College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2001:AB0527
College van Beroep voor het bedrijfsleven No.AWB 00/650 28 februari 2001 24010 Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant, gemachtigde: mr C.G.M. van Rossum, advocaat te Bemmel, tegen de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Centraal Gelderland, verweerster, gemachtigde: R.C. Brion, werkzaam bij verweerster.
Bij dit besluit heeft verweerster de bezwaren van appellant tegen het in een schrijven van 17 september 1998 vervatte negatieve advies van verweerster, inzake het verzoek van appellant om be‰digd te worden als makelaar in onroerende zaken, kennelijk ongegrond verklaard.
Appellant heeft zijn beroepschrift aangevuld bij brief van 14 september 2000.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend op 16 oktober 2000.
Op 17 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden waarbij verweerster bij monde van haar gemachtigde haar standpunt heeft toegelicht. Appellant is - met voorafgaand bericht daarvan aan het College - niet verschenen.
Artikel 63a De rechtbank hoort het openbaar ministerie en wint het advies in van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, binnen welker gebied de verzoeker voornemens is zich als makelaar te vestigen of binnen welker gebied de vestiging of de nevenvestiging waarbij hij als zodanig in arbeidsovereenkomst werkzaam zal zijn, is gelegen.
Artikel 63b 1. De Kamer van Koophandel brengt binnen drie maanden advies uit omtrent de vraag of de verzoeker voldoet aan de bij of krachtens artikel 63c gestelde eisen, en of de vrees bestaat, dat hij als makelaar de eer van de stand der makelaars zal schaden. (.) Artikel 63c 1. De verzoeker wordt tot de be‰diging als makelaar in het door hem vermelde vak toegelaten, indien hij bekwaam is om als zodanig in het vak werkzaam te zijn, indien hij te goeder naam en faam bekend staat en indien ook overigens te zijnen aanzien geen omstandigheden bekend zijn die een juiste en onafhankelijke uitoefening van de makelaardij bedreigen.
Het Besluit vakbekwaamheid makelaars in onroerende zaken (Stb. 1998, 304: hierna: het Besluit vakbekwaamheid), waarin nadere regels als vorenbedoeld zijn gesteld, luidt, voorzover hier van belang: " Artikel 2 1. De verzoeker, bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van het Wetboek van Koophandel, is bekwaam de makelaardij in onroerende zaken uit te oefenen indien deze: a. (..) met goed gevolg de in artikel 4 bedoelde praktijkproef heeft afgelegd (.) Artikel 4 Op verzoek van degene die in het bezit is van een diploma (.) neemt de Kamer van koophandel en fabrieken (.) hem een praktijkproef af, waarbij getoetst wordt of betrokkene voldoet aan de eisen die in de praktijk van de makelaardij in onroerende zaken worden gesteld, waaronder wordt begrepen kennis van de gebruiken, regels en omstandigheden die van belang zijn bij het beoordelen van de waarde van onroerende zaken in de streek waar de verzoeker voornemens is zich te vestigen."
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
Tijdens dit gesprek ben u door ondergetekende als secretaris van de Commissie (Makelaardij) geattendeerd op het feit dat uw huidig beroep (taxateur onroerende zaken bij de Belastingdienst Registratie en Successie Arnhem) een juiste en onafhankelijke uitoefening van de makelaardij in de weg staat.
Tijdens het gesprek was u nog niet in staat aan te geven op welke wijze dit beletsel uit de weg geruimd kon worden. Aangezien de praktijkproef een verplicht onderdeel uitmaakt van de advisering door de Kamer (i.c. over de vakbekwaamheid) hebt u hiervoor een oproep ontvangen. Dit neemt niet weg dat de onverenigbaarheid van uw huidig beroep met uitoefening van de makelaardij een beletsel blijft en een positieve advisering in de weg staat.
Teneinde misverstanden uit te sluiten meenden wij er goed aan te doen u het vorenstaande - wat op 26 mei jl. reeds mondeling aan u is medegedeeld - schriftelijk te bevestigen."
De heer A was duidelijk wat zenuwachtig, maar bracht het wat betreft de taxaties het er redelijk af.
Met betrekking tot zijn regionale kennis scoorde hij duidelijk onvoldoende, hetgeen over het totaal van zijn vakbekwaamheid tot een negatief resultaat leidt.
De Kamer is van oordeel dat zij geen positief advies kan uitbrengen met betrekking tot de vakbekwaamheid van de heer Janssen.
Voorts willen wij uw College informeren over het feit dat de heer A thans werkzaam is als taxateur onroerende zaken bij de Belastingdienst Registratie en Successie te Arnhem. De Kamer is van oordeel dat het huidige beroep van de heer A op gespannen voet staat met een juiste en onafhankelijke uitoefening van de makelaardij (zoals vermeld in artikel 63c Wetboek van Koophandel) en zelfs onverenigbaar is met de uitoefening van de makelaardij in onroerende zaken.
Gelet op de twee bovenvermelde redenen adviseren wij u derhalve de heer A niet toe te laten tot de be‰diging als makelaar in onroerende zaken."
2 oktober 1998. De kennis van het werkgebied van de kandidaat was tijdens de praktijkproef kennelijk onvoldoende en kan hierdoor niet bogen op een positief resultaat. De adviescommissie komt na bestudering van de praktijkproef tot de slotsom dat de kennis van het werkgebied onvoldoende is.
Ten aanzien van de functie van de heer A in relatie tot het uitoefenen van de makelaardij is de adviescommissie van oordeel dat een juiste en onafhankelijke uitoefening in het gedrang komt en op geen enkele manier is gewaarborgd.
De gesignaleerde ongewenste vermenging van c.q. combinatie van functies staat een juiste en onafhankelijke uitoefening van de makelaardij in onroerende zaken in de weg. De adviescommissie is voorts van mening dat het louter be‰digd willen zijn zonder als zodanig actief te zijn in strijd is met de definitie van artikel 62 Wetboek van Koophandel.
De adviescommissie komt alles overwegende tot de volgende slotsom:
Uit het bestreden besluit noch uit het advies van de adviescommissie blijkt dat de voorzitter van de adviescommissie geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van verweerster. Het dient er aldus voor te worden gehouden dat aan dit wettelijke vereiste niet is voldaan. De voorzitter van de adviescommissie, mr C, was in het verleden werkzaam bij verweerster en heeft toen directe bemoeienis gehad met de twee eerdere testen vakkennis die appellant heeft afgelegd. Als zodanig is C door zijn optreden in het verleden voor appellant te vereenzelvigen met verweerster.
Appellant is, hoewel hem door verweerster bij schrijven van 23 december 1999 is medegedeeld dat hij binnenkort een oproep zou ontvangen voor een hoorzitting van de adviescommissie, ten onrechte niet gehoord.
Het bestreden besluit is innerlijk tegenstrijdig, aangezien het dictum "kennelijk ongegrond" luidt, terwijl de overwegingen in het advies te zien geven dat de adviescommissie de betrokken praktijkproef in zijn totaliteit heeft doorgenomen teneinde een goed beeld van de opdrachten c.q. het uitwerken van de opdrachten te kunnen krijgen en de commissie voorts het onderwerp van de juiste en onafhankelijke uitoefening van de makelaardij in onroerende zaken in relatie tot de huidige functie van appellant heeft besproken. Het bezwaar is derhalve ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard.
Ondanks zijn verzoek daartoe heeft appellant tot op heden geen afschrift van de notulen van de test ontvangen, terwijl de adviescommissie daarover kennelijk wel heeft beschikt. Ten onrechte is een besluit genomen op basis van stukken waarvan appellant geen afschrift heeft ontvangen.
Verweerster heeft haar negatieve advies aan de rechtbank ten onrechte mede gestoeld op haar oordeel dat de huidige functie van appellant als taxateur bij de belastingdienst op gespannen voet staat met een juiste en onafhankelijke uitoefening van de makelaardij en daarmee zelfs onverenigbaar is. De beide eerdere keren dat appellant de test zonder goed gevolg heeft afgelegd, heeft verweerster de thans gestelde onverenigbaarheid van zijn huidige functie met die van makelaar in onroerende zaken niet aan de orde gesteld, hoewel geen sprake is van veranderde omstandigheden. De brief van verweerster van 2 september 1998 dat er, ongeacht de uitkomst van de praktijktest, geen positief advies van verweerster aan de rechtbank zou volgen in verband met de gestelde onverenigbaarheid van functies heeft voorts het resultaat van de test gedrukt.
De praktijktest vertoonde voorts ernstige manco's. Zo is in strijd met de afspraak niet in Arnhem-Zuid, maar in Arnhem-Noord begonnen en was een vraag van een examinator, al rijdend op de snelweg, voor appellant onduidelijk.
Appellant heeft tenslotte gesteld dat hij bij de beide eerdere tests, waarbij het onderdeel regionale kennis wel voldoende was, maar zijn taxaties niet voldoende waren, niet de gelegenheid heeft gekregen om zijn taxaties te verdedigen.
Gelet op de overwegingen die aan het aan verweerster uitgebrachte advies ten grondslag liggen, is naar het oordeel van het College geen sprake van kennelijkheid als bedoeld in voormeld artikelonderdeel. Dit geldt temeer nu verweerster aan appellant had aangegeven dat hij zou worden uitgenodigd voor een hoorzitting. Hierbij komt dat appellant in zijn bezwaarschrift van 20 oktober 1998 heeft aangekondigd zijn gronden te zullen wijzigen of aanvullen na ontvangst van de notulen, die zijn gemaakt met betrekking tot de test. Deze aankondiging staat eraan in de weg dat zonder enige reactie van de kant van verweerster op het bezwaarschrift wordt beslist.
Het College overweegt voorts dat de onverenigbaarheid van functies die verweerster tevens aan haar besluit ten grondslag heeft gelegd, een onderwerp betreft dat zich leent voor bespreking op een hoorzitting. Het lijkt immers niet op voorhand ondenkbaar dat partijen omtrent het niet tegelijkertijd uitoefenen van de twee functies een werkbare afspraak zouden kunnen maken.
Ten aanzien van de stelling van appellant dat ten onrechte op grond van stukken waarvan hem geen afschrift is gezonden een besluit is genomen, overweegt het College het volgende.
Verweerster heeft het afnemen van praktijkproeven als bedoeld in artikel 4 van het Besluit vakbekwaamheid opgedragen aan een onder haar verantwoordelijkheid werkende Commissie Makelaardij. Nu het oordeel van de Commissie Makelaardij een oordeel is waartoe de leden, na onderlinge bespreking van het ingeleverde werk, gezamenlijk zijn gekomen, dient dit oordeel te worden gedragen door een door deze commissie te verschaffen onderbouwing hiervan. Tegen de achtergrond van deze wijze van oordeelsvorming is verweerster niet gehouden het commentaar van de individuele leden van de Commissie Makelaardij op de antwoorden van de ge‰xamineerde ter inzage te geven, doch verweerster dient wel op enigerlei wijze inzicht te geven in de redenen die de deskundigen hebben geleid tot hun gezamenlijke negatieve beoordeling van de praktijkproef. Nu dit, niettegenstaande het desbetreffende verzoek van appellant, bij het bestreden besluit is nagelaten, is dit besluit niet deugdelijk en kenbaar gemotiveerd.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 7:3 en 7:12 van de Awb. Voorts ziet het College aanleiding voor nadere beslissingen als in het dictum van deze uitspraak vermeld.
Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.A. van der Ham en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2001. w.g. H.G. Lubberdink w.g. Th.J. van Gessel