als blijkt dat hij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer en verstrekking van een andere vervoersvoorziening niet in voldoende mate de ondervonden beperkingen compenseert. Het aanpassen van een auto vindt dus alleen plaats als dit de goedkoopst compenserende oplossing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de persoon in kwestie, gezien de aard van zijn beperking, niet van een taxi gebruik kan maken (financiële tegemoetkoming) en zich om medische redenen wel in een eigen auto kan verplaatsen, dan is het verstrekken van vergoedingen voor aanpassingen aan de auto de enige oplossing. Aanpassingen aan de auto kunnen voor bestuurders of passagiers worden aangevraagd. Voor het aanbrengen van aanpassingen aan de auto voor passagiers gelden dezelfde richtlijnen als voor bestuurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aanpassingen aan de auto gelden de volgende regels: voor de bestuurder moet er een noodzaak zijn voor de aanpassingen met betrekking tot de rijvaardigheid, blijkend uit de aantekening op het rijbewijs; de belanghebbende moet beschikken over een, in het licht van de aanpassing, geschikte auto; de aanpassingen mogen niet algemeen gebruikelijk zijn zoals airco, automatische transmissie, elektrische ramen, stuur- en rembekrachtiging, et cetera; aanpassingen die voor vergoeding in aanmerking komen, moeten medisch- en ergonomisch noodzakelijk zijn zoals aanpassing: aan de besturing; aan de stoel van de chauffeur/passagierl; voor het meenemen van een rolstoel (niet voor scootmobielen); voor het vervoer van een rolstoelgebruiker; voor een zitvoorziening bij kinderen met beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.8 Bruikleenauto Binnen het gemeentelijk verstrekkingenbeleid is de auto in bruikleen het sluitstuk van de voorzieningen. In alle gevallen is het verstrekken van een auto in bruikleen de duurste oplossing en deze optie komt dus alleen aan de orde als er geen andere vervoersvoorziening is die een oplossing biedt. Bovendien wordt boven een bepaalde inkomensgrens de auto als algemeen gebruikelijk gezien. Gehandicapten met een inkomen lager dan deze grens kunnen eventueel voor deze voorziening in aanmerking komen. Uitgangspunt van de bruikleenauto is dat hiermee alle vervoersbehoeften worden gecompenseerd. De aanvrager kan geen gebruik maken van het openbaar vervoer. Ook andere goedkopere voorzieningen of een combinatie hiervan zijn niet adequaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Pgb bij vervoer Voor de meeste vervoersvoorzieningen geldt dat ze ook als pgb kunnen worden verstrekt als de aanvrager hierom vraagt. Voor de berekening van het pgb wordt uitgegaan van de prijs van de voorziening in natura zoals de gemeente die zou moeten betalen. Omdat de gemeente vaak korting krijgt van haar leveranciers, kan dit bedrag lager uitvallen dat wat de cliënt zelf voor dezelfde voorziening zou moeten betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1Verplichtingen pgb bij vervoersvoorzieningen Iedere budgethouder moet voldoen aan de onderstaande verplichtingen: de budgethouder gebruikt het pgb uitsluitend voor betaling of huur van de benodigde voorziening en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten; de voorziening die wordt aangeschaft, voldoet aan het programma van eisen en is kwalitatief verantwoord. Ook voldoet de voorziening (indien van toepassing) aan het KBOH-keurmerk of komt het voor op de lijsten van het TNO-keurmerk of gelijkwaardig keurmerk voor goedgekeurde hulpmiddelen; in geval van een vervoersmiddel moet de vervoersvoorziening worden ingekocht bij een leverancier die erkend is volgens de Erkenningsregeling Revalidatietechnisch Bedrijf (ERB) en voldoet aan de eisen van het zogenaamde Revakeur; de budgethouder legt over het verleende pgb verantwoording af door de nota en het betalingsbewijs van de gerealiseerde voorziening te overleggen; de houder van het pgb bewaart de rekening en het betalingsbewijs gedurende vijf jaar en stelt deze desgewenst ter beschikking aan de gemeente; de budgethouder deelt de gemeente op diens verzoek of zo snel mogelijk uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verlening van het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor algemene bepalingen over het pgb wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van dit verstrekkingenboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Nuances en uitzonderingen 5.5.7.1 Vervoer van kinderen van ouders met een beperking 5.De gemeente moet bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen rekening houden met ouders met een beperking die de zorg over hun kinderen dragen. De gemeente kan volgens de CRvB tegelijkertijd rekening houden met, en oog hebben voor, alternatieven voor vervoer die door de ouders zijn georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.7.2 Vervoer van goederen, dieren etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Vervoer van goederen, dieren of welke andere zaken dan ook, behoren niet tot de verplichting die de gemeente heeft als het gaat om een vervoersvoorziening. De cliënt moet in die gevallen op zoek naar andere, eigen oplossingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6.Verplaatsen in en om de woning: rolstoelen Verplaatsing in en om de woning kan voor mensen met een loopbeperking op verschillende manieren: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel of met een rolstoel. Van al deze voorzieningen valt alleen de rolstoel onder de Wmo. De andere genoemde voorzieningen horen bij andere wettelijke regelingen en zijn daarom op grond van artikel 3 van de Wmo uitgesloten. De gemeente moet iemand in staat stellen om zich te verplaatsen in en om de woning. Het gaat hierbij dus om een korte afstand, zowel in de woning als rondom de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Algemeen 6.2.1Algemene criteria 6.2In de volgende gevallen kan iemand voor een rolstoel op basis van de Wmo in aanmerking komen: een rolstoel is noodzakelijk voor het regelmatig verplaatsen in en om de woning, als gevolg van aantoonbare beperkingen; de hulpmiddelen die kunnen worden verstrekt op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling en de algemene rolstoelvoorziening bieden geen adequate oplossing; de noodzaak tot het zittend verplaatsen, is in belangrijke mate aanwezig; het verstrekken van een rolstoel is niet in strijd met een behandelplan van de aanvrager en is niet nadelig zijn voor de revalidatie (oftewel de voorziening mag niet anti-revaliderend werken); een rolstoel is langdurig noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Bij het bepalen van de voorziening is onder andere de gebruiksduur van de voorziening relevant. Als het gaat om een rolstoel die langdurig noodzakelijk is, dus langer dan 6 maanden, betreft het een voorziening in het kader van de Wmo. Gaat het om tijdelijke noodzaak, dan betreft het een AWBZ-voorziening. In die situatie kan een rolstoel via een uitleenpunt voor hulpmiddelen van de thuiszorgwinkel worden geleend, voor een periode van maximaal zes maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2Soorten rolstoelen 6.2De volgende rolstoelen zijn te onderscheiden: handbewogen rolstoel; elektrische rolstoel; sportrolstoel; kinderrolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Rolstoelen worden onderscheiden in rolstoelen voor incidenteel, semi-permanent en permanent gebruik. Ook is er verschil in actief en passief gebruik. Verder wordt er onderscheid gemaakt tussen rolstoelen die uitsluitend voor binnen geschikt zijn en rolstoelen die zowel voor binnen als buiten kunnen worden gebruikt. Een voorziening die uitsluitend geschikt is voor vervoer buiten, kan niet als rolstoelvoorziening worden gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Handbewogen rolstoelen 6.2Bij handbewogen rolstoelen wordt onderscheid gemaakt tussen zelfbewegers (actief) en duwwandelwagens (passief). Zelfbewegers zijn handbewogen rolstoelen die door de gebruiker zelf door middel van hoepels (of soms hefbomen) kunnen worden voortbewogen. Duwwandelwagens worden voortgeduwd door een begeleider.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Elektrische rolstoelen 6.2Mensen voor wie een handbewogen rolstoel niet geschikt is en er geen transfermogelijkheden meer zijn, kunnen in aanmerking voor een elektrische rolstoel. Hierin zijn allerlei typen in voor binnen, buiten of beiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Een elektrische rolstoel voor binnen is bedoeld voor in en om de woning. De draaicirkel is kleiner, maar de accu’s ook, zodat er niet hele grote afstanden mee overbrugd kunnen worden. Een elektrische rolstoel voor buiten heeft grotere accu’s en fungeert ook als een vervoersmiddel voor kleine afstanden. Deze rolstoel wordt echter niet vaak verstrekt, omdat een scootmobiel meestal ook geschikt en goedkoper is. Een tussenoplossing voor binnen (kleinere draaicirkel) en buiten (grotere accu’s) is ook mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Elektrische rolstoelen hebben standaard een joystick besturing. Naast deze vorm van besturing is vrijwel iedere denkbare vorm van besturing mogelijk. Het is mogelijk dat de gebruiker niet overweg kan met de elektrisch aangedreven rolstoel. In dat geval kan er rolstoeltraining worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Combinatie sta-zitrolstoelen 6.2Er zijn rolstoelen waarbij het zitgedeelte kan worden vervangen door een stagedeelte. Op deze manier kan iemand zich met één rolstoel zowel zittend als staand voortbewegen. Het sta-gedeelte is therapeutisch en komt niet voor financiering via de Wmo in aanmerking. Vanuit de AWBZ kan wel een rolstoel met sta-gedeelte worden vergoed, maar niet het zitgedeelte. In voorkomende gevallen kan contact worden opgenomen met de betreffende zorgverzekeraar. Dan wordt bekeken of gezamenlijke financiering van een dergelijke combinatierolstoel mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.3Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door AWBZ-bewoners 6.2Bewoners van instellingen die zijn erkend als AWBZ-instellingen komen alleen voor een rolstoel in aanmerking als zij deze vanuit de AWBZ niet krijgen. Slechts in geval van de combinatie van verblijf en behandeling in een AWBZ-instelling bestaat er aanspraak op een rolstoel vanuit de AWBZ. Bijvoorbeeld als de cliënt niet alleen in het verpleeghuis verblijft, maar hier ook zijn revalidatieprogramma volgt. Verder moet worden gekeken in hoeverre de bij de instelling aanwezige (transport)rolstoelen geschikt zijn om te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Aan bewoners van een verzorgingshuis wordt meestal geen rolstoel voor incidenteel gebruik verstrekt. Als de rolstoel uitsluitend wordt gebruikt voor het verplaatsen in en om het verzorgingshuis en er geen speciale zitting of uitvoering noodzakelijk is, kan gebruik worden gemaakt van de rolstoelen die in het verzorgingshuis aanwezig zijn voor algemeen gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Of een instelling verblijf en behandeling biedt in het kader van de AWBZ, is te vinden op de website www.wtzi.nl en in bijlage 5 van dit verstrekkingenboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.4Tweede rolstoel 6.2Als één rolstoel niet volstaat voor de verplaatsingsbehoefte van de cliënt, dan kan eventueel een tweede (elektrische) rolstoel worden verstrekt. Dit gebeurt in de volgende gevallen: bij voornamelijk gebruik van elektrische rolstoelen kan een handbewogen of duwrolstoel worden verstrekt om mee te nemen in de auto en/of om bij anderen op bezoek te kunnen gaan. Hiervoor is een elektrische rolstoel vaak te groot; als de woonsituatie geen gecombineerde elektrische binnen-/buitenrolstoel toelaat en met een combinatie van andere voorzieningen zoals een loophulpmiddel of een scootmobiel niet voldoende is; als een tweede rolstoel wordt gebruikt op de bovenverdieping. Hierbij moeten alternatieven worden onderzocht zoals een rijdende douche-/toiletstoel. Ook hier wordt naar de goedkoopst compenserende oplossing gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3Vormen van rolstoelvoorzieningen Er zijn vier mogelijkheden om een rolstoel te verstrekken: een algemene rolstoelvoorziening; een rolstoel in natura; een pgb voor een rolstoel; een pgb voor een sportrolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.1De algemene rolstoelvoorziening De algemene rolstoelvoorziening biedt de cliënt de ruimte om een rolstoel voor één of meer dagen te lenen, zodat hij zijn activiteiten kan doen. Het is een verstrekking die van pas komt voor de cliënt die niet dagelijks gebruik maakt van een rolstoel, maar voor wie het zo af en toe een uitkomst is. Bijvoorbeeld als deze persoon een dagje wil gaan winkelen. De rolstoel moet dan wel in te klappen zijn, zodat de cliënt de rolstoel achter in de auto kwijt kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan er in de (nabije) toekomst tevens voor kiezen om op specifieke plekken in de stad dit soort rolstoelen te stallen. Dit kan zijn bij winkelcentra, stadscentra, stations, enzovoort. Wanneer de cliënt er de voorkeur aan geeft om zelf een rolstoel voor incidenteel gebruik in huis te hebben, kan de gemeente verwijzen naar de uitgebreide tweedehands markt en de mogelijkheid om zelf een nieuw exemplaar aan te schaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.2Natura en pgb Ook bij rolstoelen kan de aanvrager kiezen tussen natura en pgb. De hoogte van het persoons-gebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst compenserende voorziening, verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie. Dit betekent dat de inkoopkosten die de gemeente betaalt aan de leverancier, bepalend zijn voor de hoogte van het pgb. Het pgb wordt rechtstreeks uitbetaald aan de cliënt. Voor rolstoelen in natura of pgb wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Het heffen van een eigen bijdrage voor rolstoelen is wettelijk niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen bij pgb Kiest de cliënt voor een pgb, dan moet hij als budgethouder voldoen aan de onderstaande verplichtingen: de budgethouder gebruikt het pgb uitsluitend voor betaling of voor huur van een rolstoel en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten; de rolstoel die wordt aangeschaft voldoet aan het programma van eisen en is kwalitatief verantwoord. Ook voldoet de rolstoel (indien van toepassing) aan het KBOH-keurmerk of komt hij voor op de lijsten van het TNO-keurmerk of een gelijkwaardig keurmerk voor hulpmiddelen; de budgethouder legt over het verleende pgb verantwoording af door de nota en het betalingsbewijs van de gerealiseerde voorziening te overleggen; de houder van het pgb bewaart de rekening en het betalingsbewijs vijf jaar en stelt deze desgewenst ter beschikking aan de gemeente; de budgethouder deelt de gemeente op diens verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op de verlening van het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor algemene bepalingen over het pgb wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van dit verstrekkingenboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.3Sportrolstoel Als iemand een rolstoel nodig heeft om te sporten, dan kan hij aanspraak maken op een sportrolstoel. In tegenstelling tot de andere rolstoelvoorzieningen wordt een sportrolstoel niet in natura verstrekt. De gemeente biedt in dit geval een pgb aan voor deze aanschaf. De cliënt krijgt dit pgb alleen wanneer hij kan aantonen dat hij actief lid is van een sportvereniging en dat hij bovendien de sport beoefent waarvoor de voorziening is aangevraagd. Daarnaast moet worden vastgesteld dat de cliënt zonder deze rolstoel niet kan sporten door zijn beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend is de cliënt vrij in zijn sportkeuze, ongeacht of hij daar een rolstoel bij nodig heeft. Wel is het zo dat veel sportverenigingen sportrolstoelen uitlenen voor personen met een beperking die de sport wil beoefenen of wil uitproberen. Die mogelijkheid voorkomt dat iemand een sportrolstoel aanvraagt en toegekend krijgt om die vervolgens nauwelijks te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte pgb voor sportrolstoel Het persoonsgebonden budget voor een sportrolstoel bedraagt € 2624,96 (prijspeil 2010). Dit bedrag is bedoeld voor de aanschaf, het onderhoud, de benodigde aanpassingen en andere kosten die samenhangen met het gebruik van de sportrolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitzondering kan de cliënt een beroep doen op de hardheidsclausule om een hoger bedrag voor de voorziening te krijgen. Hier kan behoefte aan bestaan als de cliënt voor zijn sport niet zonder elektrische rolstoel kan. De cliënt komt hiervoor in aanmerking als zijn inkomen niet hoog genoeg is om in combinatie met het pgb een elektrische sportrolstoel aan te schaffen. De beoordeling hiervan verlangt een uitgebreide individuele aanpak. In plaats van een sportrolstoel kan de cliënt ook kiezen voor een handbike.</p>\n<p class=\"lf-p\">Topsport in de Wmo De Wmo kent geen regeling voor topsporters. Toch hebben topsporters vaak hogere kosten. Aangepaste sporthulpmiddelen maken het sporten al snel duurder. Topsporters zoeken voor het meestal sponsors om hun duurdere voorzieningen en overige kosten te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Aanpassingen aan rolstoelen Om een adequate rolstoel te verstrekken, kunnen aanpassingen noodzakelijk zijn. Deze aanpassingen vallen daarom onder de zorgplicht van de gemeenten en kunnen worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.1 Zitorthesen Zitorthesen zijn op maat gemaakte zitschalen voor in rolstoelen en duwwandelwagens. Ze kunnen worden toegepast voor mensen van wie de zitfunctie niet optimaal is, zoals bij spasticiteit. Zitorthesen worden door de gemeente op basis van de Wmo gefinancierd en verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaan ook zitvoorzieningen in de vorm van een zitzak met daarin kleine piepschuimen balletjes. Deze voorziening kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor mensen met ernstige pijnklachten voor wie het belangrijk is dat er goede ondersteuning is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.2 Anti-decubituskussen Anti-decubituskussens worden regelmatig toegepast bij rolstoelen om doorzitten te voorkomen. Losse anti-decubituskussens die in een rolstoel of kinder-duwwandelwagen worden gebruikt, kunnen via de Regeling Zorgverzekering worden vergoed als de rolstoelgebruiker langdurig op het gebruik van dergelijke kussens is aangewezen. Losse anti-decubituskussens in rolstoelen vallen daarom niet onder de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anti-decubituskussens die een vast onderdeel uitmaken van de rolstoel vallen niet onder de Regeling Zorgverzekering maar onder de Wmo. Als de toepassing van een vast anti-decubituskussen in een rolstoel nodig is om de rolstoel tot een adequate voorziening te maken, financiert de gemeente dit.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Rolstoelen in een AWBZ-instelling Voor mensen die in een AWBZ-instelling wonen, is het soms onduidelijk of ze voor een rolstoel moeten aankloppen bij de AWBZ of bij de Wmo. Eén en ander hangt samen met het gestelde in artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15</span><span class=\"lf-art-t\">Besluit zorgaanspraken AWBZ</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling, omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14, tevens: geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde paramedische zorg; farmaceutische zorg; hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven zorg; tandheelkundige zorg; kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling; het individueel gebruik van een rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorg, zoals bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14, bestaat uit: de functie behandeling; de functie ziekenhuiszorg; de functie revalidatiezorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dus dat cliënten die een AWBZ-indicatie hebben voor de functie behandeling, ziekenhuiszorg en/of revalidatie, recht hebben op een rolstoel via de AWBZ. Personen die in een AWBZ-instelling wonen op basis van alleen een indicatie voor verblijf, moeten zich voor een rolstoel bij de Wmo melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Overige vergoedingen 6.6.6.1 Onderhoud en reparatie 6.De kosten van onderhoud en reparatie zijn bij de verstrekking van een rolstoel voor permanent en semipermanent gebruik inbegrepen. De gemeente sluit hiervoor een onderhoudscontract af bij de leverancier of verhoogt het pgb met een bedrag hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Voor rolstoelen voor incidenteel gebruik wordt geen onderhoudscontract afgesloten, omdat deze rolstoelen relatief weinig gebruikt worden en eenvoudig van constructie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6.6.2 Verzekering van de rolstoel 6.De gemeente verzekert gemotoriseerde rolstoelen en andere gemotoriseerde vervoermiddelen die in het kader van de Wmo worden verstrekt via een verzekeringscontract bij de leverancier. Het betreft een verzekering tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid. Niet gemotoriseerde rolstoelen en andere niet gemotoriseerde vervoermiddelen vallen onder de particuliere wettelijke aansprakelijkheidsverzekering van de bruiklener.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij sportrolstoelen en rolstoelen die in de vorm van een pgb worden verstrekt, wordt het afsluiten van een verzekering aan de rolstoelgebruiker overgelaten. In het totale pgb is een bedrag opgenomen voor de kosten van een verzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6.6.3 Rolstoeltraining 6.Het goed kunnen omgaan met een (elektrische) rolstoel vereist een zekere vaardigheid die door middel van rolstoeltraining kan worden verkregen. De rolstoeltraining is in twee fasen te onderscheiden, namelijk basale en specifieke rolstoeltraining. Indien geïndiceerd kunnen deze trainingen worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6.6.4 Accessoires 6.Tot accessoires worden bijvoorbeeld gerekend rolstoelhandschoenen, bandenpomp, regenpakken, spiegels, been- en voetenzak, schootskleed, winterbekleding, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen en spaakbeschermers. Alleen medisch noodzakelijke accessoires komen voor vergoeding in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Kindervoorzieningen 6.6.7.1 Aangepaste zitvoorzieningen voor kinderen 6.Voor gehandicapte kinderen die niet in een gewone kinderrolstoel kunnen zitten, zijn er diverse soorten aangepaste zitvoorzieningen. Voor gehandicapte kinderen die zelf actief kunnen zitten en weinig tot geen ondersteuning nodig hebben bij het zitten, zijn er standaard rolstoelen. De standaard zitvoorziening kan worden voorzien van een werkblad.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De individueel geprofileerde zitvoorzieningen (vaak kuipvormig) zijn bedoeld voor kinderen die veel ondersteuning en correctie nodig hebben om te kunnen zitten. Afhankelijk van hoe een kind zich ontwikkelt, kan er na verloop van tijd behoefte ontstaan aan een kinderrolstoel.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.Ten slotte zijn er speciale zitorthesen, die individueel op maat gemaakt moeten worden. Deze zijn kuipvormig en kunnen op een onderstel (met wielen) worden geplaatst. Een uitzondering vormen de zitvoorzieningen wanneer zij op school worden gebruikt. In dat geval betreft het een onderwijsvoorziening, waardoor men een aanvraag kan indienen bij het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6.7.2 Autozitjes en fietszitjes 6.Een aangepaste zitvoorziening voor kinderen kan niet als fiets- of autozitje gebruikt worden. Er moet dus een apart auto- of fietszitje worden aangeschaft. Bij de vergoeding van een auto- of fietszitje worden alleen de meerkosten vergoed ten opzichten van een zitje voor een niet-gehandicapt kind. Dit wordt gebaseerd op de zogenaamde NIBUD-normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6.7.3 Aangepaste box en aankleedtafels voor kinderen 6.Zowel aankleedtafels als aangepaste boxen voor gehandicapte kinderen en aankleedtafels voor gehandicapte verzorgers van (niet-gehandicapte) kinderen maken onderdeel uit van de Wmo. Ze kunnen worden verstrekt onder de noemer ‘roerende woonvoorziening’. Voor deze voorzieningen worden alleen de meerkosten vergoed ten opzichten van een voorziening voor een niet-gehandicapt kind. Dit wordt gebaseerd op de zogenaamde NIBUD-normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7.Het medisch advies Naar de mening van de CRvB legt de medische noodzaak een groot gewicht in de schaal bij de verstrekking van voorzieningen. Bij een aanvraag moet door de consulent een vertaalslag worden gemaakt tussen de gevraagde voorziening en de opgevoerde (medische) beperkingen door de cliënt. Zonodig wordt daarbij een advies opgevraagd bij een onafhankelijke arts, ergotherapeut of sociaal medisch adviseur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk is het altijd de gemeente die (via de consulent) beslist over de aanvraag. Uiteraard kijkt de consulent daarbij zeer zorgvuldig naar het eventueel ingewonnen medisch advies, de manier waarop het advies tot stand is gekomen in de verwoording van het advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1ICF Voor een medisch advies wordt gebruikgemaakt van de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF. Dit is een classificatie van het menselijk functioneren. De ICF is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de domeinen die met de gezondheid samenhangen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken en vervolgens zijn ze in een logische ordening geplaatst. Van deze zeer uitgebreide ICFzijn vooral de lijsten met ‘functies’ en ‘activiteiten en participatie’ van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviseur en het ICF Zoals gezegd is de ICF gericht op functiestoornissen. De adviseur geeft aan om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat. Het gaat daarbij vooral om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau en dan met name van de op dit niveau aangegeven functies. Hierbij worden alleen die functies genoemd die relevant zijn voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Mocht dit wel zo zijn, dan moeten ook de functies worden aangegeven die niet meteen als relevant kunnen worden betiteld. De consulent geeft vervolgens aan tot welke beperkingen bij activiteiten en participatie de functiestoornissen leiden. Op dit niveau vindt de compensatie op basis van de Wmo plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengevat betekent dit dat de adviseur de stoornis en de daarbij horende beperkingen in het advies moet noemen. Dit geldt ook voor de mate van die beperkingen en de relatie tot de mogelijke compensatie en de te verstrekken voorzieningen. Het jargon van de ICF moet hierbij worden gebruikt. De gemeente beoordeelt het advies en neemt dit mee in de besluitvorming over de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2Onderzoek Medische gegevens van de behandelaars mogen alleen met toestemming van de cliënt worden opgevraagd. In het verzoek om deze informatie moet staan welke adviserende arts de gegevens nodig heeft, bij wie de gegevens worden opgevraagd, om welke informatie het precies gaat en welk doel de informatie dient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aanvrager niet wil meewerken aan een medisch onderzoek, dan staat het de gemeente vrij om de aanvraag buiten behandeling te stellen dan wel af te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente, door het gebrek aan medewerking van de aanvrager geen beoordeling van de aanvraag heeft kunnen doen, dan volgt buiten behandelingstelling. Wel moet helder zijn dat de gegevens die de aanvrager niet verstrekt, of het onderzoek waar de aanvrager niet aan meewerkt, absoluut van belang was om de aanvraag te kunnen beoordelen. De gemeente moet dus altijd kijken of er alternatieven zijn om de gewenste informatie te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van situaties waarbij een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, zijn: er wordt een vervoerskostenvergoeding aangevraagd, maar aanvrager weigert pertinent om zijn vervoersbehoefte toe te lichten; er wordt een woningaanpassing aangevraagd, maar als de Wmo-consulent op huisbezoek wil komen, doet de aanvrager niet open. Dit gebeurt meerdere malen; er wordt een rolstoel aangevraagd voor als de aanvrager na een ziekenhuisopname en revalidatie weer thuiskomt. Omdat er nog gerevalideerd gaat worden, kan nog niet worden vastgesteld of de rolstoel nodig is en zo ja, in welke uitvoering. Tegen de tijd dat dit wil bekend is, kan cliënt een nieuwe (verkorte) aanvraag doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvrager bepaalde zaken aangeeft maar vervolgens weigert om deze toe te lichten c.q. te bewijzen tijdens het medisch onderzoek, dan kan de gemeente niet anders dan deze aspecten buiten beschouwing laten. Mogelijk lijdt dit tot een afwijzing van het gevraagde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8.Financiële paragraaf Wmo Bij het bepalen van de voorzieningen houdt de gemeente rekening met de persoonskenmerken, de behoefte en de capaciteit van de aanvrager om zelf in maatregelen te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1Inkomensgrens Bij een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten wordt een inkomensgrens gesteld. Dit houdt in dat boven deze inkomensgrens de aanvrager wordt geacht deze kosten zelf te kunnen dragen. Ook bij aanvragen voor een bruikleenauto wordt een inkomensgrens gehanteerd, waarboven een auto als algemeen gebruikelijk wordt gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Eigen bijdrage Bij het verstrekken van individuele voorzieningen wordt in sommige gevallen een inkomensafhankelijke eigen bijdrage opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier bij om: hulp bij het huishouden langer dan drie maanden; woonvoorzieningen; vervoersmiddelen, waaronder de scootmobiel en de aangepaste fiets; autoaanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een voorziening in natura of pgb spreekt men van een eigen bijdrage. Bij een financiële tegemoetkoming heet dit een eigen aandeel. Deze bijdrage of dit aandeel wordt berekend en geïnd door het CAK. Bij samenloop met een AWBZ-bijdrage wordt de Wmo-bijdrage in mindering gebracht op de AWBZ-bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.1 Inkomen Peiljaar Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar dat twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens te kunnen beschikken. Deze verzamelinkomens zijn afkomstig van de belastingdienst. In 2011 doet men aangifte over 2010, dus het verzamelinkomen van dat jaar is in 2010 nog niet altijd bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2009 in 2011 wordt gebruikt (jaar t-2). Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling plaatsvindt en achteraf een definitieve vaststelling. Is het inkomen over het desbetreffende jaar nog niet definitief vastgesteld, dan wordt de maximale eigen bijdrage voorlopig vastgesteld op het minimale bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het inkomen over het huidige jaar aanzienlijk afwijkt van het inkomen van twee jaar geleden, dan kan bij het CAK een verzoek worden ingediend tot verlegging van het peiljaar. De maximale eigen bijdrage wordt dan voorlopig berekend aan de hand van het huidige inkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingsinkomen Als toetsingsinkomen van de aanvrager wordt het gezamenlijk inkomen gebruikt. Het CAK vraagt bij de Belastingdienst de hoogte op van dit inkomen. Dit is het gezamenlijke bedrag van inkomen uit werk en woning, uit aandelen en dividenden, en uit sparen en beleggen, waarover de inkomstenbelasting wordt bepaald. Het verzamelinkomen komt dus overeen met het inkomen dat staat op de aanslag inkomstenbelasting van de Belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.2Opbouw maximale eigen bijdrage Het CAK berekent de maximaal te heffen eigen bijdrage, ofwel de maximale periodebijdrage. Een eigen bijdrage wordt namelijk per periode van vier weken geïnd. Bij hulp bij het huishouden kan het door deze systematiek voorkomen dat bij een hoog inkomen de cliënt de volledige kostprijs van de voorziening als eigen bijdrage krijgt opgelegd. De eigen bijdrage mag nooit meer zijn dan de kostprijs van de voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale eigen bijdrage bestaat uit twee delen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vast gedeelte € 17,60 per vier weken voor ongehuwde personen € 25,40 per vier weken voor gehuwde personen Een variabel gedeelte van 15% per jaar (= 15%/13 per 4 weken) over het inkomen boven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenpersoons huishoudens, jonger dan 65: € 22.636,- Eenpersoons huishoudens, 65 jaar of ouder: € 15.838,- Meerpersoons huishoudens, één of beiden jonger dan 65 jaar: € 27.902,- Meerpersoons huishoudens, beiden 65 jaar of ouder: € 22.100,- De door cliënt te betalen eigen bijdrage kan nooit hoger zijn dan de maximale eigen bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3Duur en hoogte eigen bijdrage Voor hulp bij het huishouden wordt een eigen bijdrage gevraagd zolang er hulp wordt geleverd. De hoogte van de eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden in natura bedraagt 85% van het tarief dat de gemeente maximaal aan de thuiszorgaanbieders betaalt. Omdat het pgb voor huishoudelijke hulp maximaal 75% van dit maximumtarief bedraagt, is de eigen bijdrage hiervoor ook niet hoger dan 75% van het maximumtarief voor de thuiszorgaanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2011 wordt uitgegaan van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximale prijs per uur voor de zorgaanbieders Prijs per uur waarop de eigen bijdrage gebaseerd wordt bij zorg in natura Prijs per uur waarop de eigen bijdrage gebaseerd wordt bij pgb HH1 € 20,85 € 17,72 € 15.64 HH2 € 26,00 € 22,10 € 19.50 HH3 € 28,29 € 24,05 € 21.22 Voor overige voorzieningen wordt 39 keer een vierwekelijkse eigen bijdrage gevraagd. Hierbij wordt voor sommige voorzieningen uitgegaan van standaardbedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorziening Standaardprijs Afschrijving Afschrijving per 4 weken ·Scootmobiel € 2.000,- 7 jaar € 21,98 ·Driewielfiets € 1.000,- 7 jaar € 10,99 ·Traplift € 2.300,- 10 jaar € 17,69 ·Tillift (passief en actief) € 1.800,- 10 jaar € 13,85 Hoewel de eigen bijdrage is gebaseerd op de afschrijving van de voorziening per vier weken, wordt er maximaal 3 jaar (39 perioden van 4 weken) eigen bijdrage gevraagd. De rest van de afschrijvings-periode is “bijdragevrij”. De eigen bijdrage wordt opgelegd voor het gebruik van de voorziening over de gehele afschrijvingstermijn. Het maakt niet uit of er binnen deze afschrijvingstermijn bijvoorbeeld is gewisseld van scootmobiel, omdat de eerste scootmobiel, een herverstrekte tweedehands, versleten was. Als de afschrijvingstermijn is verstreken en de cliënt maakt nog steeds gebruik van de voorziening, dan wordt er weer een eigen bijdrageperiode opgestart. Schematisch kan dat er als volgt uitzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 Scoot nr. 1 Scoot nr. 2 Scoot nr. 3 Eigen bijdrage Geen eigen bijdrage Eigen bijdrage Geen eigen bijdrage Eb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een traplift kan het schema als volgt zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 Traplift nr. 1 Traplift nr. 2 Traplift nr. 3 Eigen bijdrage Geen eigen bijdrage Eigen bijdrage Geen eb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor voorzieningen waar geen standaard afschrijvingsbedrag is vastgesteld, wordt uitgegaan van de prijs die de gemeente daadwerkelijk voor de voorziening betaalt. Er wordt pas een nieuwe eigen bijdrage opgelegd als een nieuwe voorziening wordt verstrekt, dus niet standaard na het verstrijken van de afschrijvingstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.4Voorbeeld eigen bijdrage Mevrouw Schouten heeft sinds kort een scootmobiel. Zij en haar man zijn beiden 65+-ers. Het verzamelinkomen is € 23.000. De maximale eigen bijdrage is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de scootmobiel wordt uitgegaan van een standaardprijs van € 2.000,- en een afschrijvingstermijn van 7 jaar. Per 4 weken is dat € 21,98. Dit bedrag valt binnen de maximale eigen bijdrage van mw. Schouten van € 37,78. Mevrouw Schouten betaalt € 21,98 per 4 weken voor de duur van 39 perioden. In totaal betaalt ze dus € 857,22 over een periode van 3 jaar. Van dit bedrag gaat nog 33% Wtcg-korting af. Dat is een bijdrage van het Rijk waardoor men minder eigen bijdrage betaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee kan ze (als haar medische situatie gelijk blijft) voor een periode van 7 jaar gebruik maken van een scootmobiel. Na die 7 jaar wordt er weer een eigen bijdrage opgestart als mevrouw Schouten op dat moment nog gebruik maakt van een scootmobiel van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.5Geen eigen bijdrage Geen eigen bijdrage is verschuldigd: als het om een voorziening gaat voor een cliënt jonger dan 18 jaar Als het om een rolstoelvoorziening gaat als de periode waarin hulp bij het huishouden wordt toegekend korter is dan drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 - handreiking normering Hulp bij het Huishouden Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven.Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend. Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend. Als de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend. Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen bedraagt 60 tot 150 minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet gehonoreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In veel gevallen is de boodschappenbezorgservice van de plaatselijke supermarkt voorliggend aan een indicatie voor het doen van de boodschappen. Alleen als om medisch omstandigheden deze boodschappenservice niet geschikt is, kan de indicatie voor het doen van boodschappen worden afgegeven. De boodschappenservice is bijvoorbeeld niet geschikt als cliënt een zeer specifiek dieet heeft waarvan de ingrediënten niet in de supermarkt (of in een andere winkel die thuisbezorgt) verkrijgbaar zijn. Het niet kunnen doorgeven van de bestelling is geen reden om de boodschappenservice als niet geschikt te beoordelen. De huishoudelijke hulp kan deze taak op zich nemen in het kader van “organisatie van het huishouden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd.Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken) tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten worden toegekend en voor de warme maaltijd per keer 30 minuten. Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar, dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen tussen 60 en 120 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht poetswerk in huis, kamers opruimen.Hieronder vallen de volgende activiteiten: als geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen; handmatig 15-30 minuten per keer; machine in- en uitruimen 10 minuten per keer; opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) en bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot extra rommel, kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. De extra toegekende tijd is in principe maximaal 3 maal per week 20 tot 30 minuten. Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwaar huishoudelijk werk.Hieronder vallen: stofzuigen; schrobben; dweilen; soppen van sanitair en keuken; bedden verschonen; opruimen huishoudelijk afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers is 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week. Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van 3 uur hulp per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning en bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren worden toegekend, afhankelijk van de situatie. Voor verzorging van huisdieren wordt geen tijd geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzorging kleding/linnengoed.Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine; centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger; vouwen, strijken en opbergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen is dit 90 minuten per week. Bij kinderen onder de 16 jaar, bij bedlegerige personen en bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie of speekselverlies kan 30 minuten per week extra worden geïndiceerd. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van eenmaal per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderen helpen bij zelfverzorgingHiertoe worden gerekend: opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging); anderen helpen bij het bereiden van maaltijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van deze indicatie gaat tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen en opvoedingsactiviteiten. Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek en/of samenvallende activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijkse organisatie van het huishouden.Hiertoe worden gerekend: administratieve werkzaamheden ten behoeve van de klant (alleen in combinatie met andere huishoudelijke activiteiten, valt bij beperkt regelvermogen onder ondersteunende begeleiding via de AWBZ); organisatie huishoudelijke activiteiten; plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen.Hieronder kan vallen: observeren; formuleren doelen met betrekking tot huishouding; helpen verkrijgen en handhaven van structuur in het huishouden; helpen verkrijgen en handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget; begeleiden van ouders bij de opvoering (beperkt en in combinatie met andere onderdelen); begeleiden van kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang is maximaal 30 minuten per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden.Hieronder kan instructie voor het omgaan met hulpmiddelen, het licht huishoudelijk werk, textielverzorging, het boodschappen doen en het koken vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 3 keer per week 30 minuten, maximaal 6 weken. Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 2 - Toewijzingssysteem huishoudelijke hulpDe gemeente Zeist maakt gebruik van het toewijzingssysteem Stipter voor de toewijzing van de opdrachten tot het verlenen van huishoudelijk hulp aan zorgaanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tien aanbiedersIn 2009 heeft de gemeente Zeist met 10 thuiszorgorganisaties een overeenkomst afgesloten voor de mogelijke levering van huishoudelijke hulp. Deze organisaties zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle®zorg B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">BetuweZorg BV Eén op Eén BV Joost Zorgt B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">NedZorg BV (ook voor Flexicare) PrivaZorg Wmo Beheer BV Stichting Residentiële en Ambulante Zorg Stichting Zorg Ondersteuning midden Nederland (Zonzorg) Thuiszorg Service Nederland B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tzorg Deze organisaties hebben de mogelijkheid om per individuele zorgvraag via een geautomatiseerd systeem (Stipter) in te schrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de zorgvraag voor een individuele cliënt door de gemeente in het systeem is gezet, kunnen de 10 zorgaanbieders via internet de volgende gegevens van de cliënt zien:</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste 3 cijfers van de postcode Het niveau van de hulp dat nodig is (HH1, HH2 of HH3) Het aantal uur hulp per week dat nodig is De naam, adres e.d. van de cliënt zijn in dit stadium voor de zorgaanbieders dus niet te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toewijzing op basis van prijs, voorkeur en kwaliteitOp basis van bovenstaande gegevens kunnen de zorgaanbieders aangeven tegen welk uurtarief ze hulp kunnen leveren aan de betreffende cliënt. Een zorgaanbieder die op dat moment weinig opdrachten heeft, zal een lagere prijs bieden dan een zorgaanbieder die het al erg druk heeft met andere cliënten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar het is niet alleen de prijs die een rol speelt. Ook de voorkeur van de cliënt weegt mee. Net als een lagere prijs, levert ook de voorkeur punten op. Dat betekent dat de zorgaanbieder die de voorkeur heeft van de cliënt, minder met de prijs hoeft te zakken om de opdracht te krijgen dan de andere aanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via enquêteformulieren worden er bij de cliënten kwaliteitsgegevens over de aanbieders van huishoudelijke hulp opgevraagd. Deze kwaliteitsgegevens worden vanaf 2011 ook meegewogen bij de toewijzingen. Een organisatie met een hoger cijfer voor de kwaliteit, krijgt voor dit onderdeel meer punten en heeft dus meer kans om de opdracht te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk jaar opnieuw toewijzenDe individuele zorgvraag wordt jaarlijks opnieuw via het toewijzingssysteem aan de aanbieders aangeboden. De cliënt kan invloed uitoefenen door op dat moment een voorkeur en/of anti-voorkeur voor een aanbieder aan te geven. Dat gebeurt via het enquêteformulier dat voor die tijd aan de cliënt toegestuurd wordt. De gemeente heeft ervoor gekozen om de toewijzing elk jaar te laten plaatsvinden om de partijen (aanbieders en cliënten) flexibiliteit te geven. Binnen het jaar waarvoor de zorg is toegewezen, kan de cliënt namelijk niet van zorgaanbieder wisselen of overstappen op een pgb. Ook kan de zorgaanbieder de zorg niet binnen dit jaar opzeggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordelen van het systeemEr is altijd wel een aanbieder die in de gelegenheid is om hulp te bieden. Er zijn geen wachtlijsten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente is niet teveel afhankelijk van één aanbieder. Als een aanbieder wegens omstandigheden wegvalt, dan zijn er negen andere aanbieders om dit gat op te vullen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente betaalt lagere prijzen voor de hulp;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieders kunnen hun prijs afstemmen op hun nog beschikbare capaciteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijkheid voor de aanbieders. Ze weten dat ze een jaar hulp kunnen bieden tegen een bepaalde prijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Flexibiliteit voor aanbieders en cliënten. Als partijen uit elkaar willen, dan kan dat jaarlijks.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadelen van het systeemCliënten krijgen niet altijd de zorgorganisatie van hun voorkeur;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten kunnen in theorie jaarlijks een andere zorgaanbieder krijgen. Dit wordt deels voorkomen door de voorkeur van de cliënt mee te nemen. Maar deze voorkeur wordt dus niet gehonoreerd tegen elke prijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3 - Op gehandicapten en/of ouderen gerichte woningenDe volgende wooncomplexen zijn gelabeld als “op gehandicapten en/of ouderen gericht”. Volgens paragraaf 4.3.6 “Bijzondere woonvormen” van dit verstrekkingenboek geldt voor deze woongebouwen dat door de gemeente geen woonvoorzieningen worden verstrekt in het kader van de Wmo. Van de eigenaar van deze gebouwen mag verwacht worden dat als hij een gebouw aanduidt als geschikt voor gehandicapten of ouderen, hij daar ook de voorzieningen voor heeft getroffen. Verwacht kan worden dat bepaalde voorzieningen algemeen gebruikelijk en standaard aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnenhof Johan van Oldebarneveltlaan Zeist Spathodea Oranje Nassaulaan Zeist Pelita Dr. Ramaerlaan Den Dolder El Dorado Griffensteynselaan Zeist Oranjerie Choisyweg Zeist Dahliastraat Zeist Petronella van Seystplaats Zeist Simarowa Arnhemse Bovenweg Zeist Bladerkroon Molenweg Zeist De Looborch Woudenbergseweg Zeist Deze lijst is niet limitatief. Wooncomplexen die niet op deze lijst voorkomen maar feitelijk worden aangeboden als geschikt voor gehandicapten en/of ouderen, worden door de gemeente als dusdanig aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4 - De ICF-functies(bron: http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm) Hoofdstuk 1 Mentale functies Algemene mentale functies. ¨Bewustzijn ¨Oriëntatie ¨Intellectuele functies ¨Globale psychosociale functies ¨Temperament en persoonlijkheid ¨Energie en driften ¨Slaap ¨Algemene mentale functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Specifieke mentale functies. ¨Aandacht ¨Geheugen ¨Psychomotorische functies ¨Stemming ¨Perceptie ¨Denken ¨Hogere cognitieve functies ¨Mentale functies gerelateerd aan taal ¨Mentale functies gerelateerd aan rekenen ¨Bepalen sequentie bij complexe bewegingen ¨Ervaren van zelf en tijd ¨Specifieke mentale functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Mentale functies, anders gespecificeerd ¨Mentale functies, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Sensorische functies en pijn Visuele en verwante functies ¨Visuele functies ¨Functies van aan oog verwante structuren ¨Gewaarwordingen van oog en verwante structuren ¨Visuele en verwante functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Hoorfuncties en vestibulaire functies ¨Hoorfuncties ¨Vestibulaire functies ¨Gewaarwordingen gepaard gaande met hoorfuncties en vestibulaire functies ¨Hoorfuncties vestibulaire functies, anders ¨gespecificeerd en niet gespecificeerd Andere sensorische functies ¨Smaak ¨Reuk ¨Propriocepsis ¨Tast ¨Sensorische functies verwant aan temperatuur en andere stimuli ¨Andere sensorische functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Pijn ¨Pijngewaarwording ¨Pijngewaarwording, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Sensorische functies en pijn, anders gespecificeerd ¨Sensorische functies en pijn, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Stem en spraak ¨Stem ¨Articulatie ¨Vloeiendheid en ritme van spreken ¨Alternatieve vormen van stemgebruik ¨Stem en spraak, anders gespecificeerd ¨Stem en spraak, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies van hart en bloedvatenstelsel. Hematologisch systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel Functies van hart en bloedvatenstelsel ¨Hartfuncties ¨Functies van bloedvaten ¨Bloeddruk ¨Functies van hart en bloedvatenstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van hematologisch systeem en afweersysteem ¨Functies van hematologisch systeem ¨Functies van afweersysteem ¨Functies van hematologisch systeem en afweersysteem, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van ademhalingsstelsel ¨Ademhaling ¨Functies van ademhalingsspieren ¨Functies van ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Andere functies en gewaarwordingen van hart en bloedvatenstelsel en ademhalingsstelsel ¨Andere ademhalingsfuncties ¨Inspanningstolerantie ¨Gewaarwordingen gepaard gaande met cardiovasculaire en respiratoire functies ¨Andere functies en gewaarwordingen van hart en bloedvatenstelsel en ademhalings-stelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd ¨Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en hormoonstelsel ¨Opname van voedsel ¨Vertering ¨Assimilatie ¨Defecatie ¨Handhaving lichaamsgewicht ¨Gewaarwordingen verband houdend met spijsverteringsstelsel ¨Functies van spijsverteringsstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van metabool stelsel en hormoonstelsel ¨Algemene metabole functies ¨Water-, mineraal- en elektrolytenbalans ¨Thermoregulatoire functies ¨Functies van endocriene klieren ¨Functies van metabool stelsel en hormoon-stelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en hormoonstelsel, anders gespecificeerd ¨Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en hormoonstelsel, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies Functies gerelateerd aan urine ¨Productie en opslag van urine ¨Functies gerelateerd aan urinelozing ¨Gewaarwordingen gepaard gaande met urinelozing ¨Functies gerelateerd aan urine, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Genitale en reproductieve functies ¨Seksuele functies ¨Functies gerelateerd aan menstruatie ¨Functies gerelateerd aan voortplanting ¨Gewaarwordingen gepaard gaande met genitale en reproductieve functies ¨Genitale en reproductieve functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies, anders gespecificeerd ¨Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante functies Functies van gewrichten en botten ¨Mobiliteit van gewrichten ¨Stabiliteit van gewrichten ¨Mobiliteit van botten ¨Functies van gewrichten en botten, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Spierfuncties ¨Spiersterkte ¨Spiertonus ¨Spieruithoudingsvermogen ¨Spierfuncties, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Bewegingsfuncties ¨Motorische reflexfuncties ¨Onwillekeurige bewegingsreacties ¨Controle van willekeurige bewegingen ¨Onwillekeurige bewegingen ¨Gangpatroon ¨Gewaarwordingen verband houdend met spieren en bewegingsfuncties ¨Bewegingsfuncties, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante functies, anders gespecificeerd ¨Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante functies, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies van huid en verwante structuren Functies van de huid ¨Beschermende functies van huid ¨Herstelfuncties van huid ¨Andere functies van huid ¨Gewaarwording verband houdend met huid ¨Functies van huid, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van haren en nagels ¨Functies van haar ¨Functies van nagels ¨Functies van haren en nagels, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Functies van huid en verwante structuren, anders gespecificeerd ¨Functies van huid en verwante structuren niet gespecificeerd Bijlage 5 - De ICF: Activiteiten en participatie(bron: http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm) Hoofdstuk 1 Leren en toepassen van kennis Doelbewust gebruiken van zintuigen ¨Gadeslaan ¨Luisteren ¨Doelbewust gebruiken van andere zintuigen ¨Doelbewust gebruiken van zintuigen, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Basaal leren ¨Nadoen ¨Herhalen ¨Leren lezen ¨Leren schrijven ¨Leren rekenen ¨Ontwikkelen van vaardigheden ¨Basaal leren, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Toepassen van kennis ¨Richten van aandacht ¨Denken ¨Lezen ¨Schrijven ¨Rekenen ¨Oplossen van problemen ¨Besluiten nemen ¨Toepassen van kennis, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Leren en toepassen van kennis, anders gespecificeerd ¨Leren en toepassen van kennis, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Algemene taken en eisen</h3>\n<p class=\"lf-p\">¨Ondernemen van enkelvoudige taak ¨Ondernemen van meervoudige taken ¨Uitvoeren van dagelijkse routinehandelingen ¨Omgaan met stress en andere mentale eisen ¨Algemene taken en eisen, anders gespecificeerd ¨Algemene taken en eisen, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Communicatie</h3>\n<p class=\"lf-p\">Communiceren - begrijpen ¨Begrijpen van gesproken boodschappen ¨Begrijpen van non-verbale boodschappen ¨Begrijpen van formele gebarentaal ¨Begrijpen van geschreven boodschappen ¨Communiceren - begrijpen, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Communiceren – zich uiten ¨Spreken ¨Zich non-verbaal uiten ¨Zich uiten via formele gebarentaal ¨Schrijven van boodschappen ¨Communiceren - zich uiten, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Conversatie en gebruik van communicatieapparatuur en -technieken ¨Converseren ¨Bespreken ¨Huishoudelijke taken ¨Bereiden van maaltijden ¨Huishoudelijke taken, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Huishouden doen ¨Gebruiken van communicatieapparatuur en - technieken ¨Communicatie, anders gespecificeerd ¨Communicatie, niet gespecificeerd Verzorgen van wat bij huishouden behoort en assisteren van andere personen ¨Verzorgen van wat bij huishouden behoort ¨Assisteren van andere personen ¨Verzorgen van wat bij huishouden behoort en assisteren van andere personen, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Huishouden, anders gespecificeerd ¨Huishouden, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 Mobiliteit</h3>\n<p class=\"lf-p\">Veranderen en handhaven van lichaamshouding ¨Veranderen van basale lichaamshouding ¨Handhaven van lichaamshouding ¨Uitvoeren van transfers ¨Veranderen en handhaven van lichaamshouding, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Dragen, verplaatsen en manipuleren van iets of iemand ¨Optillen en meenemen ¨Verplaatsen van iets of iemand met onderste extremiteiten ¨Nauwkeurig gebruiken van de hand ¨Gebruiken van hand en arm ¨Dragen, verplaatsen en manipuleren van iets of iemand, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Lopen en zich verplaatsen ¨Lopen ¨Zich verplaatsen ¨Zich verplaatsen tussen verschillende locaties ¨Zich verplaatsen met speciale middelen ¨Lopen en zich verplaatsen, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Zich verplaatsen per vervoermiddel ¨Gebruiken van vervoermiddel ¨Besturen ¨Rijden op dieren als vervoermiddel ¨Zich verplaatsen per vervoermiddel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Mobiliteit, anders gespecificeerd ¨Mobiliteit, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Zelfverzorging</h3>\n<p class=\"lf-p\">¨Zich wassen ¨Verzorgen van lichaamsdelen ¨Zorgdragen voor toiletgang ¨Zich kleden ¨Eten ¨Drinken ¨Zorgdragen voor eigen gezondheid ¨Zelfverzorging, anders gespecificeerd ¨Zelfverzorging, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Huishouden</h3>\n<p class=\"lf-p\">¨Verwerven van benodigdheden ¨Verwerven van woonruimte ¨Verwerven van goederen en diensten ¨Verwerven van benodigdheden, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Tussenmenselijke interacties en</h3>\n<p class=\"lf-p\">relaties Algemene tussenmenselijke interacties ¨Basale tussenmenselijke interacties ¨Complexe tussenmenselijke interacties ¨Omgaan met onbekenden ¨Formele relaties ¨Informele sociale relaties ¨Familierelaties ¨Intieme relaties ¨Bijzondere tussenmenselijke relaties, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Tussenmenselijke interacties en relaties, anders gespecificeerd ¨Tussenmenselijke interacties en relaties, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Belangrijke levensgebieden</h3>\n<p class=\"lf-p\">¨Informele opleiding ¨Voorschoolse opleiding ¨Schoolse opleiding ¨Beroepsopleiding ¨Hogere opleiding ¨Opleiding, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Beroep en werk ¨Werkend leren ¨Verwerven, behouden en beëindigen van werk ¨Betaald werk ¨Onbetaald werk ¨Beroep en werk, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Economisch leven ¨Basale financiële transacties ¨Complexe financiële transacties ¨Economische zelfstandigheid ¨Economisch leven, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd ¨Belangrijke levensgebieden, anders gespecificeerd ¨Belangrijke levensgebieden, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Maatschappelijk, sociaal en</h3>\n<p class=\"lf-p\">burgerlijk leven ¨Maatschappelijk leven ¨Recreatie en vrije tijd ¨Religie en spiritualiteit ¨Mensenrechten ¨Politiek en burgerschap ¨Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven, anders gespecificeerd ¨Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven, niet gespecificeerd Bijlage 6 - Toegelaten zorginstellingen Zorginstellingen die zorg willen aanbieden die op grond van de Zorgverzekeringswet of AWBZ voor vergoeding in aanmerking komt, hebben een toelating nodig. Daarmee kan worden nagegaan of de instelling aan bepaalde eisen voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst van toegelaten AWBZ-instellingen per 4 augustus 2010 (Bron: CAK) Instelling Plaats Functies PV = persoonlijke verzorging VP = verpleging BH = behandeling VB = verblijf BG = begeleiding Zonnehuizen Kind &amp; Jeugd Zeist PV VP BH VB BG Arta Projecten Zeist PV VP BH VB BG Zonnehuizen Veldheim Zeist PV VP BH VB BG Bartiméus Zeist BH VB BG De Amandelhof Zeist PV VP VB BG De Looborch Zeist PV VP VB BG De Mirtehof Zeist PV VP VB BG Huize Valkenbosch Zeist PV VP VB BG Stichtse Warande Zeist PV VP BH VB BG De Heuvelrug Zeist PV BH BG GVT Dreeslaan Zeist PV VB BG De Berk Zeist PV BH BG Stichting Kwintes Zeist PV VP VB BG Timon Zeist BH BG Trajectum Novum Zeist PV VP BH BG WelCom Careshop Zeist Zeisterwoude Extra Murale Zorg Zeist PV VP BH BG Interzorg Regulier B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeist PV VP BG PrivaZorg AWBZ B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeist PV VP BG Thuiszorg Groot Gelre BV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeist PV VP BG Amerpoort (loc. Christophorus) Bosch en Duin PV VP BH VB BG De Schakel Bosch en Duin PV VP BH VB BG Verpleeghuis De Wijngaard Bosch en Duin PV VP BH VB BG Stichting Altrecht Den Dolder PV VP BH VB BG Den Dolder Den Dolder PV VP BH VB BG Altrecht Den Dolder PV VP BH VB BG Bethesda Den Dolder PV VP VB BG RIAGG Altrecht-RSU Den Dolder BH BG RIAGG Altrecht-RWU Den Dolder BH BG Sterrenberg Huis ter Heide PV VP BH VB BG Vredenoord Huis ter Heide PV VP VB BG Abrona Huis ter Heide PV VB BG Bijlage 7 - Ondersteuning voor mantelzorgers Het beleid van de gemeente Zeist is gericht op ondersteuning van de mantelzorgers. Daarom is er:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.Steunpunt Mantelzorg, Voorheuvel 26 (naast de bibliotheek), 3701JE Zeist, mantelzorg@meanderomnium.nl Zij bieden u: informatie en adviesover voorzieningen en regelingen die belangrijk zijn voor mantelzorgers. Ook ondersteuning bij het aanvragen van hulp en voorzieningen; praktische ondersteuning, zoals wanneer u tijdelijk de zorg wilt overdragen aan iemand anders (respijtzorg); de mogelijkheid om via de zorgsite van Sharecare.nl het zorgproces gemakkelijk te organiseren; registratie van mantelzorgers; informatieve en ontspannende bijeenkomsten en weekenden, themabijeenkomsten en cursussen; een luisterend oor voor uw situatie en verhaal; de dag van de mantelzorg. Het steunpunt mantelzorg neemt jaarlijks de organisatie op zich om samen met andere organisaties in Zeist invulling te geven aan deze landelijke dag waarbij mantelzorgers in het zonnetje worden gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Vrijwilligersverzekering Mantelzorgers zijn via de gemeente Zeist verzekerd voor ongevallen en persoonlijke eigendommen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Mantelzorgcompliment van € 250 als waardering voor mantelzorgers Het mantelzorgcompliment is voor mantelzorgers die langdurig en intensief een familielid, partner, vriend of kennis verzorgen. Zorg waarvoor anders professionele hulp nodig is. Als de zorgvrager hem of haar daarvoor voordraagt, kan de mantelzorger het compliment bij de SVB aanvragen. Om het mantelzorgcompliment aan te kunnen vragen, moet: de zorgvrager een indicatie hebben voor AWBZ-zorg aan huis (een extramurale indicatie), afgegeven door het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) of Bureau Jeugdzorg; deze indicatie voor minimaal 53 weken (371 dagen) zijn afgegeven; deze indicatie op of na 1 augustus 2009 zijn afgegeven.</p></div>", "next": 0}