ECLI:NL:CBB:2000:AA4856
De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 99/864 7 januari 2000 40000 Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:
In deze brief is onder meer het volgende opgenomen: " Vanaf 1 januari 2000 dient ieder rundvee- of kalverbedrijf op grond van Europese regelgeving gecertificeerd te zijn ten aanzien van de productie van veilig vlees. Dit betekent dat u vanaf die datum deel moet nemen aan een kwaliteitsprogramma, waarin wordt gecontroleerd op verboden groeibevorderaars. Tevens moet dit zogenoemde zelfcontrolesysteem garanties leveren met betrekking tot een verantwoord gebruik van diergeneesmiddelen. Een bedrijf dat niet is gecertificeerd, kan alleen nog vee verkopen als ieder dier individueel wordt onderzocht. Dit kost u als veehouder enorm veel geld. Integrale Keten Beheersing (IKB) is vooralsnog het enige kwaliteitssysteem waarin al deze zaken zijn opgenomen.
Door deel te nemen aan IKB, voldoet u betrekkelijk eenvoudig aan de gestelde eisen. U stelt dan de Kwaliteits Controle Runderen (KCR) of de Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector (SKV) in de gelegenheid op uw bedrijf te controleren op verboden groeibevorderaars. Verder houdt u een medicijnregistratie bij en werkt alleen met vertrouwd voer en een gecertificeerde dierenarts. Zo levert u de garanties die niet alleen de wetgeving, maar ook de consument van u vraagt!" - Bij brief van 7 september 1999 heeft verzoeker sub 2, die van beroep dierverloskundige/castreur en dierenartsassistent is, aan verweerder verzocht om rectificatie van bovengenoemde brief, voor zover hierin is medegedeeld dat veehouders alleen mogen werken met een gecertificeerde dierenarts.
Volgens verzoeker sub 2 gaat verweerder voorbij aan het feit dat op veel bedrijven ook dierverloskundigen en paraveterinairen werken, met wie veehouders een jarenlange goede werkervaring hebben. Verzoeker sub 2 verwacht op korte termijn financieel nadeel, veroorzaakt door de mededeling van verweerder. Hij kondigt een kort geding aan voor het geval verweerder op 15 september nog geen actie zal hebben ondernomen.
Hierbij stel ik u dan ook aansprakelijk voor de door cliënt geleden en eventueel nog te lijden schade.
In deze fase lijkt het nog mogelijk om de verwarring te stoppen, (verdere) schade te voorkomen en de overlast voor cliënt te beëindigen, indien uw dienst op zeer korte termijn middels een rectificatie de voormelde onduidelijkheden in uw schrijven opheft. Ik verzoek u, en voorzoveel noodzakelijk sommeer ik u hierbij, om mij binnen 5 dagen na dagtekening van dit schrijven te laten weten dat u bereid bent om te rectificeren."
Verweerder is echter van mening dat in casu ook geen sprake is van een handeling als bedoeld in artikel 18, lid 1, sub b, van de Wbb. Het schrijven van verweerder van 1 september 1999 geeft alleen informatie en brengt geen verandering, of beoogt geen verandering te brengen, in de feitelijke situatie van de geadresseerden. Het betreft louter een mededeling over de regelgeving ter zake van zelfcontrole op het gebruik van verboden groeibevorderende stoffen. Gelet hierop dient het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voor zover in deze al sprake zou zijn van een onrechtmatige handeling in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), mag alleen de burgerlijke rechter hierover oordelen. De president is niet bevoegd kennis te nemen van een dergelijk verzoek.
Voorts is verweerder van mening dat verzoekers geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 18, lid 1, van de Wbb, juncto artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aangezien zij niet rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Het schrijven van verweerder van 1 september 1999 was gericht aan de rundvee- en kalverhouders. Verzoekers kunnen door dit schrijven hooguit indirect worden getroffen, hetgeen overigens evenmin het geval is. Ook op grond hiervan is verweerder van mening dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Tenslotte heeft verweerder de brieven van verzoekers, waarin hij werd gesommeerd over te gaan tot rectificatie, opgevat als inleiding op een actie uit onrechtmatige daad en niet als bezwaarschrift.
In de brief van 1 september 1999 is aangegeven dat binnen het kader van de IKB alleen met een gecertificeerde dierenarts mag worden samengewerkt. In deze brief is verzuimd te vermelden dat ook dierverloskundigen, castreurs en dierenartsassistenten kunnen deelnemen aan de IKB-regeling.
Door de brief van 1 september 1999 wordt de indruk gewekt dat vanaf 1 januari 2000 bij deelname aan de IKB-regeling alleen nog mag worden samengewerkt met een gecertificeerde dierenarts. Voor zover verzoekers bekend, zijn er overigens tot op heden nog geen gecertificeerde dierenartsen.
Verzoekers lijden schade door de onjuiste en onvolledige berichtgeving van verweerder. Zij verwachten dat veehouders die deelnemen aan de IKB-regeling geen gebruik meer zullen maken van de diensten van verzoekers.
Door een medewerkster van verweerder is telefonisch toegegeven dat de passage over samenwerking met dierenartsen niet zo strikt moet worden genomen. Desondanks blijft verweerder weigerachtig tot rectificatie over te gaan.
Op grond van artikel 18, lid 1, sub b, Wbb is het College bevoegd van het ingestelde beroep kennis te nemen.
Verzoekers lijden ernstige schade door het verlies aan werkzaamheden en vertrouwen van de rundvee- en kalverhouders, zodat zij recht en belang hebben bij een voorlopige voorziening op korte termijn, inhoudende een bevel tot rectificatie.
Tussen partijen is niet in geschil - en de president heeft geen aanknopingspunten ter zake een andersluidend standpunt in te nemen - dat in casu geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 18, lid 1, sub a, van de Wbb.
Het rondzenden van een voorlichtende brochure door verweerder kan weliswaar als een handeling worden aangemerkt, maar beroep op het College tegen een dergelijke handeling staat ingevolge artikel 18, lid 1, sub b, van de Wbb alleen open voor diegenen ten aanzien van wie verweerder de handeling ter uitvoering van zijn bestuurstaak heeft verricht. De brief van 1 september 1999 is gericht aan de rundvee- en kalverhouderijen en niet aan verzoekers, die niet behoren tot de onder verweerder ressorterende bedrijfsgenoten, zodat naar het oordeel van de president geen sprake is van een handeling als in genoemde bepaling bedoeld. Dit betekent dat het College naar voorlopig oordeel niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep van verzoekers tegen de brief van 1 september 1999.
De president merkt nog op dat bovendien - zo het College al bevoegd zou zijn - door verzoekers niet voorafgaand bezwaar is gemaakt bij verweerder, zodat het door verzoekers ingestelde beroep niet voldoet aan het vereiste van artikel 7:1, lid 1, van de Awb. De door verzoeker sub 2, voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoek gezette stappen, waarbij is verwezen naar artikel 6:162 BW, kan de president in dit verband niet anders duiden dan als inleiding op een actie uit onrechtmatige daad, zodat verweerder deze brieven terecht niet als bezwaarschriften heeft aangemerkt. Doorzending van het bij het College ingediende beroepschrift aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift heeft tegen de achtergrond van het vorenoverwogene geen zin.
Gelet op het vorenstaande is de president kennelijk onbevoegd van het onderhavige verzoek kennis te nemen en bestaat er aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, lid 3, van de Awb uitspraak te doen.
De president acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
Aldus gewezen door mr B. van Wagtendonk, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr M.M. Smorenburg, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2000. w.g. B. van Wagtendonk w.g. M.M. Smorenburg Verzonden op: