College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 01/247 t/m 01/253 en 01/269 29 oktober 2002 13725 Wet tarieven gezondheidszorg Verpleeghuizen Uitspraak in de zaak van: 1) de Dr. Samuel Sarphati Stichting, te Amsterdam, welke stichting beheert Verpleeghuis Dr. Sarphatihuis, te Amsterdam, 2) de Stichting Burgerlijk Armbestuur, te Maastricht, welke stichting beheert Verpleeghuis Klevarie en Verpleegkliniek de Zeven Bronnen, beide te Maastricht, 3) de Stichting Sorgh Saem, te Doetinchem, welke stichting beheert Verpleeghuis Den Ooiman, te Doetinchem, 4) de Stichting Elisabeth-Van Wijckerslooth, te Oegstgeest, welke stichting beheert Verpleeghuis Sint Elisabeth Gasthuishof, te Leiden, 5) de Stichting Zorg Compas, te Rotterdam, welke stichting beheert Verpleeghuis De Rustenburg Delfshaven, te Rotterdam, en Verpleeghuis De Rustenburg, te Bergschenhoek, 6) de Stichting RIAGG IJsselland, te Deventer, appellanten, gemachtigde: mr J.G. Sijmons, advocaat te Zwolle, tegen het College Tarieven Gezondheidszorg, te Utrecht, verweerder, gemachtigde: prof. mr G.R.J. de Groot, advocaat te Den Haag. 1. De procedures Op 4 april 2001 heeft het College van de hierboven onder 1) tot en met 5) vermelde appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van 22 februari 2001 van verweerder. Op 10 april 2001 heeft het College van de hiervoor onder 6) genoemde appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 21 maart 2001 van verweerder. Bij deze besluiten heeft verweerder ongegrond verklaard de bezwaren van appellanten tegen op grond van de Wet tarieven gezondheidszorg (hierna: Wtg) genomen tariefbeschikkingen, waarbij verweerder de in 2000 door appellanten, althans door hen beheerde instellingen van gezondheidszorg (hierna eveneens aan te duiden als appellanten), in rekening te brengen tarieven heeft vastgesteld. Op 25 juli 2001 heeft het College van verweerder een verweerschrift ontvangen. Het College heeft de beroepen behandeld ter zitting van 17 september 2002, alwaar de hierboven genoemde gemachtigden de standpunten van partijen nader hebben toegelicht. Ter zitting is voorts het woord gevoerd door L.G. Fresen, werkzaam bij verweerder. 2. De grondslag van de geschillen Voor de grondslag van de geschillen verwijst het College allereerst naar rubriek 2 van zijn bij partijen bekende uitspraak van 21 december 1999 (AWB 97/1259; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AE7850). Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn in deze zaken voorts de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Bij brief van 28 november 1997 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verweerder onder meer het volgende medegedeeld: " De effecten van de in 1997 getroffen structurele maatregel in het kader van de temporisering van de eigen vermogensgroei dient met ingang van 1998 in de richtlijnen (richtlijn-bedragen) te worden verwerkt. Het in de komende jaren continueren van de richtlijn flankerend beleid AWBZ-sectoren heeft mijn instemming." - Op 28 november 1997 hebben de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) en de Minister van Economische Zaken verweerder een aanwijzing gegeven inzake de vaststelling van de totale aanvaardbare kosten 1998 van de instellingen van gezondheidszorg waarop de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van toepassing is. Deze aanwijzing voorziet in flankerend beleid ten bedrage van fl. 16.400.000,--. - Ter uitvoering van evengenoemde aanwijzing heeft verweerder de Richtlijn flankerend beleid AWBZ-sectoren vastgesteld, geldig van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998. - Bij brief van 2 december 1998 heeft de Minister verweerder onder meer het volgende medegedeeld. " In de Kamer II en III vergadering van 7 september respectievelijk 1 oktober jongstleden lag het voorstel van het COTG-secretariaat voor om de beleidsregel flankerend beleid AWBZ-sectoren niet te verlengen. Het secretariaat stelde voor deze middelen (f 16,4 miljoen) structureel te verdelen over de sectoren ouderenzorg, gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg. (…) Uit de discussie in de beide genoemde Kamers komt naar voren dat de regeling strategisch gedrag van zorginstellingen in de hand werkt. Hierdoor dreigt aan de oorspronkelijke doelstelling van de regeling voorbij te worden gegaan. Voorts, zo heb ik begrepen, past een vraagteken bij het nut van verdere toepassing. Tegen deze achtergrond heeft het mijn instemming de beleidsregel flankerend beleid te beëindigen, waarbij ik erop wijs dat de regeling in zijn oorspronkelijke opzet ook tijdelijk was bedoeld. Echter de optie deze middelen generiek in te zetten voor de bovengenoemde sectoren heeft niet mijn voorkeur. Ik prefereer deze middelen achter de hand te houden met het oog op het te geven vervolg aan de meerjarenafspraken. Graag verzoek ik u met het bovenstaande rekening te houden. (…)" - Anders dan in 1997 en 1998 heeft verweerder in 1999 en 2000 geen flankerend beleid gevoerd. - Op 26 november 1999 hebben de Minister en de Minister van Economische Zaken, respectievelijk genoemde ministers en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder aanwijzingen gegeven voor 2000. - Bij tariefbeschikkingen van 15 maart 2000, 10 en 18 april 2002 en 10 mei 2000 heeft verweerder de in 2000 door appellanten in rekening te brengen tarieven vastgesteld. Conform genoemde aanwijzingen en de Richtlijn korting in verband met groei reserves, beschreven in rubriek 2 van genoemde uitspraak van 21 december 1999 van het College, zijn de tarieven van appellanten gekort met een percentage dat per sector is vastgesteld. - Bij brieven van 26 april 2000, 2 en 12 mei 2000 en 7 juni 2000 hebben appellanten bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de tot hen gerichte tariefbeschikking(en). Bij brieven van 8 en 11 augustus 2000 zijn de gronden van deze bezwaren ingediend. - Nadat appellanten op 6 december 2000 waren gehoord over hun bezwaren, heeft verweerder de bestreden besluiten genomen. 3. De bestreden besluiten In de bestreden besluiten heeft verweerder, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende overwogen. De kortingsmaatregel, in 1997 ingevoerd, vloeit voort uit een aanwijzing van de Minister die een structureel karakter heeft. Het College heeft een aantal beroepen tegen met inachtneming van deze maatregel genomen tariefbeschikkingen ongegrond verklaard. Alleen met betrekking tot 1997 en 1998 is een Richtlijn flankerend vastgesteld, beide keren voor de duur van één jaar. Het flankerend beleid is afgeschaft omdat dit beleid strategisch gedrag van instellingen in de hand werkte. Daarnaast zijn in 1998 andere middelen voor de AWBZ-instellingen beschikbaar gekomen, die het effect van de kortingsmaatregel verzachtten. De tariefbeschikkingen 2000 zijn (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.