College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2003:AN9049
College van Beroep voor het bedrijfsleven No.AWB 00/352 22 oktober 2003 7200 Restitutie Uitspraak in de zaak van:
Tamminga B.V., te Weidum, appellante, gemachtigde: mr. A.M. Keessen, advocaat te Amsterdam, tegen het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder, gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de intrekking en terugvordering van restituties bij uitvoer van kaas.
Verweerder heeft op 24 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.
Op 22 januari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen onder de nummers AWB 00/344, 00/345, 00/346, 00/347 en 00/353.
Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de In- en uitvoerwet kan een restitutie die is verleend in het kader van de uitvoering van een regeling vastgesteld door een orgaan van de Europese Gemeenschappen, worden ingetrokken indien ingevolge een toepasselijk voorschrift, vastgesteld door een zodanig orgaan, geen aanspraak kan worden gemaakt op die restitutie.
Op grond van artikel 11 van deze wet is de bevoegdheid tot toekenning en intrekking van restitutie voor - onder meer - boter bij de artikelen 85 en 118 van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen overgedragen aan verweerder.
Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (Pb L351, blz. 1) luidt, voorzover hier en ten tijde van belang, als volgt: "Artikel 16 1. In geval van toepassing van een gedifferentieerde restitutievoet naar gelang van de bestemming, wordt de restitutie slechts betaald als de in de artikelen 17 en 18 vastgestelde bijkomende voorwaarden zijn vervuld. (…) Artikel 17 1. Het produkt moet binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd. Onder de in artikel 47 vastgestelde voorwaarden kunnen evenwel bijkomende termijnen worden toegekend.
Artikel 18 1. Het bewijs dat deze douaneformaliteiten zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van:
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Pb L94, blz. 13) treffen de Lid-Staten, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om - onder meer - de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
De verjaringstermijn neergelegd in artikel 3:309 BW betreffende de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling, is in het onderhavige geval pas aangevangen na het nemen van van het bestreden besluit. Pas na intrekking van de restitutie is sprake van een onverschuldigde betaling.
In het onderhavige geval is blijkens het rapport van de AID hiervan sprake.
In het verweerschrift heeft verweerder met een beroep op het arrest in de zaak Möllmann Fleisch nog aangevoerd dat aan definitieve betaling van restitutie niet het vertrouwen kan worden ontleend dat aan de bewijsverplichting is voldaan en dat niet tot intrekking van restitutie zal worden overgegaan.
Tot definitieve betaling van restituties wordt pas overgegaan nadat alle voor restitutie vereiste documenten grondig zijn gecontroleerd. Nu deze controle streng is, kan aan de uitkomst daarvan het vertrouwen worden ontleend dat aan de bewijsverplichting is voldaan. Appellante heeft daaraan ook zulk vertrouwen ontleend, te meer nu zij van te voren bij verweerder advies had ingewonnen over de exportformulieren en de betekenis van de daarop vermelde codes.
In november 1993 heeft de douanerecherche een bezoek gebracht aan appellantes bedrijf en meegedeeld dat het vermoeden bestond dat de partijen kaas in Griekenland terecht waren gekomen. Nu appellante daarna echter jarenlang niets meer hoorde, kon en mocht zij hieruit afleiden dat de producten kennelijk toch niet in Griekenland terecht waren gekomen.
Verweerder heeft in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld door pas na verloop van meer dan vijf jaar sinds de definitieve uitbetaling tot intrekking en terugvordering over te gaan. Het tijdsverloop klemt te meer nu verweerder al in 1993 van de wederuitvoer naar Griekenland op de hoogte was of had kunnen zijn.
Hoewel de artikelen 4:57 en 4:49, derde lid, van de Awb, gezien het overgangsrecht, niet rechtstreeks van toepassing zijn op onderhavige zaak, was er ook voorheen al een ongeschreven termijn van vijf jaar voortvloeiend uit de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel en uit de toepassing van het ook in de bestuursrechtelijke verhoudingen geldende beginsel van onverschuldigde betaling. De in deze bepalingen en ook in artikel 3:309 van het BW genoemde termijn van vijf jaar vangt aan op de dag nadat de subsidie is vastgesteld.
Op grond van deze punten moet worden geconcludeerd dat het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel aan terugvordering in de weg staan.
Het College is van oordeel dat de door appellante overgelegde Bulgaarse invoerdocumenten niet als bewijs van invoer in Bulgarije kunnen dienen. Op deze invoerdocumenten is in vak 37 immers code 8024 vermeld. Deze code geeft aan, zoals blijkt uit de brief van de Bulgaarse douaneautoriteiten van 20 maart 1994 (dossierstuk D/029 van het rapport van de AID) en door partijen niet is betwist, dat de goederen tijdelijk worden ingevoerd met de bedoeling ze weder uit te voeren.
Nu appellante het bewijs van invoer evenmin anderszins heeft geleverd en aldus niet aan (één van de) voorwaarden voor betaling is voldaan, is de restitutie reeds hierom onverschuldigd betaald en was verweerder ingevolge artikel 9, tweede lid, van de In- en uitvoerwet tot terugvordering bevoegd.
Het College dient vervolgens te beoordelen of verweerder er rechtens van af had behoren te zien om van bedoelde bevoegdheid tot terugvordering gebruik te maken.
5.2 Appellante is van mening dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel aan toepassing van de bevoegdheid tot terugvordering in de weg staan.
Het College oordeelt allereerst over het hiertoe gedane beroep op het tijdsverloop.
Voorop gesteld moet worden dat, zoals appellante erkent, de bepalingen van de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht zich, gelet op het overgangsrecht, niet voor toepassing in het onderhavige geval lenen.
Voorts overweegt het College dat, voorzover artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek zich in een bestuursrechtelijke zaak als de onderhavige wel voor toepassing zou lenen, deze bepaling appellante evenmin kan baten. In het onderhavige geval kan immers eerst van een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling worden gesproken vanaf het moment dat het bestuursorgaan ter zake een rechtsvaststellend besluit heeft genomen. Dit rechtsvaststellend besluit is hier het primaire besluit tot intrekking van de verleende restitutie van 19 januari 1999. Aangezien verweerder bij ditzelfde besluit tevens tot terugvordering van de verleende restitutie heeft besloten, kan van verjaring als bedoeld in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek geen sprake zijn.
Appellantes stelling dat er ook vóór de inwerkingtreding van de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht al sprake was van een ongeschreven terugvorderingstermijn van vijf jaar, kan het College niet onderschrijven. Van een algemeen geldende termijn was geen sprake en evenmin gold een vijfjarentermijn voor terugvorderingskwesties als de onderhavige.
Dit neemt niet weg dat in bepaalde omstandigheden de terugvordering van definitief verleende uitvoerrestituties als hier in geding na verloop van tijd in strijd kan geraken met algemene rechtsbeginselen zoals het door appellante genoemde rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Hoewel de restitutie in het onderhavige geval pas na bijna zes jaar is ingetrokken en teruggevorderd, is naar het oordeel van het College van strijd met deze beginselen geen sprake. Appellante is immers reeds in november 1993 door de FIOD op de hoogte gesteld van de (mogelijke) wederinvoer in de Gemeenschap. Zij behoorde er dus reeds vanaf dat moment rekening mee te houden dat de verleende restituties ingetrokken en teruggevorderd zouden kunnen worden, indien zou komen vast te staan dat de restituties ten onrechte zouden zijn uitbetaald. Dat ook nadien het besluit nog lange tijd is uitgebleven, rechtvaardigt niet de verwachting dat verweerder ter zake geen besluit meer zou nemen. Appellante wist immers, althans kon weten, dat het tijdsverloop grotendeels samenhing met het wachten op de resultaten van de lopende onderzoeken. De AID heeft uiteindelijk op 18 juli 1998 rapport uitgebracht, op grond waarvan verweerder relatief kort daarna het primaire besluit heeft genomen.
Appellantes opvatting dat verweerder rechtens niet meer tot terugvordering had mogen overgaan, omdat appellante aan het vooraf ingewonnen advies bij verweerder en aan de definitieve betaling van de restitutie door verweerder het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat aan de bewijsverplichting is voldaan, deelt het College evenmin. Het vertrouwensbeginsel reikt niet zover dat appellante aan de betaling van restitutie op grond van een kennelijk onjuiste beoordeling door verweerder van een door appellante zelf overgelegd invoerdocument de rechtens te honoreren verwachting kan ontlenen dat niet meer tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde restitutie zal worden overgegaan. Appellante is, als exporteur die de restitutie heeft aangevraagd, zelf verantwoordelijk voor het overleggen van een deugdelijk bewijs van invoer en derhalve voor de in de daartoe strekkende documenten vermelde codes.
Het lag dan ook op de weg van appellante zich er van te vergewissen of het door haar overgelegde document inderdaad tot bedoeld bewijs kon dienen en derhalve of de hierin vermelde codes niet juist wijzen op het tegendeel van hetgeen appellante beoogt te bewijzen. Het enkele feit dat appellante vooraf bij verweerder heeft geïnformeerd of het te overleggen document voldoet, brengt niet mee dat zij geacht kan worden van haar eigen verplichtingen ter zake te zijn gekweten. Dit geldt te minder nu niet gebleken is dat zij zich destijds tot verweerder heeft gewend met de specifieke en uitdrukkelijke vraag naar de betekenis van de code in vak 37. Door onderzoek naar die betekenis achterwege te laten, heeft appellante het risico genomen dat die code wijst op goederen die tijdelijk worden ingevoerd en voor wederuitvoer zijn bestemd, zoals nadien is gebleken.
De gevolgen hiervan dienen voor rekening van appellante te komen.
5.3 Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2003. w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaa