College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2001:AA9876
College van Beroep voor het bedrijfsleven No. 94/0588/060/234 31 januari 2001 Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant, gemachtigde: mr B. Nijman, advocaat te Wageningen, tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder, gemachtigde: mr M. Nagel, werkzaam bij verweerder.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 24 april 1992, genomen op grond van de Beschikking superheffing zure boerderijzuivel- produkten (hierna: BZB).
Bij schrijven van 28 december 1998 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.
Bij besluit van 23 maart 1999 heeft verweerder een herziene beslissing op het bezwaar van appellant genomen.
Bij brieven van 11 mei 1999 en 14 juli 1999 heeft appellant het College meegedeeld dat hij zijn beroep handhaaft in afwachting van de afwikkeling van zijn vordering tot schadevergoeding door verweerder, waarover overleg met verweerder plaatsvindt.
Bij schrijven van 7 juni 2000 heeft appellant het College bericht dat overleg met verweerder naar aanleiding van diens herziene beslissing op bezwaar niet heeft geleid tot overeenstemming over door verweerder te vergoeden schade. Hierbij heeft appellant het College verzocht tot vaststelling van schadevergoeding over te gaan.
Verweerder heeft op 21 juni 2000 een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij op 27 juni 2000 ingekomen schrijven heeft gereageerd.
Op 27 september 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht.
Hierbij heeft hij aangegeven in 1990 een melkequivalent van 85.636 kg zure boerderijzuivelproducten te hebben verkocht.
Van de overige door U aangevraagde hoeveelheden heeft U geen bewijsstukken overgelegd waaruit concreet en ondubbelzinnig blijkt dat deze in 1990 verkocht en/of geleverd zijn, zodat U voor deze hoeveelheden geen toewijzing kunt krijgen."
Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat kan worden afgeleid dat u zure boerderijzuivelproducten hebt verkocht, maar dat niet exact kan worden vastgesteld hoeveel van die producten u in 1990 rechtstreeks aan de consument hebt verkocht.
In een geval als het onderhavige, waarbij wel een redelijk getrouw beeld kan worden verkregen omtrent de hoeveelheid geproduceerde zure zuivel, dient derhalve deze hoeveelheid de basis te vormen voor de berekening van een toe te kennen heffingvrije hoeveelheid.
Aangezien bij elk productieproces spoel-, vul- en morsverliezen optreden, een productieproces soms mislukt en sommige producten onverkoopbaar blijven, is besloten de vastgestelde, geproduceerde hoeveelheid zuur product te verminderen met een forfaitair verliespercentage van 10 om zodoende de (berekende) afgezette hoeveelheid zuur product vast te stellen. (.) Met betrekking tot de door u geproduceerde zure boerderijzuivelproducten heb ik overwogen dat uit het kaasboek naar voren komt dat u bepaalde hoeveelheden melk hebt verwerkt tot zure boerderijzuivelproducten. Ik heb geen aanwijzingen om aan te nemen dat deze gegevens onjuist zijn, zodat ik bereid ben deze hoeveelheid als uitgangspunt te nemen voor een aan u toe te kennen heffingvrije hoeveelheid op grond van artikel 4 BZB."
Ter ondersteuning van het verzoek om schadevergoeding heeft appellant - samengevat - het volgende aangevoerd.
Tussen partijen staat vast dat het besluit van 28 december 1993 onrechtmatig is en dat verweerder de als gevolg van dit besluit door appellant geleden schade dient te vergoeden.
Discussie bestaat slechts over de periode(n), waarover de schadevergoeding en de wettelijke rente moet worden berekend.
Appellant stelt zich op het standpunt dat met het gegeven dat het besluit van 28 december 1993 onrechtmatig is, de aansprakelijkheid en de schuld van verweerder vanaf dat moment vaststaat. Dat het beroep van appellant wellicht nog nader gemotiveerd moest worden maakt voor die aansprakelijkheid niets uit.
Verweerder was door de griffiersbrief van 11 februari 1994 van het beroep van appellant op de hoogte. Mede gelet op die omstandigheid kan het tijdsverloop sedert de oorspronkelijke beslissing op bezwaar van 28 december 1993 niet ten nadele van appellant strekken.
Hierbij komt dat het College juist om redenen van proceseconomie aan appellant heeft toegestaan de gronden aan te vullen nadat door afdoening van de zaak Van Dal helderheid zou zijn geschapen. Hiervan kan appellant geen enkel verwijt worden gemaakt. Nu verweerder bovendien door het aanvankelijk nemen van een onjuiste beslissing de onderhavige procedure noodzakelijk heeft gemaakt, kan een vertraging in die procedure geen reden zijn over die periode de schade en rente niet te vergoeden.
Met betrekking tot de wettelijke rente verwijst appellant naar de regeling in het BW.
Ingevolge artikel 6:85 BW is de schade bestaande uit de wettelijke rente verschuldigd over de periode van verzuim. Nu in dit geval sprake is van een onrechtmatige daad, is op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, BW de wettelijke rente zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf de datum van het onrechtmatige besluit van 28 december 1993.
De wettelijke rente is verschuldigd zolang de schuldenaar met de voldoening in verzuim is en de vordering opeisbaar is. Van opeisbaarheid van de vordering is ook sprake indien de omvang van de schuld niet geheel vaststaat. Doordat tussen partijen geen overeenstemming werd bereikt over de hoogte van de schadevergoeding bleef het verzuim voortduren.
Verweerder had dit kunnen voorkomen door de gehele schade te vergoeden en kan appellant niet verwijten dat deze niet met een onvolledige schadevergoeding heeft ingestemd. Bovendien heeft verweerder de schadevergoeding tot nu toe niet betaald en daardoor rentevoordeel kunnen genieten.
Tijdens het overleg tussen partijen omtrent de hoogte van de aan appellant toe te kennen schadevergoeding is verweerder aanvankelijk uitgegaan van een vergoeding over drie jaar, doch nadien bestond overeenstemming over een periode van 4,5 jaar. Op basis hiervan was verweerder ten tijde van het overleg bereid een bedrag van fl. 37.062,22 te vergoeden.
Nu appellant eenzijdig op de tijdens het overleg reeds bereikte overeenstemming terugkomt, gaat verweerder terug naar zijn uitgangspositie, inhoudende dat vergoeding van door appellant gederfde inkomsten niet eerder kan ingaan dan de datum waarop appellant de gronden van het beroep heeft aangevuld, derhalve 28 december 1998. Appellant is immers in gebreke gebleven zijn beroep voor die tijd (behoorlijk) te motiveren, waardoor noch verweerder noch het College iets met het beroepschrift kon doen. Het stilzitten van appellant heeft tot gevolg dat zijn schadeclaim nodeloos opliep. Verweerder acht de handelwijze van appellant strijdig met diens rechtsplicht de schade te beperken. Bovendien heeft verweerder geen voordeel gehad van het trage handelen van appellant.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder hieraan toegevoegd dat eventuele afspraken tussen de griffier van het College en de gemachtigde van appellant met betrekking tot de termijn waarbinnen de gronden van het beroep aangevuld dienden te worden, niet aan verweerder kunnen worden tegengeworpen.
Voorts heeft de gemachtigde desgevraagd meegedeeld dat verweerder in 1996, met name naar aanleiding van de behandeling ter zitting van de zaak Van Dal, tot heroverweging in BZB-zaken is overgegaan. Daarbij heeft de gemachtigde medegedeeld dat appellant, zelfs indien hij eerder de gronden van zijn beroep zou hebben aangevuld, enige tijd op de herziene beslissing op bezwaar zou hebben moeten wachten.
Met betrekking tot de door appellant gevorderde vergoeding van wettelijke rente stelt verweerder primair dat appellant dit eerst in een laat stadium van de procedure naar voren heeft gebracht. Verweerder acht dit zowel in strijd met een goede procesorde als met het systeem van het bestuursrecht.
Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat ook met betrekking tot renteschade geldt dat pas na ontvangst van het aanvullend beroepschrift van 28 december 1998 sprake was van een compleet ingesteld beroep, waarop verweerder kon reageren en naar aanleiding waarvan het College uitspraak kon doen. Dit brengt mee dat ook in zoverre de termijn, die ligt tussen het nemen van het bestreden besluit van 28 december 1993 en de wettelijk vereiste aanvulling van (de gronden van) het ingestelde beroep voor rekening van appellant dient te komen.
Het karakter van de wettelijke rente stemt overeen met deze visie van verweerder, nu deze rente immers een in verhouding met de marktrente hoge rente is teneinde het schuldenaars niet aantrekkelijk te maken in verzuim te zijn. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een verzuim van verweerder, maar van een verzuim van appellant. Het staat haaks op de bedoeling van de wettelijke rente dat verzuim te honoreren door appellant over de periode waarin hij in verzuim was een vergoeding van wettelijke rente toe te kennen.
Artikel 6:101 BW biedt de mogelijkheid de schadevergoeding te beperken en naar evenredigheid toe te rekenen aan partijen. Verweerder meent daarom dat vergoeding van wettelijke rente eerst in aanmerking kan komen over de periode, waaromtrent hem verweten kan worden geen andere beslissing op het bezwaar te hebben genomen, derhalve (gelet op de ontvangst door verweerder van het aanvullend beroepschrift) vanaf 1 januari 1999 tot de datum van het herziene besluit van 23 maart 1999.
Met betrekking tot door appellant gevorderde rente vanaf 23 maart 1999 verwijst verweerder naar zijn hiervoor weergegeven standpunt. Ook dit betreft immers een nieuwe vordering, terwijl sprake is van voortdurend rekken van de schadeperiode door appellant.
Op grond daarvan is verweerder van mening dat ook deze schadepost voor rekening van appellant dient te blijven.
Tenslotte heeft verweerder zich bereid verklaard het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden, alsmede de proceskosten berekend op basis van ‚‚n punt voor het indienen van het beroep. Voor vergoeding van overige proceskosten bestaat naar de opvatting van verweerder geen aanleiding, aangezien de vervolghandelingen van appellant een gevolg zijn van diens onjuiste opstelling inzake het verkrijgen van schadevergoeding.
Het College stelt voorop dat appellant ondanks het feit dat het bestreden besluit van 28 december 1993 inmiddels is vervangen door het besluit van 23 maart 1999, gelet op het verzoek om schadevergoeding nog belang heeft bij vernietiging van eerstgenoemd besluit.
Blijkens hetgeen hiervoor in rubriek 2 van deze uitspraak is weergegeven is verweerder, zonder dat appellant in het kader van de beroepsprocedure bij het College nog nadere bewijsstukken heeft overgelegd, in het herziene besluit alsnog tot toekenning van een grotere heffingvrije hoeveelheid voor appellant overgegaan. Aldus is verweerder tot de overtuiging gekomen dat zijn eerdere besluit, gelet op de ingediende bescheiden en het toepasselijke recht, voor onjuist moet worden gehouden.
Het College ziet geen reden van het kennelijke oordeel van verweerder dat het eerdere besluit onrechtmatig was, af te wijken.
Ingevolge het hier van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 6:83, aanhef en onder b, BW, is de schade als gevolg van een onrechtmatige daad zonder ingebrekestelling opeisbaar.
De schade van appellant bestaat hierin dat hij pas met ingang van het herziene besluit van 23 maart 1999 kan beschikken over de hem bij het bestreden besluit van 28 december 1993 ten onrechte onthouden (extra) heffingvrije hoeveelheid van 23.623 kg melk. Het College stelt vast dat partijen het over de hoogte van de door appellant per jaar geleden inkomensschade tot aan de datum van het herziene besluit eens zijn.
Niet valt in te zien waarom - zoals verweerder bij nader inzien stelt - de inkomensschade niet reeds vanaf het moment van de totstandkoming van het bestreden besluit van 28 december 1993 zou zijn ontstaan, althans dat de schade voorzover ontstaan in de periode vanaf de totstandkoming van dit besluit tot de indiening van de aanvullende gronden van het beroep voor rekening van appellant zou moeten blijven. Verweerder, die sedert de ontvangst van de griffiersbrief van 11 februari 1994 van het beroep van appellant op de hoogte kon zijn, was immers in het onderhavige geval voor het nemen van de juiste beslissing niet afhankelijk van enige nadere actie van appellant.
Dit geldt eveneens voor de door appellant gevorderde renteschade. Die vordering is toewijsbaar met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:119 BW en 6:120 BW. Bij gebreke van in andere richting wijzende gegevens gaat het College ervan uit dat de jaarlijkse leasevergoeding in maandelijkse termijnen zou zijn betaald.
Tevens dient bij de berekening van de wettelijke rente telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dit jaar verschuldigde rente. De ingangsdatum over de volgende termijnen dient telkens te worden gesteld op de eerste dag na afloop van de desbetreffende termijn en ook voor die termijnen geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend, moet worden vermeerderd met de over dit jaar verschuldigde rente.
Op grond van het vorenstaande is het beroep tegen het besluit van 28 december 1993 gegrond en komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking. Verweerder is gehouden de door appellant vanaf deze datum tot de datum van het herziene besluit geleden inkomensschade, alsmede daarover berekende wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening aan appellant te vergoeden. Het College ziet aanleiding voor nevenbeslissingen als in het dictum van deze uitspraak vermeld. Met betrekking tot de proceskosten van appellant houdt het College rekening met de indiening van het beroepschrift en het optreden van de gemachtigde ter zitting.
Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr H.G. Lubberdink en mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2001. w.g. D. Roemers w.g. A. Bruining