College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2001:AB3014
College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 99/389 18 juli 2001 7200 Uitspraak in de zaak van:
A, vennootschap naar Hongaars recht, gevestigd te B, appellante, gemachtigde: mr drs H.A. Pasveer, advocaat te Rosmalen, tegen het Productschap Vee en Vlees, verweerder, gemachtigde: mr M.R. Bierling, werkzaam bij verweerder.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering haar als exporteur en als gerechtigde op exportrestitutie aan te merken.
Op 10 mei 1999 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.
Verweerder heeft op 16 juni 1999 een verweerschrift ingediend.
Op 9 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht.
De vastgestelde restitutie wordt toegekend op verzoek van de belanghebbende. (…)."
In Verordening (EG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (Pb. 1987, nr. L 351) is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 2 bis Behalve voor de uitvoer van landbouwproducten in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen, en de uitvoer in verband met voedselhulptransacties in de zin van artikel 10, lid 4, van de Overeenkomst inzake de landbouw in het kader van de Uruguay-Ronde, ontstaat het recht op restitutie pas na overlegging van een uitvoercertificaat waarin de restitutie vooraf is vastgesteld. (…) Artikel 22 1. Zodra de aangifte ten uitvoer is aanvaard, schieten de Lid-Staten op verzoek van de exporteur het restitutiebedrag geheel of gedeeltelijk voor, op voorwaarde dat een zekerheid wordt gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorschot, verhoogd met 15 %. (…) Artikel 25 1. Indien de exporteur zijn voornemen te kennen geeft de produkten of goederen na verwerking of opslag uit te voeren met toekenning van een restitutie op grond van de in de artikelen 4 of 5 van Verordening (EEG) nr. 565/80 vastgestelde regelingen, worden die regelingen toegepast op voorwaarde dat bij de douaneautoriteiten een verklaring, hierna betalingsaangifte te noemen, wordt ingediend.
De Lid-Staten kunnen deze aangifte anders noemen. (…)"
In Verordening (EG) nr. 3719/88 van de Commissie van 16 november 1988 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (Pb. 1988, nr. L 331) is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 8 1. Het invoercertificaat, onderscheidenlijk het uitvoercertificaat, brengt het recht en de verplichting mede om op grond van het certificaat de opgegeven hoeveelheid van het betrokken produkt, behoudens overmacht, tijdens de geldigheidsduur van het certificaat in te voeren, onderscheidenlijk uit te voeren, waarbij vaststelling vooraf van de heffing of restitutie, van het monetaire compenserende bedrag en van het compenserende bedrag toetreding, al naar gelang van het geval, onder de in de regeling voor de betrokken sector vervatte voorwaarden geschiedt of kan geschieden. (…) Artikel 9 1. De uit de certificaten voortvloeiende verplichtingen zijn niet overdraagbaar. De uit de certificaten voortvloeiende rechten kunnen door diegene op wiens naam het certificaat staat, hierna de "titularis'' te noemen, gedurende de geldigheidsduur van dat certificaat worden overgedragen. Deze overdracht, die slechts ten gunste van één enkele cessionaris per certificaat en per uittreksel mag geschieden, heeft betrekking op de nog niet op het certificaat of uittreksel afgeschreven hoeveelheden.
In de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 is - ten tijde hier van belang - het navolgende bepaald: " Artikel 21 Bij de toepassing van paragraaf 2 van Hoofdstuk V wordt: a. op de aangifte tot plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots als bedoeld in artikel 530, eerste lid, van verordening (EEG) nr. 2454/93, vermeld dat vooruitbetaling van restitutie wordt verzocht; b. het exemplaar nr. 0 van de aangifte als bedoeld onder a terstond na de aanvaarding van de aangifte door de Belastingdienst aan het betreffende produktschap toegezonden; c. in het geval entreposering heeft plaatsgevonden, op het formulier L, bedoeld in artikel 39 van de Douaneregeling, vermeld dat vooruitbetaling van restitutie heeft plaatsgevonden, zulks met verwijzing naar de aangifte als bedoeld onder a; d. in het geval onder douanecontrole is geplaatst, op het formulier L, bedoeld in artikel 39 van de Douaneregeling, vermeld dat vooruitbetaling van restitutie heeft plaatsgevonden, zulks met verwijzing naar datum en nummer van het bij de ondercontrolestelling overgelegde aanmeldingsformulier als bedoeld in artikel 32.
Artikel 80 1. Behoudens het bepaalde in paragraaf 2 van dit hoofdstuk heeft aanspraak op restitutie degene die op het formulier L, bedoeld in artikel 39 van de Douaneregeling, als exporteur is aangeduid. (…) Artikel 86 1. Voor de goederen, voor welke de uitvoeringsbepalingen dit toestaan, kan de restitutie met inachtneming van hetgeen in die bepalingen is voorgeschreven op verzoek van de belanghebbende worden vooruitbetaald na entreposering van de goederen hier te lande, of in een andere lidstaat.
Door de vooruitbetaling van de restitutie wordt het produktschap geacht deze verbintenis te hebben aanvaard.
Artikel 91 De indiening van de aangifte als bedoeld in artikel 21, onder a, door middel waarvan het verzoek wordt gedaan tot vooruitbetaling van de restitutie wegens entreposering, brengt voor degene die daarin als exporteur is aangeduid de verplichting mede om de voor uitvoer aangegeven goederen in ongewijzigde staat, als bedoeld in de uitvoeringsbepalingen, en binnen de daarin vastgestelde termijnen:
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
Exporteur is hij die zich als zodanig presenteert en de uit hoofde daarvan ontstane verplichtingen ten opzichte van het productschap op zich neemt. In de voorschotregeling kan op grond van artikel 80 van de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 uitsluitend degene die op het formulier L als exporteur is aangeduid, als zodanig worden gezien. Voor de regeling préfinanciering is dit op grond van artikel 86 jo. artikel 91 van de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 degene die op het formulier COM 7 is genoemd. De regelgeving biedt geen beleidsvrijheid of mogelijkheid om hiervan af te wijken.
Verder is appellante niet gerechtigd tot een uitvoercertificaat als bedoeld in artikel 2 bis van Verordening (EG) nr. 3665/87 en ontstaat voor haar dus ook op die grond geen recht op restitutie.
Het argument dat het feitelijke uitvoeren van doorslaggevende betekenis zou zijn om aangemerkt te kunnen worden als exporteur in de zin van Verordening (EG) nr. 3665/87 overtuigt niet. De praktijk kent oneindig veel verschillende vormen waarin producten worden verhandeld. Is de eigenaar van de goederen dan de exporteur, of de vervoerder, of degene die de contacten heeft met de afnemer in de derde landen, of wellicht nog een derde die de douane-technische kant van de zaak regelt, of is het degene die uiteindelijk het grootste financiële belang heeft?
Voorzover C als lasthebber van appellante is opgetreden, is zulks bij het aanvragen van de onderhavige restituties nimmer aan het productschap kenbaar gemaakt. Artikel 3:67 BW vermeldt dat degene die een overeenkomst aangaat in naam van een volmachtgever, binnen een redelijke termijn de naam van de volmachtgever dient te noemen. Indien deze niet wordt genoemd, wordt de gevolmachtigde geacht de overeenkomst namens zichzelf te zijn aangegaan. Verder is het productschap, los van de vraag of daar in de onderhavige aangelegenheid consequenties aan zouden kunnen worden verbonden, niets gebleken van het bestaan van een lastgeving.
In de artikelen 22 en 25 van Verordening (EG) nr. 3665/87 wordt bepaald dat de exporteur rechthebbende is op de restitutie, waarbij exporteur een feitelijk begrip is. De ladingen vlees in het onderhavige geval werden door appellante gekocht van C en reeds in Nederland aan appellante geleverd. Vervolgens werden deze zendingen in opdracht van en voor rekening en risico van appellante naar voornamelijk Rusland vervoerd.
Het enkele feit dat C op de formulieren L en COM 7 staat vermeld als exporteur is onvoldoende om C aan te merken als rechthebbende op de restitutie, waarbij in het geval de In- en uitvoerbeschikking Landbouwgoederen 1981 anders zou bepalen deze bepaling in zoverre in strijd is met (onder meer) Verordening (EG) nr. 3665/87.
Op zichzelf is juist dat C op de onderhavige formulieren L en COM 7 staat vermeld, doch C heeft deze formulieren slechts om praktische redenen ingevuld. Deze handelwijze kan in het licht van wat feitelijk geschiedde niet anders worden geduid dan als lastgeving welke berustte op een mondelinge overeenkomst. Met het faillissement van C is deze lastgeving beëindigd, op welk moment appellante haar aanspraak op de restituties aan verweerder kenbaar heeft gemaakt.
Nu appellante steeds als feitelijk exporteur van de betrokken goederen is opgetreden, zijn de onderhavige formulieren L en COM 7 door C, in strijd met artikel 39 van de Douaneregeling, niet naar waarheid ingevuld en had op basis van deze formulieren geen restitutie aan C mogen worden toegekend.
In geding is of verweerder met betrekking tot de onderhavige aanvragen om restitutie appellante had moeten aanmerken als de exporteur in de zin van de artikelen 22 en 25 van Verordening (EG) nr. 3665/87 en daarmee als rechthebbende op de aangevraagde restitutie.
Appellante stelt dat dit het geval is, nu zij voor eigen rekening en risico de feitelijke uitvoer heeft verzorgd van de betrokken partijen rundvlees en zij zich als exporteur aan verweerder bekend had gemaakt bij brief van 16 februari 1998, zijnde een tijdstip waarop op de onderhavige aanvragen om restitutie niet definitief was beslist.
Het College overweegt hieromtrent als volgt.
De formulieren L en COM 7 waarop het onderhavige beroep betrekking heeft vermelden als afzender/exporteur "C" en als aangever/vertegenwoordiger "D" te E. Blijkens ondertekening van de aangifte handelde laatstgenoemde namens C. Op geen enkele wijze maken de formulieren melding van appellante. De formulieren L en COM 7 bevatten tevens de aanvrage van restitutie en de aanvraag voor een voorschotverlening hierop. Naar het oordeel van het College zijn de aldus ingevulde formulieren niet anders op te vatten dan als stukken waarin C (door tussenkomst van zijn lasthebber E) in verband met de exporten waarvan aangifte wordt gedaan uitvoerrestitutie aanvraagt.
Dit betekent dat C - als enige bij verweerder in dit verband bekende (rechts)persoon - door verweerder kan worden aangesproken op naleving van de communautair ter verkrijging van de desbetreffende restitutie geldende voorschriften en dat C - mits wordt voldaan aan de eisen - de aanspraken op restitutie kan maken die deze voorschriften aan de exporteur verschaffen.
Dat het slechts C is die als exporteur in de zin van de artikelen 22 en 25 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 dient te worden beschouwd aan wie (voorschotten op) de restitutie kan worden uitbetaald, blijkt ook uit het feit dat het uitvoercertificaat, waarvan de restitutie in artikel 2 bis van deze verordening afhankelijk is gesteld, op naam van C is gesteld.
Het voorgaande brengt naar het oordeel van het College mee dat verweerder niet gehouden is om de door middel van genoemde formulieren gevraagde restituties, ongeveer een jaar na de desbetreffende aangiften, uit te betalen aan een derde, die - zonder hiertoe uitdrukkelijk door de aanvrager (of, ingeval van faillissement, de curator) gesteund te worden - verklaart feitelijk zorg te hebben gedragen voor voldoening aan de desbetreffende exportverplichtingen.
Het beroep dient, gelet op het vorenoverwogene, ongegrond te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2001. w.g. H.G. Lubberdink w.g. R.P.H. Rozenbrand