College van Beroep voor het bedrijfsleven Nrs. AWB 99/1039 en 99/1053 27 februari 2002 15010 Uitspraak op de hoger beroepen van:
(2)(…) (…) Evenwel is er geen sprake geweest van enige overeenkomst of afgestemde feitelijke gedraging tussen marktdeelnemers waarbij een marktverdeling in de zin van de Wet economische mededinging of van het daarop gebaseerde Besluit marktverdelingsregelingen heeft kunnen plaatsvinden. De verdeling heeft juist plaatsgevonden op grond van een daartoe door mij genomen besluit. Zoals hiervoor is uiteengezet, heb ik op 17 april 1997 een hoorzitting gehouden teneinde met alle geïnteresseerde partijen tot een gezamenlijkheidsoplossing te komen inzake de verdeling van de betrokken frequenties aan commerciële omroepen. Nadat dit niet het gewenste resultaat teweeg had gebracht, heb ik alle betrokkenen verzocht om voorstellen in te dienen teneinde het verdelingsprobleem het hoofd te kunnen bieden. Hieraan is door meerdere partijen, dat wil zeggen ook buiten de groep commerciële omroepen wiens voorstel uiteindelijk is overgenomen, gehoor gegeven. Ik heb aldus geen enkele partij bij voorbaat wensen uit te sluiten. Evenmin was ik gehouden het desbetreffende voorstel over te nemen; ik heb me duidelijk het recht voorbehouden om juist voor dat voorstel te opteren welke het meest tegemoet kwam aan het binnen de wetgeving en de daarop gebaseerde rechtspraak door mij ontwikkelde verdelingsbeleid, zoals ik hierboven heb uiteengezet. Dat ik bij mijn besluitvorming, zonder dat ik daar aan was gebonden, heb rekening gehouden met voorstellen van marktpartijen waaronder het voorstel van de bedoelde elf radio-organisaties kan aan de aard van mijn besluit niet afdoen. Ik heb uiteindelijk zelfstandig besloten in het licht van het voorstel machtigingen aan partijen te verlenen. (…) Ook wat betreft het door u gedane beroep op de artikelen 85 (en 86) van het EG- Verdrag kan ik u niet volgen in uw bezwaar, en wel om de volgende redenen. In het arrest DIP spa, meer recent nog bevestigd in het arrest Sodemare heeft het Hof de jurisprudentie dienaangaande als volgt samengevat: "(…) Het Hof heeft geoordeeld dat de artikelen 5 en 85 worden geschonden wanneer een lidstaat het totstandkomen van met artikel 85 strijdige mededingingsregelingen oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt of naar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economische gebied aan particuliere marktdeelnemers over te dragen." (…) Uit deze jurisprudentie - en de daarop gebaseerde praktijk - volgt evenwel niet dat de overheid niet de mogelijkheid zou hebben om over de wijze waarop zij van haar bevoegdheden gebruik wil maken, vooraf overleg pleegt met marktdeelnemers en evenmin dat de overheid voorstellen van marktdeelnemers, niet zou mogen overnemen, wanneer die voorstellen passen in het door de overheid gevoerde beleid en dat beleid niet in strijd is met het daarop van toepassing zijnde wetgeving. Gelet op het vorenstaande heb ik steeds mijn verantwoordelijkheid voor de besluitvorming tot uitgangspunt genomen en tot uitdrukking gebracht. Daarom heb ik eerst uitgangspunten geformuleerd alvorens ieder van de aanvraag aan het aldus geformuleerde beleid te toetsen. Waar vastgesteld is dat hier sprake is van objectieve criteria, die als zodanig zijn te rechtvaardigen en die niet tot doel hebben een bepaalde derde uitdrukkelijk van de markt af te houden kan worden vastgesteld dat het voorstel van een aantal omroeporganisaties, zoals ik dat heb gevolgd, is te beschouwen als de best denkbare invulling van het doelmatigheidscriterium. (…) Uit de reeds ter beschikking staande gegevens, is gebleken dat u een landelijke commerciële omroep-organisatie bent. Derhalve heeft de voorzitter van de hoorcommissie, in de lijn van hetgeen de president heeft overwogen, bij gelegenheid van de in het kader van de bezwaarschriftenprocedure op 5 november 1997 gehouden hoorzitting u verzocht aanvullende gegevens te verstrekken ter vergaring van de voor een zorgvuldige belangen-afweging benodigde kennis. Meer specifiek werd gevraagd naar kwartaalgegevens met betrekking tot het aantal kabelaansluitingen en met betrekking tot de aan uw programma te relateren luisterdichtheid. Daarnaast werd gevraagd naar cijfermateriaal waaruit de hoogte van de gedane investeringen bleek en tenslotte werd u verzocht een beknopte beschrijving te geven van uw doelgroep, alsmede van de wijze waarop u zich feitelijk tot deze doelgroep richt. De gegevens met betrekking tot de aantallen kabelaansluitingen, de luisterdichtheidscijfers en de investeringen dienden alle te zien op het jaar 1996 en de eerste drie kwartalen van
- Daarnaast dienden deze gegevens aannemelijk te worden gemaakt door ze vergezeld te doen gaan van een accountantsverklaring dan wel van andere documenten waaruit de juistheid van deze gegevens onomstotelijk zou blijken. Op mijn verzoek heeft TNO Strategie, Technologie en Beleid (TNO-STB) de verstrekte gegevens nader beschouwd. (…) Het onderzoek van TNO-STB strekt tot doel te kunnen beoordelen of op grond van hierboven weergegeven criteria u "een beter recht" heeft op toewijzing van een of meer van frequenties uit pakket I dan de overige betrokken landelijke omroeporganisaties. Ik heb mij in overwegende mate gerefereerd aan het oordeel van TNO-STB. (…)" 3.2 Het besluit ten aanzien van Nederland FM vermeldt voorts het volgende: " U maakt bezwaar tegen mijn beslissing om bij de verdeling van frequenties uit te gaan van 24 met name genoemde beschikbare frequenties. Hierboven heb ik reeds uiteengezet hoe ik tot deze vaststelling ben gekomen. Ik ben van mening dat ik op juiste gronden heb kunnen vaststellen dat ten behoeve van de tijdelijke verdeling geen andere frequenties storingvrij beschikbaar zijn en/of op voldoende korte termijn internationaal gecoördineerd kunnen zijn, dan wel waarvan geen berekeningen meer behoeven plaats te vinden. (…) Voor wat betreft uw beroep op nieuwe frequenties volgt uit het voorgaande dat na 1 februari 1998 de op dat moment ingediende nieuwe frequenties (pakket II) onderzocht en zo mogelijk gecoördineerd zullen worden. Niet gezegd kan derhalve worden dat ik voortdurend weigerachtig ben nieuwe frequenties uit te geven. (…) (…) De door u verstrekte gegevens zijn de volgende: · Luisterdichtheidscijfers: U kondigt aan Intomart onderzoek te laten verrichten bij die kabelabonnees die het programma inmiddels kunnen ontvangen. U geeft aan met een FM-frequentie een dagbereik van 4% tot 5% haalbaar te achten en denkt met een AM-frequentie 3% tot 4% te kunnen realiseren. Het betreft hier echter verwachtingen. Concrete luistercijfers zijn niet overgelegd. · Aantal kabelaansluitingen: Sinds 1 oktober 1997 is Nederland FM te beluisteren via het kabelnet van "Schoonrewoerd" (Zeeuws Vlaanderen), CAI Westland en als 22-uurs raamprogramma van de commerciële omroep Veendam (provincie Groningen). Getallen zijn niet vermeld. · Investeringen: Balans per 30-09-1997: Immat. vaste activa: f 35.671,- Eigen vermogen: f 21.737,- Kortlopende schulden: f 13.934,- Verlies- en winstrekening 1997 (01-01 t/m 30-09): Bedrijfskosten: f 35.671 ,- Bedrijfsresultaat: - f 35.671 ,- Activering aanloopverliezen: f 35.671 ,- · Doelgroep: Het programma omvat non-stop Nederlandse muziek, omvat jingles en richt zich op personen van 45 jaar en ouder. (…) Ik heb bovenstaande gegevens en de onderzoeksresultaten van TNO-STB aan een grondig onderzoek onderworpen. Daarbij heb ik een vergelijking gemaakt tussen u en de overige betrokken landelijke omroeporganisaties in Nederland. Ik heb moeten constateren dat in vergelijking met deze omroeporganisaties niet gezegd kan worden dat u een beter recht heeft als gevolg waarvan u aanspraak kunt maken op een of meerdere frequenties uit pakket I (24 FM frequenties én 2 AM-frequenties). Dit oordeel baseer ik allereerst op het feit dat u noch concreet luisterdichtheidscijfers noch aantallen kabelaansluitingen heeft overgelegd. Voor wat betreft de kabelaansluitingen heeft u eenvoudigweg geen getallen vermeld, en ten aanzien van de luisterdichtheid heeft Intomart nog geen metingen kunnen verrichten en spreekt u derhalve, en noodzakelijkerwijze, over verwachtingen. Dit alles in tegenstelling tot nagenoeg alle overige landelijke omroeporganisaties die welover concrete cijfers beschikken. Voorts heb ik moeten constateren dat duidelijke cijfers met betrekking tot gemaakte investeringen ontbreken. Er is slechts een balans- en winst- en verliesrekening overgelegd. In ieder geval staat vast dat uw eventuele investeringen niet hoger zouden liggen dan bij de andere omroeporganisaties. Tot slot heb ik een vergelijk gemaakt tussen de doelgroep waarop u zich richt en die waarop de overige omroeporganisaties zich richten. Met name de vergelijking met Jazz Radio en Classic FM heeft mijns inziens aangetoond dat uw doelgroep niet bijzonder is." 3.3 Het besluit ten aanzien van Arrow vermeldt voorts het volgende: " Allereerst zou ik (…) in willen brengen dat ik, nadat vast was komen te staan dat de geplande veiling pas na afronding van het zero base-onderzoek zou plaatsvinden, op 17 april 1997 een hoorzitting heb gehouden teneinde alle betrokken partijen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Daarbij werd een ieder door mij verzocht tot een gezamenlijkheidsbeslissing te komen. Dit is niet gelukt. Vervolgens hebben partijen afzonderlijk voorstellen ingediend voor het toewijzen van frequenties. Geenszins is bij de beoordeling van de verschillende voorstellen door mij te kennen gegeven dat aan het eerstinge-diende voorstel beslissende betekenis zou worden gehecht, noch is dit achteraf gebleken. Voorts ben ik niet uitgegaan van de kapitaalkrachtigheid van de desbetreffende omroeporganisaties. Zoals reeds uitgezet kom ik in de onderhavige heroverwegingsprocedure tot een verdeling van de 24 frequenties uitsluitend op grond van de hiervoor besproken (…) criteria. (…) Vervolgens stelt u dat ik in strijd met eerdere toezeggingen niet een tijdelijke regeling heb getroffen waaraan alle belanghebbenden konden deelnemen. Zoals reeds hiervoor weergegeven heb ik gestreefd naar een gezamenlijkheids-oplossing inzake een tijdelijke verdeling van 24 frequenties. Dit bleek niet mogelijk nu de betrokken er te veel verscheidene standpunten op na hielden. Ik heb vervolgens gekozen voor een tijdelijke verdeling waarbij zoveel als mogelijk tegemoet werd gekomen aan de door mij geformuleerde uitgangspunten ten behoeve van mijn frequentiebeleid. (…) Tenslotte acht ik uw bezwaar ongegrond voorzover dit is gericht tegen de in uw ogen collectieve aanvraag van frequenties door de elf omroeporganisaties die mij het meergenoemde voorstel voor een tijdelijke verdeling hebben gedaan. Vast staat dat door ieder van de omroeporganisaties aan wie ik een machtiging heb verleend daartoe afzonderlijk een aanvraag bij mij heeft ingediend. Voorzover zou moeten worden vastgesteld dat deze aanvragen van de thans in aanmerking komende partijen alle te laat, of althans nadat de tijdelijke verdeling op 26 juni 1997 is aangenomen door de Tweede Kamer, zijn ingediend, verwijs ik naar de uitspraak van de president. De president overweegt dat ondanks het feit dat de formele aanvragen van de derden-partijen alle van na de hoorzitting dateren en enkele daarvan eerst zijn gedaan nadat mijn besluit van 28 juli 1997 was genomen, het door de elf commerciële radio- omroepen aan mij gedane verdelingsvoorstel inhoudelijk onmiskenbaar een aanvraag/aanvragen van de derden-partijen bevatte, die derhalve geacht worden op tijd te zijn ingediend. (…) De door u verstrekte gegevens zijn de volgende: · Luisterdichtheidscijfers: Intomart-onderzoek van november 1997 wijst uit dat Arrow via de kabel na minstens 5 maanden een marktaandeel van 1,4% heeft opgebouwd. Indien Arrow in heel Nederland via kabel zou zijn te ontvangen, behoort na circa 5 maanden een marktaandeel van 1% tot de mogelijkheden. · Aantal kabelaansluitingen: ultimo '96: 796.043 1e kwartaal '97: 1.544.049 2e kwartaal '97: 2.288.332 3e kwartaal '97: 2.720.432 per 01-11-97: 2.859.343 prognose per 01-01-97: 3.451.843 prognose per 01-02-98: 4.027.372 · Investeringen: Eerste boekjaar: 09-08-96 (datum oprichting vennootschap) tot en met 31-12-
- Geprognotiseerde resultaat eerste boekjaar bedraagt circa 1,4 miljoen gulden negatief, en de afschrijvingen over materiële vaste activa 2 ton. Totale investeringen over eerste boekjaar derhalve circa 1,6 miljoen gulden. · Doelgroep: Muziek-georiënteerd radioprogramma met een "Classic Rock format" (accent op jaren '65-'85). Waardevolle aanvulling op bestaande radio-aanbod voor luistergroep 20-50 jaar (oudere jongeren). Doorsnee van samenleving wordt bereikt, met accent op hoger opgeleiden en hogere welstandsklasse. (…) Met betrekking tot de luisterdichtheidscijfers kan worden geconcludeerd dat een schatting van het huidige landelijk aandeel op de totale luisteraarsmarkt op basis van het geleverde materiaal niet mogelijk is, net zo min als een vergelijking van de "prestatie" van Arrow met andere stations binnen het onderzochte gebied, omdat gegevens over marktaandelen van andere stations niet ter beschikking zijn gesteld. In overeenstemming met hetgeen door TNO-STB wordt geconcludeerd ben ik dan ook van mening dat u niet aannemelijk heeft kunnen maken over een groter landelijk marktaandeel te beschikken dan één of meer van de huidige zeven gemachtigden. Hieraan voeg ik toe dat uit het onderzoek is gebleken dat u minder kabel-aansluitingen heeft en zeker niet meer investeringen heeft gedaan dan de huidige zeven gemachtigden. Derhalve zijn ook de door u verstrekte gegevens met betrekking tot kabelaansluitingen en investeringen niet van dien aard dat gesproken kan worden van een beter recht. Tot slot wijs ik u erop dat u zich tot een minder bijzondere doelgroep richt dan omroeporganisaties als Jazz Radio en Classic FM."
- De grieven in hoger beroep van Nederland FM Nederland FM heeft in hoger beroep - samenvattend weergegeven - het volgende aangevoerd. De staatssecretaris heeft ingevolge jurisprudentie van het College de verplichting om (mogelijk) beschikbare frequenties te verdelen. De staatssecretaris kan niet net doen alsof de door Nederland FM aangedragen frequenties niet bestaan, althans kan niet zonder nader onderzoek en coördinatie stellen dat deze frequenties niet voor verdeling in aanmerking komen. Ten onrechte neemt de rechtbank aan dat niet is gebleken dat de minister onnodig bepaalde frequenties buiten de verdeling heeft gehouden. De drie door appellante aangedragen frequenties waren ten tijde van de verdeling technisch beschikbaar. De verdelingscriteria die de minister overneemt van een selecte groep marktpartijen, gaan voorbij aan de belangen van Nederland FM en heeft voor haar gevolgen die verder gaan dan met het oog op het te bereiken doel - verbetering van de positie van de landelijke commerciële omroep jegens de publieke omroep - noodzakelijk is. De rechtbank mocht dus niet stellen dat niet is gebleken dat de door het College gegeven criteria voor verdeling niet zijn gevolgd. De rechtbank had moeten onderkennen dat de minister haar doel ver voorbij schiet door alle frequenties te geven aan met name de bestaande marktpartijen. De belangen van Nederland FM bij één frequentie zijn veel zwaarder dan de belangen van Radio 10 bij dubbele dekking in de FM en AM of van Sky Radio, Radio 538, Noordzee FM of Classic FM bij één extra frequentie bovenop reeds toegekende frequenties. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat sprake is van strijd met artikel 1 van het Besluit marktverdelingsregelingen. Nederland FM voert hiertoe aan: " (…) de gang van zaken is als volgt geweest: - er zijn geen vooraf kenbare criteria door de Minister vastgesteld of gepubliceerd; - de Minister nodigt dan marktpartijen uit om met voorstellen voor verdeling te komen, waarmee zij de verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke kant van de besluitvorming naar de marktpartijen verschuift; - 11 zenders behorende aan 5 marktpartijen hebben in besloten onderling overleg criteria vastgesteld en de beschikbare frequenties onderling verdeeld; - deze marktpartijen hebben andere zenders ondanks uitdrukkelijke verzoeken daartoe, niet toegelaten tot deze besprekingen en verdeling; - het Ministerie van Verkeer & Waterstaat heeft echter wel steeds met zoveel woorden Appellante doorverwezen naar de door het Ministerie als initiator van dat overleg en die gesloten verdeling aangeduide partij Radio 10 Groep, zelfs nadat was gebleken dat partijen als Appellante uit dat overleg werden geweerd; - de Minister stelt de criteria voor aanvragers vast nadat deze zijn voorgesteld door de betrokken marktpartijen; - de Minister neemt alsdan de door betrokken marktpartijen aangevoerde criteria en verdeling letterlijk over, met buitensluiting van andere voorstellen en aanvragen; en - de Minister doet aldus geen zelfstandige afweging of onafhankelijk inhoudelijk onderzoek dat ten grondslag zou dienen te liggen aan haar besluitvorming. Aldus doet het feit dat de Minister uiteindelijk het formele besluit neemt, niet af aan de inhoudelijke bezwaren dat dit besluit niet anders is dan een bekrachtiging van een door enkele marktpartijen vastgestelde marktverdeling."
- De grieven in hoger beroep van Arrow Arrow heeft in hoger beroep - samenvattend weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank had moeten oordelen dat de minister ten onrechte slechts 24 frequenties heeft verdeeld. Er waren immers meer frequenties met een bereik dat niet kleiner was dan de dan 24 verdeelde frequenties beschikbaar en storingvrij inzetbaar. De rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte het aantal kabelaansluitingen zwaarder heeft laten wegen dan het oordeel van Intomart, dat Arrow op zeer korte termijn een stijging van het marktaandeel tot 1% zou kunnen bewerkstelligen, terwijl etheruitzending naast kabeluitzending door Jazz Radio niet zal leiden tot een groter marktaandeel. In werkelijkheid is inmiddels het marktaandeel van Jazz Radio teruggelopen van 0,4 naar 0,2%, terwijl het aandeel van Arrow is gestegen tot 1,2%. Nu Arrow reeds in 1998 hetzelfde aantal kabelaansluitingen bereikte als Jazz Radio, heeft Arrow zelfs op de kabel een sterkere positie. Ten onrechte heeft de rechtbank beslist, dat de minister heeft geanticipeerd op artikel 82e van de Mediawet. De minister was tot een dergelijke anticipatie echter wel gehouden. In strijd met artikel 82e heeft de minister twee (samenstellen van) FM-frequenties toegekend aan bijzondere doelgroepzenders, te weten Jazz Radio en Classic FM, althans aan hen op die grond een voorkeurspositie verleend. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat artikel 82f van de Mediawet zich niet zou lenen voor anticiperende toepassing. Zelfs zonder regels als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, had de minister het artikel anticiperend kunnen toepassen. Zij had bovendien een onderzoek moeten doen naar de eigendomsverhoudingen ten aanzien van Sky Radio, Radio 538 en Classic FM. Jazz Radio heeft een zodanig brede programmaformule, dat de conclusie dat Arrow zich tot een minder bijzondere doelgroep zou richten dan zij, ongerechtvaardigd is. Ook de doelgroep van Classic FM is, nu ook in de klassieke muziek verschillende muziekstijlen zijn vertegenwoordigd, niet meer bijzonder dan die van Arrow. De rechtbank heeft een en ander miskend. Ten onrechte heeft de rechtbank het oordeel van de minister dat Arrow niet over een beter recht beschikte dan Jazz Radio en Classic FM, niet onjuist geacht. Classic FM beschikt weliswaar sinds 1994 over FM-frequenties, doch heeft slechts een gering, niet groeiend marktaandeel. Bovendien heeft Classic FM landelijke dekking op de kabel, voor welk medium haar programma zich beter leent, terwijl zij voor 80% van haar marktaandeel van de kabel afhankelijk is. De rechtbank is ten onrechte van oordeel dat het argument dat de programma's van Jazz Radio en Classic FM geschikter zijn voor de kabel, buiten het kader van de besluitvorming van de minister zou vallen. Ten onrechte heeft de rechtbank de verdeling van de 24 frequenties in zeven pakketten aanvaardbaar geacht en niet onredelijk geacht dat de belangen van Sky Radio en Radio 538 zwaarder zouden wegen dan het belang van Arrow. De belangenafweging door de minister is onevenredig geweest, nu het belang van Sky Radio en Radio 538 bij een enorme uitbreiding van hun FM-bereik - met deels ook nog eens overlappende frequenties - zwaarder heeft gewogen dan het belang van Arrow bij het voor het eerst verkrijgen van een FM-frequentie. Er had tevens ruimte voor Arrow gecreëerd kunnen worden. De positie van de commerciële omroep als geheel ten opzichte van de publieke omroep had aldus sterker kunnen worden dan thans het geval is. Bovendien hebben Sky Radio en Radio 538 hun bereik verder kunnen uitbreiden met behulp van de "near/single frequency" experimenten, die tijdens de bezwaarprocedure reeds in het verschiet lagen. De minister heeft bij haar verdeling van belang geacht in hoeverre een aangeboden programma zich richt tot een bijzondere doelgroep. Mede op grond van dit criterium heeft de minister bij haar belangenafweging Jazz Radio een sterker positie toegekend. Dit is ten onrechte geschied, nu Jazz Radio vervolgens haar programmaformule heeft gewijzigd, hetgeen haar blijkens besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 november 1999 is toegestaan. De rechtbank is aan dit argument van appellante ongemotiveerd voorbijgegaan.
- De beoordeling van het geschil 6.1 Beide appellanten hebben aangevoerd dat de minister bij de toekenning van machtigingen per 1 januari 1998 aan zeven andere omroeporganisaties en de weigering ervan aan appellanten, is uitgegaan van een verkeerd uitgangspunt door aan te nemen dat slechts 24 FM-frequenties te verdelen waren. Het College evenwel deelt het oordeel van de rechtbank, dat niet is gebleken dat de minister bij haar besluitvorming onnodig bepaalde frequenties buiten de verdeling heeft gehouden, waarvan het op dat moment duidelijk was dat ook deze voor verdeling geschikt waren. In het bestreden besluit is gemotiveerd uiteengezet waarom de minister de verdeling tot 24 frequenties beperkt. Met betrekking tot de drie door Nederland FM uitdrukkelijk vermelde frequenties heeft de staatssecretaris in hoger beroep bovendien aangegeven dat de redengeving, vermeld in de in beroep bestreden besluiten, ook voor deze specifieke frequenties opgeld deed. Nu geen van de appellanten met objectieve gegevens onderbouwde argumenten heeft aangedragen op grond waarvan twijfel zou rijzen aan de deugdelijkheid van deze redengeving en de toepasselijkheid ervan op bedoelde drie frequenties, faalt de desbetreffende grief van appellanten. 6.2 Voorzover Nederland FM heeft gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat de verdelingscriteria niet zijn te verenigen met de jurisprudentie van het College, onderschrijft het College dit standpunt niet. In zijn uitspraak van 22 maart 1995 (UCB 1995, nr. 13) heeft het College onder meer overwogen dat de bij een verdeling van frequenties te hanteren criteria hun rechtvaardiging dienen te vinden in doelmatigheidsoverwegingen met betrekking tot technische ordening van het gebruik van de ether en/of de verzorging van radio-omroep in het algemeen maatschappelijk belang, niet voorbij mogen gaan aan de belangen van de aanvragers en voor hen geen gevolgen mogen hebben, die verder gaan dan met het oog op het te bereiken doel noodzakelijk is. Naar het oordeel van het College zijn de uitgangspunten die de minister blijkens de in beroep bestreden besluiten bij de frequentieverdeling hanteert en de in de besluiten vermelde indicatoren aan de hand waarvan de belangenafweging geschiedt, met de in vermelde uitspraak van het College weergegeven criteria verenigbaar. Dit geldt ook voor het gehanteerde uitgangspunt dat het reeds beschikken over een machtiging een factor is die in beginsel een sterker positie oplevert dan de positie waarin een nieuwkomer zich bevindt. Hiertoe neemt het College ten eerste in aanmerking dat bij de frequentieverdeling het - niet onaanvaardbaar te achten - verlangen voorop stond de concurrentiepositie van de landelijke commerciële omroepen jegens de publieke omroep te versterken. In dit licht ligt het in de rede ernaar te streven bestaande machtiginghouders zoveel mogelijk te voorzien van landelijk dekkende frequentiepakketten. Het College neemt bij het voorgaande tevens in aanmerking, dat het beleid van de minister niet meebrengt dat voor nieuwkomers in het geheel geen plaats is. Dat het beleid in zijn toepassing ook nieuwkomers toelaat, blijkt uit het feit dat aan Jazz Radio als nieuwkomer in de ether een machtiging is toegekend. 6.3 Beide appellanten stellen zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft aanvaard dat de minister het belang van uitbreiding van het zendbereik van bestaande omroepen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van appellanten bij het verkrijgen van een FM-frequentie. Het College deelt dit standpunt niet. Hiertoe wordt overwogen dat geen argumenten zijn aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de machtiginghouders aan wie extra frequenties zijn toegedeeld, deze niet nodig zouden hebben om tot een meer landelijke dekking te komen. In aanmerking nemend dat het verschaffen van zoveel mogelijk landelijk dekkende frequentiepakketten een gerechtvaardigd uitgangspunt vormde bij de verdeling, en mede in aanmerking nemend dat de aan appellanten gerichte besluiten ook andere indicatoren - op een op zichzelf navolgbare wijze - betrekken in de beoordeling of sprake is van een "sterker recht", is geen plaats voor het oordeel dat de minister aan het belang van bestaande machtiginghouders bij extra frequenties onevenredig veel gewicht heeft toegekend. 6.4 De rechtbank heeft aangegeven waarom haar het gebruik dat de minister maakt van het criterium "aantal kabelaansluitingen" niet onredelijk voorkomt. Het College deelt dit oordeel en de hiertoe door de rechtbank gegeven overwegingen. Hetgeen door Arrow op dit punt is aangevoerd, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de minister ten tijde van het verlenen van de machtigingen niet in redelijkheid de positie op de luisteraarsmarkt van Arrow minder sterk heeft kunnen achten dan die van Jazz Radio of Classic FM. Hiertoe overweegt het College in het bijzonder dat de minister haar oordeel over het marktaandeel van Arrow in vergelijking met dat van Jazz Radio en Classic FM geeft in navolging van het haar uitgebrachte TNO-advies, dat is gebaseerd op objectieve gegevens en niet op onzekere verwachtingen. 6.5 Anders dan Arrow aanvoert, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het argument dat de programma's van Classic FM en Jazz Radio geschikter zouden zijn voor de kabel, niet tot aantasting van de bij haar bestreden besluiten zou dienen te leiden. De minister beschouwt de "geschiktheid" van een programmasoort voor een bepaalde wijze van modulatie (AM danwel FM), zo hiervan al gesproken zou kunnen worden, niet als één van de bij verlening van (FM-)machtigingen te hanteren criteria. Naar het oordeel van het College gaat de minister aldus de grenzen van de beleidsvrijheid die haar - met inachtneming van de in de uitspraak van het College van 22 maart 1995 vermelde criteria - toekomt, niet te buiten. 6.6 De rechtbank kwam de mening van de minister, dat Arrow zich tot een minder bijzondere doelgroep richt dan Jazz Radio, alleszins verdedigbaar voor. Arrow bestrijdt dit met een verwijzing naar de brede programmaformule van Jazz Radio. Hiertegenover staat de in het verweerschrift bij de rechtbank verwoorde constatering van de minister, dat de door Arrow uitgezonden muziek een universeler karakter heeft en, anders dan de muziek die Jazz Radio ten gehore brengt, ook op andere commerciële zenders wordt uitgezonden of daar niet uit de toon zou vallen. Het College ziet, bij gebreke aan bewijs van het tegendeel, geen reden aan te nemen dat laatstbedoelde constatering in haar algemeenheid onjuist zou zijn. Ook de onderhavige grief faalt derhalve. Dit geldt eveneens met betrekking tot de eerst in hoger beroep aangevoerde grief, dat de doelgroep van Classic FM niet meer bijzonder zou zijn dan die van Arrow. 6.7 Dat Jazz Radio na verlening van de machtiging haar programmaformule mogelijk heeft gewijzigd, is geen omstandigheid die van invloed is op het al dan niet rechtmatig zijn van de verlening. Hierbij acht het College van belang dat niet is gesteld dat de minister reden had ten tijde van de verlening van de machtiging te betwijfelen dat de door Jazz Radio ten behoeve van de machtigingaanvraag verstrekte gegevens betreffende haar doelgroep een juiste beschrijving daarvan bevatte. Terecht heeft dus de rechtbank in de desbetreffende grief van Arrow geen grond voor vernietiging aanwezig geoordeeld. 6.8 Artikel 82e van de Mediawet, zoals dit is gaan gelden vanaf 1 september 1997, houdt de verplichting in voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen om een frequentie of samenstel van frequenties aan te wijzen die slechts mag worden gebruikt voor het uitzenden van bepaalde categorieën radioprogramma's. Deze bepaling verplicht, behoudens de werking van het derde lid, dus tot reservering van één frequentie of samenstel van frequenties voor bepaalde programma's. Inhoudelijk staat deze bepaling er evenwel niet aan in de weg, dat de Minister van Verkeer en Waterstaat een machtiging als bedoeld in artikel 17 WTV- verleent - op grond van bij de toepassing van deze bepaling in acht te nemen criteria - aan meer dan één commerciële omroeporganisatie met een doelgroep die als "bijzonder" is aan te merken. Terecht heeft de rechtbank dus geoordeeld dat artikel 82e van de Mediawet niet tot aantasting van de bij haar bestreden besluiten diende te leiden. 6.9 Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 82f, tweede lid, van de Mediawet, zoals dit gold vanaf 1 september 1997, is (in de vorm van artikel 53c van het Mediabesluit) pas op 29 april 1998 tot stand gekomen en op 3 juli 1998 in werking getreden. Dit betekent dat ten tijde van de in beroep bestreden besluiten nog niet was vastgesteld in welke gevallen met elkaar verbonden instellingen voor de toepassing van het eerste lid van artikel 82f als één instelling worden aangemerkt, welk aanmerken tot gevolg zou hebben dat voor de uitzending van radioprogramma's van de aldus aan te nemen instelling niet meer dan één FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties mag worden gebruikt. Naar in het verweerschrift in hoger beroep onweersproken is gesteld, bestond ten tijde van de in beroep bestreden besluiten evenmin zodanige duidelijkheid over de inhoud van de vast te stellen regeling, dat deze vatbaar was voor anticipatie. Gelet op het vorenstaande kan niet worden volgehouden dat de minister in artikel 82f van de Mediawet aanleiding had moeten vinden om de mate waarin - in ieder geval qua rechtspersoon - te onderscheiden omroepinstellingen met elkaar verbonden waren, als relevant aspect bij de door haar op grond van artikel 17 WTV te maken afweging had moeten betrekken. Anders dan Arrow stelt, heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat de op artikel 82f, tweede lid, van de Mediawet betrekking hebbende argumenten niet dienden te leiden tot vernietiging van de in beroep bestreden besluiten. 6.10 De rechtbank heeft de stelling van appellante dat was gehandeld in strijd met artikel 1 van het Besluit marktverdelingsregelingen verworpen. Hiertoe heeft zij overwogen dat geen sprake is van een marktverdelingsregeling in de zin van dit besluit, maar dat de verdeling tot stand is gekomen door de besluiten van de minister. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat weliswaar het formele besluit door de minister is genomen, maar dat dit besluit niet anders is dan een bekrachtiging van een door enkele marktpartijen vastgestelde marktverdeling. De besluitvorming zou geen zelfstandige betekenis toekomen. Het College deelt deze opvatting van appellante niet en overweegt hiertoe als volgt. In de aan appellanten gerichte beslissingen op bezwaar is, evenals in de voorafgegane primaire besluiten, door de minister aangegeven welke uitgangspunten zij hanteert bij de verdeling van frequenties en waarom appellanten met toepassing hiervan niet voor een machtiging in aanmerking komen. Aldus getuigen de in beroep bestreden besluiten van een eigen beoordeling door de minister van de bij haar ingediende aanvragen aan de hand van door haarzelf vastgestelde uitgangspunten, die - naar uit het vorenoverwogene blijkt - een toepassing geven aan artikel 17 WTV die verenigbaar is met de in de uitspraak van het College van 22 maart 1995 geformuleerde criteria. Het feit dat de uitkomst van de beoordeling overeenkomt met het voorstel zoals dat door elf omroeporganisaties aan de minister is gedaan, brengt niet mee dat dientengevolge geen sprake meer zou zijn van een eigen beoordeling. Dat de minister van mening is dat het haar gedane voorstel recht doet aan de door haar van belang geachte aspecten, rechtvaardigt dus niet de gevolgtrekking dat de minister hiermee de verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke besluitvorming uit handen heeft gegeven. Bovendien overweegt het College in dit verband nog dat het voorstel van de elf omroeporganisaties mede is gedaan door vijf organisaties die niet via de ether uitzonden, zodat er in ieder geval geen sprake van is dat het voorstel exclusief afkomstig is van bestaande machtiginghouders. Van belang is tevens dat het voorstel voorziet in toekenning van frequenties aan een nieuwkomer in de ether, Jazz Radio, zodat ook in zoverre geen sprake is van het geheel weren van nieuwkomers. 6.11 Gelet op het vorenstaande dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
- De beslissing Het College bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari
- w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand