College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 03/1099 24 juni 2004 32100 Plantenziektenwet Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, gemachtigde: mr. H.A. Bosma, advocaat te Dronten, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigden: mr. J.A. Diephuis en mr. drs. P.J. de Vries. 1. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 21 november 2002 heeft verweerder appellant medegedeeld dat in een partij aardappelen op een ander bedrijf een besmetting met Ralstonia solanacearum, de bacterie die bruinrot veroorzaakt, is vastgesteld. De consumptiepartij Asterix aardappelen op het perceel van appellant, waarvan het pootgoed afkomstig was van telernummer *, is – aldus is in het besluit vermeld – klonaal verwant aan de besmette partij, om welke reden de partij van appellant in een nader onderzoek zal worden betrokken. Hangende dit onderzoek zijn appellant bij dit besluit met betrekking tot de bedoelde partij Asterix op grond van artikel 2 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (hierna ook wel: Bbso) en artikel 11 van de Plantenziektenwet (hierna ook wel: Pzw) maatregelen aangezegd. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 31 december 2002 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 mei 2003 heeft verweerder appellant te kennen gegeven dat in meerdere partijen aardappelen die op andere bedrijven zijn geteeld, een besmetting met bruinrot is vastgesteld. De reeds bij besluit van 21 november 2002 vastgelegde partij Asterix aardappelen van appellant is klonaal verwant aan deze besmette partijen. Hoewel in de partij van appellant geen bruinrotbesmetting is aangetroffen en de partij reeds is afgezet, ziet verweerder aanleiding de partij aan te merken als “waarschijnlijk besmet”. Op basis hiervan is appellant op grond van artikel 17 Bbso aangezegd in het teeltseizoen 2003 geen aardappelen te telen en ten genoegen van de Plantenziektenkundige Dienst (hierna: PD) een voldoende bestrijding uit te voeren van opslagplanten van aardappel en andere solanaceën. De aanzegging van 21 november 2002 is hiermee vervallen. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 juni 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 juni 2003 heeft verweerder appellant medegedeeld dat zijn bedrijf, omdat het in de jaren 2000, 2001 en/of 2002 te maken heeft gehad met de teelt van aardappelen die (waarschijnlijk) besmet zijn bevonden met bruinrot, is opgenomen in de zogenoemde survey. Op grond van artikel 2 Bbso en artikel 2 van de Regeling bestrijding schadelijke organismen (hierna ook wel: Rbso) zijn appellant bij dit besluit maatregelen aangezegd met betrekking tot zijn bedrijf. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 juli 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 juli 2003 heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 september 2003, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Bij brief van 18 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 23 maart 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen en verweerder zich door zijn gemachtigden heeft doen vertegenwoordigen. 2. De beoordeling van het geschil 2.1 In artikel 3, eerste lid, van de Plantenziektenwet is bepaald dat ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding daarvan bij algemene maatregel van bestuur regelen kunnen worden gesteld omtrent de in deze bepaling genoemde onderwerpen. Bedoelde regelen zijn neergelegd in het Besluit bestrijding schadelijke organismen. In § 2 (artikelen 2 t/m 7) Bbso zijn maatregelen opgenomen bij aantasting of verdenking van aantasting van partijen. In § 3 (artikelen 8 t/m 12) Bbso zijn maatregelen opgenomen bij besmetting of verdenking van besmetting van grond of andere cultuurmedia. De Regeling bestrijding schadelijke organismen voorziet in de bevoegdheid van verweerder om in de gevallen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, Bbso teeltverboden op te leggen en aanwijzingen te geven voor de teelt. Bij het nemen van beslissingen omtrent maatregelen ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding daarvan zijn voorts van belang Richtlijn 98/57/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 1998 betreffende de bestrijding van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. (Pb 1998, L 235/1; de Bruinrotrichtlijn) en Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (Pb 2000, L 169/1; de Fytorichtlijn). 2.2 De bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluiten betreffen de aanzegging van maatregelen op grond van het Bbso en de Rbso. Bedoelde besluiten berusten alle op het bestaan van klonale verwantschap tussen een partij Asterix aardappelen op het perceel van appellant (teeltjaar 2002), waarvan het pootgoed afkomstig was van telernummer *, en een eind 2001 bij die teler met bruinrot besmet bevonden partij. De partij Asterix van appellant is later bij onderzoek niet besmet bevonden met bruinrot. 2.3 Appellant betwist niet dat de bedoelde partij aardappelen van teler * besmet was met bruinrot. Wel betwijfelt hij het bestaan van klonale verwantschap tussen zijn partij Asterix en de besmet bevonden partij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.