College van Beroep voor het bedrijfsleven Nr. 03/1491 16 december 2004 20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten Raad van tucht Amsterdam Uitspraak in de zaak van: A, te X, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 28 oktober 2003, gemachtigde: P, directeur van appellante. 1. De procedure Bij brief van 30 januari 2003 heeft appellante bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen RA, te Y. Bij beslissing van 28 oktober 2003, dezelfde dag aan appellante en RA toegezonden, heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht. Op 24 december 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing van de raad van tucht. Bij brief van 9 januari 2004 heeft de secretaris van de raad van tucht de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College. Bij brief van 29 maart 2004 heeft RA gereageerd op het beroepschrift. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2004. Aldaar waren aanwezig de gemachtigde van appellante, RA en zijn gemachtigde mr. T.L. Cieremans, advocaat te Rotterdam. 2. De beslissing van de raad van tucht Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en RA de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd. Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de bestreden tuchtbeslissing, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd. 3. De beoordeling van het beroep 3.1 De eerste grief van appellante houdt in dat de raad van tucht de specifieke EDP-aspecten van de klacht ten onrechte niet inhoudelijk heeft willen behandelen. Ter zitting van het College heeft appellante deze grief in zoverre ingetrokken dat zij een inhoudelijk oordeel van de raad van tucht of het College over de desbetreffende onderdelen van de klacht niet langer noodzakelijk acht. Wel wenst appellante dat het College een oordeel geeft over de wijze waarop de raad van tucht is omgegaan met de EDP-aspecten van de klacht, waartoe zij in het bijzonder het volgende naar voren heeft gebracht. Ter zitting van de raad van tucht is appellante medegedeeld dat de raad niet beschikt over de noodzakelijke deskundigheid om een oordeel te vellen over de EDP-aspecten van de klacht, is haar gevraagd of zij ermee kon instemmen dat deze aspecten buiten beschouwing zouden worden gelaten en is haar medegedeeld dat zij ter zake een klacht kon indienen bij de raad van tucht voor Register EDP-auditors (hierna: raad van tucht RE). Appellante is hiermee akkoord gegaan. Nadien ontdekte zij dat de raad van tucht ingevolge artikel 43, eerste lid, Wet RA deskundigen kan oproepen en horen en dat de raad op deze wijze de voor het beoordelen van de EDP-aspecten van de klacht noodzakelijke deskundigheid ter beschikking had kunnen krijgen. Appellante verwijt de raad van tucht dat hij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt en appellante daardoor min of meer heeft gedwongen een tijdrovende en kostbare procedure bij de raad van tucht RE aanhangig te maken. 3.1.1 Het door appellante in het kader van haar eerste grief aan het College gevraagde oordeel heeft uitsluitend betrekking op de wijze waarop de raad van tucht is omgegaan met de EDP-aspecten van de klacht en is niet relevant voor het antwoord op de vraag of RA tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, nu appellante een inhoudelijk oordeel van de raad van tucht of het College over de specifieke EDP-aspecten van de klacht niet langer noodzakelijk acht. Onder deze omstandigheden dient de door appellante gevraagde beoordeling geen van de in artikel 33, eerste lid, Wet RA genoemde doelen van de tuchtrechtspraak voor registeraccountants, zodat deze beoordeling achterwege dient te blijven. Het College verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 14 juli 2004 (02/1398; <http://www.rechtspraak.nl>, LJN AQ6259), waarin in gelijke zin is overwogen. Afgezien daarvan is de overweging van de raad van tucht, inhoudende dat appellante ermee akkoord is gegaan dat de specifieke EDP-aspecten van de klacht buiten beschouwing worden gelaten, feitelijk juist. De eerste grief van appellante kan derhalve niet leiden tot gegrondverklaring van haar beroep. 3.1.2 Voorzover appellante ter zitting van het College heeft verzocht om een uitspraak over de vraag of het wettelijk gezien mogelijk is dat zowel de raad van tucht als de raad van tucht RE een klacht behandelt tegen een registeraccountant die tevens als EDP-auditor is opgetreden, overweegt het College dat artikel 52 Wet RA niet de ruimte biedt op dit verzoek in te gaan, nu het niet gaat om een grief tegen (een onderdeel van) de beslissing van de raad van tucht of de onderbouwing daarvan. 3.2 De tweede grief luidt dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat RA ten tijde van het opstellen van zijn rapport van 17 oktober 2000 geen weet had van afspraken die appellante in maart 2000 met K had gemaakt. Ter toelichting op deze grief heeft appellante naar voren gebracht dat op 7 september 2000 een e-mail aan F is verzonden, waaruit de desbetreffende afspraken blijken. 3.2.1 Ter zitting van het College heeft RA verklaard dat hij de e-mail van 7 september 2000 niet onder ogen heeft gekregen voordat hij zijn rapport van 17 oktober 2000 opstelde. RA sluit niet uit dat deze e-mail de geadresseerde, een onder zijn verantwoordelijkheid werkzame medewerker van F EDP Audit, heeft bereikt. 3.2.2 Nu niet vaststaat dat RA de e-mail van 7 september 2000 onder ogen heeft gekregen, is de door appellante gewraakte overweging van de raad van tucht strikt genomen niet onjuist. In aanmerking genomen dat RA niet heeft betwist dat deze e-mail de geadresseerde heeft bereikt, had RA naar het oordeel van het College op de hoogte moeten worden gebracht van de inhoud daarvan. De tweede grief strekt echter niet ten betoge dat RA op de hoogte had behoren te zijn van in maart 2000 door appellante met K gemaakte afspraken, maar dat RA hiervan ook daadwerkelijk op de hoogte was. Nu dit laatste niet vaststaat, faalt de tweede grief. 3.3 De derde grief houdt in dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat RA geen hoor en wederhoor hoefde toe te passen in het kader van het opstellen van zijn rapport van 17 oktober 2000. Appellante heeft betoogd dat het niet toepassen van hoor en wederhoor heeft geleid tot een rapport waarin onjuiste mededelingen zijn vervat. Zo heeft appellante als vijfde grief aangevoerd dat de raad van tucht heeft miskend dat een in het rapport van 17 oktober 2000 opgenomen bevinding over de euroconversie een deugdelijke grondslag ontbeert. 3.3.1 Om deze grieven te kunnen beoordelen, dient het College allereerst vast te stellen aan welke bepalingen uit de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) de handelwijze van RA moet worden getoetst. Hiertoe moet worden nagegaan of RA al dan niet als accountant of openbaar accountant is opgetreden. Hoewel de inhoud van het rapport van 17 oktober 2000 er niet onmiskenbaar op duidt dat RA bij het opstellen van dit rapport als accountant of openbaar accountant is opgetreden, vormt de aard van het aan dit rapport ten grondslag liggende onderzoek evenmin grond voor het oordeel dat evident is dat RA bij het opstellen van genoemd rapport níet als accountant of openbaar accountant is opgetreden. RA heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij zijns inziens niet alleen heeft gerapporteerd als RE, maar ook als RA. Ter zitting van het College heeft RA desgevraagd verklaard dat hij tot voorjaar 2004, naast het verrichten van werkzaamheden voor F EDP Audit, ook verklaringen bij jaarrekeningen heeft afgegeven. Naar moet worden aangenomen deed RA dit onder dezelfde naam als die waaronder hij het rapport van 17 oktober 2000 heeft opgesteld. Het rapport van 17 oktober 2000 is opgesteld op papier dat de vermelding "F EDP Audit" bevat. Voorts heeft RA zijn brieven aan appellante en K ondertekend met gebruikmaking van zijn titels RE en RA en hij heeft deze brieven opgesteld op briefpapier van F EDP Audit. Op dit briefpapier is vermeld dat F EDP Audit een gespecialiseerde adviesgroep is van de maatschap F Accountants. Gelet op deze feiten en omstandigheden moet worden geoordeeld dat RA bij het opstellen van het rapport van 17 oktober 2000 is opgetreden onder gemeenschappelijke naam met de openbare accountants van F. Gezien het vorenoverwogene moet RA ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c en d, GBR-1994 bij het opstellen van het rapport van 17 oktober 2000 voor de toepassing van de GBR-1994 geacht worden te zijn opgetreden als openbaar accountant. Dit betekent dat zijn handelen mede moet worden getoetst aan de hoofdstukken III en IV GBR-1994. 3.3.2 Het in hoofdstuk III GBR-1994 opgenomen artikel 11, eerste lid, schrijft voor dat de registeraccountant slechts mededelingen doet omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen. Hij draagt er zorg voor dat zodanige mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid. Artikel 11 GBR-1994 heeft mede betrekking op de zorgvuldigheid waarmee een accountant een door hem gedane mededeling voorbereidt. De enkele omstandigheid dat geen hoor en wederhoor is toegepast, impliceert niet dat een mededeling deugdelijke grondslag ontbeert. Het antwoord op de vraag of de deskundigheid van de accountant en de door hem verrichte werkzaamheden een deugdelijke grondslag vormen voor het doen van een bepaalde mededeling is afhankelijk van inhoud en strekking van die mededeling. Hoor en wederhoor is derhalve geen doel op zich, maar een middel ter verkrijging van een deugdelijke grondslag voor het doen van mededelingen. In zijn uitspraak van 14 oktober 2004 (03/629 en 03/643; LJN AR9438) heeft het College met verwijzing naar eerdere jurisprudentie in gelijke zin overwogen. 3.3.3 De raad van tucht heeft zijn oordeel dat RA jegens appellante niet gehouden was hoor en wederhoor toe te passen alvorens zijn rapport van 17 oktober 2000 op te stellen, vooral doen steunen op het oordeel dat RA niet de opdracht had het softwareprogramma van appellante als zodanig te beoordelen. De raad van tucht heeft overwogen dat de opdracht van RA inhield de bedrijfsprocessen bij K te evalueren, waarbij hij als onderdeel van deze opdracht de werking van het door appellante geleverde softwaresysteem, zoals geïmplementeerd bij en gebruikt door K, diende te beoordelen. In beroep heeft appellante de juistheid van dit oordeel van de raad van tucht naar het oordeel van het College terecht bestreden, waartoe het volgende wordt overwogen. Bij brief van 4 juli 2000, die mede is ondertekend door RA, heeft F EDP Audit een offerte uitgebracht aan K. In deze brief is onder meer het volgende vermeld. "Conform afspraak doen wij u hierbij de offerte toekomen voor een post-implementation audit op J, het standaard ERP-pakket dat bij K ten behoeve van de ondersteuning van haar bedrijfsprocessen en de informatievoorziening wordt ingezet. (…) Nu de directie van K de overtuiging heeft, dat sprake is van een betrouwbaar en beheersbaar J systeem, wil zij dit onderstreept zien door een onafhankelijk, onpartijdig en deskundig oordeel omtrent de betrouwbaarheid en continuïteit van het J systeem zoals dat wordt ingezet bij K. (…) De audit dient zich te richten op de betrouwbaarheid en continuïteit van de gegevensverwe[r]king en informatievoorziening met behulp van J. (…)." Het rapport van 17 oktober 2000 is getiteld "Post-implementatie audit J". In de inleiding van dit rapport wordt verwezen naar de offerte en wordt onder meer het volgende vermeld. "Doelstelling van het onderzoek is vaststellen of de processen van K en L op een zodanige wijze worden ondersteund door het systeem J dat deze processen bij voortduring betrouwbaar kunnen worden uitgevoerd." Bijlage 1 bij het rapport van 17 oktober 2000 is getiteld "Bevindingen normenkader J". Gezien deze citaten en bij kennisneming van de verdere inhoud van het rapport van 17 oktober 2000 kan naar het oordeel van het College niet worden staande gehouden dat RA tot opdracht had de bedrijfsprocessen bij K in algemene zin te evalueren. Het door RA uitgevoerde onderzoek had specifiek betrekking op het functioneren van de software van appellante bij K (en L) en het rapport van 17 oktober 2000 heeft dan ook vrijwel uitsluitend betrekking op dit functioneren. 3.3.4 In zijn rapport van 17 oktober 2000 heeft RA een op meerdere punten negatief oordeel geveld over het functioneren van de software van appellante bij K. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat appellante en het aan haar gelieerde Q als leverancier onderscheidenlijk ontwikkelaar van deze software bij uitstek beschikten over informatie die van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek en de bevindingen van RA, had het naar het oordeel van het College op de weg van RA gelegen om, anders dan hij heeft gedaan, voorafgaand aan het uitbrengen van zijn rapport van 17 oktober 2000 jegens hen hoor en wederhoor toe te passen. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de vijfde grief van appellante, die als gezegd betrekking heeft op de euroconversie. 3.3.5 In bijlage 1 van het rapport van 17 oktober 2000, als gezegd getiteld "Bevindingen normenkader J", is onder punt zestig de volgende norm opgenomen. "Q levert een standaard conversietool voor J en een conversieprogramma voor het gebouwde maatwerk bij J." De op deze norm betrekking hebbende bevinding van RA luidt als volgt. "Q heeft op dit moment geen conversietool beschikbaar. Op 31 augustus 2000 is in hoofdlijnen vastgesteld welke gegevens dienen te worden geconverteerd." Appellante heeft in haar klaagschrift en vervolgens ook in beroep aangevoerd dat deze bevinding een deugdelijke grondslag ontbeert. Volgens appellante had Q wel degelijk een conversietool beschikbaar en had appellante deze tool op eerste verzoek bij K kunnen installeren. RA heeft dit niet weersproken. Naar het oordeel van het College kan de beslissing van de raad van tucht op het klachtonderdeel over de euroconversie geen stand houden. De raad van tucht heeft in § 5.3 van de bestreden tuchtbeslissing de door RA in § 2.5 van zijn rapport van 17 oktober 2000 getrokken conclusie besproken, maar niet de hierboven geciteerde bevinding waarover appellante heeft geklaagd. De ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel is derhalve niet deugdelijk gemotiveerd. RA heeft naar het oordeel van het College niet duidelijk kunnen maken waarop zijn standpunt dat Q (en daarmee appellante) geen conversietool beschikbaar had(den) is gebaseerd. Gesteld noch gebleken is dat deze bevinding is gebaseerd op onderzoek of navraag bij Q of appellante. Niet valt in te zien hoe RA op grond van een onderzoek bij K kan concluderen dat Q een bepaalde tool niet beschikbaar heeft, zonder zulks te verifiëren bij Q of appellante. Hier wreekt zich derhalve het niet toepassen van hoor en wederhoor. 3.3.6 Gezien het vorenoverwogene zijn de derde en vijfde grief terecht voorgedragen, is het beroep van appellante gegrond en moet de bestreden tuchtbeslissing worden vernietigd, voorzover daarbij het klachtonderdeel over het niet toepassen van hoor en wederhoor met betrekking tot het rapport van 17 oktober 2000 en het klachtonderdeel dat dit rapport onjuiste mededelingen bevat over de euroconversie ongegrond zijn verklaard. Het College ziet, gelet op het voorafgaande, aanleiding de zaak zelf af te doen en zal de desbetreffende klachtonderdelen gegrond verklaren. Het niet, althans onvoldoende, toepassen van hoor en wederhoor in het kader van het opstellen van het rapport van 17 oktober 2000 heeft geleid tot het in dat rapport vermelden van een onjuiste bevinding met betrekking tot de euroconversie. Aldus heeft RA gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, GBR-1994. Nu de door raad van tucht opgelegde maatregel mede is gebaseerd op het oordeel van de raad dat meerbedoelde twee klachtonderdelen ongegrond zijn, welk oordeel gezien het voorafgaande onjuist is, moet ook de door de raad van tucht opgelegde maatregel worden vernietigd. Het College zal de aan RA op te leggen maatregel vaststellen na beoordeling van de overige grieven. 3.4 De vierde grief houdt in dat de raad van tucht "onbewust, doch ten onrechte" heeft geconcludeerd dat RA bij het opstellen van zijn rapport van 20 september 2001 geen hoor en wederhoor hoefde toe te passen. 3.4.1 Het verwijt dat RA in het kader van het opstellen van zijn rapport van 20 september 2001 ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast, maakt geen deel uit van de klacht die appellante bij de raad van tucht heeft ingediend. Evenmin heeft appellante haar klacht in de procedure voor de raad van tucht in deze zin uitgebreid. De raad van tucht heeft dit verwijt dan ook niet beoordeeld, zodat de vierde grief faalt wegens het ontbreken van feitelijke grondslag. Voor het eerst in beroep bij het College aanvoeren van nieuwe klachtonderdelen bestaat op grond van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, Wet RA geen ruimte. 3.5 De zesde grief behelst dat de raad van tucht "onbewust, doch ten onrechte" heeft geconcludeerd dat RA zijn mededeling in het rapport van 20 september 2001, inhoudende dat hij de verbeterde versie van het door appellante aan K geleverde softwarepakket niet heeft onderzocht, "niet opzettelijk en valselijk heeft opgemaakt". 3.5.1 Zoals het College in voormelde uitspraak van 14 oktober 2004 met verwijzing naar eerdere jurisprudentie heeft overwogen, kan de klager ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, Wet RA geen beroep instellen tegen de gegrondverklaring van klachtonderdelen, de daaraan ten grondslag liggende motivering en de daaraan door de raad van tucht verbonden consequenties. Het door appellante in haar zesde grief gewraakte oordeel van de raad van tucht betreft de kwalificatie van een gegrond verklaard gedeelte van de klacht en is mitsdien niet vatbaar voor beroep door appellante. In zoverre dient haar beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. 3.6 De zevende grief houdt in dat de raad van tucht ten onrechte niet heeft beslist op het klachtonderdeel dat RA de vertrouwelijke brief van 22 april 2002 van appellante aan RA heeft doorgezonden aan V, het moederbedrijf van K. 3.6.1 Het College stelt vast dat het doorzenden van deze brief deel uitmaakt van de klacht en dat in de bestreden tuchtbeslissing niet is ingegaan op dit onderdeel van de klacht. Nu het hier een zelfstandig verwijt betreft, had de raad van tucht dit klachtonderdeel naar het oordeel van het College niet onbesproken mogen laten en is de zevende grief terecht voorgedragen. 3.6.2 Het College acht zich voldoende geïnformeerd om zelf te beslissen op dit klachtonderdeel. Het in hoofdstuk III GBR-1994 opgenomen artikel 10, eerste lid, schrijft voor dat de registeraccountant geheimhoudt al hetgeen hem in de uitoefening van zijn beroep als geheim is toevertrouwd of wat daarbij als een vertrouwelijke aangelegenheid te zijner kennis is gekomen, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is vereist. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de registeraccountant van vertrouwelijke gegevens die in de uitoefening van zijn beroep te zijner kennis zijn gekomen, niet verder of anders gebruikmaakt, en aan die gegevens niet verder of anders bekendheid geeft, dan voor de vervulling van zijn taak of bij of krachtens de wet wordt vereist. De aan RA gerichte brief van 22 april 2002 van appellante draagt het opschrift "VERTROUWELIJK". Deze brief is RA in de uitoefening van zijn beroep als geheim toevertrouwd, althans als vertrouwelijke aangelegenheid te zijner kennis gekomen. Zeker nu appellante expliciet had aangegeven dat sprake was van een vertrouwelijk schrijven, stond het RA naar het oordeel van het College niet vrij deze brief in kopie door te zenden aan V. Het in reactie op de brief van 22 april 2002 door RA ingenomen standpunt dat hij, gezien de door hem met V gemaakte afspraken, zonder toestemming van V niet nader kan ingaan op de inhoud en conclusies van zijn rapport van 17 oktober 2000, kan de doorzending van de brief van 22 april 2002 aan V naar het oordeel van het College niet rechtvaardigen. Niet valt in te zien waarom RA dit standpunt niet uitsluitend aan appellante kenbaar had kunnen maken, onder de mededeling dat appellante zich ter zake desgewenst met V kon verstaan. Het College neemt hierbij in aanmerking dat de in artikel 10, eerste en tweede lid, GBR-1994 vervatte geheimhoudingsverplichtingen ruim zijn geformuleerd, terwijl uit de verschillende leden van artikel 10 GBR-1994 blijkt dat deze verplichtingen slechts in bijzondere omstandigheden uitzondering lijden. Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken. 3.6.3 De omstandigheid dat het College de doorzending van de brief van 22 april 2002 kwalificeert als een schending van de op RA rustende geheimhoudingsplicht, terwijl van een dergelijke schending geen melding is gemaakt in de door appellante geaccordeerde samenvatting van de klacht door de raad van tucht, betekent niet dat het desbetreffende klachtonderdeel niet gegrond kan worden verklaard. De tuchtrechter dient zelfstandig te beoordelen of een gedraging van een accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar is en, zo ja, welke bepaling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.