College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2002:AE0438
College van Beroep voor het bedrijfsleven No.AWB 00/933 19 februari 2002 24200 Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellante, gemachtigde: C, echtgenoot van appellante, tegen de Minister van Justitie, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr R.E. Heijungs, werkzaam bij verweerder.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de weigering van een verklaring als bedoeld in artikel 2:179 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Op 13 december 2000 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.
Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder dagtekening 9 februari 2001 een verweerschrift ingediend.
Desverzocht heeft verweerder bij brieven van 20 september 2001 en 18 oktober 2001 nog een aantal stukken toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.
Artikel 2:179, tweede lid, BW luidde, ten tijde van de bestreden beslissing: " De verklaring mag alleen worden geweigerd op grond dat er, gelet op de voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar bestaat dat de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van haar schuldeisers; of dat de akte in strijd is met de openbare orde of de wet."
De Richtlijnen 1986 voor het beoordelen van oprichtingen en statutenwijzigingen van naamloze- en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Stcrt. 1985, 227) zijn gewijzigd bij besluit van verweerder van 10 september 1998 (Stcrt. 1998, 195). Deze wijziging is in werking getreden op 15 oktober 1998. De tekst van deze Richtlijnen (hierna: Richtlijnen preventief toezicht) luidt, voor zover hier van belang, na de wijziging, als volgt: " Oprichting en statutenwijziging Paragraaf 1. De beoordeling bij oprichting Indien gerede twijfel bestaat aan de (morele of financiële) betrouwbaarheid of integriteit van bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende personen, wordt de gevraagde verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een vennootschap geweigerd. In die gevallen kan immers worden aangenomen dat er gevaar bestaat dat hetzij de vennootschap voor ongeoorloofde doeleinden zal worden gebruikt, hetzij haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van schuldeisers. De beoordeling van de betrouwbaarheid en integriteit vindt plaats aan de hand van een controle op criminele en financiële antecedenten. In bijlage A bij deze richtlijnen wordt aangegeven welke criminele, respectievelijk financiële antecedenten in ieder geval relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en de integriteit van de bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende personen (…) Een verklaring van geen bezwaar wordt niet geweigerd wanneer dit kennelijk onredelijk is, bijvoorbeeld wanneer uit informatie van de curator aannemelijk wordt dat het faillissement of de surseance van betaling niet in belangrijke mate aan de betrokken persoon is te wijten."
In bijlage A is onder meer bepaald: " 3. Financiële antecedenten Onder financiële antecedenten, op basis waarvan tot het oordeel gekomen kan worden dat de financiële betrouwbaarheid of integriteit van het bedrijf in het geding is en die in beginsel leiden tot een weigering van de verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een vennootschap, worden verstaan:
A. Faillissementen en surseance van betaling De betrokken persoon is bij rechterlijke uitspraak, uitgesproken in de acht jaren voorafgaand aan de dagtekening van de aanvraag, dan wel na die datum doch voor de beslissing op de aanvraag, in staat van faillissement verklaard, dan wel is aan de betrokken persoon voorlopige surseance van betaling of surseance van betaling verleend, dan wel is de betrokken persoon betrokken (geweest) bij een faillissement of surseance van betaling van een rechtspersoon in de hiervoor genoemde periode."
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
Op 8 april j.l. verkreeg ik machtiging de bedrijfsinventaris, onderhanden werk en klantenbestand voor een bedrag van f 14.500,-- aan een schoonzuster van de directeur van de failliete vennootschap, (…) te verkopen."
Bij beschikking van de rechtbank van 31 juli 1996 is het faillissement van D, gelet op de toestand van de boedel, opgeheven.
De als gevolg van de aansprakelijkstelling opgestarte procedure is nog niet afgerond, zodat ik over de verdere afloop niets kan melden. (…)"
Uit uw adviesaanvrage blijkt dat C (…) betrokken is bij een aantal faillissementen. Uit het rapport van de Economische Controle Dienst blijkt dat deze heer C ten aanzien van een failliete BV - D - een paulianeuze transactie heeft verricht welke buitengerechtelijk is vernietigd.
Bovendien blijkt uit het rapport dat C betrokken is bij de door zijn vrouw op te richten BV's. (…) Conclusie:
Naar mijn mening moet C gezien worden als de feitelijke oprichter van de op te richten BV's en is de enige handeling die zijn vrouw ooit voor deze BV's zal verrichten het zetten van haar handtekening op het formulier "Aanvraag voor de oprichting van een rechtspersoon". Voor dit standpunt zijn diverse aanwijzingen te vinden in het rapport van de ECD, bijvoorbeeld het feit dat dat C het niet nodig vindt dat zijn vrouw door de ECD wordt gehoord, daar hij toch alles regelde. A heeft tot nu toe geen verklaring afgelegd.
In zijn ambtsbericht concludeert de officier van justitie op grond van voornoemd rapport dat de gevraagde toestemming tot oprichting verleend kan worden. Ik kan mij, zoals uit bovenstaande blijkt, niet vinden in deze conclusie.
Naar mijn mening bestaat er gevaar dat - gelet op de voornemens en de antecedenten van C - de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van haar schuldeisers.
Derhalve moge ik u in overweging geven de gevraagde verklaring van geen bezwaar niet te verlenen."
Gelet op:
Wat betreft het faillissement van D heeft de curator in zijn eerste faillissementsverslag van 1 april 1993 de koop van de inventaris door appellantes echtgenoot voor een bedrag van fl. 12.500,- als paulianeus betiteld. Uit de brief van de curator van 14 april 1993 blijkt dat de betreffende paulianeuze transactie buitengerechtelijk is vernietigd en dat de curator was gemachtigd om onder meer de bedrijfsinventaris voor een bedrag van fl. 14.500,- te verkopen aan een schoonzus van appellantes echtgenoot. Deze feiten zijn in het primaire besluit opgevoerd om een beeld te geven van de integriteit en betrouwbaarheid van appellantes echtgenoot, welk beeld is gebaseerd op de verslagen van de curator in het faillissement van D.
Wat betreft het faillissement van F heeft de Belastingdienst te Arnhem bericht dat appellantes echtgenoot wegens het niet rechtsgeldig melden van betalingsonmacht aansprakelijk is gesteld voor door evengenoemde vennootschap niet - geheel - betaalde naheffingsaanslagen omzet- en loonbelasting en dat hieruit een wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur volgt. Tijdens de op 19 september 2000 gehouden hoorzitting is aangeboden de beslissing op bezwaar aan te houden tot na een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem ter zake van de aansprakelijkstelling. Dit is echter van de zijde van appellante geweigerd, waarmee een wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur overeind blijft.
Hieraan heeft verweerder bij zijn verweerschrift en ter zitting, samengevat weergegeven, onder meer nog het volgende toegevoegd.
Relevant bij de beoordeling van aanvragen van verklaringen van geen bezwaar is de vraag of het gevaar bestaat dat de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheden zullen leiden tot benadeling van haar toekomstige schuldeisers. De beoordeling of dit gevaar bestaat, wordt afgemeten aan eerdere gedragingen van de beleidsbepalers van de vennootschap door middel van een misbruiktoets, die bestaat uit het wegen van eventuele criminele en financiële antecedenten van de bij de vennootschap betrokken beleidsbepalers. Gelet op de betrokkenheid van appellantes echtgenoot bij twee faillissementen, is hier wel degelijk sprake van relevante - in dit geval financiële - antecedenten.
In de eerste plaats heeft appellante de navolgende grieven van procedurele aard aangevoerd:
In de tweede plaats heeft appellante aangevoerd dat verweerder artikel 2:179, tweede lid, BW en de Richtlijnen preventief toezicht onjuist heeft toegepast. De op te richten vennootschappen worden namelijk niet gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden en de werkzaamheden daarvan leiden niet tot benadeling van mogelijke schuldeisers. Voorts zijn de notariële akten niet in strijd met de openbare orde of de wet, terwijl er bovendien geen criminele of financiële antecedenten te vinden die relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en de integriteit van de bij de vennootschappen betrokken, beleidsbepalende personen.
In de derde plaats heeft appellante aangevoerd dat zij geen stro-oprichtster is. Hiertoe heeft zij betoogd:
In de vierde plaats heeft appellante aangevoerd dat, nu haar echtgenoot bij de op te richten vennootschappen geen beleidsbepalende rol heeft, de morele en financiële integriteit van haar echtgenoot geen enkele rol mag spelen bij de beoordeling van de verzoeken om afgifte van verklaringen van geen bezwaar.
Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat verweerder ten onrechte vast blijft houden aan zijn onjuiste zienswijze ter zake van het faillissement van D en dat, wat betreft het faillissement van F, de Belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem appellantes echtgenoot inmiddels in het gelijk heeft gesteld in de zaak betreffende de aansprakelijkstelling.
Zo verweerder al een vormvoorschrift heeft geschonden door appellante niet reeds in de primaire besluitvormingsfase kennis te laten nemen van de in het aanvullend beroepschrift genoemde stukken, is het College van oordeel dat in de bezwaarfase die gebreken voldoende zijn hersteld. Door verweerder is onweersproken gesteld dat appellante in deze fase van de procedure in de gelegenheid is gesteld om alle relevante stukken in te zien. Appellantes grief dat, kort gezegd, verweerder relevante informatie niet tijdig heeft verstrekt, wordt dan ook verworpen.
Voorzover appellante heeft beoogd zich erover te beklagen dat verweerder niet binnen de in artikel 7:10 van de Awb genoemde termijn van 6 weken een beslissing op haar bezwaarschrift heeft genomen, kan die klacht haar evenmin baten. Appellante had immers ingevolge het bepaalde bij artikel 6:2, onder b, van de Awb na het verstrijken van die termijn, wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, bij het College beroep kunnen instellen. Nu zij dat heeft nagelaten kan de grief van appellante, dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist, in het onderhavige beroep niet slagen.
5.2 Ingevolge artikel 2:179 BW mag een verklaring van geen bezwaar alleen worden geweigerd indien, voor zover hier van belang, gelet op de antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar bestaat dat de werkzaamheden van de vennootschap zullen leiden tot benadeling van haar schuldeisers.
Blijkens de Richtlijnen preventief toezicht kan worden aangenomen dat gevaar bestaat dat hetzij de vennootschap voor ongeoorloofde doeleinden zal worden gebruikt, hetzij haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van schuldeisers, indien gerede twijfel bestaat aan de morele of financiële betrouwbaarheid of integriteit van de bij de vennootschap betrokken (mede)beleidsbepalende persoon. De beoordeling hiervan vindt plaats aan de hand van een controle op criminele en financiële antecedenten. Relevant hierbij is of de bij de vennootschap betrokken (mede)beleidsbepalende persoon betrokken is (geweest) bij een faillissement of surseance van betaling van een rechtspersoon in de acht jaren voorafgaand aan de dagtekening van de aanvraag, dan wel na die datum doch voor de beslissing op de aanvraag. Omtrent bijlage A bij evengenoemde richtlijnen, waarin de criminele en financiële antecedenten zijn gepreciseerd, heeft het College in zijn uitspraak van 13 maart 2001, nr. AWB 00/6 (via internet te raadplegen op www .rechtspraak.nl; LJN-nummer AB0858, overwogen dat de strekking daarvan slechts is aan te geven welke antecedenten in ieder geval relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en integriteit van de bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende persoon en niet om andere in specifieke gevallen relevante omstandigheden a priori uit te sluiten.
In het onderhavige geval zijn de verklaringen van geen bezwaar geweigerd omdat gegronde redenen aanwezig worden geacht om te twijfelen aan de morele en financiële betrouwbaarheid van appellantes echtgenoot, die door verweerder wordt beschouwd als beleidsbepalende persoon bij de op te richten vennootschappen. Appellante, die geen antecedenten heeft op grond waarvan moet worden getwijfeld aan haar morele en financiële betrouwbaarheid, wordt door verweerder beschouwd als "stro-oprichtster" van evenbedoelde vennootschappen.
Aan het oordeel dat sprake is van een "stro-constructie" heeft verweerder ten grondslag gelegd de betrokkenheid van appellantes echtgenoot bij de in rubriek 2.2 van deze uitspraak vermelde Nederlandse en Engelse vennootschappen, die dezelfde doelstelling hebben als de op te richten vennootschappen, de discrepantie tussen appellantes werkzaamheden en de activiteiten van de op te richten vennootschappen en de afwezigheid van appellante in alle fasen van de behandeling van de verzoeken om afgifte van verklaringen van geen bezwaar. Uit deze nauw met elkaar samenhangende feiten en omstandigheden, die door appellante in beroep niet dan wel onvoldoende zijn weerlegd, komt ook naar het oordeel van het College ontegenzeggelijk het beeld naar voren dat niet appellante het beleid van de op te richten vennootschappen zal gaan bepalen, doch haar echtgenoot.
Dit beeld is nog versterkt doordat appellante ter zitting heeft verklaard dat zij, na kennis te hebben genomen van de in het kader van haar aanvraag om verklaringen van geen bezwaar uitgebrachte rapporten en adviezen, om haar moverende redenen is afgestapt van haar aanvankelijke bedoeling om bij de op te richten vennootschappen een leidinggevende rol te gaan spelen. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder er niet in redelijkheid toe heeft kunnen komen om, wat betreft de oprichting van de twee in rubriek 2.2 van deze uitspraak vermelde vennootschappen, appellante te beschouwen als strovrouw voor haar echtgenoot.
5.3 Aangezien derhalve appellantes echtgenoot als feitelijke beleidsbepaler van de op te richten vennootschappen moet worden beschouwd, heeft verweerder terecht diens antecedenten in aanmerking genomen bij de vraag of gevaar bestaat dat de werkzaamheden van de op te richten vennootschappen zullen leiden tot benadeling van eventuele toekomstige schuldeisers.
Verweerders oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de morele en financiële betrouwbaarheid van appellantes echtgenoot is gebaseerd op enerzijds zijn betrokkenheid bij het faillissement van D en anderzijds zijn betrokkenheid bij het faillissement van F. Zoals het College in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 13 maart 2001 al heeft overwogen, leidt de enkele omstandigheid dat de beleidsbepalende persoon als statutair bestuurder was betrokken bij een faillissement, volgens de Richtlijnen preventief toezicht, evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat de financiële betrouwbaarheid of integriteit in het geding is. Het moet derhalve gaan om meer dan betrokkenheid bij (een) faillissement(en) alleen.
Ter zake van de rol van appellantes echtgenoot bij het faillissement van D merkt het College op dat de curator in zijn in rubriek 2.2 van deze uitspraak ten dele weergegeven faillissementsverslag d.d. 1 april 1993 melding heeft gemaakt van een zogeheten paulianeuze handeling van appellantes echtgenoot. Weliswaar heeft de curator in zijn - eveneens in rubriek 2.2. van deze uitspraak weergegeven - brief van 14 april 1993 gemeld dat hij de betreffende transactie buitengerechtelijk heeft vernietigd en de inventaris van D aan de schoonzuster van appellantes echtgenoot heeft verkocht voor een bedrag van fl. 14.500,-, doch dit doet niet af aan het paulianeuze karakter van de aan appellantes echtgenoot verweten handeling. Hetgeen appellante op dit punt in beroep heeft aangevoerd, is onvoldoende om aan te nemen dat van een zodanige handeling geen sprake is geweest. Naar het oordeel van het College is in dezen sprake van een zodanige rol van appellantes echtgenoot in een faillissement, dat verweerder reeds op grond daarvan in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat aan zijn morele en financiële betrouwbaarheid moet worden getwijfeld.
Daarnaast heeft verweerder, wat betreft de rol van appellantes echtgenoot bij het faillissement van F, betekenis toegekend aan de door de fiscus bij brief van 27 juni 2000 verstrekte informatie dat, kort gezegd, appellantes echtgenoot aansprakelijk is gesteld voor schulden van F wegens het niet rechtsgeldig melden van betalingsonmacht en dat hieruit een wettelijk vermoeden van "kennelijk onbehoorlijk bestuur" volgt.
Het College overweegt te dien aanzien dat weliswaar ter zitting is komen vast te staan dat appellantes echtgenoot deze aansprakelijkstelling met succes heeft aangevochten bij de Belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem, doch dat niet kan worden staande gehouden dat verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet in redelijkheid is kunnen uitgaan van de door de fiscus verstrekte informatie. Hierbij acht het College van belang dat het betreffende arrest van het Gerechtshof Arnhem pas geruime tijd na het bestreden besluit is gewezen en appellante, die destijds geen overtuigende argumenten naar voren had gebracht ter betwisting van voorvermelde informatie, niet is ingegaan op verweerders aanbod om de behandeling van het bezwaar aan te houden totdat het Gerechtshof zich over evenbedoelde aansprakelijkstelling zou hebben uitgelaten.
Op grond van het vorenoverwogene komt het College tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat, gelet op de financiële antecedenten van appellantes echtgenoot, gevaar bestaat dat de werkzaamheden van de op te richten vennootschappen zullen leiden tot benadeling van eventuele toekomstige schuldeisers. Verweerder heeft dan ook, naar het oordeel van het College, bij het bestreden besluit de weigering van de door appellante aangevraagde verklaringen van geen bezwaar op goede gronden gehandhaafd.
5.4 Gelet op het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.
Beslist dient derhalve te worden als volgt:
Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2002. w.g. H.C. Cusell w.g. W.F. Claessens