College van Beroep voor het bedrijfsleven (zesde enkelvoudige kamer) No. AWB 99/7 13 februari 2002 4000 Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, tegen het Productschap Tuinbouw, verweerder, gemachtigde: mr J.F. Penning-de Vries, werkzaam bij verweerder. 1. De procedure Op 6 januari 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 december 1998. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen verweerders besluit van 6 november 1998, waarbij aan hem een heffing is opgelegd van fl. 4.382,08 op grond van de Verordening PVS Vakheffing Boomkwekerij-produkten 1976 (hierna: de Verordening Vakheffing). Bij dit besluit heeft verweerder voorts de bezwaren gericht tegen soortgelijke heffingen in voorgaande jaren niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft op 22 februari 2000 een verweerschrift ingediend. Op 15 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht, appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Op grond van artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie kunnen bedrijfslichamen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. In artikel 18 van de destijds geldende Instellingsverordening Productschap Tuinbouw is bepaald, dat heffingen krachtens bovengenoemd artikel 126 kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur passend acht. Het vierde lid van artikel 18 voegt daaraan toe, dat het bestuur heffingen kan opleggen voor een ander doel dan de dekking van de huishoudelijke uitgaven van het productschap. De op 9 december 1975 vastgestelde Verordening Vakheffing, luidt, zoals nadien gewijzigd en voorzover hier van belang, als volgt: "Artikel 1 In deze verordening wordt verstaan onder: (…) 11e. heffingsgrondslag: het verkoopbedrag van de in een kalenderjaar verhandelde en afgeleverde boomkwekerijprodukten verminderd met het inkoopbedrag van de in dat jaar ingekochte boomkwekerijprodukten. (…) Artikel 2 1. Met ingang van 1 oktober 1986 is iedere kweker en iedere handelaar verplicht aan het PVS jaarlijks een basisheffing te betalen van fl. 200,-. Deze basisheffing wordt vermeerderd met een heffing welke wordt berekend volgens het in lid 2 weergegeven schijventarief. 2. Over de kalenderjaren 1993 en volgende is iedere kweker en iedere handelaar verplicht aan het PVS een heffing te betalen ter grootte van de som van de bedragen welke worden berekend door toepassing van de hieronder genoemde heffingspercentages op het daarachter genoemde deel van de heffingsgrondslag: HEFFINGSPERCENTAGE DEEL HEFFINGSGONDSLAG 1,1% t/m f. 1 miljoen 0,9% van f.1 miljoen t/m f. 2 miljoen 0,7% van f.2 miljoen t/m f. 3 miljoen 0,45% van f.3 miljoen t/m f. 4 miljoen 0,2% van f.4 miljoen t/m f. 5 miljoen (…)" 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Bij nota van 6 november 1998 heeft verweerder, conform de door appellant bij diens aangifte verstrekte gegevens, aan appellant over het jaar 1997 op grond van de Verordening Vakheffing een heffing opgelegd van totaal fl. 4.382,08. Dit bedrag is opgebouwd uit een basisheffing van fl. 200,- en procentuele heffing van 1,1% over een bedrag van fl. 380.189,25. - Ook in voorgaande jaren is aan appellant een soortgelijke heffing opgelegd en heeft appellant de desbetreffende nota's voldaan zonder tegen deze besluiten een rechtsmiddel te hebben ingesteld. - Bij brief van 12 november 1998 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit 6 november 1998, waarbij appellant tevens bezwaar maakt tegen de opgelegde heffingen in voorgaande jaren. Appellant baseert zijn bezwaren op de omstandigheid dat verweerder de Verordening Vakheffing niet naar behoren heeft aangemeld bij de Europese Commissie en dat hierdoor sprake is van verboden staatssteun. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in. Appellant is niet in de gelegenheid gesteld zijn bezwaar mondeling toe te lichten omdat het bezwaar naar verweerders oordeel kennelijk ongegrond was. De opbrengsten van de heffing zijn ten dele bestemd voor het verrichten van onderzoek en promotieactiviteiten, alsmede kwaliteits- en milieuprojecten. Als zodanig is sprake van een steunmaatregel in de zin van het EG-verdrag en dient de Verordening Vakheffing ter beoordeling aan de Europese Commissie te worden voorgelegd. Dit heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden naar aanleiding waarvan door de Europese Commissie geen aan- of opmerkingen zijn ontvangen. Voor het oordeel dat sprake is van verboden staatssteun bestaat derhalve geen aanleiding. Voorts heeft appellant voor wat betreft de heffingen met betrekking tot voorgaande jaren niet binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.