College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 04/452 6 december 2005 20010 Wet op de Registeraccountants Raad van tucht Amsterdam Uitspraak in de zaak van: A en B, te X, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 26 maart 2004. 1. De procedure Bij brief van 26 maart 2004 heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van zijn beslissing van dezelfde datum, gegeven op een klacht, op 20 mei 2003 ingediend door appellanten tegen C RA (hierna: betrokkene). Bij een 20 mei 2004 gedateerd beroepschrift, door het College ontvangen op 25 mei 2004, hebben appellanten tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld. De raad van tucht heeft bij brief van 1 juni 2004 de stukken betreffende het geding bij de raad doen toekomen aan de griffier van het College. Bij brief van 30 juni 2004, ingekomen bij het College op 5 juli 2004, heeft betrokkene haar reactie op het beroepschrift gegeven. Bij faxbericht van 26 september 2005 hebben appellanten een nader stuk aan het College doen toekomen. Op 11 oktober 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar appellanten en betrokkene in persoon zijn verschenen. 2. De beslissing van de raad van tucht Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, doch geen aanleiding gevonden betrokkene ter zake een maatregel op te leggen. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden tuchtbeslissing, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd. 3. De middelen van beroep Appellanten hebben, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende grieven ingebracht. 3.1 Ten onrechte heeft de raad van tucht overwogen dat de klacht van appellanten tegen D, waarbij betrokkene als mede-leidinggevende actief betrokken was, zich niet laat beoordelen, op de grond dat de klacht (-) bestaat uit een serie korte mededelingen, zonder enige toelichting en motivering en (-) onvoldoende gesubstantieerd en vaag gespecificeerd is. Ter onderbouwing hebben appellanten aangevoerd dat zij in hun klaagschrift en ter zitting bij de raad van tucht de tien onderscheiden klachtonderdelen voldoende hebben gespecificeerd, onderbouwd en toegelicht. 3.2 Ten onrechte heeft de raad van tucht overwogen dat gelet op het ervoor overwogene in het midden kan blijven of betrokkene voor het handelen van D (mede) verantwoordelijk moet worden geacht. Appellanten hebben hiertoe aangevoerd dat, aangezien zij de klacht voldoende hebben onderbouwd voor een inhoudelijke beoordeling de raad van tucht zich had dienen uit te spreken over de (mede)verantwoordelijkheid van betrokkene voor het handelen van D. 3.3 Ten onrechte heeft de raad van tucht niet gegrond verklaard de tegen betrokkene gerichte klacht van appellanten dat D, waarvoor betrokkene als mede-leidinggevende registeraccountant (mede)verantwoordelijk is: 1. zonder overleg tijdsafspraken met betrekking tot de uitvoering van opdrachten heeft overschreden; 2. op diverse onderdelen de aangeleverde administratie slordig en onzorgvuldig heeft verwerkt; 3. voortdurend gebrekkig en onjuist heeft geïnformeerd over de voortgang van de werkzaamheden; 4. zonder volmacht en zonder overleg onjuist aangifte heeft gedaan bij de Belastingdienst; 5. traag en gebrekkig heeft geïnformeerd over veranderingen binnen het bedrijf; 6. herhaaldelijk onzorgvuldig en onjuist heeft gedeclareerd; 7. onevenredig hoge bedragen heeft gedeclareerd; 8. niet heeft gereageerd op reclames van klagers naar aanleiding van declaraties; 9. niet heeft gereageerd op declaraties van klagers; 10. in het algemeen zeer gebrekkig communiceerde. Op basis van deze klachtonderdelen als toegelicht in de bijlagen bij het klaagschrift was er voldoende grondslag voor het oordeel dat betrokkene in tuchtrechtelijk opzicht verwijtbare fouten heeft gemaakt. 4. De beoordeling 4.1 De eerste en tweede grief strekken ten betoge dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat appellanten de genoemde tien klachtonderdelen onvoldoende hebben gespecificeerd, onderbouwd en toegelicht en deze klachtonderdelen vervolgens zonder inhoudelijke beoordeling ongegrond heeft verklaard. Het College is, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat appellanten hun klacht tegen betrokkene wat betreft deze onderdelen voldoende duidelijk hebben gemaakt en dat het klaagschrift voldoende informatie bevat om een inhoudelijke beoordeling daarvan mogelijk te maken. Het College neemt hierbij in aanmerking dat de klacht, gelezen in samenhang met de daarop in de bijlagen bij het klaagschrift gegeven toelichting, stellig niet zodanig ongestructureerd is dat de inhoud van de klacht niet kon worden vastgesteld. Gelet hierop heeft de raad van tucht de klacht in zoverre ten onrechte op voornoemde grond terzijde geschoven. Hieruit vloeit voorts voort dat de raad van tucht ten onrechte in het midden heeft gelaten of betrokkene voor het handelen van D dat hier aan de orde is (mede) verantwoordelijk moet worden gehouden. De eerste en tweede grief slagen in zoverre. 4.2 De derde grief werpt de vraag op of betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld aangaande, samenvattend weergegeven, het behartigen van de financiële en administratieve zaken van appellanten. Dienaangaande overweegt het College als volgt. In zijn - appellanten en betrokkene bekende - uitspraak van 1 december 2005, in de zaak AWB 04/406, waarin het College het beroep van betrokkene heeft behandeld tegen een beslissing van de raad van tucht op een klacht van E, heeft het College overwogen dat betrokkene niet is opgetreden als accountant in de zin van artikel 2, eerste lid, GBR-1994. In die procedure heeft appellante A, als bestuurslid van genoemde E, in dit kader argumenten naar voren gebracht die ook in de onderhavige procedure aan de orde zijn. Die argumenten hebben er niet toe geleid dat dit middel gegrond werd verklaard. Op grond van dezelfde overwegingen, waarnaar het College verwijst en die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, komt het College ook in het onderhavige beroep tot de conclusie dat betrokkene niet is opgetreden als accountant. De enkele omstandigheid dat op de factuur-specificatie van 14 mei 2004 de voornaam van betrokkene staat vermeld, is ontoereikend om te leiden tot een andersluidende conclusie. Een zodanige vermelding biedt, gelet op het hiervoor overwogene, onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat betrokkene ten aanzien van de door appellanten genoemde gedragingen van D als accountant is opgetreden waarvoor zij in tuchtrechtelijk opzicht verantwoordelijk zou moeten worden gehouden. Gelet op het vorenstaande kan betrokkene niet als accountant (mede)verantwoordelijk en in tuchtrechtelijk opzicht aanspreekbaar worden geacht voor de gewraakte gedragingen van D. Ook anderszins bestaat geen grond betrokkene hiervoor (mede)verantwoordelijk en tuchtrechtelijk aanspreekbaar te achten. De derde grief faalt derhalve. 4.3 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond is en de beslissing van de raad van tucht, voor zover in dit geding aan de orde, moet worden vernietigd. Het College zal de zaak vervolgens zelf afdoen en de klacht, wat betreft de onderdelen 1 tot en met 10, op de hiervoor in § 4.2 vermelde gronden, ongegrond verklaren. Nader te melden beslissing berust op het bepaalde in Titel II van de Wet op de Registeraccountants. 5. De beslissing Het College: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de beslissing van de raad van tucht, voor zover in beroep aan de orde; - verklaart de klacht wat betreft de onderdelen 1 tot en met 10 ongegrond. Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. J.L.W. Aerts en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2005. w.g. B. Verwayen w.g. I.K. Rapmund R a a d van T u c h t voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam BESLISSING van 26 maart 2004 in de zaak met nummer R 414 van 1. A, 2. B, wonende te X, K L A G E R S, t e g e n C, registeraccountant, kantoorhoudende te Y, B E T R O K K E N E. 1. Het verloop van de procedure 1.1 De Raad van Tucht heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewissel-de en aan partijen bekende stukken, waaronder: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.