College van Beroep voor het bedrijfsleven (vijfde enkelvoudige kamer) AWB 05/520 18 december 2006 27652 Wet inkomstenbelasting 2001 Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 Uitspraak in de zaak van: Coöperatieve Rabobank Schouwen Duiveland U.A., te Nieuwerkerk, appellante, gemachtigde: mr. M. van Dooren, verbonden aan M&R Energietechniek v.o.f., te Maarheeze, tegen de Minister van Economische Zaken, verweerder, gemachtigde: mr. J. Weda, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem. 1. De procedure Op 22 juli 2005 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 juli 2005. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit tot gedeeltelijke weigering van de afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Bij brieven van 26 augustus en 7 september 2005 heeft appellante de gronden van het beroep aangevoerd. Bij brief van 16 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 25 september 2006, waar de gemachtigden van partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil 2.1 In de Wet IB 2001 is onder meer het volgende bepaald: “Artikel 3.42 Energie-investeringsaftrek 1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek). 2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. (…) 6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister. 7. Bij ministeriële regeling kunnen: a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verklaring (…)” De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Stcrt. 2000, 249; zoals gewijzigd per 1 januari 2003, Stcrt. 2002, 248, hierna: Uitvoeringsregeling) luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt: “ Artikel 2 Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen. (…) Artikel 5 1. De verklaring van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake. 2. (…) 3. De belastingplichtige legt ten behoeve van het verstrekken van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, indien de Minister van Economische Zaken daarom verzoekt, een berekening van de energiebesparing over.” In Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling (hierna ook wel: Energielijst 2003) is vermeld: “ Artikel 1 Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt: A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken, door: (…) 1.2.C.1. Een warmtepomp, waarbij de warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van ruimten in woningen of bedrijfsgebouwen. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden (jaargemiddeld voor verwarming) te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,53 (c.o.p. > 3,5) (…)” In de door verweerder uitgegeven brochure ‘Energielijst 2003’ (hierna ook wel: Brochure) is onder meer het volgende vermeld: “ 211101 [W] Warmtepomp Bestemd voor: het opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardiger warmte, waarbij de hoogwaardiger warmte nuttig wordt aangewend voor de verwarming van ruimten in woningen of bedrijfsgebouwen. De primaire energie dient onder normale gebruiksomstandigheden (jaargemiddeld voor verwarming) te worden omgezet naar bruikbare energie met een factor van tenminste 1,53 (c.o.p. > 3,5) (…)” 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Bij hiertoe bestemd formulier, door het Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving van de Belastingdienst ontvangen op 14 november 2003, heeft appellante een aanvraag gedaan om een verklaring dat de daarbij aangemelde investeringen in een ‘warmtepomp’, als bedoeld onder code 211101 in de Brochure, investeringen zijn, die zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 3.42, tweede lid, van de Wet IB (hierna: energieverklaring). - Bij brief van 7 januari 2004 heeft verweerder appellante verzocht ter zake dit bedrijfsmiddel nadere gegevens te verstrekken, ondermeer door overlegging van een technische specificatie met betrekking tot het rendement van de c.o.p.-waarde. - Bij brief van 26 januari 2004 heeft appellante nadere gegevens verstrekt, waaronder een "Technical Description" van onder andere de warmtepomp Set-Free RAS-10 FSG van de fabrikant, Hitachi Air Conditioning Systems Co., Ltd., te Tokyo (Japan). - Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft verweerder het verzoek afgewezen op de grond dat de aangemelde warmtepomp niet voldoet aan de in de Energielijst 2003 gestelde eis dat de c.o.p.-waarde tenminste 1,53 (c.o.p. > 3,5) bedraagt. - Tegen dit besluit heeft appellante bij een door verweerder op 16 november 2004 ontvangen brief, nadien meermalen aangevuld, bezwaar gemaakt. Bij één van de aanvullingen was gevoegd een afschrift van verschillende "General data" uit de "Technical Catalog" met betrekking tot de in geding zijnde warmtepomp van Hitachi. - Op 15 december 2004 is appellante op haar bezwaar gehoord. - Hierna heeft appellante ter zake voornoemd bedrijfsmiddel meermalen nadere informatie verstrekt. Onder meer zijn overgelegd verschillende pagina’s uit het document SG200108A (Technical Bulletin) van Hitachi en een aan de gemachtigde van appellante gericht faxbericht van Conticlima NV-SA, distributeur van Hitachi in de Benelux (hierna: Conticlima) d.d. 12 januari 2005. In dit faxbericht is onder meer het volgende vermeld: “De pagina die u ons zonet per fax doorstuurde was ooit slechts een concept en is ook nooit officieël naar buiten gebracht want zoals gebruikelijk bij HITACHI te “conservatief” met te veel veiligheidsmarge en opgesteld in “worst case scenario”. Op onder andere ons verzoek is er een nieuwe meer realistische versie gemaakt, en deze is - na nog een tussenversie - diegene die ik u op 16/12/2004 per fax toestuurde. Geen enkele van deze versies is eigenlijk voor publicatie bedoeld, doch enkel voor intern gebruik! (…)” - Door verweerder is overgelegd een aan hem gericht e-mailbericht van Conticlima d.d. 31 maart 2005, waarin met betrekking tot hiervoor genoemd document het volgende is vermeld: “1) het document SG200108A is een intern document, niet voor publicatie bestemd en uitsluitend aan te wenden voor gebruik binnen onze organisatie. (...) Zoals voorheen reeds aan uw medewerkers meegedeeld, zijn er van dit document drie draft (= klad) versies, waarvan u er blijkbaar twee in uw bezit hebt. De fabriek verbiedt ons uiteindelijk (…) om deze gegevens naar de buitenwereld toe te bevestigen, gezien de zeer grote verscheidenheid van mogelijke meetopstellingen en de daar uit voortspruitende zeer verschillende meetresultaten. (…) Het officiële standpunt van HITACHI is dus dat U deze documenten als zoals voorheen niet bestaand voor het publiek dient te beschouwen. (…)” - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen en hierbij de bezwaren tegen de weigering een energieverklaring af te geven, gedeeltelijk gegrond verklaard en voor zover deze betrekking hebben op de warmtepompinstallatie, ongegrond verklaard. 3. Het standpunt van verweerder Bij het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover hier van belang, het volgende overwogen en beslist: "Ik ben bij mijn beoordeling uitgegaan van tabellen van Hitachi (hierna: het tabellenboek), die ik (…) van u ontvangen heb. Het betreft vermogenstabellen van de Hitachi warmtepompen, Set-Free FS & FX Series. De c.o.p.-waarde van uw installatie bedraagt op grond van die tabellen 3,02 (32,6/10,8). Ik ben daarbij uitgegaan van een gemiddelde buiten- en binnentemperatuur (respectievelijk 7 °C en 20°C). (…) Vervolgens hebt u bij brief van 20 december 2004 een nieuwe berekening van de c.o.p.-waarde overgelegd op basis van deellastvermogen. In uw berekening hanteert u een gemiddeld deellastpercentage van 38. Volgens u verbetert de c.o.p.-waarde bij dit percentage met 16%. Dit percentage leidt u af uit een grafiek die is opgesteld door Hitachi Air Conditioning Systems Co., Ltd, Tokyo Japan, documentnummer SG200108A, d.d. april 2001, bladzijde 143/143. Op grond van deze percentages komt de c.o.p.-waarde boven de 3,5 uit. (…) Overwegingen Naast het hiervoor genoemde door u overgelegde document van Hitachi, waarin het effect van deellast in een grafiek zichtbaar wordt gemaakt, heb ik eenzelfde grafiek van Hitachi tot mijn beschikking met dezelfde kenmerkgegevens (documentnummer, datum, bladzijde). Echter, deze wijkt qua opmaak en waarden af van de door u verstrekte versie. Om uitsluitsel te krijgen over welke van deze twee documenten gehanteerd kan worden (c.q. de juiste is), heb ik bij Conticlima N. V. - S.A. (Hitachi distributeur Benelux) op 20 januari 2005 geïnformeerd naar de status van de grafieken. Op 2 februari 2005 heeft Conticlima op haar beurt deze vraag doorgespeeld naar het hoofdkantoor van Hitachi te Shimizu, Japan. Op 31 maart 2005 heb ik de reactie van het hoofdkantoor via Conticlima ontvangen. Conticlima geeft in haar reactie aan dat de grafieken louter voor intern gebruik zijn, niet voor publicatie bestemd zijn en uitsluitend aan te wenden zijn voor gebruik binnen de organisatie van Conticlima. Het hoofdkantoor heeft Conticlima verboden om deze gegevens naar de buitenwereld toe te bevestigen, gezien de zeer grote verscheidenheid van mogelijke meetopstellingen en de daaruit voortspruitende zeer verschillende meetresultaten. Resumerend geeft Hitachi aan dat de grafieken als niet bestaand voor het publiek moeten worden beschouwd. Dit betekent dat ik bij mijn herbeoordeling geen gebruik kan maken van de Hitachi-grafieken. Op grond van het voorgaande acht ik het niet mogelijk de gegevens uit de grafieken van Hitachi te gebruiken bij de berekening van de c.o.p. en de invloed van deellast op deze c.o.p. Andere documentatie over de technische gegevens van de warmtepomp, Set-Free FS & FX Series, typen RAS 10 en 8 dan de gegevens in het tabellenboek van Hitachi, zijn niet voorhanden. Ik ga dan ook uit van het tabellenboek, waarvan de inhoud door u overigens niet wordt betwist. Het boek hebt u mij immers zelf verstrekt. Naar mijn mening staan de technische gegevens in het boek dan ook niet ter discussie. U bent echter van mening dat de %-tabellen in het tabellenboek gebaseerd zijn op vollasturen. Ik ben daarentegen van mening dat de tabellen tot 100% het vermogen op deellast weergeven, en niet de aangesloten capaciteit van het apparaat. (…) Met inachtneming van het voornoemde hanteer ik bij de berekening van de c.o.p.-waarde de volgende uitgangspunten: 1. gemiddelde buiten- en binnentemperatuur van 7° C en 20° C 2. deellastpercentage van 50 3. aansluitcapaciteit van 130% 4. Set-Free FS & FX series, type RAS 10 ad. 1 Dit zijn de gemiddelde temperaturen in het stookseizoen die in Nederland voor buiten- en binnentemperatuur worden gehanteerd. U hanteert dezelfde waarden. ad. 2 Bij de berekening van de c.o.p.-waarde hebt u een deellastpercentage van 38 gehanteerd. Bij dit percentage hebt u het vermogen dat nodig is voor het opwarmen van het kantoor buiten beschouwing gelaten. Echter opwarming is noodzakelijk, omdat in de nacht en in het weekend de temperatuur in het kantoor verlaagd wordt. ' s Ochtends is vermogen nodig om het kantoor op te warmen. Het aanwarmvermogen moet daarom ook worden meegenomen in het deellastpercentage. In deze situatie is een deellastpercentage van (minimaal) 50 reëel. Dit percentage komt overeen met wat de praktijk is in Nederland. ad. 3 Het warmteafgevende vermogen is blijkens de door u verstrekte gegevens 131%. Voor dit percentage zijn geen gegevens beschikbaar over het opgenomen en afgegeven vermogen van de warmtepomp. Ik ga derhalve uit van de meest dichtbij liggende aansluitcapaciteit van 130%, waarvoor in het tabellenboek van Hitachi wel gegevens beschikbaar zijn. Gelet op de verschillende RAS 10%-tabellen bij 7 - 20° C komt het verbeteringspercentage niet boven de 2% uit (opgenomen vermogen), en komt de c.o.p.-waarde bij al deze %-tabellen niet boven de 3,5 uit, terwijl een c.o.p.-waarde van 3,5 op grond van de Energielijst vereist is. Dat in documentatie van andere leveranciers van warmtepompen(installaties) hogere deellastpercentages worden genoemd, maakt niet dat ik van die documentatie uit kan gaan. Immers, die documentatie heeft geen betrekking op een warmtepomp van het merk Hitachi, Set-Free FS & FX Series, type RAS 10. Overigens zij opgemerkt dat de door u genoemde verbeteringspercentages bij warmtepompinstallaties van andere leveranciers, evenmin zouden leiden tot de vereiste c.o.p.- waarde van 3,5. Conclusie De c.o.p.-waarde van de warmtepompinstallatie van het type RAS 10 voldoet noch bij een vollastsituatie, noch bij een realistische deellastsituatie aan de in de wettelijke Energielijst gestelde eis van tenminste 3,5. Aan uw verzoek om bij een te lage c.o.p.-waarde rekening te houden met het opgenomen vermogen van de binnenunits, kom ik niet tegemoet. Bij de berekening van de c.o.p. waarde van warmtepompen wordt het afgegeven warmtevermogen gedeeld door het gezamenlijk opgenomen vermogen van de buitenunit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.