ECLI:NL:CBB:1994:ZG1226
IS College van Beroep voor het bedrijfsleven No. 92/2081/071/037 12 januari 1994 Uitspraak in de zaak van: [naam 1] , wonende te [plaats 1] , verzoeker gemachtigde: mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Eindhoven, tegen de directeur van het Staatsbosbeheer, zetelend te Driebergen, verweerder, gemachtigde: mr. L.C. Mineur, ambtenaar bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Op 16 december 1992 heeft verzoeker zich tevens tot de Voorzitter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen in dier voege dat de Voorzitter verweerder gelast vóór 1 februari 1993 een beslissing op het hogervermelde bezwaarschrift te nemen op straffe van een dwangsom van fl. 1000,-- per dag dat verweerder daaraan niet voldoet.
Bij brief van 22 december 1992 heeft verweerder de Voorzitter onder meer doen meedelen dat verzoeker zal worden uitgenodigd om op de op 10 februari 1993 door de Commissie voor de Bezwaarschriften te houden hoorzitting te verschijnen, alsmede dat voornoemde Commissie daarna op korte termijn haar advies zal uitbrengen, zodat, indien enigszins mogelijk, de beslissing vóór 1 maart 1993 zal worden genomen en aan verzoeker meegedeeld.
Bij brief van 31 december 1992 heeft verzoeker desverzocht de Voorzitter van het College meegedeeld het verzoek om een voorlopige voorziening te handhaven, alsmede verzocht om aanhouding van de behandeling van het verzoek tot 1 maart 1993, waarna bij het uitblijven van een beslissing verzoeker de Voorzitter alsnog zal verzoeken de behandeling van het verzoek voort te zetten.
De behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening is vervolgens aangehouden tot 1 maart 1993.
Bij brief van 5 maart 1993 heeft verzoeker de Voorzitter gevraagd het verzoek om een voorlopige voorziening alsnog in behandeling te nemen.
Op 16 maart 1993 heeft verweerder een - op dezelfde datum per telefaxbericht aan verzoeker verzonden - beslissing op verzoekers bezwaarschrift genomen.
Op dezelfde datum heeft verzoeker de Voorzitter desverzocht meegedeeld het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken onder handhaving van het beroep in de hoofdzaak.
Verzoeker heeft bij brief van 16 juni 1993 desverzocht het College meegedeeld welk belang hij heeft bij handhaving van het beroep in de hoofdzaak.
Verweerder heeft op 13 augustus 1993 een verweerschrift ingediend en daarbij geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 2 december 1993, waar partijen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunt nader hebben toegelicht.
Ter zitting heeft verzoeker tevens gevorderd verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met dit geschil in de hoofdzaak heeft moeten maken.
Ten aanzien van de bevoegdheid van het College een partij te veroordelen in de kosten van de procedure, is ingevolge het overgangsrecht artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Verweerder heeft, zoals uit het vorenstaande valt af te leiden, niet binnen de hem bij artikel 36b, derde lid, van de Wet arbo gestelde termijn, een beslissing op het door verzoeker ingediende bezwaarschrift genomen. Nu voorts niet is gebleken van feiten of omstandigheden, die tot het oordeel leiden dat de termijnoverschrijding verweerder niet kan worden toegerekend, is de conclusie dat het beroep gegrond is.
Het College ziet echter geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten voor juridische bijstand die verzoeker heeft moeten maken in verband met het geschil bij de Voorzitter. Hiertoe overweegt het College het volgende. De kosten, die verzoeker in de vorm van een schadevergoeding wil zien vergoed, zouden zijn gemaakt, doordat verweerder na 1 maart 1993 en zeer kort voor de datum van 17 maart 1993, waarop het verzoek om een voorlopige voorziening zou worden behandeld, een beslissing heeft genomen. Gelet op de door verweerder in zijn brief van 22 december 1992 geschetste procedure voor de behandeling van verzoekers bezwaarschrift, onder meer inhoudende dat verzoeker op 10 februari 1993 zou worden gehoord door de Commissie voor de Bezwaarschriften die verweerder van advies dient, had verzoeker echter rekening dienen te houden met de mogelijkheid dat verweerder niet vóór 1 maart 1993 doch kort daarna zou beslissen op het bezwaarschrift. Door niettemin de Voorzitter van het College reeds op 5 maart 1993 te verzoeken het eerder gedane verzoek om een voorlopige voorziening alsnog in behandeling te nemen, zonder dat verzoeker zich ervan had vergewist of de beslissing voor de geplande zitting van 17 maart 1993 zou worden genomen, moeten de gevolgen van het feit dat in het kader van deze procedure voor niets kosten van rechtsbijstand zijn gemaakt doordat verweerder hangende deze procedure alsnog voor die datum besliste, voor verzoekers rekening komen. Derhalve wijst het College verzoekers vordering in het kader van artikel 60 van de Wet arbo af.
Op grond van de uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting gebleken feiten en omstandigheden acht het College daarentegen wel termen aanwezig om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten, die verzoeker in verband met dit bodemgeschil heeft moeten maken, dezerzijds begroot op na te melden bedrag.
Een en ander leidt tot de volgende beslissing.
Aldus gewezen door mr. B.P. Kiewiet, mr. D. Roemers en mr. G.F. Pieters, in tegenwoordigheid van mr. D.O. Pechler, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 1994. w.g. B.P. Kiewiet w.g. D.O. Pechler