College van Beroep voor het bedrijfsleven (vijfde enkelvoudige kamer) AWB 04/338 27 januari 2005 16500 Wet herstructurering varkenshouderij Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: B. Raven, werkzaam bij de Dienst Regelingen (voorheen: Bureau Heffingen) te Assen. 1. Het procesverloop Bij besluit van 21 juli 2000 heeft verweerder - alsnog - geweigerd ten aanzien van appellant toepassing te geven aan artikel 9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv). Bij besluit van 17 maart 2004 heeft verweerder het hiertegen gericht bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 23 april 2004, bij het College binnengekomen op 26 april 2004, beroep ingesteld. Bij brief van 15 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 13 januari 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de hiervoor genoemde gemachtigden van partijen en appellant zijn verschenen. 2. De beoordeling van het geschil 2.1 Ingevolge artikel 9 Bhv wordt het overeenkomstig hoofdstuk II - met uitzondering van de artikelen 14 en 24 - van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) bepaalde varkens-/fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf onder meer vergroot, indien met betrekking tot dat bedrijf na 1992 en voor 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend. Appellant, die zich zowel in maatschapsverband met zijn vader als op eigen naam - met twee te onderscheiden mestnummers - bezighoudt met de varkenshouderij, heeft bij op 21 augustus 1998 gedagtekend formulier een melding gedaan teneinde voor toepassing van artikel 9 Bhv in aanmerking te worden gebracht. 2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de weigering aan hem met toepassing van artikel 9 Bhv extra varkensrechten toe te kennen, ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat voorwaarde voor toepassing van de in evengenoemd artikel bedoelde hardheidscategorie (3/14a) is, dat er een milieuvergunning is aangevraagd/verleend “ten behoeve van een vergroting van het aantal varkens”. In het onderhavige geval staat vast dat in het relevante referentiejaar 1996 de realisatie van de hier aan de orde zijn milieuvergunning al was voltooid, in die zin dat in de inrichting (gemiddeld) 1.015 (vlees)varkens zijn gehouden. Op basis van dit aantal heeft appellant varkensrechten verkregen. Anders dan appellant stelt, is voor de toepassing van artikel 9 Bhv niet de situatie binnen het uitsluitend bij appellant in gebruik zijnde mestnummer en gedeelte van stal B bepalend, maar de situatie van de gehele inrichting op het adres C te B. Vaststaat dat in stal B niet alleen onder voormeld mestnummer, maar ook onder het mestnummer van de maatschap varkens zijn gehouden en dat het in stal A en B samen gehouden aantal varkens in 1996 zelfs groter was dan het bij de milieuvergunningverlening toegestane aantal. Er is in de situatie van appellant dan ook geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard, waarvoor de hardheidscategorieën van het Bhv bedoeld zijn. Overigens wijst verweerder er op dat het in de milieuvergunning genoemde aantal dierplaatsen niet als plafond voor de toe te kennen varkensrechten is gehanteerd, maar uitsluitend in beschouwing is genomen om te bepalen of de productie in het referentiejaar reeds representatief was voor de beoogde (uitbreiding van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.