College van Beroep voor het bedrijfsleven (zesde enkelvoudige kamer) AWB 05/20 10 maart 2006 5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen Uitspraak in de zaak van: Maatschap A, te X, appellante, gemachtigde: mr. M.J.C. Mol, werkzaam bij ZLTO, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. F. Oosterkamp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen. 1. De procedure Appellante heeft bij brief van 12 januari 2005, bij het College binnengekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 december 2004. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 11 februari 2004, waarbij appellantes aanvraag om akkerbouwsubsidie voor het jaar 2003 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen is afgewezen, ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 juni 2005 heeft verweerder zijn besluit herzien, het bezwaar gegrond verklaard, de primaire beslissing herroepen en op appellantes aanvraag alsnog een gedeeltelijk toewijzende beslissing genomen. Appellante heeft het College op 21 juni 2005 meegedeeld daarin geen aanleiding te vinden haar beroep in te trekken, nu nog niet aan al haar bezwaren is tegemoet gekomen. Bij schrijven van 11 juli 2005 heeft zij de gronden van haar beroep nader uiteengezet. Op 15 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2006, waarbij voor appellante door B het woord is gevoerd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 2. De grondslag van het geschil 2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald: "Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was." In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald: "Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen"en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities." In bedoelde bijlage staat: "Definities 1. Blijvend grasland Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft." Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, is onder meer het volgende bepaald: "Artikel 32 - Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte 1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3% of dan 2 ha, doch niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte. Wanneer het verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend. 2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen tot te kennen steunbedrag, waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd. (…) Artikel 44 - Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen 1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft. (…)" In de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is onder andere het volgende bepaald: " Artikel 4 (...) 3. De producent kan percelen akkerland als bedoeld in het eerste lid vervangen door andere gronden indien: a. de perceelsindeling of de verkaveling van het bedrijf van overheidswege wordt gewijzigd of op grond van de Plantenziektewet beperkingen worden gesteld aan het telen van akkerbouwgewassen op het bedrijf: b. de oppervlakte van de vervangende gronden niet groter is dan die van de te vervangen percelen akkerland: c. voor zover van toepassing, de eigenaar, beperkt gebruiksgerechtigde, verpachter dan wel pachter van de te vervangen percelen akkerland heeft ingestemd met het vervangen van deze percelen; d. en voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen schriftelijk toestemming is verkregen van LASER. Een schriftelijke aanvraag voor de hiervoor bedoelde toestemming wordt uiterlijk op 1 maart voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen door LASER ontvangen. (...)" 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Op 12 mei 2003 heeft verweerder van appellante een formulier Gecombineerde opgave 2003 voor Landbouwtelling, Gebruik gewaspercelen en Aanvraag oppervlakten ontvangen. Appellante heeft hierbij onder meer op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen subsidie aangevraagd voor 16.93 ha snijmaïs en 1.88 ha groene braak. - Bij brief van 14 november 2003 is aan appellante medegedeeld dat bij controle is gebleken dat de opgegeven maïspercelen 6 en 12 ter grootte van respectievelijk 1.57 en 6.98 ha niet, respectievelijk slechts voor 2.71 ha voldoen aan de definitie van akkerland. Daarbij is appellante in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de percelen in de referentieperiode 1987 tot en met 1991 volledig als akkerland in gebruik zijn geweest. - Bij brief van 12 januari 2004 heeft appellante aangegeven de percelen pas recentelijk gepacht of gekocht te hebben. De percelen liggen bovendien in een ruilverkavelingsgebied hetgeen het verzamelen van informatie bemoeilijkt. Daarom heeft appellante op de verklaring van de vorige gebruikers vertrouwd. Zij geeft aan te goeder trouw te hebben aangevraagd, doch nu geen nader bewijsmateriaal over te kunnen leggen. - Bij besluit van 11 februari 2004 heeft verweerder de aanvraag om akkerbouwsteun afgewezen, omdat het verschil tussen de aangevraagde (18.81
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.