College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2002:AE6351
College van Beroep voor het bedrijfsleven Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken No. AWB 02/619 27 mei 2002 14880 Wet personenvervoer Bestuursdwang/dwangsom Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:
V.o.f. Firma A, te B, verzoekster, gemachtigde: mr R.A. IJsendijk, advocaat te Amsterdam, tegen de Minister van Verkeer en Waterstaat, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.
Bij brief van 7 december 2001, aangevuld bij brief van 25 januari 2002, heeft verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij brief van 12 april 2002 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat de vennoten van de vennootschappen onder firma A 1 tot en met A 31 hangende de behandeling van het bezwaarschrift worden behandeld als waren zij vergunninghouders in de zin van de Wet personenvervoer 2000, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter nodig oordeelt.
Voorts heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht verweerder te veroordelen tot betaling van de proceskosten en tot vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.
Op 6 mei 2002 heeft verweerder een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening ingezonden.
De voorzieningenrechter van het College heeft het verzoek behandeld ter zitting van 13 mei 2002, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. Aan de zijde van verzoekster is hier tevens het woord gevoerd door C, directeur-grootaandeelhouder bij Autobedrijf E B.V., één der vennoten van verzoekster.
De vergunning geldt voor de duur van een jaar of tot het tijdstip waarop onherroepelijk is beslist op de aanvraag voor een vergunning, mits gedaan binnen dat jaar, onverminderd wijziging of intrekking van de vergunning als bedoeld in artikel 91 of het van rechtswege vervallen van de vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet personenvervoer."
In de Memorie van Toelichting bij de Wet deregulering taxivervoer (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 910, nr. 3, pagina 9) staat onder meer het volgende vermeld: " (…) In de praktijk kunnen twee soorten snorders worden onderscheiden, namelijk:
Bij de categorie 2) gaat het veelal om zelfstandige chauffeurs, die zelfstandig een taxibedrijf exploiteren maar daartoe een vergunning pachten of huren. Zij kiezen voor deze constructie, omdat zij er van uit gaan dat hun pakkans kleiner is dan die van de echte snorders. In de praktijk is het niet eenvoudig om de bij verpachting van taxivergunningen gehanteerde bedrijfsconstructies te doorzien. Toch is in de eerste plaats een intensievere controle en handhaving de remedie tegen dit soort constructies, waarbij als uitgangspunt geldt: degene die voor eigen rekening en risico taxivervoer verricht dient te beschikken over een vergunning, en bij degene die een taxivergunning heeft zonder daadwerkelijk taxivervoer te verrichten dient de vergunning te worden ingetrokken."
In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 16 december 1999 tot wijziging van het Besluit personenvervoer (deregulering taxivervoer), Stb. 1999, 560, pagina 9, staat ten aanzien van het begrip vervoerder met betrekking tot de in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma geëxploiteerde taxionderneming, het volgende vermeld: " (…) Uit de boekhouding moet onder meer blijken wie als vervoerder, in de zin van degene die voor eigen rekening en risico het vervoer verricht, moet worden aangemerkt. (…)"
In het besluit van 16 december 1999, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet deregulering taxivervoer en het Besluit deregulering taxivervoer, Stb. 1999, 561, is onder meer bepaald dat artikel VII van de Wet deregulering taxivervoer met ingang van 1 januari 2000 in werking treedt.
In de Wet van 6 juli 2000, houdende nieuwe regels omtrent het openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer (Wet personenvervoer 2000), Stb. 2000, 314, is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) j. taxivervoer: personenvervoer per auto, anders dan bedoeld in onderdeel h, tegen betaling; k. vervoerder: degene die (…) taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; (…) Artikel 4 1. (…) 2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning. (…) Artikel 5 Onze Minister beslist op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 4, eerste, tweede en vierde lid.
Artikel 93 Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.
Artikel 113 Een vergunning voor het verrichten van taxivervoer die voor de datum van inwerkingtreding van artikel 127 is verleend ingevolge artikel 57 van de Wet personenvervoer, zoals dit artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van artikel 127, geldt, onverminderd mogelijke wijziging, schorsing, intrekking of het van rechtswege vervallen, met ingang van de datum van inwerking-treding van artikel 127, als een vergunning verleend ingevolge artikel 5."
In het Besluit van 14 december 2000, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet personenvervoer 2000 (Besluit personenvervoer 2000), Stb. 2000, 563, is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 14 1. Vergunningen worden op naam van de vervoerder gesteld.
In de Nota van Toelichting bij het Besluit personenvervoer 2000 staat onder meer het volgende vermeld: " (…) In de Wet personenvervoer wordt onder het begrip vervoerder - als bedoeld in artikel 1, onderdeel k - hetzelfde verstaan als in de Wet personenvervoer 2000. Het gaat hierbij om de vraag voor wiens rekening en risico het vervoer wordt verricht en dient in het kader van genoemd artikel te worden beantwoord. (…)"
2.2 Bij de beoordeling van deze zaak gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De vennoten van verzoekster zijn blijkens dit register de Coöperatieve Taxichauffeursvereniging "D" U.A. en Autobedrijf E B.V., beiden gevestigd te B.
Enig aandeelhouder van Autobedrijf E B.V. is E Holding B.V., statutair gevestigd te B. De directeur van E Holding B.V. - C - is op basis van een managementovereenkomst gedetacheerd bij Autobedrijf E B.V.. C geeft namens vennoot Autobedrijf E B.V. leiding aan verzoekster.
De leden van de Coöperatieve Taxichauffeursvereniging "D" U.A. zijn ieder voor zich een separate vennootschap onder firma aangegaan met Autobedrijf E B.V.. Laatstbedoelde vennootschappen onder firma zijn genaamd A 1 tot en met A 31.
(…)."
Ter zitting heeft verweerder - zakelijk weergegeven - het navolgende toegevoegd.
Reeds in het in 1995 gehouden zogenaamde RIF-onderzoek is geconcludeerd dat de vergunningconstructie als gehanteerd in het onderhavige geval, zijnde het inbrengen van aan verzoekster verleende vergunning(sbewijz)en voor het verrichten van taxivervoer in vennootschappen onder firma waar het daadwerkelijke vervoer wordt uitgevoerd, in strijd was met de destijds geldende Wet personenvervoer. De aan verzoekster verleende vergunning geeft haar het recht om taxivervoer te verrichten, maar dat vervoer moet dan wel voor rekening en risico van verzoekster plaatsvinden. Dat is in casu niet het geval, omdat het vervoer plaatsvindt voor rekening en risico van de vennootschappen onder firma A 1 tot en met A 31.
De bedoeling van het in artikel VII van de Wet deregulering taxivervoer neergelegde overgangsrecht is bescherming van diegenen aan wie op of vóór 31 december 1999 door het toenmalige bevoegde bestuursorgaan een vergunning voor het verrichten van taxivervoer was verleend en die het vervoer ook in overeenstemming met deze vergunning, dus zelf, verrichten. Dit is in het onderhavige geval verzoekster, met als vennoten de Coöperatieve Taxichauffeursvereniging "D" U.A. en Autobedrijf E B.V.. Het overgangsrecht is niet bedoeld voor hantering van constructies als hier aan de orde.
De door verzoekster gehanteerde constructie was onder de Wet personenvervoer en is ook onder de Wet personenvervoer 2000 illegaal en zou ook voor 1 januari 2000 kunnen zijn aangepakt. Deze illegale situatie wordt niet door de inwerkingtreding van het overgangsrecht gelegaliseerd. Overigens werkt de naamgeving van verzoekster en de vennootschappen onder firma A 1 tot en met A 31 verwarring in de hand.
In de onderhavige procedure is niet aan de orde of verzoekster als vervoerder in de zin van de Wet personenvervoer 2000 kan worden aangemerkt zoals verweerder dat begrip sedert 1 januari 2000 uitlegt. Verzoekster wenst zekerheid te verkrijgen dat zij haar taxi-onderneming in de vorm waarin deze gedurende lange tijd wordt geëxploiteerd, kan continueren totdat onherroepelijk op de 'omzettingsaanvraag' van 27 juli 2000 is beslist en dat zij zich derhalve mag gedragen als vervoerder zoals zij dat tot 1 januari 2000 heeft gedaan.
Het begrip vervoerder heeft met de inwerkingtreding van de Wet personenvervoer 2000 geen wijziging ondergaan, maar verweerder legt dit begrip materieel op een geheel andere wijze uit dan dat in het verleden door het voormalig bevoegde bestuursorgaan is gedaan. Het door verweerder gehanteerde criterium dat degene voor wiens rekening en risico het vervoer wordt verricht als vervoerder wordt aangemerkt, is wellicht niet nieuw, maar wordt in de praktijk anders dan voorheen wel zeer strikt toegepast. Deze beleids- of gedrags-wijziging is door verweerder niet vooraf inzichtelijk en kenbaar gemaakt.
Verzoekster heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening, nu verweerder meent dat het overgangsrecht van de Wet personenvervoer 2000, zoals dat is neergelegd in artikel VII van de Wet deregulering taxivervoer, haar niet toestaat thans nog taxivervoer op de wijze als door haar verricht voor 1 januari 2000 te blijven verrichten op grond van de vergunning die haar onder de oude Wet personenvervoer door het toenmalig bevoegde bestuursorgaan is verleend. Verzoekster deelt de mening van verweerder niet. In haar zienswijze kunnen de vennootschappen onder firma A 1 tot en met A 31 - als voorheen - met gebruikmaking van de aan verzoekster verleende vergunning taxivervoer verrichten.
Nu verweerder echter een andere mening is toegedaan, heeft dit tot gevolg dat de vennootschappen onder firma A 1 tot en met A 31 momenteel bestuurlijke (toepassing van bestuursdwang) en strafrechtelijke handhaving riskeren bij het verrichten van taxivervoer op basis van de aan verzoekster door het toenmalige bevoegde bestuursorgaan verleende vergunningen.
De voorzieningenrechter ziet zich in het onderhavige geschil gesteld voor de vraag of de door verzoekster gehanteerde vergunningconstructie onder de bescherming van het overgangsrecht, zoals dat is neergelegd in artikel VII van de Wet deregulering personenvervoer, kan worden gebracht. Voor de beantwoording van deze vraag dient allereerst te worden vastgesteld of de door verzoekster gehanteerde vergunningconstructie was toegestaan in het kader van de met ingang van 1 januari 2001 ingetrokken Wet personenvervoer. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit laatste niet het geval. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
In het kader van de ingetrokken Wet personenvervoer diende, naar onder meer blijkt uit de Nota van Toelichting bij het Besluit deregulering taxivervoer, onder vervoerder te worden verstaan degene die voor eigen rekening en risico het vervoer verricht. Ook verzoekster betoogt dat dit criterium beslissend was voor beantwoording van de vraag wie als vervoerder diende te worden aangemerkt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de voorzieningenrechter voorshands af dat het vervoer met gebruik van de aan de verzoekster verleende vergunning(sbewijz)en niet voor rekening en risico van haarzelf, maar voor rekening en risico van de vennootschappen onder firma A 1 tot en met A 31 plaatsvond. Verzoekster kreeg immers een dagvergoeding zodat haar resultaat niet afhankelijk was van het verrichte taxivervoer.
Dit brengt, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, mee dat de door verzoekster gehanteerde vergunningconstructie in strijd was met het bepaalde in de Wet personenvervoer.
Het begrip vervoerder in de zin van de ingetrokken Wet personenvervoer heeft met de inwerkingtreding van de Wet personenvervoer 2000, anders dan verzoekster stelt, inhoudelijk geen wijziging ondergaan. Verzoekster heeft ook niet naar voren gebracht welke andere betekenis aan het begrip onder de Wet personenvervoer zou zijn gehecht. Voorshands kan dan ook niet met vrucht worden betoogd dat de door verzoekster gehanteerde vergunningconstructie, waarbij onder de vigeur van de aan haar verleende vergunningen vervoer voor rekening en risico van de vennootschappen onder firma A 1 tot en met A 31 wordt verricht, onder de bescherming van het overgangsrecht valt. Een voorheen niet toegestane vergunningconstructie kan niet door de enkele toepassing van overgangsrecht gelegaliseerd worden. Verzoekster kan wel zelf voor eigen rekening en risico met behulp van de aan haar verleende vergunning taxivervoer verrichten.
De omstandigheid dat aan verzoekster de vergunning was verleend maakt niet dat het onder de door haar gehanteerde constructie verricht vervoer ook door haar zelf werd verricht en nog minder dat dit ook door het vergunningverlenende bestuursorgaan en door het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan erkend werd. Niet gebleken is immers dat deze laatste op de hoogte was dat het vervoer werd verricht als geschetst onder 2.
De omstandigheid dat verweerder de naleving van de toepasselijke regelgeving intensiever controleert en meer handhavend optreedt dan voorheen is gedaan, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook worden afgewezen.
De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.
Aldus gewezen door mr D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2002. w.g. D. Roemers w.g. M.S. Hoppener