College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 04/828 12 mei 2006 5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen Uitspraak in de zaak van: Hoffgaarde B.V., te Steenbergen, appellante, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigden: mr. F.S. Cooke en J. Riddersma, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen. 1. De procedure Appellante heeft bij brief van 5 oktober 2004, bij het College binnengekomen op 7 oktober 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 september 2004. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 12 december 2003, waarbij haar aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: Regeling) is afgewezen, ongegrond verklaard. Bij besluit van 25 januari 2005 heeft verweerder zijn besluit van 1 september 2004 herzien en het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Appellante heeft het College bij brief van 8 februari 2005 medegedeeld haar beroep te handhaven, voorzover verweerder met het besluit van 25 januari 2005 niet aan haar bezwaren is tegemoetgekomen. In deze brief heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld. Op 12 april 2005 heeft verweerder het College de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen en op 20 juni 2005 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 31 maart 2006. Appellante is hierbij niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidde ten tijde en voorzover hier van belang, als volgt: "Artikel 31 - Berekeningsgrondslag (…) 2. Wanneer de in een steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een administratieve controle of een controle ter plaatse voor dezelfde gewasgroep geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag, onverminderd overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 35 toe te passen kortingen of uitsluitingen, berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte voor de betrokken gewasgroep. (…)" Artikel 32 - Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte 1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3% of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte. Wanneer het verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend. (…)" In de Regeling was ten tijde en voorzover hier van belang het volgende bepaald: "Artikel 1 In deze Regeling wordt verstaan onder: (…) m. perceel: aaneengesloten oppervlakte die daadwerkelijk wordt benut voor de teelt van een akkerbouwgewas dan wel voor het uit productie nemen als bedoeld in de onderhavige regeling, welke is gelegen in één productieregio; (…)" 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Door middel van een formulier 'Gecombineerde Opgave 2003' heeft appellante op 3 april 2003 bij verweerder een Aanvraag oppervlakten ingediend. Hiermee heeft appellante in het kader van de Regeling subsidie aangevraagd voor 10.87 ha snijmaïs (percelen 1, 2 en 3) en 3.63 ha groene braak (perceel 4). - Op 28 juli 2003 heeft de Algemene Inspectiedienst van verweerders ministerie (hierna: AID) op het bedrijf van appellante een controle ter plaatse uitgevoerd, waarbij onder meer het opgegeven braakperceel met volgnummer 4 is opgemeten. In het naar aanleiding van deze controle opgemaakte rapport is onder "C: OPMERKINGEN CONTROLEUR(S)" onder meer het volgende opgenomen: "Perceel 4: Gemeten oppervlakte, inclusief een vijver van 50 x 60 meter, is 2,76 ha. Een strook ter breedte van 7 meter gelegen tussen een sloot een een bomenrij achteraan het perceel is niet mee gemeten. Perceel 4 bestaat uit een vijver van circa 50 x 60 m en voorts uit sinds kennelijk enige jaren niet bewerkte grond, welke grond is overwoekerd door onkruid, waaronder zeer veel uitgebloeide akkerdistels en brandnetels. Op enkele plaatsen op dit perceel liggen metalen- en kunststofmaterialen en pallets. Op andere plaatsen op dit perceel liggen met onkruid overwoekerde hopen grond. Een groenbemester is niet ingezaaid. Foto's genomen van dit perceel worden bijgevoegd." - Bij besluit van 12 december 2003 heeft verweerder appellantes aanvraag om akkerbouwsubsidie voor 2003 geheel afgewezen. Omdat het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte binnen de aanvraag groter is dan 50% van de geconstateerde oppervlakte (namelijk 53,93%) heeft verweerder appellante bij dit besluit bovendien met toepassing van artikel 32, tweede lid, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 uitgesloten voor een bedrag van € 3.952,44. - Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. - Bij brief van 13 augustus 2004 heeft appellante verweerder medegedeeld af te zien van de mogelijkheid naar aanleiding van haar bezwaren te worden gehoord. - Vervolgens heeft verweerder het besluit van 1 september 2004 genomen. Bij dit besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. - Naar aanleiding van het beroepschrift van 5 oktober 2004 heeft verweerder het besluit van 25 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) genomen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellante op grond van de Regeling voor de gewasgroep snijmaïs alsnog een subsidie van € 3.595,46 toegekend. Voorts heeft verweerder niet langer vastgehouden aan de opgelegde sanctie van uitsluiting voor een bedrag van € 3.952,44. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder vastgehouden aan zijn afwijzing van appellantes subsidieaanvraag voor de gewasgroep groene braak. Hiertoe heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. De AID heeft ten aanzien van het braakperceel 4 geconstateerd dat geen groenbemester was ingezaaid, dat het perceel is overwoekerd met onkruid en dat op enkele plaatsen metalen en kunststofmaterialen en pallets liggen. Gelet hierop kan dit perceel niet als groene braak worden aangemerkt. Omdat eveneens is gebleken dat het perceel in de periode van 15 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003 uit productie is geweest, kan het in beginsel wel in aanmerking komen voor braaksubsidie. De AID heeft met betrekking tot perceel 4, inclusief een vijver van 50 x 60 meter (0.3 ha), een oppervlakte geconstateerd van 2.76 ha. De oppervlakte waar bomen en struiken staan is niet meegenomen, aangezien dit geen braak betreft. De vijver kan ook niet worden geacht tot het braakperceel te behoren. De oppervlakte van deze vijver is dus op de geconstateerde oppervlakte in mindering gebracht. Hierdoor resteert een geconstateerde oppervlakte voor dit perceel van 2.46 ha. Het verschil tussen de aangevraagde oppervlakte braak (3.63
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.