← Nederland

ECLI:NL:CBB:2004:AO4687

lege van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 03/200 en 03/201 17 februari 2004 20010 Wet op de Registeraccountants Raad van tucht Amsterdam Uitspraak in de zaken van: 1) A, kantoorhoudende te X, gem

§ 3.6.1 van deze uitspraak, doel treft.

3.9 De tweede grief van C behelst dat de raad van tucht ten onrechte ongegrond heeft verklaard het klachtonderdeel dat A, door als getuige-deskundige op te treden, ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat hij als onafhankelijke en objectieve deskundige kan worden opgemerkt. Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht terecht overwogen dat A zichzelf niet als getuige-deskundige heeft gepresenteerd en dat hem evenmin kan worden verweten dat anderen hem als zodanig hebben aangeduid. Het College overweegt in dit verband dat aan alle betrokkenen in de strafzaak tegen C genoegzaam bekend was dat A werknemer van K is. Reeds daarom was duidelijk dat A geen onafhankelijke deskundige was. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat A daar zelf nog eens op had moeten wijzen. Het College merkt overigens op dat de rechtbank Amsterdam in het in § 3.2.1 van deze uitspraak genoemde strafvonnis van 21 december 2001 heeft geoordeeld dat het rapport niet kan gelden als (de uitkomst van) een onafhankelijk onderzoek, "nu het een intern onderzoek van de bank betreft, terwijl niet valt in te zien waaruit een andere pretentie zou voortvloeien". De tweede grief van C faalt derhalve. 3.11 De derde grief van C houdt in dat de raad van tucht ten onrechte ongegrond heeft verklaard het klachtonderdeel dat A heeft nagelaten C en familieleden toestemming te vragen voor het inzien en onderzoeken van bankbescheiden van C en familieleden. In reactie op dit klachtonderdeel heeft A onder meer aangevoerd dat hij geen enkele bemoeienis heeft gehad met het inzien van bankbescheiden van C of diens familieleden, hetgeen door C in de toelichting op zijn derde grief niet is weersproken. Reeds hierom kan de derde grief van C niet slagen. 3.12 Gelet op het vorenoverwogene is de eerste grief van C deels terecht voorgedragen. Het College zal derhalve het beroep van C gegrond verklaren en de bestreden tuchtbeslissing vernietigen, voorzover daarbij is geoordeeld dat (ook) de in § 3.5.

§ 3.6.1 van deze uitspraak bedoelde mededelingen deugdelijke grondslag hebben.

Voor het overige kan het beroep van C niet leiden tot vernietiging van de bestreden tuchtbeslissing. Het College kan de zaak zelf afdoen. Uit het vorenoverwogene volgt dat de klacht, voorzover daarop gezien de gegrondverklaring van het beroep van C opnieuw moet worden beslist, gegrond moet worden verklaard. Met name gezien het interne karakter van het rapport acht het College het tuchtrechtelijk verwijt dat A treft onvoldoende ernstig voor het opleggen van een maatregel. Dienovereenkomstig zal worden beslist. Het vorenoverwogene leidt tot de in rubriek 5 van deze uitspraak te melden beslissing op het beroep van C, welke beslissing rust op titel II, § 6, Wet RA en op artikel 11, eerste lid, GBR-

  1. De beoordeling van het beroep van A 4.1 De eerste grief van A behelst dat de raad van tucht het interne karakter van het rapport heeft miskend door (in § 3.8 van de bestreden tuchtbeslissing) te overwegen dat A er rekening mee had moeten houden dat zijn rapport zou worden gebruikt in het kader van een strafrechtelijke aangifte, ook al was het rapport aanvankelijk voor interne doeleinden geschreven. Gezien hetgeen is overwogen in § 3.2.1 van deze uitspraak is de eerste grief van A naar het oordeel van het College terecht voorgedragen. Voorzover de raad van tucht mede tot uitdrukking heeft willen brengen dat A zich er in ieder geval ná het schrijven en aanbieden van het rapport van bewust moet zijn geworden dat het rapport bij een aangifte zou kunnen worden gebruikt en niet heeft geprobeerd dat te voorkomen, stelt het College vast dat dit verwijt geen deel uitmaakt van de klacht van C. 4.2 De tweede grief van A behelst dat de raad van tucht (in § 3.3 van de bestreden tuchtbeslissing) ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevindingen in het rapport, in onderling verband beschouwd, bij een buitenstaander licht de indruk kunnen wekken dat alle medewerkers van L op de hoogte waren of zelfs (verdergaand) betrokken waren bij de in het rapport beschreven fraude. Naar het oordeel van het College heeft A terecht betoogd dat de motivering van de bestreden tuchtbeslissing innerlijk tegenstrijdig is. Indien iedere afzonderlijke bevinding in een rapport een deugdelijke grondslag heeft, hetgeen volgens de raad van tucht het geval is, valt niet in te zien hoe dat rapport in zijn totaliteit een deugdelijke grondslag kan ontberen. Evenmin valt in te zien welke (andere) gedragsregel zou zijn geschonden indien een intern rapport dat bestaat uit mededelingen met (volgens de raad van tucht) deugdelijke grondslag bij "een buitenstaander" een bepaalde indruk kan wekken. Nu sprake is van een intern rapport, is bovendien niet duidelijk op welke "buitenstaander" de raad van tucht het oog heeft. 4.3 Gelet op het vorenoverwogene treffen de eerste en tweede grief van A doel en kan de bestreden tuchtbeslissing niet in stand blijven. Het College zal derhalve het beroep van A gegrond verklaren en de bestreden tuchtbeslissing vernietigen, voorzover daarbij de raad van tucht de klacht gegrond heeft verklaard en A de maatregel van schriftelijke waarschuwing heeft opgelegd. Het College kan de zaak zelf afdoen. Uit het vorenoverwogene volgt dat de klacht, voorzover daarop gezien de gegrondverklaring van het beroep van A opnieuw moet worden beslist, ongegrond moet worden verklaard. Dienovereenkomstig zal worden beslist. De overige grieven van A behoeven derhalve geen bespreking meer. Na te melden beslissing op het beroep van A rust op titel II, § 6, Wet RA.
  2. De beslissingen Het College: - verklaart het beroep van C gegrond; - verklaart het beroep van A gegrond; - vernietigt de bestreden tuchtbeslissing, voorzover daarbij: a) is geoordeeld dat de in § 3.5.

§ 3

.6.1 van deze uitspraak bedoelde bevindingen deugdelijke grondslag hebben;

  1. b)de klacht van C gegrond is verklaard;
  2. c)A de maatregel van schriftelijke waarschuwing is opgelegd; - verklaart de klacht gegrond, voorzover die ertoe strekt dat de in § 3.5.

§ 3

.6.1 van deze uitspraak bedoelde bevindingen geen deugdelijke grondslag hebben; - verklaart de klacht ongegrond in alle overige onderdelen waarop gezien de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden tuchtbeslissing opnieuw moet worden beslist; - bepaalt dat A terzake van het gegrond bevonden gedeelte van de klacht geen maatregel wordt opgelegd. Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. C.J. Borman en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2004. w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.