College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 03/432 25 maart 2004 20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten Raad van tucht Amsterdam Uitspraak in de zaak van: A2, wonende te X2, A4, wonende te X4, en A5, wonende te X5, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 11 februari 2003, gemachtigde: B, kantoorhoudende te X5. 1. De procedure Bij brief van 29 oktober 2001 hebben appellanten en vier anderen bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen C, wonende te Y2. Bij beslissing van 11 februari 2003 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht. Op 9 april 2003 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van de raad van tucht. Bij brief van 27 mei 2003 heeft C gereageerd op het beroepschrift. Bij brief van 16 januari 2004 hebben appellanten nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2004. Aldaar waren aanwezig de gemachtigde van appellanten, C en zijn gemachtigde mr. T.L. Cieremans, advocaat te Rotterdam, alsmede - aan de zijde van C - P en Q, beiden werkzaam bij Z1. 2. De beslissing van de raad van tucht Bij tuchtbeslissing van 11 februari 2003 heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard. Terzake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van de klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de bestreden tuchtbeslissing, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd. 3. De beoordeling van het beroep 3.1 In het klaagschrift van 29 oktober 2001 hebben appellanten en hun medeklagers betoogd dat C ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft afgegeven bij de jaarrekening 1993 van K. In reactie hierop heeft C erop gewezen dat hij deze verklaring niet heeft afgegeven. Gelet hierop heeft de raad van tucht dit klachtonderdeel terecht ongegrond verklaard wegens gebrek aan feitelijke grondslag. In het beroepschrift hebben appellanten gesteld dat zij C verwijten dat ten onrechte een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1993 van K is afgegeven. Het College stelt voorop dat in beroep geen nieuwe klachtonderdelen mogen worden aangevoerd. Afgezien daarvan heeft C de door appellanten gewraakte verklaring zoals gezegd niet afgegeven, zodat het verwijt van appellanten zonder grond is. Al hetgeen appellanten hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat ten onrechte een goedkeurende verklaring is afgegeven bij de jaarrekening 1993 van K kan derhalve niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. 3.2 Voorts hebben appellanten in het beroepschrift naar voren gebracht dat C en F bij brief van 3 januari 1996 hebben gesteld dat terecht een goedkeurende verklaring is afgegeven bij de jaarrekening 1993 van "V1". Dit vormt volgens appellanten een impliciete verklaring dat ook bij de jaarrekening 1993 van K terecht een goedkeurende verklaring is afgegeven. Blijkens de brief van 3 januari 1996 is een dossierreview uitgevoerd bij S, de toenmalige accountant van V1, teneinde een deugdelijke grondslag te verkrijgen voor het meeconsolideren van de balans van V1 per ultimo 1993 in de geconsolideerde jaarrekening 1993 van K. In hun brief van 3 januari 1996 schrijven C en F: "Op basis van dit dossierreview onderschrijven wij de door S afgegeven goedkeurende verklaring.". Dit onderschrijven ziet derhalve op de door (een accountant van) S afgegeven goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1993 van V1. Het College ziet niet in waarom hierin mede de verklaring zou moeten worden gelezen dat F, verbonden aan (ten tijde hier van belang) Z2, terecht een goedkeurende verklaring heeft afgegeven bij de jaarrekening 1993 van K. Appellanten hebben deze stelling in het beroepschrift ook niet toegelicht. Ook overigens blijkt uit de brief van 3 januari 1996 naar het oordeel van het College niet dat C in de brief van 3 januari 1996 impliciet dan wel expliciet een oordeel heeft uitgesproken over de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1993 van K, laat staan dat hij op grond van zelfstandig onderzoek zou hebben (vast)gesteld dat deze verklaring terecht is afgegeven. De brief van 3 januari 1996 draagt het opschrift "vertrouwelijk" en is opgesteld naar aanleiding van vragen van J, hetgeen er evenmin op duidt dat deze brief zonder meer op één lijn kan worden gesteld met een verklaring bij een verantwoording. 3.3 Verder hebben appellanten in het beroepschrift gesteld dat de brief van 15 oktober 1997 een expliciete bevestiging vormt van de goedkeurende verklaring bij de jaarrekeningen 1993 en 1994 van K. Blijkens hun brief van 15 oktober 1997 hebben C en G op verzoek van K een onderzoek verricht naar aanleiding van een aantal door K geformuleerde vragen over de jaarrekeningen 1993 en 1994 van K en haar dochtermaatschappijen. Na een weergave van deze vragen schrijven C en G: "Bij de geconsolideerde jaarrekeningen van K over 1993 en 1994 zijn door Z2 goedkeurende accountantsverklaring afgegeven. Dit verslag is gebaseerd op onze bevindingen bij de controle van deze jaarrekeningen en op de kennis van de (geautomatiseerde) informatiesystemen van K die wij in het kader van de controle van de jaarrekeningen hebben opgedaan. Daarnaast is door ons een aantal aanvullende controlemaatregelen uitgevoerd ter beantwoording van de bovengenoemde vragen." Vervolgens gaan C en G in op de door K gestelde vragen. De in de brief van 15 oktober 1997 genoemde omstandigheid dat bij de jaarrekeningen 1993 en 1994 van K goedkeurende verklaringen zijn afgegeven, is naar het oordeel van het College niet meer dan een feitelijke vaststelling. Uit de brief van 15 oktober 1997 blijkt niet dat C heeft gecontroleerd en vervolgens (vast)gesteld dat F terecht een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1993 van K heeft afgegeven. De tekst van de brief van 15 oktober 1997 heeft ook niet de vorm van een goedkeurende verklaring, maar bevat antwoorden op een aantal door K geformuleerde vragen over de jaarrekeningen 1993 en 1994 van K. Het College merkt overigens op dat niet is geklaagd over de bij de jaarrekening 1994 van K afgegeven goedkeurende verklaring. Het College volgt appellanten dan ook niet in hun stelling dat C bij brief van 15 oktober 1997 expliciet heeft verklaard dat bij de jaarrekening 1993 van K terecht een goedkeurende verklaring is afgegeven. 3.4 De in het beroepschrift opgenomen verwijzing naar de beslissing van 3 september 2001 van de raad van tucht op een klacht tegen R miskent dat het daar ging om een beslissing op een klacht tegen een andere accountant. C is niet verantwoordelijk voor werkzaamheden die een andere accountant heeft verricht. Evenmin hoeft hij hetgeen is beslist in een procedure waarbij hijzelf geen partij zonder meer tegen zich te laten gelden. Hetzelfde geldt voor hetgeen namens appellanten ter zitting van het College is aangevoerd over beslissingen in andere tuchtzaken. In hetgeen appellanten in het beroepschrift en ter zitting van het College hebben gesteld over beslissingen in andere tuchtzaken ziet het College geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad van tucht onderhavige klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard. 3.5 Hetgeen appellanten in het beroepschrift en ter zitting van het College hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat V1 en V2 geen groep vormen als bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek, is in de procedure bij de raad van tucht reeds naar voren gebracht. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat de klacht in dit opzicht ten onrechte ongegrond is verklaard. 3.6 Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de raad van tucht ten onrechte niet heeft beslist op de klacht dat ten onrechte een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1993 van V1 is afgegeven. Het College stelt voorop dat C bedoelde verklaring niet heeft afgegeven. Voorzover appellanten hebben willen betogen dat de brief van 3 januari 1996 op één lijn moet worden gesteld met een goedkeurende verklaring van evengenoemde jaarrekening, volgt het College appellanten hierin niet. Uit de brief van 3 januari 1996 blijkt zoals gezegd dat een review is verricht met het oog op meeconsolidatie van de balans van V1 per ultimo 1993. Niet blijkt dat C de jaarrekening 1993 van laatstgenoemde vennootschap integraal heeft gecontroleerd en op grond daarvan heeft (vast)gesteld dat daarbij terecht een goedkeurende verklaring is afgegeven. De brief van 3 januari 1996 is ook niet opgesteld in de vorm van een goedkeurende verklaring en blijkens het vertrouwelijke karakter van deze brief heeft C ook niet beoogd een verklaring bij een verantwoording af te geven of de juistheid van zodanige verklaring te bevestigen. 3.7 De raad van tucht heeft het klachtonderdeel over de brief van 12 februari 1997 ongegrond verklaard omdat deze brief niet door C is ondertekend en dat niet aannemelijk is dat hij op enigerlei wijze verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor de inhoud daarvan. In beroep hebben appellanten aangevoerd dat C op grond van zijn betrokkenheid bij de bindend adviesprocedure wel degelijk medeverantwoordelijkheid draagt voor de brief van 12 februari 1997. Naar het oordeel van het College vormt de enkele omstandigheid dat brieven van C in de bindend adviesprocedure zijn overgelegd geen grond voor het oordeel dat hij "betrokken was" bij die procedure. Bovendien hebben appellanten niet onderbouwd waarom C op grond van deze gestelde betrokkenheid tuchtrechtelijk zou kunnen worden aangesproken op de inhoud van de brief van 12 februari 1997. Ook deze grief faalt derhalve. 3.8 De stelling van appellanten dat het vierde en vijfde klachtonderdeel zonder deugdelijke motivering ongegrond zijn verklaard, kan reeds bij gebrek aan enige toelichting of onderbouwing niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. 3.9 Voorzover appellanten ter zitting van het College argumenten hebben aangevoerd die niet zijn aan te merken als een nadere uitwerking van het gestelde in het beroepschrift, moeten deze argumenten naar het oordeel van het College buiten beschouwing worden gelaten omdat C zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verweren. 3.10 Het beroep kan derhalve niet slagen. Na te melden beslissing rust op titel II van de Wet op de Registeraccountants. 4. De beslissing Het College verwerpt het beroep. Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. J.L.W. Aerts en mr. B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2004. w.g. C.J. Borman w.g. B. van Velzen Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam BESLISSING van 11 februari 2003 in de zaak met nummer R 326 van: A!, wonende te X1, A2, wonende te X2, A3, wonende te X3, A4, wonende te X4, A5, wonende te X5, A6, wonende te X3, A7, wonende te X7, K L A G E R S, t e g e n C, registeraccountant, wonende te Y1, B E T R O K K E N E. 1. Het verloop van de procedure 1.1 De Raad heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewissel-de en aan partijen bekende stukken, waaronder: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.