College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 05/357 11 mei 2006 6110 Regeling overig Erkenning ex art. 3 Zuivelverordening 2002 Uitspraak in de zaak van: Ross-E.P.I. B.V., te Roermond, appellante, gemachtigde: mr. H.J.J.M. van der Bruggen, advocaat te Roermond, tegen het Productschap Pluimvee en Eieren, verweerder, gemachtigden: mr. B.M.J. Kloppenburg en ir. E.G.M. Bokkers, beiden werkzaam bij verweerder. 1. De procedure Appellante heeft bij brief van 30 mei 2005, bij het College binnengekomen op 31 mei 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 april 2005. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 20 februari 2004, hierna weergegeven in § 3.3. Op 9 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift, voorzien van bijlagen, ingediend. Bij brief van 7 oktober 2005 heeft verweerder in reactie op een schrijven van het College van 26 september 2005 nadere gegevens verstrekt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 maart 2006. Aldaar zijn verschenen voormelde gemachtigden, alsmede van de zijde van appellante P. Claeys en M. de Vlieger, onderscheidenlijk bestuurder van appellante en vestigingsmanager in dienst van appellante, en van de zijde van verweerder ir. E.G.M. Bokkers, werkzaam bij verweerder. 2. Toepasselijke regelgeving 2.1 In het Besluit tegemoetkoming destructie broedeieren en eendagskuikens wegens uitbraak Aviaire Influenza (PPE ) 2004, besluit van het bestuur van verweerder van 14 januari 2004, gewijzigd bij besluit van 12 februari 2004, (welk eerstgenoemd besluit hierna wordt aangeduid als: Besluit) is onder meer het volgende bepaald: "Artikel 2 1. Op aanvraag van de ondernemer verstrekt de voorzitter ten laste van het fonds, met inachtneming van de volgende bepalingen, een eenmalige tegemoetkoming in verband met de vernietiging van broedeieren en eendagskuikens vanwege de uitbraak van Aviaire Influenza, voor zover de onderneming in de periode vanaf 1 maart 2003 tot en met 22 augustus 2003 was gelegen in een vervoersbeperkingsgebied en gedurende voornoemde periode een verbod op het vervoer van broedeieren en eendagskuikens in het vervoersbeperkingsgebied van kracht was. 2. De tegemoetkoming wordt toegekend op basis van het aantal en de soort broedeieren die zich op het moment van het van kracht worden van het in het eerste lid bedoelde verbod in de periode vanaf 1 maart 2003 tot en met 22 augustus 2003 in de onderneming in de broedmachines bevonden of door de ondernemer op voorraad zijn gehouden bestemd om te worden ingelegd, alsmede daaruit verkregen eendagskuikens, en die voor destructie zijn afgevoerd voor zover de onderneming op het moment van het van kracht worden van het in het eerste lid bedoeld verbod was gelegen in het desbetreffende vervoersbeperkingsgebied. 3. (…) 4. De overeenkomstig het derde lid berekende tegemoetkoming wordt vermeerderd met de kosten van destructie van de in het tweede lid bedoelde broedeieren en eendagskuikens voor zover deze kosten door de aanvrager naar oordeel van de voorzitter afdoende zijn verantwoord aan de hand van de in artikel 3, tweede lid, tweede gedachtestreepje, bedoelde bewijzen. Artikel 3 1. Voor de aanvraag voor de tegemoetkoming wordt gebruik gemaakt van een formulier volgens het in Bijlage II opgenomen model dat, volledig en naar waarheid, wordt ingevuld, ondertekend en gedagtekend. 2. De aanvrager voegt bij de aanvraag: - de destructiebonnen, - de facturen ter zake van de destructie, en - de aankoopfacturen van het verpakkingsmateriaal, betrekking hebbend op de in de aanvraag gespecificeerde broedeieren en eendagskuikens. (…) Artikel 8 1. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na de dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijdsorganisatie waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 januari 2004." Evenvermelde publicatie heeft plaatsgevonden op 26 januari 2004. Het wijzigingsbesluit is gepubliceerd op 27 februari 2004. 2.2 De toelichting bij het Besluit bevat onder meer de volgende tekst: "Op 1 maart 2003 is de Nederlandse pluimveesector getroffen door een uitbraak van Aviaire Influenza (AI). Door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) zijn vervolgens diverse maatregelen genomen ter bestrijding van de AI, waaronder het doden en vernietigen van pluimvee en pluimveeproducten op verdachte en besmette bedrijven. Ook zijn vervoersbeperkingsgebieden ingesteld, onder andere rondom de verdachte en besmette bedrijven. De vervoersbeperkingsgebieden zijn gedurende de AI-periode verschillende keren uitgebreid ingeval van nieuwe uitbraken en ten slotte afgebouwd nadat de AI onder controle was. In deze vervoersbeperkingsgebieden werden, veelal vanaf het moment van afkondiging van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 of de Tijdelijke regeling vervoers- en exportverbod pluimvee 2003-1 van de Minister van LNV, per direct een aantal beperkende maatregelen van kracht. Eén van deze maatregelen betreft het vervoer van pluimvee. Elk vervoer van pluimvee, inclusief broedeieren, vanuit, naar en binnen de vervoersbeperkingsgebieden was verboden. De kuikenbroederijen die in een vervoersbeperkingsgebied hebben gelegen vormden een potentieel risico voor de verspreiding van AI. Door het vervoersverbod konden de broederijen geen eendagskuikens van de bedrijven afvoeren. Om te voorkomen dat veterinair onverantwoorde situaties zouden ontstaan, zijn de broedeieren en eendagskuikens die op deze bedrijven aanwezig waren, gedood en vernietigd. De broedmachines op de betreffende bedrijven zijn stilgelegd. De dode eendagskuikens en aanwezige broedeieren zijn afgevoerd voor destructie. Met deze bestrijdingsmaatregel is de verspreiding van AI zo veel als mogelijk voorkomen. Onderhavig besluit voorziet in een eenmalige tegemoetkoming die strekt tot de gedeeltelijke schadeloosstelling van de broederijen die langdurig in een vervoersbeperkingsgebied hebben gelegen, voor het doden en vernietigen van eendagskuikens en broedeieren. Het bestuur van het productschap stelt de regeling vast op verzoek van de Minister van LNV. De grondslag, hoogte en voorwaarden waaronder de tegemoetkoming worden vastgesteld en toegekend, worden door het bestuur in onderhavig besluit geregeld met inachtneming van de ter zake door de Europese Gemeenschappen (EG) gestelde bepalingen, met name Beschikking 2003/678/EG van de Commissie van de EG van 24 september 2003, zoals gewijzigd bij Beschikking 2004/27/EG van 23 december 2003, en de aanwijzingen ter zake gegeven door de Minister van LNV. De middelen ten behoeve van onderhavige regeling worden onttrokken aan het Veeziektenfonds. Het met de tegemoetkomingsregeling gemoeide bedrag wordt door de Minister van LNV ter beschikking gesteld. (…) Bedrijven die willen deelnemen aan de regeling doen dat door inzending van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier voorzien van de gevraagde bewijsstukken. De ondernemers verstrekken op verzoek van het productschap alle informatie die benodigd is voor de juiste toepassing van de regeling en geven alle medewerking aan controleurs die in opdracht van het productschap controles uitvoeren in het kader van deze regeling. De Algemene Inspectie Dienst (AID) en het Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiproducten (CPE) worden ingeschakeld voor de controle en het toezicht op de naleving van de voorwaarden. Om een uniforme controleaanpak te verzekeren wordt bepaald dat de controles door functionarissen van de beide diensten gezamenlijk worden uitgevoerd. (…)." 3. Vaststaande feiten 3.1 Zoals hiervoor vermeld, is op 1 maart 2003 de pluimveesector in Nederland getroffen door een uitbraak van Aviaire Influenza. Ter bestrijding van deze dierziekte heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: minister) aanstonds bestrijdingsmaatregelen uitgevaardigd. Deze maatregelen hielden onder meer in het besmet en verdacht verklaren van daarvoor in aanmerking komend pluimvee, het doden en vernietigen van evenbedoelde dieren, dierlijke producten en materialen, alsmede het instellen van vervoersbeperkingsgebieden rond verdachte en besmette bedrijven. Dit betekende onder andere dat het verboden was pluimvee en broedeieren vanuit, naar en binnen deze gebieden te vervoeren. 3.2 Krachtens een daartoe gegeven besluit van de minister is het gebied waarin de onderhavige bedrijfsvestiging van appellante is gelegen, met ingang van 13 april 2003 aangewezen als vervoersbeperkingsgebied. Per 15 april 2003 heeft de minister alle voor Aviaire Influenza gevoelige dieren in dit gebied aangemerkt als verdachte dieren in de betekenis van artikel 22 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd), juncto het bepaalde in het Besluit verdachte dieren. In verband hiermede heeft de minister bij besluit van 15 april 2003 alle voor Aviaire Influenza gevoelige dieren op het bedrijf van appellante als verdacht van deze dierziekte aangemerkt en op grond van de Gwd onder meer beslist tot het treffen van de volgende bestrijdingsmaatregelen: - het doden van zieke en verdachte dieren en het vernietigen van producten en voorwerpen die besmet zijn of ervan worden verdacht een gevaar op te leveren voor de verspreiding van smetstof, één en ander krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, Gwd; - het instellen op grond van artikel 25, eerste lid, Gwd van een vervoersverbod van en naar het bedrijf, zulks met betrekking tot alle soorten of categorieën van dieren voertuigen, vlees of kadavers van pluimvee (...), eieren of andere voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn. 3.3 Bij besluit van 20 februari 2004 heeft verweerder aan appellante krachtens het Besluit een tegemoetkoming toegekend van € 1.111.569,96. Daarbij heeft verweerder te kennen gegeven dat geen tegemoetkoming als door appellante gevraagd, wordt verstrekt ter zake van broedeieren die niet waren afgevoerd ter destructie, doch ter verwerking waren afgeleverd aan de technische eiproductenindustrie. Hierbij ging het om een partij van 881.651 broedeieren, die een bedrag aan tegemoetkoming vertegenwoordigden van € 860.080,54. Deze partij is op of omstreeks 8 mei 2003 geleverd aan een bedrijf te Barneveld, waar verwerking voor niet-consumptieve doeleinden heeft plaatsgevonden. Appellante heeft van bedoeld bedrijf voor deze partij een betaling ontvangen van € 2000,--. Tegen voormeld primair besluit van 20 februari 2004 heeft appellante, voor zover dit impliceerde de weigering van een tegemoetkoming voor evenbedoelde partij broedeieren, een bezwaarschrift ingediend. Bij het thans bestreden besluit van 25 april 2005 heeft verweerder beslist tot handhaving van het primaire besluit. 4. De beoordeling van het geschil 4.1 In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder terecht en op juiste gronden heeft geweigerd aan appellante een tegemoetkoming op grond van het Besluit toe te kennen ter zake van evenbedoelde partij broedeieren. De grond voor deze weigering is gelegen in de omstandigheid dat de eieren niet zijn afgevoerd ter vernietiging door middel van - zoals verweerder stelt - aanbieding aan een destructor in de zin van de Destructiewet, zoals het bedrijf Rendac Son B.V. 4.2 Verweerder heeft daaromtrent, beknopt weergegeven, het volgende naar voren gebracht. De eis van afvoer ter vernietiging in vorenbedoelde zin, is neergelegd in artikel 2 van het Besluit, waarin uitdrukkelijk wordt gesproken van destructie. Het vereiste van een dergelijke vernietiging/destructie vloeit voort uit de veterinaire noodzaak het risico van verdere verspreiding van het zeer besmettelijke Aviaire Influenzavirus zoveel mogelijk tegen te gaan. Het stellen van een zodanige eis is in overeenstemming met ter zake geldende Europese regelgeving. In dit verband is onder meer van belang artikel 4 van Richtlijn 92/40/EEG van de Raad van 19 mei 1992 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van Aviaire Influenza, waarin onder meer is bepaald dat, zodra van het (op basis van veterinair onderzoek bestaande) vermoeden van besmetting met Aviaire Influenza aangifte is gedaan, de bevoegde autoriteit het bedrijf onder officieel toezicht laat plaatsen en met name eist dat (…) geen eieren van het bedrijf worden afgevoerd, met uitzondering van eieren die rechtstreeks worden gezonden naar een erkende inrichting voor de vervaardiging en/of de behandeling van eiproducten overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 89/437/EEG. Naar de mening van verweerder betreft de verwerking van de onderhavige partij broedeieren door de technische eiproductenindustrie geen destructie in eerderbedoelde zin en kan zij daarmee ook niet worden gelijkgesteld, aangezien de verwerking niet voldoet aan daaraan uit veterinair oogpunt te stellen eisen. 4.3 Appellante heeft tegen deze zienswijze van verweerder, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het Besluit de eis voortvloeit dat vernietiging/destructie van de onderhavige partij eieren slechts door middel van aanbieding aan een destructor zou kunnen plaatsvinden. Een zodanige eis is niet in het Besluit te lezen en kan evenmin worden afgeleid uit toepasselijke nationale of Europese regelgeving. Hierbij moet onder meer in aanmerking worden genomen dat in Beschikking 2003/678/EG (Beschikking van de Commissie van 24 september 2003 over een eerste financiële bijdrage van de Gemeenschap in de subsidiabele kosten voor de uitroeiing van Aviaire Influenza in Nederland) in artikel 1 is bepaald dat Nederland een financiële bijdrage kan krijgen in verband met:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.