College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2003:AF8094
College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 01/753 18 april 2003 9500 Mededingingswet Uitspraak in de zaak van:
Van Vollenhoven Olie B.V., gevestigd te Tilburg, appellante, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 1 augustus 2001, nr. MEDED 99/1690-SIMO, in het geding tussen appellante en de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit, te 's-Gravenhage, gemachtigde van appellante: mr. P.H.L.M. Kuypers, advocaat te Brussel, gemachtigde van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: dg-Nma): mr. R.J. Ludding, advocaat te 's-Gravenhage.
Aan het geding is als partij deelgenomen door:
Bij deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep van appellante tegen het besluit van dg-Nma van 9 juli 1999 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Appellante heeft op 18 oktober 2001 de gronden van het hoger beroep toegezonden.
Dg-Nma heeft op 13 december 2001 een verweerschrift ingediend.
Op 7 maart 2002 heeft dg-Nma, desverzocht door het College, een dossier in twee versies toegezonden. Bij brief, ingekomen op 2 april 2002, heeft hij ten aanzien van één versie van het dossier verzocht om beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij brief van 26 april 2002 heeft hij dit verzoek uitgebreid tot alle stukken in beide versies van het dossier.
Bij beschikking van 1 mei 2002 heeft het College bepaald dat de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is en dat het geen kennis zal nemen van de twee versies van het dossier dat dg-Nma op 7 maart 2002 heeft ingediend. Beide dossiers zijn naar dg-Nma teruggezonden.
Op 3 mei 2002 heeft dg-Nma wederom de stukken toegezonden die betrekking hebben op het hoger beroep. In het begeleidend schrijven heeft hij ten aanzien van een aantal stukken verzocht om beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29.
Bij beschikking van 19 juni 2002 heeft het College bepaald dat de gevraagde beperking van de kennisneming gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet gerechtvaardigd is. De map met het opschrift "vertrouwelijke stukken" is in zijn geheel teruggezonden aan dg-Nma, teneinde deze in de gelegenheid te stellen zich integraal te beraden over de vraag (welke gegevens in) welke stukken uit deze map kunnen worden overgelegd.
Bij brief van 2 oktober 2002 heeft dg-Nma toegezegd te zullen bezien voor welke stukken beperking van de kennisneming noodzakelijk is.
Bij brief van 13 januari 2003 heeft appellante een nader stuk overgelegd.
Bij brief van 20 januari 2003 heeft dg-Nma de stukken toegezonden die alsnog aan het openbaar dossier zijn toegevoegd. Ten aanzien van stuk 15, bijlage 1 en het rapport inzake de jaarverslaggeving 1997 heeft dg-Nma aan de beperking van de kennisneming vastgehouden.
Bij brief van 23 januari 2003 heeft appellante verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting, welk verzoek is ingewilligd.
Bij brieven c.q. faxberichten van onderscheidenlijk 23 januari, 5 maart en 6 maart 2003 hebben de derde partijen en appellante doen weten er geen bezwaar tegen te hebben indien het College mede op grondslag van de vertrouwelijke stukken uitspraak doet.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2003. Bij die gelegenheid is appellante verschenen in de persoon van haar directeur A, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Dg-Nma en de gemeente hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Schreurs is, als bericht, niet ter zitting verschenen. Ter zitting is B, meegebracht door appellante, als getuige gehoord.
Artikel 89 Ter zake van de uitoefening van de in artikel 88 bedoelde bevoegdheden zijn de hoofdstukken 3, § 4, 6, 7 en 9 van overeenkomstige toepassing."
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
Aangezien hiervoor de in de Wet Ruimtelijke Ordening voorgeschreven procedure gevolgd dient te worden, kan dezerzijds niet verder gegaan worden dan het doen toezeggen van een inspanningsverplichting ten laste van de gemeente om te komen tot een wijziging van het bestemmingsplan Trade Port West met een strekking als voren bedoeld.
Gezien de aard van de wetgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening kan bovendien van gemeentezijde geen garantie met betrekking tot de duur van de aanpassing van het bestemmingsplan worden gegeven. Wel kan toegezegd worden dat de gemeente zich zal inspannen om, indien de beoogde bestemmingswijziging gerealiseerd wordt, deze gedurende ten hoogste 20 jaar te handhaven."
Voor gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden II" en "Bedrijfsdoeleinden III" is het volgende voorschrift opgenomen: "Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken(…) wordt in elk geval gerekend: c. Het oprichten van een verkoop- c.q. tappunt voor motorbrandstoffen."
8.2 Met verkoop van motorbrandstoffen en detail wordt bedoeld de verkoop van motorbrandstoffen aan eindverbruikers. Daaronder wordt niet verstaan het op eigen terrein hebben van motorbrandstoffen en/of motorbrandstofpompen voor eigen verbruik.
8.3 De voornoemde verplichting is een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 Burgerlijk Wetboek en gaat als zodanig over op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen, terwijl mede gebonden zullen zijn degenen die van de rechthebbenden een recht tot gebruik van het goed zullen krijgen."
2.3 Bij de hogervermelde uitspraak, die aan deze uitspraak is aangehecht, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 juli 1999 in stand blijven, verweerder veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat de Staat het door appellante betaalde griffierecht aan haar vergoedt.
Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de gemeente in casu niet is te beschouwen als een onderneming in de zin van de Mededingingswet omdat zij in elk geval mede ter uitoefening van haar overheidsprerogatief inzake ruimtelijke ordening zou hebben gehandeld. De gemeente heeft uit economische overwegingen - zij kon de grondprijs per m² met fl. 20,-- verhogen - in de overeenkomst met Schreurs d.d. 17 februari 1993 een exclusiviteitsclausule opgenomen. De motorbrandstofclausule en het desbetreffende gebruiksvoorschrift zijn in de erfpachtsvoorwaarden en verkoopovereenkomsten onderscheidenlijk de voor het gebied Trade Port West geldende bestemmingsplannen opgenomen teneinde de overeenkomst met Schreurs na te komen en dus niet op grond van planologische maar van economische beweegredenen. Door het handhaven van deze bepalingen handelt de gemeente in strijd met de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet.
Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de artikelen 86 lid 1 jo 81 en 82 EG en de artikelen 3 lid 1 sub g jo. 10 jo 81 en 82 EG niet in aanmerking zouden komen voor decentrale toepassing.
Appellante heeft het College verzocht indien haar standpunt niet gevolgd wordt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te vragen bij wege van prejudiciële beslissing uitleg te geven van de hogervermelde artikelen in verband met de begrippen onderneming en overheidsprerogatief en in verband met decentrale toepassing van het Europese mededingingsrecht.
De rechtbank heeft in zijn aangevallen uitspraak vooropgesteld dat de toezegging - gedaan in de brief van 21 januari 1993 - met betrekking tot de handhaving voor ten hoogste twintig jaar van het bestemmingsplan mededingingsrechtelijk niet relevant is omdat zij niet de zekerheid biedt dat het bestemmingsplan gedurende twintig jaar wordt gehandhaafd. Gelet hierop, aldus de rechtbank, kan in het midden blijven of deze toezegging al dan niet moet worden aangemerkt als een verbintenis in privaatrechtelijke zin.
Het College kan dit uitgangspunt op zich wel volgen. Gelet ook op hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht dient evenwel niet alleen de destijds aan Schreurs gedane toezegging maar ook het ten tijde van de klacht en het bestreden besluit door de gemeente vertoonde gedrag voorwerp van beoordeling te vormen. Gesteld zou kunnen worden dat de gemeente door het laten voortduren van een situatie waarin voor anderen dan Schreurs niet de mogelijkheid bestaat een motorbrandstofverkooppunt in het plangebied te vestigen, zich overeenkomstig de inspanningsverplichting gedraagt en aldus de mededinging beperkt, ook al zou dit gedrag niet afdwingbaar zijn. Door de daartoe bevoegde organen van de gemeente zijn immers geen stappen ondernomen om de voor Trade Port West geldende bestemmingsplannen op de door appellante gewenste wijze te herzien. Weliswaar bepaalt artikel 33, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening dat een bestemmingsplan tenminste eenmaal in de tien jaar wordt herzien, maar geen bepaling staat eraan in de weg dat dit eerder gebeurt en zulks is ook bepaald niet ongebruikelijk.
Ook in dat geval zou echter naar het oordeel van het College op dit punt niet gesproken kunnen worden van een door de artikelen 6, eerste lid, c.q. 24, eerste lid, Mw verboden gedraging van een onderneming. Bij besluitvorming omtrent herziening van een bestemmingsplan handelt de gemeente niet als onderneming. Zoals onder meer blijkt uit het arrest van 19 februari 2002 van het Hof van Justitie in de zaak C-309/99 (Wouters, Jur. blz.I-1577) zijn de mededingingsregels niet van toepassing op een activiteit die, wegens haar aard en doel en de regels waaraan zij is onderworpen, buiten de sfeer van het economisch verkeer valt, dan wel neerkomt op de uitoefening van overheidsprerogatieven. De activiteit van het tot stand brengen van een (wijziging van een) bestemmingsplan, welke activiteit onderworpen is aan de in de Wet op de ruimtelijke ordening neergelegde regelgeving, komt onmiskenbaar neer op de uitoefening van een overheidsprerogatief als bedoeld.
Hieruit volgt dat het feit dat het gemeentelijk handelen met betrekking tot het bestemmingsplan de mogelijkheden tot mededinging voor appellante heeft beperkt, geen grondslag kan vormen voor toepassing van artikel 56 Mw. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het verzoek daartoe mocht worden afgewezen.
Onder die omstandigheden kan, anders dan de rechtbank heeft gedaan, in het midden worden gelaten of ook de motorbrandstoffenclausule in de erfpachtsvoorwaarden en verkoopovereenkomsten bij wege van uitoefening van een overheidsprerogatief is opgelegd. Vaststaat immers dat de erfpachts- en koopovereenkomsten ten tijde van het bestreden besluit mededingingsrechtelijk niet relevant waren, aangezien de onmogelijkheid om een brandstofverkooppunt te vestigen reeds voortvloeit uit de bepalingen van het bestemmingsplan. Ook al blijven de betrokken clausules nog jaren van kracht, pas wanneer tot een wijziging van het bestemmingsplan wordt besloten verkrijgen zij relevantie. Door thans deze bepalingen niet uit de overeenkomsten te verwijderen handelt de gemeente niet op een wijze die strijd oplevert met de genoemde bepalingen van de Mw.
Met betrekking tot de stelling van appellante dat dg-Nma toepassing had moeten geven aan artikel 88 Mw ter zake van overtreding van de artikelen 86, eerste lid en 3, eerste lid, onder g, in samenhang met artikel 10 en de artikelen 81 en 82 EG overweegt het College dat voormeld artikel 88 dg-Nma uitsluitend de bevoegdheid verleent tot toepassing van de artikelen 81, eerste lid en 82 (85, eerste lid, en 86 oud) van het Verdrag. Tot toetsing of een bepaalde gedraging van een orgaan behorende tot de Staat der Nederlanden strijd oplevert met de overige bepalingen van het Verdrag is dg-Nma in dit artikel niet geroepen. Met de rechtbank is het College voorts van oordeel dat met de constatering dat geen sprake is van handelen in strijd met de artikelen 6, eerste lid, en 24, eerste lid, in samenhang met artikel 1f van de Mw gegeven is dat evenmin sprake is van overtreding van de artikelen 81, eerste lid en 82 EG, zodat op die grond geen aanleiding bestond om toepassing te geven aan voormeld artikel 88 Mw.
Hieruit volgt dat er geen grond was tot toepassing van artikel 56 Mw in verband met overtreding door de gemeente en/of Schreurs van voormelde artikelen van de Mw. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat het verzoek van appellante daartoe over te gaan door dg-Nma mocht worden afgewezen. De door de rechtbank gegeven uitspraak, voorzover aangevochten, komt dan ook, zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E. Doolaard en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2003. w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens