College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2004:AO3835
College van Beroep voor het bedrijfsleven No.AWB 03/165 21 januari 2004 7810 Verordening zelfcontrole runderen op het verbod gebruik van bepaalde stoffen Uitspraak in de zaak van:
Veevoederbedrijf Alpuro B.V., te Uddel, appellante, gemachtigde: mr. J.S.W. Lucassen, advocaat te Zutphen, tegen het Productschap Vee en Vlees, verweerder, gemachtigde: mr. W.J.L. Verheul, werkzaam bij verweerder.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de in paragraaf 2.2 van deze uitspraak weergegeven mededeling in een brief van 15 juli 2002 van de voorzitter van verweerder.
Appellante heeft bij brief van 24 februari 2003 de gronden van het beroep aan het College doen toekomen.
Verweerder heeft op 23 april 2003 een verweerschrift ingediend.
Op 10 december 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigde nader hebben toegelicht.
Artikel 7 De voorzitter kan van de verboden, bedoeld in artikel 2 en 3, in noodgevallen of calamiteiten op aanvraag, ontheffing verlenen en aan een zodanige ontheffing beperkingen en voorschriften verbinden."
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
Voorts heeft hij geoordeeld dat het bezwaar geen doel treft en hiertoe als volgt overwogen. De eerste volzin van de mededeling vermeldt niet anders dan hetgeen in artikel 4, derde lid, van de Verordening is bepaald. De tweede volzin geeft aan dat de AID niet behoort tot de groep van erkende monstername-instanties. Dat de monsternames van de AID derhalve niet voldoen aan de vereisten die vanuit de Verordening worden gesteld is louter een feitelijke constatering. Gelet op het feit dat de AID in het kader van de Verordening niet als monstername instantie is erkend, moet dan ook worden geoordeeld dat de betreffende mededeling feitelijk juist is.
In het verweerschrift is onder meer aangevoerd dat, anders dan appellante stelt, verweerder noch in het primaire besluit noch in het bestreden besluit heeft gesteld dat kalveren die al zijn bemonsterd door de SKV ten behoeve van de AID, nogmaals moeten worden bemonsterd door de SKV.
Om redenen waarvan hierna zal blijken, zal het College een verdere weergave van het standpunt van appellante hier achterwege laten.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de mededeling niet meer behelst dan de feitelijke constatering dat de monsternames van de AID, als niet-erkende instantie, niet voldoen aan de vereisten voor individuele bemonstering die vanuit de Verordening worden gesteld en dat met deze mededeling niet is gesteld dat kalveren die al zijn bemonsterd door de SKV ten behoeve van de AID nogmaals moeten worden bemonsterd. Het College acht dit standpunt betreffende de inhoud van de mededeling juist. De mededeling biedt tekstueel geen grond om aan te nemen dat kalveren die al zijn bemonsterd door de SKV ten behoeve van de AID nogmaals moeten worden bemonsterd. Hiervoor is te minder reden, nu de mededeling een reactie is op het herzieningsverzoek van appellante van 11 juli 2001, waaruit op geen enkele wijze blijkt dat de SKV bij de steekproefneming door de AID betrokken is geweest.
Het College is van oordeel dat de mededeling, aldus opgevat, niet als een besluit in de zin van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Wbbo juncto artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Dat de monsternames door de AID als niet-erkende instantie niet als individuele bemonstering in de zin van de Verordening kunnen dienen, vloeit immers voort uit artikel 4, derde lid, van de Verordening. De mededeling is dan ook niet op rechtsgevolg gericht.
Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 13 augustus 2002 (gepubliceerd in AB 2003/38), kan het geven van een als zelfstandig en als definitief bedoeld rechtsoordeel omtrent de toepasselijkheid van een wettelijke bepaling in de gegeven situatie ten aanzien waarvan verweerder de bevoegdheid heeft, in zeer bijzondere gevallen worden aangemerkt als het verrichten van een op zichzelf staande publiekrechtelijke rechtshandeling, die bij de naar de materie bevoegde bestuursrechter kan worden aangevochten. Van een dergelijk rechtsoordeel is hier evenwel geen sprake, reeds niet nu (de voorzitter van) verweerder ten aanzien van de handhaving van het in artikel 4, eerste lid, van de Verordening bedoelde verbod geen bevoegdheid heeft.
Het College is ten slotte van oordeel dat de mededeling ook niet als een andere handeling in de zin van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Wbbo kan worden aangemerkt. De voorzitter van verweerder heeft de mededeling, anders dan hij heeft gesteld, niet ter uitvoering van zijn bestuurstaak gedaan. Immers, de voorzitter voornoemd is, gelet op artikel 4, derde lid, van de Verordening, weliswaar bevoegd inzake de erkenning van instanties die de aldaar bedoelde individuele bemonstering dienen te verrichten, maar de voorzitter noch verweerder zelf heeft een uitvoerende bestuurstaak ten aanzien van de handhaving van het in artikel 4, eerste lid, van de Verordening bedoelde verbod.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder appellante ten onrechte in haar bezwaar heeft ontvangen. Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Er zijn tevens termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.
Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004. w.g. C.M. Wolters w.g. L. van Duuren