College van Beroep voor het bedrijfsleven (vijfde enkelvoudige kamer) AWB 03/1449, 03/1450 en 03/1451 6 september 2005 16500 Wet herstructurering varkenshouderij Uitspraak in de zaken van: 1) A, te B, en 2) C, te D, 3) maatschap E, te F, appellanten, gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij de Dienst Regelingen (voorheen: Bureau Heffingen) te Assen. 1. Het procesverloop Bij uitspraak van het College van 15 juli 2003 (AWB 02/929 e.a., LJN AI0363) zijn de beroepen van appellanten tegen verweerders beslissingen op bezwaar van onderscheidenlijk 18 en 19 april 2002 niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen van appellanten tegen verweerders besluiten van 15 en 16 augustus 2002 gegrond verklaard. Bij die uitspraak heeft het College overwogen dat de eerdere besluiten tot ongegrondverklaring van de bezwaren van appellante niet steunen op een deugdelijke motivering en dat voor de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar van belang is of juist is de stelling van appellanten dat zij (ieder een gedeelte van) een bedrijf hebben gepacht dat op het moment van het ingaan van die pacht - los van de door appellanten ingebrachte landbouwgrond - reeds aan de voorwaarden van hardheidscategorie 6 voldeed. Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 4 november 2003 opnieuw op de bezwaren van appellanten beslist. De bezwaarschriften van appellanten zijn gericht tegen beslissingen van verweerder om aan hen geen (aanvullende) varkensrechten toe te kennen. Tegen de besluiten van 4 november 2003 hebben appellanten bij afzonderlijke brieven van 9 december 2003, bij het College op die datum binnengekomen, ieder voor zich beroep ingesteld en dit beroep bij brieven van 24 januari 2004 aangevuld met gronden. Op 16 december 2004 heeft verweerder wederom op de bezwaarschriften van appellanten beslist. Hierbij zijn de bezwaren van appellanten, zij het op gewijzigde gronden, andermaal ongegrond verklaard. Bij brieven van 25 januari 2005 hebben appellanten het beroep aangevuld met gronden tegen de besluiten van 16 december 2004 en voorzover nodig tegen die besluiten beroep ingesteld. Bij brief van 11 april 2005 heeft verweerder verweerschriften ingediend en daarbij op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 11 augustus 2005 heeft het College van appellanten nadere stukken ontvangen. Op 23 augustus 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de hiervoor vermelde gemachtigden van partijen het woord hebben gevoerd. 2. De beoordeling van het geschil 2.1 In artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) is het volgende bepaald: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: c. bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden, en in ieder geval dat geheel van productie-eenheden dat als één bedrijf is opgegeven op grond van de krachtens artikel 7 van de Meststoffenwet gestelde regels inzake de registratie van de productie van dierlijke meststoffen, dan wel het na deze opgave ontstane geheel van productie-eenheden als gevolg van splitsing of samenvoeging overeenkomstig de bij of krachtens hoofdstuk III, hoofdstuk V van de Meststoffenwet, of de Wet verplaatsing mestproductie gestelde regels;" In het - onder meer - op artikel 25 Whv gebaseerde Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv) is in hoofdstuk 2 (Hardheidsgevallen) onder § 6 (Vervreemding niet-gebonden mestproductierecht gecompenseerd door verkrijging grondgebonden mestproductierecht of aankoop niet gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten) in artikel 19, eerste lid, het volgende bepaald: "Het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen ten gevolge van de registratie in of na 1996 van een uiterlijk op 9 juli 1997 gedane kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot dat recht is verkleind, en de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond dan wel het niet gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten dan varkens en kippen in de periode van 1 januari 1996 tot 10 juli 1997 is vergroot, worden bepaald overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet, met dien verstande dat de artikelen 9 en 10 van de wet wat de in die artikelen bedoelde verkleiningen betreft, buiten toepassing blijven, voorzover de som van die verkleiningen overeenkomt met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door: a. het aantal hectaren waarmee de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in de periode van 1 januari 1996 tot 10 juli 1997 per saldo is vergroot, te vermenigvuldigen met 125 kilogram fosfaat en de uitkomst te delen door 7,4 kilogram fosfaat, dan wel b. het aantal kilogrammen fosfaat waarmee het niet gebonden mestproductierecht voor andere diersoorten dan varkens en kippen ten gevolge van in of na 1996 uiterlijk op 9 juli 1997 gedane kennisgevingen van verplaatsing met betrekking tot dat recht per saldo is vergroot, te delen door 7,4 kilogram fosfaat." 2.2 Bij de besluiten van 4 november 2003 heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard op de grond dat de enige bij verweerder geregistreerde rechtsvoorganger van appellanten, G die tot 13 mei 1997 eigenaar was van het bedrijf inclusief varkensstal aan de H-straat te I, niet aan alle voorwaarden voor toepassing van hardheidscategorie 6 heeft voldaan en derhalve niet in aanmerking kon komen voor (extra) varkensrechten. In hun aanvullende beroepschriften tegen de besluiten van 4 november 2003 hebben appellanten dit niet betwist, maar hebben zij betoogd dat verweerder zich ten onrechte heeft beperkt tot de situatie van G. Hierbij hebben appellanten met name verwezen naar de situatie van hun directe rechtsvoorganger, die tot de datum met ingang waarvan appellanten ieder pachter zijn geworden van - een deel van - de varkensstal te I (onder)pachter was van die stal. 2.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, Awb worden de beroepen tegen de besluiten van 4 november 2003 geacht mede gericht te zijn tegen de besluiten van 16 december 2004. Aangezien verweerder bij de herziene besluiten alsnog is ingegaan op de situatie van de tot de ingangsdatum van de pachtovereenkomst van appellanten (althans appellanten C en E) als pachter van de varkensstal te I te boek staande J te K en/of de maatschap van diens oom en neef, L en M te N (hierna samen: O), hebben appellanten naar het oordeel van het College geen zelfstandig belang meer bij hun beroepen tegen de besluiten van 4 november 2003. Deze beroepen zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. 2.4 Met betrekking tot de beroepen tegen de herziene beslissingen op bezwaar van 16 december 2004 overweegt het College als volgt. In geschil is of verweerder op goede gronden heeft beslist dat appellanten niet mede aan de situatie van degene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.