ECLI:NL:CBB:1998:AA3434
Uitspraak:
College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 97/1144 18 december 1998 A te B, appellant, gemachtigde: mr S. Borger, tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr M. Nagel.
Verweerder heeft op 16 oktober 1997 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 1998. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunt nader doen toelichten.
U heeft namelijk blijkens bijgevoegde transportakte het gehele bedrijf op 30 oktober 1989 overgenomen van uw vader. In artikel 8 is bepaald dat de producent, welke een geheel bedrijf heeft overgenomen na 1983, een verzoek kan indienen om bij toekenning van een hoeveelheid heffingvrij te leveren zure boerderijzuivelprodukten uit te gaan van de hoeveelheid die de rechtsvoorganger heeft geleverd in een artikel 4, eerste lid genoemde periode (1981, cq. 1983, met toegestane afwijkingen hiervan), danwel in 1990. Aangezien U het bedrijf heeft overgenomen voor 1990 komt laatst genoemde periode niet in aanmerking. Aangezien de rechtsvoorganger is begonnen met de leveranties na 1983 komen ook de periodes, zoals genoemd in artikel 4, eerste lid niet in aanmerking."
Van levering door een ander is echter geen sprake. Tot november 1989 was er sprake van een veehouderijbedrijf dat in maatschapsverband werd uitgeoefend: maatschap A en C. Per 1 november 1989 is dat maatschap C en A geworden.
Ondergetekende heeft dus als maat van de maatschap A en C aangevraagd voor het bedrijf. Reeds in 1987 is het bedrijf gestart met de produktie en aflevering van zure zuivelprodukten.
Vanaf 1987 tot heden is en wordt door de maatschap A en C zure zuivel vervaardigd (zie bijlagen). Het is dus onjuist om te stellen dat vader zure zuivel geleverd heeft, daar er geen sprake is geweest van een apart bedrijf of een aparte boekhouding.
Alle activiteiten van iedere maat is ten goede gekomen en komt nog steeds ten goede van het bedrijf c.q. maatschap."
Onder producent dient te worden verstaan de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersonen of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd en die zure boerderijzuivelprodukten levert aan een koper of rechtstreeks aan de consument.
Uit de bovengenoemde bepalingen blijkt dat de producent van zure boederijzuivelprodukten in aanmerking komt voor een heffingvrije hoeveelheid. In Uw geval is mij het volgende gebleken. Uit de overgelegde maatschapscontracten blijkt dat U vanaf 11 mei 1982 tezamen met Uw vader een maatschap heeft gevoerd. Deze maatschap is per 1 november 1989 gewijzigd van A en C in C en A. In de maatschap zijn onder meer het agrarisch bedrijf, waaronder het bedrijf dat de zure zuivelprodukten maakt, en het verkregen melkquotum ingebracht. Voorts staat U als maatschap bij de DBH geregistreerd.
Uit het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat de maatschap dient te worden beschouwd als producent van zure boederijzuivelprodukten in de zin van artikel 2 BZB en dat derhalve de maatschap in aanmerking komt voor een quotum."
Uw stelling dat in het onderhavige geval geen sprake is onvolkomenheden ten aanzien van de aanvraag, noch dat sprake is van onvoldoende informatieverstrekking van Uw kant deel ik derhalve niet.
Ik merk in dit verband overigens nog op dat de bezwaarfase dient te worden aangemerkt als onderdeel van de primaire besluitvorming. Immers indien een aanvrager bezwaar maakt tegen een beslissing van een bestuursorgaan is het bestuursorgaan gehouden het gehele beslistraject opnieuw te doorlopen teneinde te onderzoeken of het primaire besluit in stand kan blijven. Komt het bestuursorgaan tot de conclusie dat het primaire besluit niet in stand kan blijven, dan komt de beslissing op bezwaar in de plaats van het primaire besluit.
Een herzien besluit hoeft, mede gelet op het karakter van de verlengde besluitvorming van de bezwaarschriftenprocedure niet te betekenen dat het primaire besluit onrechtmatig is (zo ook: Parlementaire Geschiedenis AWB II, P.487-499)."
CONCLUSIE a. Niet gesteld kan worden, gelet op hetgeen als feitelijk is aangedragen, dat op terechte gronden door het Ministerie van Landbouw negatief beslist moest worden op de aanvraag. b. Niet gesteld kan worden dat er sprake was van onvolkomenheden ten aanzien van de aanvraag daar nadien door het Ministerie werd toegegeven dat de maatschap producent was voor de zuivel en dat er geen sprake was van leverantie door de vader van aanvrager. c. Niet gesteld kan worden dat er sprake was van onvoldoende informatieverstrekking door aanvrager gelet op het feit dat in de afwijzing daar niet naar werd verwezen dan wel dat de aanvraag niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Aldus is volgens aanvrager het primaire besluit onrechtmatig genomen, gelet op de gegevens waarover het Ministerie beschikte dan wel kon beschikken; het geldende rechtsregiem alsmede de bij de aanvraag overlegde gegevens.
De bezwaren van A inzake de weigering van het Ministerie van 12 februari 1997 om een schadevergoeding toe te kennen dienen dus als gegrond beschouwd te worden."
Appellant betoogt dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag zoals die oorspronkelijk werd ingediend, tekort is geschoten in het betrachten van zorgvuldigheid wat betreft het vergaren van kennis omtrent de relevante feiten. Bij een behoorlijke voldoening aan de op hem rustende onderzoeksplicht zou verweerder volgens appellant reeds voor de beslissing op de aanvraag gewaar zijn geworden dat de aanvraag namens de maatschap werd ingediend. Het College verwerpt dit betoog.
Hier doet zich niet het geval voor dat een in de aanvraag verstrekt gegeven op zich zelf onduidelijk of kenbaar onvolledig was; de aanvraag bood met name geen aanknopingspunt om te betwijfelen of degene die pretendeerde de aanvrager te zijn, ook in werkelijkheid beoogde dat aan hem de toekenning van de gevraagde heffingvrije hoeveelheid zou geschieden. Naar het oordeel van het College lag het geheel op de weg van appellant om indien het zijn bedoeling was de aanvraag namens de maatschap in te dienen, van die bedoeling blijk te geven.
Uit het vorenstaande volgt dat de door appellant gestelde schade moet worden toegeschreven aan een voor zijn rekening komende vermelding in de aanvraag. Verweerder heeft derhalve met recht kunnen weigeren die schade te vergoeden.
Ter zitting heeft appellant nog betoogd dat extra schade is geleden doordat verweerder het tegen het besluit van 29 april 1992 ingediende bezwaarschrift zeer traag heeft behandeld. Het College overweegt daaromtrent dat met betrekking tot vergoeding van schade die het gevolg is van het uitblijven van een besluit, in dit geding geen beslissing van verweerder voorligt, zodat dit betoog moet worden gepasseerd. Overigens zou een dergelijke beslissing ook geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht zijn, daar de schade-oorzaak zelf geen besluit is. Waar artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht het niet tijdig nemen van een besluit gelijk stelt met een besluit, doet het dit slechts voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep. Dit betekent dat bezwaar kan worden gemaakt en/of beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. In gevallen waarin een zodanig beroep niet is ingesteld, zoals in casu, wordt door dat artikel geen competentie voor de bestuursrechter gevestigd om kennis te nemen van geschillen omtrent aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van niet-handelen door het bestuursorgaan.
Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit in rechte geen stand zou kunnen houden, moet het beroep ongegrond worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Aldus gegeven door mr D. Roemers, mr P. Lourens en mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr H.J. Dullaart, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 1998. w.g. D. Roemers w.g. H.J. Dullaart