t het College geen aanleiding ProRail nog langer aan te merken als partij in zaak 06/125, 06/127, 06/128 en 06/129 en komt het met toepassing van artikel 10, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006 (gepubliceerd op <www.rechtspraak.nl>) terug van zijn beslissing ProRail in zaak 06/125, 06/127, 06/128 en 06/129 als partij aan te merken. De beroepen van ProRail en T Mobile en de door hen aangevoerde argumenten komen in deze uitspraak verder dan ook niet aan de orde. Bij brief van 22 juni 2006 heeft OPTA op de zaken betrekking hebbende stukken ingediend. Met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft OPTA medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van stuk B1, B2 en B
nswijzen te geven op de ontwerpmaatregel. (…) Artikel 7 Consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie (…) 3. Indien de nationale regelgevende instantie, naast de raadpleging als bedoeld in artikel 6, voornemens is een maatregel te nemen die:
nswijzen over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. - Op 4 november 2005 heeft OPTA het ontwerpbesluit genotificeerd bij de Commissie. - Bij brief van 2 december 2005 heeft de Commissie gereageerd op het ontwerpbesluit. In voetnoot 7 van deze brief heeft de Commissie onder meer het volgende opgemerkt: "OPTA rechtvaardigt de uitsluiting van lokale gespreksdoorgifte van de markt van gespreksopbouw (en de afbakening van een separate markt voor lokale gespreksdoorgifte (…)) door te concluderen dat in Nederland gespreksopbouw en lokale gespreksdoorgifte niet vergelijkbaar zijn in termen van functionaliteit en dat de repliceerbaarheid van de benodigde infrastructuur ook zeer uiteenloopt. In dit verband verwijst OPTA naar [de] Aanbeveling, waaruit volgt dat het aan de NRIs wordt overgelaten om gespreksopbouw en transitgespreksdoorgifte af te bakenen, afhankelijk van de netwerktopologieën in de betrokken lidstaat." In haar brief van 2 december 2005 heeft de Commissie geen bezwaar gemaakt tegen de manier waarop OPTA de wholesalemarkten voor gespreksafgifte op afzonderlijke openbare telefoonnetwerken, verzorgd op een vaste locatie, heeft afgebakend. De Commissie heeft evenmin bezwaar gemaakt tegen de door OPTA verrichte analyse van de situatie op deze markten, haar conclusie dat alle vaste aanbieders beschikken over AMM op de markten voor gespreksafgifte op hun eigen vaste openbare telefoonnetwerk of de verplichtingen die OPTA wil opleggen. - Vervolgens heeft OPTA het bestreden besluit genomen. - Eveneens op 21 december 2005 heeft OPTA een besluit genomen over de wholesalemarkten voor toegang tot het vaste openbare telefoonnetwerk (hierna: WLR besluit, WLR betekent wholesale line rental). - Op 27 september 2006 heeft OPTA het zogenoemde WPC besluit (WPC betekent wholesale price cap) genomen. In dit besluit heeft OPTA een bovengrens gesteld aan een aantal wholesaletarieven van KPN, waaronder de tarieven voor gespreksafgiftediensten op haar vaste openbare telefoonnetwerk. Appellanten hebben geen beroep ingesteld tegen het WPC besluit. - Op 30 november 2006 heeft het College uitspraak gedaan op de beroepen tegen het WLR besluit (zaak 06/32, 06/110, 06/111 en 06/112; <www.rechtspraak.nl>, LJN AZ3361; hierna: WLR uitspraak). 3. Het bestreden besluit In het bestreden besluit merkt OPTA (
t er voorts aan voorbij dat de bij het bestreden besluit opgelegde verplichting tot kostenoriëntatie een prikkel kan vormen om toegang ten behoeve van gespreksafgifte op 084 en 087 nummers te weigeren. Daarnaast is de analyse van OPTA gebrekkig omdat zij heeft nagelaten de invloed van Voice over Internet Protocol (hierna: VoIP) / Voice over Broadband (hierna: VoB) prospectief te onderzoeken. 5. De beroepsgronden van UPC 5.1 Het netwerk van UPC is op lokaal niveau niet gekoppeld aan dat van KPN en OPTA overweegt in randnummer 114 van het bestreden besluit dan ook ten onrechte dat gespreksafgifte op het netwerk van KPN begint op het niveau van de lokale nummercentrale. De door OPTA geconstrueerde dienst lokale gespreksdoorgifte wordt door UPC van KPN afgenomen als onlosmakelijk onderdeel van de dienst gespreksafgifte. Het onjuiste en kunstmatige onderscheid tussen lokale doorgifte en gespreksafgifte stelt KPN in staat een extra tariefelement te introduceren en hogere tarieven voor vaste gespreksafgifte te verantwoorden. Gespreksafgifte is geen zelfstandige dienst, maar onderdeel van een telefoongesprek waarbij de beller en de gebelde niet zijn aangesloten op hetzelfde netwerk. De door OPTA afgebakende markt voor gespreksafgifte op het netwerk van UPC kan dan ook niet los worden gezien van de wholesalediensten gespreksopbouw en gespreksdoorgifte en evenmin van de positie van UPC op de retailmarkten voor vaste telefonie. Er kan niet aan worden voorbijgezien dat het marktaandeel van UPC op de retailmarkten voor vaste telefonie met vier tot vijf procent relatief klein is en dat zij in de concurrentiestrijd met KPN wordt gehinderd door het feit dat KPN toegang heeft tot vrijwel ieder huishouden in Nederland, terwijl de infrastructuur van UPC slechts vijfendertig tot veertig procent van Nederland bestrijkt. De concurrentie op de retailmarkt werkt door in de prijs. UPC ervaart prijsdruk door de tariefdifferentiatie van KPN en door de eisen die haar eigen abonnees in toenemende mate stellen aan de kosten van hun bereikbaarheid. Het tarief voor vaste gespreksafgifte (hierna ook: FTA-tarief, FTA betekent fixed terminating access) van KPN is voor UPC niet voldoende om uit de kosten te komen, sterker nog, het FTA-tarief dat UPC thans hanteert op grond van een besluit van OPTA is niet geheel kostendekkend. In het bestreden besluit verliest OPTA uit het oog dat verplichtingen alleen mogen worden opgelegd als zich daadwerkelijk een mededingingsprobleem voordoet of zich waarschijnlijk zal voordoen. Blijkens de opbouw van artikel 16 van de Kaderrichtlijn impliceert de aanwezigheid van een aanbieder met AMM niet dat de desbetreffende markt niet concurrerend is. Een AMM partij kan zich gedragen alsof sprake is van daadwerkelijke concurrentie en in dat geval is ingrijpen niet nodig. OPTA heeft deze zelfstandige stap in de analyse overgeslagen met verwijzing naar de Aanbeveling, waaruit zou volgen dat de Commissie al heeft bepaald dat de onderhavige markten in aanmerking komen voor ex ante regulering. Hiermee miskent OPTA dat zij een volledige analyse van de economische kenmerken van een markt moet uitvoeren, voordat zij een conclusie trekt over het karakter van de markt en het risico van mededingingsproblemen. Zo heeft UPC in haar
nswijze over het ontwerpbesluit gemotiveerd betoogd dat de hoogte van de door OPTA opgesomde FTA tarieven duidelijk maakt dat krachten op de markt actief zijn die een beperking van de mededinging of aantasting van eindgebruikersbelangen voorkomen. OPTA is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zich in het geval van UPC daadwerkelijk problemen als toegangsweigering of buitensporige tarieven zullen voordoen. Dat UPC volgens OPTA geen prikkel heeft dergelijk gedrag achterwege te laten, is in dit verband niet voldoende. Er is geen sprake van dat UPC buitensporig hoge FTA-tarieven hanteert. Haar tarieven passen binnen de Beleidsregels en zijn volgens OPTA dus redelijk. Een redelijk tarief kan niet buitensporig hoog zijn. OPTA onderbouwt in het bestreden besluit niet dat UPC buitensporige tarieven zou (kunnen) hanteren. De tarieven van UPC zijn niet vergeleken met andere lidstaten, evenmin heeft OPTA het tarief van UPC voor gespreksafgifte vergeleken met dat voor gespreksopbouw of onderzoek gedaan naar de kosten van gespreksopbouw. De eindgebruikers zijn vooralsnog zonder meer bereid de FTA-tarieven van de alternatieve aanbieders te betalen en zij ervaren de huidige tarieven niet als te hoog. 5.2 OPTA is buiten haar bevoegdheid getreden, omdat zij UPC verplichtingen heeft opgelegd zonder aannemelijk te hebben gemaakt dat ex ante regulering van de FTA-diensten van UPC noodzakelijk is (grief 1 UPC). Als de door OPTA veronderstelde mededingingsproblemen al bestaan, kunnen deze eenvoudig op andere wijze worden opgelost dan door ex ante regulering. De stelling van OPTA dat UPC de concurrentie kan beïnvloeden door gespreksafgifte te weigeren,
t eraan voorbij dat zij ingevolge artikel 6.3 Tw verplicht is te zorgen voor eind tot eind verbindingen en deze te waarborgen. Als UPC deze verplichting niet nakomt, kan OPTA handhavend optreden. Voorts dient UPC zich ingevolge artikel 6.1 Tw redelijk op te stellen als een andere aanbieder om directe interconnectie vraagt, terwijl OPTA op grond van artikel 12.2 Tw bevoegd is eventuele geschillen te beslechten. Ten slotte kan OPTA op grond van artikel 6.2, tweede lid, Tw ambtshalve verplichtingen opleggen met betrekking tot het tot stand brengen en waarborgen van eind tot eind verbindingen. OPTA heeft dan ook voldoende mogelijkheden om eventuele toegangsproblemen te voorkomen of op te lossen, zodat geen noodzaak bestaat tot regulering op grond van artikel 6a.2 Tw. De stelling van OPTA dat UPC gespreksafgifte kan bemoeilijken door het stellen van onduidelijke voorwaarden of hoge tarieven gaat evenmin op. Dit probleem kan zich uitsluitend voordoen tijdens onderhandelingen. Als hiertoe aanleiding bestaat, kan OPTA op verzoek van een wederpartij van UPC onderhandelingsvoorschriften stellen (artikel 6.1, derde lid, Tw). De vrees van OPTA voor buitensporige FTA-tarieven
t eraan voorbij dat de FTA-tarieven van UPC redelijk zijn en eindgebruikers niet benadelen. Een risico van buitensporig hoge tarieven heeft OPTA niet aannemelijk gemaakt. Naast de mogelijkheden die OPTA op grond van artikel 6.1 en 12.2 Tw heeft om op te treden als UPC buitensporig hoge tarieven in rekening wil brengen, kan ook de Nederlandse Mededingingsautoriteit hiertegen optreden. 5.3 De aan KPN opgelegde tariefmaatregel is niet passend (grief 2 UPC). Ten onrechte heeft OPTA, anders dan voorheen, gekozen voor tariefregulering op basis van EDC (EDC betekent embedded direct costs). De transparantie van EDC is zeer gebrekkig en het door OPTA gehanteerde beginsel van vertraagde reciprociteit bergt het risico in zich dat UPC binnen afzienbare tijd lagere FTA-tarieven moet vragen dan KPN, wat onredelijk zou zijn. OPTA heeft ten onrechte niet bepaald dat de FTA-tarieven van de andere aanbieders altijd tenminste even hoog mogen zijn als die van KPN. Gezien de tariefontwikkeling waarvan sprake is in het ontwerp WPC besluit, is de vrees van UPC voor stijgende tarieven van KPN geenszins een theoretische. Dat de FTA tarieven van KPN (fors) kunnen gaan stijgen, maakt al duidelijk dat de door OPTA gekozen wijze van tariefregulering niet passend is. Voorts is het in strijd met de uitgangspunten van het nieuwe regelgevend kader inzake elektronische communicatie en de rechtszekerheid dat pas geruime tijd na het nemen van het bestreden besluit duidelijk wordt hoe de tariefregulering van KPN (en daarmee UPC) zal uitwerken. 5.4 De aan UPC opgelegde maatregelen zijn niet passend en niet proportioneel (grief 3 UPC). Omdat van een daadwerkelijk mededingingsprobleem geen sprake is en andere middelen voorhanden zijn om in te grijpen als zich (toch) problemen zouden voordoen, kan geen enkele maatregel als passend worden beschouwd. De opgelegde tariefmaatregel is evenmin passend in het licht van de doelstellingen van de Tw. OPTA acht bevordering van infrastructuur- of dienstenconcurrentie op de onderhavige markten niet mogelijk en legt daarom verplichtingen op in het belang van de eindgebruikers. OPTA miskent evenwel dat haar tariefmaatregel de concurrentiemogelijkheden van UPC op de retailmarkten voor vaste telefonie ondermijnt, waarbij met name de infrastructuurconcurrentie ter zake van vaste telefonie in het gedrang komt. Een maatregel kan slechts als passend worden beschouwd als vaststaat dat een minder vergaande maatregel niet afdoende is om het geconstateerde mededingingsprobleem op te lossen. De aan KPN opgelegde verplichting tot tariefsdifferentiatie op de wholesalemarkt voor gespreksopbouw op het vaste openbare telefoonnetwerk is afdoende om te voorkomen dat UPC een buitensporig hoog FTA-tarief zal vragen. Differentiatie van de gespreksopbouwtarieven van KPN hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot dezelfde FTA-tarieven voor alle aanbieders, maar hoeft slechts buitensporig hoge tarieven te voorkomen. Als de tarieven van UPC excessief zouden worden, zouden haar abonnees niet meer gebeld worden. De door OPTA opgelegde maatregel staat eraan in de weg dat UPC haar kosten goedmaakt, laat staan dat zij nog een redelijk rendement kan behalen op haar investeringen. Ook om deze reden is de tariefmaatregel niet passend, te minder nu het gereguleerde tarief van UPC geen enkele relatie heeft met haar kosten. Vertraagde reciprociteit kan dan ook niet worden beschouwd als een vorm van kostenoriëntatie. Het schrappen van de in de Beleidsregels vervatte uitzonderingsmogelijkheid zorgt ervoor dat de tariefmaatregel nog nadeliger uitwerkt en OPTA motiveert in het bestreden besluit onvoldoende waarom zij deze uitzonderingsmogelijkheid niet heeft gehandhaafd. UPC is de enige alternatieve aanbieder met infrastructuur die tot aan de eindgebruiker is uitgerold, zodat haar kostenbasis relatief hoog is en de uitzonderingsmogelijkheid haar voldoende armslag zou kunnen bieden om te komen tot een gereguleerd tarief op basis van relevante kosten. UPC is in staat aan te tonen dat zij een efficiënte aanbieder is en zij heeft belang bij een beroep op de uitzonderingsmogelijkheid. In haar brief van 20 oktober 2006 benadrukt UPC dat OPTA bij haar dominantieanalyse, naast kopersmacht, uitsluitend het getalsmatige criterium van honderd procent marktaandeel heeft betrokken en geen oog heeft gehad voor de specifieke positie van UPC. Omdat OPTA geen onderzoek heeft gedaan naar de andere in de Richtsnoeren genoemde criteria die relevant zijn voor de dominantieanalyse, is zij ten onrechte tot de conclusie gekomen dat UPC beschikt over AMM op de wholesalemarkten voor gespreksafgifte op haar vaste openbare telefoonnetwerk.
n waarom OPTA de andere vaste aanbieders niet dezelfde toegangsverplichting heeft opgelegd als KPN. Dat toegangsbelemmerende gedragingen van KPN een grotere impact kunnen hebben dan soortgelijke gedragingen van haar concurrenten, is geen geldige reden om de andere vaste aanbieders geen gespecificeerde toegangsverplichting op te leggen. OPTA had de andere vaste aanbieders tenminste moeten verplichten het zogenoemde 'far end handover-principe' te hanteren en alle bij gespreksafgifte behorende of daarmee onlosmakelijk verbonden diensten te leveren. OPTA
t er voorts aan voorbij dat zij een toegangsverplichting op grond van de wetsgeschiedenis altijd moet specificeren. De aan de andere vaste aanbieders opgelegde toegangsverplichting is zo vaag en algemeen geformuleerd dat deze in de praktijk een lege huls is en geen adequate remedie biedt tegen de toegangsbelemmerende gedragingen die zich volgens OPTA kunnen voordoen. Als OPTA in het besluit inzake gespreksdoorgifte terecht zou hebben geoordeeld dat het realiseren van directe interconnectie (te)veel tijd kost, wat KPN in haar beroepsprocedure tegen dat besluit gemotiveerd heeft betwist, valt te minder in te
n waarom OPTA de toegangsverplichting voor de andere vaste aanbieders niet heeft gespecificeerd. Door dit niet te doen, werkt OPTA in de hand dat het door haar gepercipieerde probleem blijft bestaan. Dat toegangsbelemmering door de andere vaste aanbieders een geringe weerslag zou hebben op de concurrentieverhoudingen, is geen reden om een gespecificeerde toegangsverplichting achterwege te laten en is bovendien feitelijk onjuist. Verschillende andere aanbieders winnen met hun VoB aanbiedingen snel marktaandeel. In haar besluit over de retailmarkten voor vaste telefonie overweegt OPTA dat concurrenten van KPN in de huidige reguleringsperiode een gezamenlijk marktaandeel van tot wel tweeëntwintig procent kunnen verwerven, waarmee het belang van gespreksafgifte op hun vaste openbare telefoonnetwerken en de negatieve invloed van toegangsbelemmerende gedragingen navenant toeneemt. 7.6 Ten onrechte heeft OPTA wel aan KPN, maar niet aan de andere vaste aanbieders een sectorspecifiek discriminatieverbod opgelegd (grief E KPN). OPTA onderkent dat de andere vaste aanbieders dezelfde discriminatoire gedragingen zouden kunnen vertonen als KPN, zodat niet valt in te
n waarom OPTA de andere vaste aanbieders geen discriminatieverbod heeft opgelegd. Dat discriminatoire gedragingen van KPN een grotere impact kunnen hebben dan gedragingen van haar concurrenten, is geen geldige reden om de andere vaste aanbieders geen discriminatieverbod op te leggen. De enige passende maatregel om discriminatoir gedrag te voorkomen is een discriminatieverbod. OPTA heeft niet de vrijheid passende maatregelen niet op te leggen. In het bestreden besluit heeft OPTA de passendheid van een discriminatieverbod voor de andere vaste aanbieders niet bestreden en dat kan zij ook niet. Prijsdiscriminatie is een misbruikelijke gedraging, die ertoe leidt dat de eindgebruikers van KPN, veelal onbewust, de kunstmatig lage prijzen van andere aanbieders subsidiëren. OPTA heeft weliswaar onderzocht of een discriminatieverbod geschikt en noodzakelijk is, maar dat is niet het wettelijke criterium. Een verplichting is passend als deze is gebaseerd op de aard van het probleem en als zij proportioneel en gerechtvaardigd is in het licht van de wettelijke doelstelling. Dat discriminatie door de andere vaste aanbieders een geringe weerslag zou hebben op de concurrentieverhoudingen, is dan ook geen reden om een verplichting tot non discriminatie achterwege te laten en is bovendien feitelijk onjuist. Verschillende andere aanbieders winnen met hun VoB aanbiedingen snel marktaandeel en hun omvang rechtvaardigt een discriminatieverbod. 7.7 Ten onrechte heeft OPTA KPN een discriminatieverbod opgelegd zonder een uitzondering te maken voor gespreksafgifte op aansluitingen op basis van VoB (grief F KPN). Voorzover op deze markt al sprake is van een of meer dominante aanbieders, is het algemene mededingingsrechtelijke discriminatieverbod toereikend. Gezien de recente lancering van VoB en het innovatieve karakter van de gehanteerde technologie wordt KPN door een absoluut gesteld ex ante discriminatieverbod nodeloos afgeremd en beperkt in haar mogelijkheden om met andere VoB aanbieders afwijkende afspraken te maken voor het afwikkelen van VoB-verkeer. Het generieke mededingingsrechtelijke discriminatieverbod laat ruimte voor een meer genuanceerde benadering, waarbij een eventueel toegepaste differentiatie achteraf wordt getoetst en de nadruk ligt op de vraag of de concurrentie (en daarmee de belangen van de consument) is geschaad. Dit is een meer passende wijze van optreden dan het bij het bestreden besluit aan KPN opgelegde discriminatieverbod. Als echter zou worden geoordeeld dat dit verbod ook wat betreft VoB passend is, moet de andere vaste aanbieders eenzelfde verbod worden opgelegd. 7.8 Ten onrechte heeft OPTA wel aan KPN, maar niet aan de andere vaste aanbieders verplicht een referentieaanbod te doen (grief G KPN). KPN stelt zich primair op het standpunt dat het opleggen van deze verplichting niet nodig is om een op de markt geconstateerd probleem te verhelpen en dat deze verplichting dus niet passend is. In het verleden heeft KPN een referentieaanbod steeds onverplicht gepubliceerd en een ex ante verplichting ter zake is niet nodig gebleken. Niet valt in te
n waarom dat in de komende jaren anders zou zijn. Voorzover deze verplichting wel passend wordt geoordeeld, had OPTA haar ook aan de andere vaste aanbieders had moeten opleggen. Als OPTA zich terecht op het standpunt stelt dat thans (te)veel tijd is gemoeid met het tot stand brengen van directe interconnectie, is onbegrijpelijk dat zij deze verplichting niet aan de andere vaste aanbieders heeft opgelegd. Het standpunt van OPTA dat de andere vaste aanbieders van beperkte omvang zijn, gaat niet in alle gevallen op, terwijl de administratieve last van een dergelijke verplichting voor de andere vaste aanbieders beperkt is, omdat door hen gesloten overeenkomsten over gespreksafgifte hiervoor als basis kunnen dienen. 7.9 Ten onrechte heeft OPTA het beginsel van vertraagde reciprociteit gehandhaafd (grief H KPN). Ongeveer zestig procent van de abonnees van de andere vaste aanbieders heeft een aansluiting op basis van VoB en dit percentage zal naar verwachting snel toenemen. Voor deze aansluitingen gaat het argument dat de aanloopinvesteringen voor nieuwe toetreders aanzienlijk zijn niet op. OPTA heeft nagelaten haar tariefregulering te heroverwegen, in ieder geval voorzover het gespreksafgifte op netwerken op basis van VoIP of aansluitingen op basis van VoB betreft. Het beleid van OPTA had ook moeten worden heroverwogen wat betreft aanbieders die niet op VoB zijn overgestapt om te voorkomen dat instandhouding van achterhaalde technologie wordt beloond. 7.10 Als grief H niet slaagt, geldt dat OPTA het beginsel van vertraagde reciprociteit onzorgvuldig heeft toegepast (grief I KPN). De door OPTA gehanteerde reguleringssystematiek leidt tot een blijvend verschil in tarieven. Van de andere vaste aanbieders mag worden verwacht dat zij aan het einde van de huidige reguleringsperiode het kostenniveau van een efficiënte aanbieder hebben gehaald en dat zij op dat moment hoogstens de tarieven voor gespreksafgifte hanteren die KPN aan het begin van deze reguleringsperiode in rekening mocht brengen. Het bestreden besluit is ten onrechte niet gericht op dit resultaat, doordat OPTA de tarieven van de andere vaste aanbieders mede blijft relateren aan de tarieven die KPN in 1997 hanteerde. OPTA suggereert in het bestreden besluit ten onrechte dat de andere vaste aanbieders maximaal het tarief mogen hanteren dat KPN drie jaar daarvoor hanteerde en de hierop gebaseerde argumenten missen dan ook feitelijke grondslag. OPTA maakt niet duidelijk waarom zij niet heeft gekozen voor een systeem van échte vertraagde reciprociteit, dat minder marktverstorend is, omdat het niet leidt tot een blijvend verschil in tarieven en de bovengrens voor de andere vaste aanbieders lager uitvalt. De passendheid van de door OPTA gekozen systematiek is niet deugdelijk gemotiveerd en de door OPTA nagestreefde doelen kunnen ook worden bereikt met behulp van een minder marktverstorende systematiek. 7.11 Ten onrechte heeft OPTA de tarieven van de andere vaste aanbieders voor bijbehorende faciliteiten niet adequaat gereguleerd (grief J KPN). In het bestreden besluit overweegt OPTA dat toegang alleen economisch zinvol kan worden afgenomen als deze zo effectief en efficiënt mogelijk wordt aangeboden en dat het essentieel is dat partijen ook de bijbehorende faciliteiten tegen redelijke voorwaarden kunnen afnemen. Gelet hierop valt niet in te
n waarom de tarieven van de andere vaste aanbieders voor het leveren van deze faciliteiten niet aan tariefregulering zijn onderworpen. De andere vaste aanbieders hebben de mogelijkheid en prikkel excessieve tarieven te hanteren voor deze faciliteiten, in aanmerking genomen dat afnemers van gespreksafgifte geen andere keuze hebben dan ook de bijbehorende faciliteiten af te nemen. Door het hanteren van excessieve tarieven voor bijbehorende faciliteiten kunnen de andere vaste aanbieders het effect van de regulering van hun gespreksafgiftetarieven teniet doen. 7.12 Ten onrechte heeft OPTA KPN verplicht een overflowprocedure op te nemen in haar referentieaanbod (grief M KPN). OPTA heeft niet duidelijk gemaakt wat voor procedure KPN moet leveren, terwijl niet evident is dat KPN in staat is een procedure voor overflow te realiseren. Het is technisch niet goed mogelijk in een lokale (nummer)centrale een overloopfaciliteit te bieden, althans een dergelijke faciliteit is zo duur dat een verplichting deze in iedere lokale centrale aan te bieden evident niet als passend kan worden beschouwd. In reactie op de hierop betrekking hebbende
nswijze van KPN over het ontwerpbesluit heeft OPTA gesteld dat de overflowprocedure reeds thans onderdeel vormt van het referentieaanbod van KPN, terwijl OPTA hierover voorschriften heeft gesteld in het RIA-oordeel van 25 juli
Voorzover UPC hiermee heeft willen stellen dat de in het bestreden besluit vervatte marktafbakening onjuist is, stuit haar stelling op het vorenstaande af. Het College wijst erin dit verband nog op dat gespreksopbouw, gespreksdoorgifte en gespreksafgifte in de Aanbeveling als afzonderlijke relevante wholesalemarkten zijn onderscheiden. 9.4 ACT heeft aangevoerd dat de wholesaledienst gespreksafgifte op het vaste openbare telefoonnetwerk van KPN begint op het regionale interconnectiepunt en niet in de lokale centrale (grief 3 ACT). 9.4.1 Naar het oordeel van het College heeft OPTA in reactie op deze grief terecht aangevoerd dat de verbindingen tussen de regionale centrales en de lokale centrales in het netwerk van KPN, hoewel op zichzelf al moeilijk repliceerbaar, verhoudingsgewijs duidelijk beter repliceerbaar zijn dan de verbindingen tussen de lokale centrales in het netwerk van KPN en de daarop aangesloten eindgebruikers. Hoewel al onaannemelijk is dat andere aanbieders in de huidige reguleringsperiode zullen uitrollen tot op lokaal niveau, geldt dit in nog veel sterkere mate voor replicatie van de verbindingen tussen de lokale centrales en individuele eindgebruikers. 9.4.2 Naar het oordeel van het College heeft OPTA zich op grond van dit verschil in repliceerbaarheid op het standpunt mogen stellen dat de door haar onderscheiden wholesalediensten gespreksafgifte en lokale gespreksdoorgifte op het vaste openbare telefoonnetwerk van KPN niet zodanig vergelijkbaar zijn dat zij tot dezelfde markt moeten worden gerekend. Blijkens de in § 2.2 van deze uitspraak geciteerde voetnoot 7 van haar brief van 2 december 2005 heeft de Commissie onderkend dat OPTA in dit opzicht is afgeweken van de Aanbeveling, waartegen de Commissie geen bezwaar heeft gemaakt. De omstandigheid dat de leden van ACT in de huidige situatie zowel gespreksafgifte als lokale gespreksdoorgifte bij KPN moeten afnemen om vast telefoonverkeer van hun eindgebruikers naar vaste eindgebruikers van KPN af te kunnen wikkelen, vormt in het licht van het voorafgaande onvoldoende grond voor het oordeel dat gespreksafgifte en lokale gespreksdoorgifte niet van elkaar kunnen worden onderscheiden en tot dezelfde markt moeten worden gerekend. 9.4.3 Grief 3 van ACT kan derhalve niet slagen. 9.4.4 In het licht van het voorafgaande
t het College in de met grief 3 van ACT overeenstemmende standpunten van Tele2 en UPC evenmin grond voor vernietiging van het bestreden besluit. 9.5 Grief C van KPN houdt in dat OPTA bij de marktafbakening ten onrechte geen onderscheid maakt tussen gespreksafgifte op traditionele vaste openbare telefoonnetwerken en gespreksafgifte op vaste openbare telefoonnetwerken basis van IP. Volgens KPN had OPTA deze vormen van gespreksafgifte nader moeten onderzoeken en was zij in dat geval tot de slotsom gekomen dat in de markt andere voorwaarden plegen te worden gehanteerd voor gespreksafgifte op traditionele netwerken dan voor gespreksafgifte op basis van IP. 9.5.1 In hetgeen KPN heeft aangevoerd
t het College geen grond voor het oordeel dat gespreksafgifte op traditionele vaste telefoonnetwerken tot een andere markt behoort dan gespreksafgifte op netwerken op basis van IP of dat OPTA ter zake nader onderzoek had moeten verrichten. Tussen de door KPN genoemde vormen van gespreksafgifte zijn inderdaad verschillen aan te wijzen, bijvoorbeeld wat betreft techniek, kosten en soms de in de markt gehanteerde voorwaarden. Bepalend voor het antwoord op de vraag of deze vormen van gespreksafgifte tot dezelfde markt behoren, is evenwel niet of sprake is van diensten die in alle opzichten identiek zijn en onder dezelfde condities worden geleverd, maar of deze vormen van gespreksafgifte onderling voldoende substitueerbaar zijn om tot dezelfde markt te worden gerekend. KPN heeft geen enkel argument aangedragen dat zou kunnen leiden tot de slotsom dat dit laatste niet het geval is of dat nader onderzoek door OPTA een ander licht op de zaak zou kunnen werpen. 9.5.2 Voorzover grief C van KPN is gericht tegen de marktafbakening, kan zij derhalve niet slagen. 9.6 OPTA heeft zes productmarkten voor vaste gespreksafgifte onderscheiden, genoemd in rubriek 3 van deze uitspraak. Tegen deze onderverdeling zijn in de onderhavige beroepsprocedures geen grieven aangevoerd. 9.7 In hetgeen appellanten hebben aangevoerd,
t het College ook overigens geen grond voor het oordeel dat OPTA de markten voor gespreksafgifte op openbare telefoonnetwerken, verzorgd op een vaste locatie, onjuist heeft afgebakend. 9.8 Het feit dat het marktaandeel van de vaste aanbieders op de markt(
t het College ook overigens geen grond voor het oordeel dat de in het bestreden besluit op de relevante markt(en) verrichte dominantieanalyse tekortschiet. 9.11 Grief 1 van Tele2 is gericht tegen haar aanwijzing als aanbieder met AMM op de markt voor gespreksafgifte op geografische nummers op haar vaste openbare telefoonnetwerk. 9.11.1 Bij de beoordeling van deze grief neemt het College allereerst in aanmerking hetgeen OPTA in randnummer 306 en 307 van het bestreden besluit heeft overwogen. "
Dat Tele2 in een situatie met regulering naar eigen zeggen moeilijk kan vaststellen of zij kopersmacht ervaart, impliceert niet dat zij in een situatie zonder regulering geen kopersmacht zou kunnen ervaren. Ook afgezien daarvan
t het College geen grond voor het oordeel dat de verklaring van Tele2, dat onderhandelingsmacht van afnemers in de feitelijk bestaande situatie met regulering moeilijk is vast te stellen, afbreuk doet aan de overtuigingskracht van haar standpunt dat OPTA in het bestreden besluit geen grondige analyse heeft verricht van het al dan niet bestaan van kopersmacht in een denkbeeldige situatie zonder regulering. Hetgeen Tele2 in het kader van de marktanalyses heeft verklaard over onderhandelingsmacht van afnemers van haar vaste gespreksafgiftedienst, kan dan ook niet bijdragen tot de slotsom dat haar eerste grief niet kan slagen. 9.11.4 In reactie op grief 1 van Tele2 heeft OPTA er voorts op gewezen dat Tele2 in haar
nswijze over het ontwerpbesluit heeft aangevoerd dat "each party offering call termination should be designated having SMP". Het College overweegt dienaangaande dat, als Tele2 in het ontwerpbesluit zou zijn aangewezen als aanbieder met AMM en zij vervolgens bovenstaande
nswijze over het ontwerpbesluit had gegeven, inderdaad de vraag zou zijn gerezen of Tele2 in beroep nog had kunnen aanvoeren dat zij ten onrechte is aangewezen en, zo ja, hoe geloofwaardig en overtuigend dat zou zijn. In het ontwerpbesluit is Tele2 echter niet aangewezen als aanbieder van vaste gespreksafgifte. Het College acht niet onlogisch dat Tele2 in haar
nswijze over het ontwerpbesluit de AMM aanwijzingen van de andere vaste aanbieders en de daaraan ten grondslag liggende analyse van OPTA heeft onderschreven, in aanmerking genomen dat Tele2 als verreweg de grootste CPS aanbieder in Nederland een aanmerkelijk belang heeft bij regulering van de tarieven voor gespreksafgifte van andere vaste aanbieders, maar dat Tele2, nadat zij in het bestreden besluit alsnog zelf was aangewezen als aanbieder met AMM, wel een grief heeft aangevoerd tegen haar eigen aanwijzing. Hetgeen Tele2 heeft aangevoerd in haar
nswijze over het ontwerpbesluit kan dan ook niet bijdragen tot de slotsom dat haar eerste grief moet worden verworpen. 9.11.5 Naar het oordeel van het College is niet op voorhand uitgesloten dat Tele2 in een situatie zonder regulering kopersmacht zou ervaren. Er kan in dit verband niet aan worden voorbijgezien dat Tele2 veruit de grootste CPS aanbieder in Nederland is, zodat haar argument dat zij verhoudingsgewijs veel meer vast telefoonverkeer ter afwikkeling aanbiedt dan zij zelf op haar vaste openbare telefoonnetwerk ontvangt niet op voorhand overtuigingskracht kan worden ontzegd. Tele2 heeft er voorts niet ten onrechte op gewezen dat OPTA in randnummer 340 van het bestreden besluit weliswaar heeft onderkend dat de marktmacht van CPS aanbieders door deze asymmetrie wordt beperkt, maar dat uit het bestreden besluit onvoldoende duidelijk blijkt waarom OPTA niettemin tot de slotsom komt dat Tele2 desondanks beschikt over AMM. Naar het oordeel van het College heeft OPTA in het bestreden besluit op dit punt ten onrechte volstaan met een beschouwing over de positie van CPS aanbieders in het algemeen, zonder specifiek in te gaan op de positie van Tele2 op de markt voor vaste gespreksafgifte op geografische nummers op haar eigen netwerk, waarbij onder meer relevant is dat Tele2 verreweg de grootste CPS aanbieder in Nederland is en dat zij naar eigen zeggen een verwaarloosbare hoeveelheid verkeer op haar eigen vaste netwerk afwikkelt. Over dit laatste merkt het College op dat uit het bestreden besluit of het verweerschrift niet blijkt hoe groot of hoe klein de markt voor gespreksafgifte op geografische nummers op het netwerk van Tele2 is. Mede gezien de niet wezenlijk weersproken stelling van KPN dat het VoB aanbod van Tele2 ('Tele2 Compleet') succesvol is, staat voor het College niet op voorhand vast dat Tele2 inderdaad een verwaarloosbare hoeveelheid telefoonverkeer op haar vaste openbare telefoonnetwerk afwikkelt (en ten tijde van het nemen van het bestreden besluit afwikkelde). De in het bestreden besluit vervatte dominantieanalyse verschaft hierover evenwel geen duidelijkheid. 9.11.6 Voorzover OPTA in het verweerschrift heeft willen betogen dat grief 1 van Tele2 niet kan slagen omdat zij geen inhoudelijke argumenten tegen haar AMM aanwijzing heeft aangevoerd, maar slechts heeft gesteld dat OPTA nader onderzoek had moeten verrichten naar het bestaan van kopersmacht, volgt het College OPTA niet in dit betoog. Tele2 heeft, weliswaar summier, op haar eigen, specifieke situatie betrekking hebbende argumenten aangevoerd die naar het oordeel van het College gezien het vorenoverwogene geen afdoende weerlegging hebben gevonden in het bestreden besluit of het verweerschrift, terwijl evenmin op voorhand duidelijk is dat nader onderzoek in een situatie zonder regulering niet zou hebben kunnen leiden tot een andere conclusie over de dominantie van Tele2. 9.11.7 In haar verweerschrift heeft OPTA voorts betoogd dat het gezien de sterke positie van KPN op de verkeersmarkten voor vaste telefonie noodzakelijk is KPN te reguleren, dat deze regulering tot gevolg heeft dat KPN niet langer in staat is de marktmacht van de andere vaste aanbieders te disciplineren en dat ook een relatief kleine aanbieder van vaste gespreksafgifte als Tele2 in een dergelijke situatie marktmacht kan uitoefenen en mededingingsproblemen kan veroorzaken. Dit betoog van OPTA is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet relevant, omdat OPTA in het kader van de dominantieanalyse in het bestreden besluit – als gezegd – nu juist is uitgegaan van een situatie zonder regulering van KPN (en de andere vaste aanbieders). 9.11.8 Het College komt tot de slotsom dat grief 1 van Tele2 slaagt. Op de consequenties hiervan zal het College ingaan in § 9.13 tot en met § 9.14 van deze uitspraak. 9.12 Naar het oordeel van het College ligt in de stellingen van UPC besloten dat zij zich er niet mee kan verenigen dat zij is aangewezen als aanbieder met AMM op de markten voor gespreksafgifte op geografische nummers en 088 nummers op haar eigen vaste openbare telefoonnetwerk. Voorzover dit niet reeds blijkt uit haar aanvullend beroepschrift, waarin UPC onder meer naar voren heeft gebracht dat een juiste analyse van de omstandigheden waaronder zij haar telefoondiensten aanbiedt, zou hebben uitgewezen dat zij niet in staat is zelfstandig haar eigen marktgedrag te bepalen (randnummer 2), heeft UPC in ieder geval in haar brief van 20 oktober 2006 ondubbelzinnig het standpunt ingenomen dat zij bij het bestreden besluit ten onrechte is aangewezen als aanbieder met AMM. De enkele omstandigheid dat UPC in haar aanvullend beroepschrift niet expliciet en afzonderlijk als grief heeft aangevoerd dat zij ten onrechte is aangewezen als aanbieder met AMM, betekent naar het oordeel van het College niet dat hetgeen UPC in een later stadium van de procedure bij het College tegen haar AMM aanwijzing heeft aangevoerd buiten beschouwing mag worden gelaten. 9.12.1 Het College overweegt in dit verband voorts dat hetgeen UPC in beroep heeft aangevoerd in het verlengde ligt van haar
nswijze over het ontwerpbesluit, waarin zij gemotiveerd heeft betoogd dat zij niet beschikt over AMM. In haar
nswijze over het ontwerpbesluit en in beroep heeft UPC in het bijzonder aangevoerd dat zij zich niet onafhankelijk kan gedragen van KPN. UPC heeft er in dit verband op gewezen dat KPN veruit de grootste telefoonaanbieder is en dat KPN ongeveer negentig procent van de door UPC geleverde gespreksafgiftediensten afneemt, terwijl UPC slechts ongeveer twee procent van het verkeer van KPN afneemt. UPC heeft verder aangevoerd dat zij ook transitdiensten van KPN afneemt, onder meer voor gesprekken die zijn bestemd voor mobiele eindgebruikers. Volgens UPC kan haar positie op de wholesalemarkten voor gespreksafgifte op haar vaste openbare telefoonnetwerk niet geïsoleerd worden beschouwd, maar slechts in samenhang met de situatie op andere telefoniemarkten, waarop KPN dominant is. 9.12.2 Naar het oordeel van het College had OPTA in het bestreden besluit meer specifiek moeten ingaan op deze en de andere argumenten die UPC in haar
nswijze heeft aangevoerd voor haar standpunt dat zij niet beschikt over AMM op de wholesalemarkten voor gespreksafgifte op haar vaste openbare telefoonnetwerk. Bij haar dominantieanalyse is OPTA uitgegaan van een denkbeeldige situatie zonder regulering van de wholesalemarkten voor gespreksafgifte op het vaste openbare telefoonnetwerk (
In het bestreden besluit heeft OPTA naar het oordeel van het College niet overtuigend gemotiveerd dat UPC in een situatie zonder regulering van de tarieven voor vaste gespreksafgifte van KPN in staat is een tariefsverhoging voor vaste gespreksafgifte winstgevend door te voeren. In het bijzonder heeft OPTA niet overtuigend beargumenteerd waarom de door haar in randnummer 33 en verder van het bestreden besluit beschreven asymmetrie in belangen bij gespreksafgifte, samenhangend met netwerkgrootte en onbalans tussen inkomend en uitgaand verkeer, niet met zich brengt dat KPN jegens UPC een zodanige kopersmacht uitoefent dat deze aan een AMM-aanwijzing van UPC in de weg staat. Overigens blijkt uit het bestreden besluit naar het oordeel van het College onvoldoende duidelijk of OPTA bij de analyse van de dominantie van UPC is uitgegaan van een situatie waarin KPN op andere markten dan die voor vaste gespreksafgifte, bijvoorbeeld de markten voor transitgespreksdoorgifte en mobiele gespreksafgifte, wel of juist niet gereguleerd is. In het laatste geval kan een tariefsverhoging door UPC ook repercussies hebben voor de desbetreffende tarieven van KPN. 9.12.3 Het College komt tot de slotsom dat UPC terecht opkomt tegen haar AMM-aanwijzingen op de markten voor gespreksafgifte op geografische nummers en 088 nummers op haar eigen vaste openbare telefoonnetwerk. Op de verdere consequenties hiervan zal het College ingaan in § 9.13 tot en met § 9.14 van deze uitspraak. 9.13 Hetgeen is overwogen in § 9.11 tot en met § 9.11.8 en in § 9.12 tot en met § 9.12.3 van deze uitspraak leidt het College tot de slotsom dat de beroepen van Tele2 en UPC gegrond zijn en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 Awb moet worden vernietigd, voorzover Tele2 daarbij is aangewezen als aanbieder met AMM op de markt voor gespreksafgifte op geografische nummers op het eigen vaste netwerk en voorzover UPC daarbij is aangewezen als aanbieder met AMM op de markten voor gespreksafgifte op geografische nummers en 088 nummers op het eigen vaste netwerk. 9.13.1 Het College zal bepalen dat OPTA het door Tele2 en UPC betaalde griffierecht van € 276,-- aan hen vergoedt. Het College
t voorts aanleiding OPTA te veroordelen in de proceskosten van Tele2 en UPC in de eigen beroepsprocedure. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 1.288,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, in beide gevallen wegingsfactor 2 voor het gewicht van de zaak; geen vergoeding voor de spontaan ingediende repliek van 21 november 2006 van Tele2 en voor de spontaan ingediende brieven van 20 oktober 2006 en 23 november 2006 van UPC). 9.13.2 De andere in onderdeel v van het dictum van het bestreden besluit vervatte AMM aanwijzingen worden niet geraakt door de vernietiging van de AMM aanwijzingen van Tele2 en UPC. Alle aangewezen vaste aanbieders hebben de mogelijkheid gehad beroep in te stellen tegen het bestreden besluit en aan te voeren dat zij ten onrechte zijn aangewezen. Vaste aanbieders die geen beroep hebben ingesteld of niet hebben aangevoerd dat zij ten onrechte zijn aangewezen, hebben als professionele marktdeelnemers voorts rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat concurrenten wel zouden opkomen tegen hun AMM aanwijzing. 9.13.3 KPN stelt zich op het standpunt dat alle vaste aanbieders, dus ook zijzelf, terecht zijn aangewezen. ACT heeft evenmin grieven aangevoerd tegen de AMM aanwijzingen die in het bestreden besluit zijn vervat, terwijl in haar stellingen ook overigens niet het standpunt ligt besloten dat haar leden ten onrechte zouden zijn aangewezen. In randnummer 8 van haar aanvullend beroepschrift heeft ACT samengevat waartegen haar beroep zich richt, waaruit evenmin blijkt dat zij zich niet zou kunnen verenigen met enige AMM-aanwijzing. In haar nadere standpuntbepaling van 14 november 2006 heeft Versatel weliswaar aangevoerd dat OPTA haar geen tariefverplichting had mogen opleggen met betrekking tot de afgifte op haar vaste openbare telefoonnetwerk van telefoonverkeer dat ontspringt op andere netwerken dan het vaste openbare telefoonnetwerk van KPN, maar niet dat zij ten onrechte is aangewezen als aanbieder met AMM. Volgens Versatel moet haar standpuntbepaling, die wordt beoordeeld in § 9.33 tot en met § 9.33.6 van deze uitspraak, worden aangemerkt als een nadere aanvulling op grief 6 en 7 van ACT, die zijn gericht tegen de door OPTA gekozen wijze van tariefregulering en niet tegen enige AMM aanwijzing als zodanig. 9.13.4 Gezien het vorenoverwogene valt een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, voorzover het de AMM aanwijzing van andere aanbieders dan Tele2 en UPC betreft, niet binnen de grenzen van de gedingen zoals appellanten die aan het College hebben voorgelegd. 9.13.5 Het College zal OPTA opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de wholesalemarkt voor gespreksafgifte op geografische nummers op het vaste openbare telefoonnetwerk van Tele2, de wholesalemarkt voor gespreksafgifte op geografische nummers op het vaste openbare telefoonnetwerk van UPC en de wholesalemarkt voor gespreksafgifte op 088-nummers op het vaste openbare telefoonnetwerk van UPC. Bij het nemen van dit besluit mag OPTA de in onderdeel v van het dictum van het bestreden besluit vervatte AMM-aanwijzingen van andere vaste aanbieders dan Tele2 en UPC als een gegeven beschouwen, omdat het bestreden besluit in zoverre formele rechtskracht heeft gekregen. Dit betekent niet dat OPTA niet zou mogen terugkomen van een of meer AMM aanwijzingen van vaste aanbieders als zij daartoe aanleiding zou
n, maar de onderhavige uitspraak verplicht haar daartoe niet. 9.13.6 De omstandigheid dat de AMM-aanwijzingen van andere vaste aanbieders dan Tele2 en UPC formele rechtskracht hebben gekregen en om die reden bij het nemen van een nieuw besluit als een gegeven kunnen worden beschouwd, vormt voor het College geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde AMM-aanwijzingen van Tele2 en UPC geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Ook in een situatie waarin alle andere vaste aanbieders beschikken over AMM en te maken hebben met gereguleerde tarieven voor gespreksafgifte, kan niet op voorhand en zonder onderzoek naar hun specifieke positie worden geoordeeld dat ook Tele2 en UPC beschikken over AMM. In het verweerschrift is weliswaar gesteld en kort toegelicht dat de kopersmacht van KPN, de grootste afnemer van de vaste gespreksafgiftediensten, wegvalt door de regulering van haar tarieven voor vaste gespreksafgifte, maar zulks kan naar het oordeel van het College niet worden aangemerkt als een grondige, specifieke analyse van de positie van Tele2 en UPC op de markten voor vaste gespreksafgifte op hun vaste openbare telefoonnetwerken in een situatie waarin alle andere vaste aanbieders zijn gereguleerd. Er kan in dit verband niet aan worden voorbijgezien dat de tarieven van KPN voor vaste gespreksafgifte weliswaar zijn gereguleerd, maar haar tarieven voor mobiele gespreksafgifte vooralsnog niet. Geenszins valt uit te sluiten dat Tele2 en UPC hun tarieven voor vaste gespreksafgifte jegens KPN niet kunnen of willen verhogen op straffe van een verhoging van de mobiele afgiftetarieven door KPN, die voor Tele2 en UPC per saldo nadelig zou uitwerken in het licht van de in § 9.12.2 van deze uitspraak genoemde asymmetrie in belangen bij gespreksafgifte. Het ligt naar het oordeel van het College dan ook in de rede dat OPTA de resultaten van het naar aanleiding van de uitspraak van 29 augustus 2006 van het College over mobiele gespreksafgifte (zaak 05/903 en 05/921 tot en met 05/931: <www.rechtspraak.nl>, LJN AY7997) door haar aangekondigde onderzoek naar tarieven voor mobiele én vaste gespreksafgifte betrekt bij het nemen van een nieuw besluit over vaste gespreksafgifte op de vaste openbare telefoonnetwerken van Tele2 en UPC. 9.13.7 Het College
t geen aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb een voorlopige voorziening te treffen in verband met de vernietiging van de AMM-aanwijzingen van Tele2 en UPC. Gezien het vorenoverwogene valt niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te voorspellen dat Tele2 en UPC opnieuw zullen worden aangewezen als aanbieder met AMM en welke verplichtingen in dat geval zullen worden opgelegd. Het niettemin treffen van een voorlopige voorziening die inhoudt dat bepaalde bij het bestreden besluit aan Tele2 en UPC opgelegde verplichtingen ondanks de vernietiging van hun AMM aanwijzingen vooralsnog op hen blijven rusten, is onder deze omstandigheden een zeer verstrekkende maatregel, waarvan de noodzaak niet is komen vast te staan. 9.13.8 Als Tele2 en UPC voorafgaand aan het nemen van een nieuw besluit hun wholesaletarieven voor vaste gespreksafgifte zouden verhogen, wat onder omstandigheden zou kunnen bijdragen tot de slotsom dat zij beschikken over AMM en dat hun tarieven regulering behoeven, hebben afnemers van hun gespreksafgiftediensten in beginsel de keuze al dan niet akkoord te gaan met een tariefsverhoging en in het laatste geval kunnen zij OPTA vragen bij geschilbesluit redelijke tarieven vast te stellen, zoals ook blijkt uit de uitspraak 16 juni 2005 van het College in zaak 04/1116 en 04/1117 (<www.rechtspraak.nl>, LJN AT7789). De vernietiging van de AMM aanwijzingen van Tele2 en UPC doet overigens geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van het door UPC genoemde geschilbesluit over haar gespreksafgiftetarieven. Ook in zoverre bestaat geen noodzaak tot het treffen van een naar zijn aard verstrekkende voorziening inzake te hanteren tarieven. 9.14 Grief 2 en 3 van Tele2 en grief 1 en 3 van UPC hebben betrekking op de situatie waarin hun AMM aanwijzingen in stand blijven. Gezien de vernietiging van deze aanwijzingen komt het College niet toe aan een beoordeling van deze grieven. 9.15 Het College zal vervolgens ingaan op grief 4 van ACT, die inhoudt dat OPTA ten onrechte heeft vastgesteld dat de wholesalemarkt voor gespreksafgifte op 0800/090x nummers niet voor ex ante regulering in aanmerking komt en dat OPTA op deze markt ten onrechte geen verplichtingen heeft opgelegd aan KPN. 9.15.1 Naar het oordeel van het College heeft OPTA in het bestreden besluit en in reactie op deze grief van ACT deugdelijk gemotiveerd waarom zij deze markt niet heeft gereguleerd. De voor toetreding benodigde investeringen zijn relatief beperkt en de afgelopen jaren zijn veel nieuwe aanbieders toegetreden, zodat de afnemers van 0800/090x-diensten volop keuzemogelijkheden hebben. Het marktaandeel van KPN is beduidend lager dan vijftig procent en vertoont een dalende trend. Naar het oordeel van het College heeft ACT deze argumenten niet overtuigend weersproken. ACT heeft haar stelling dat het marktaandeel van KPN door de overname van Enertel is gestegen tot meer dan zeventig procent op geen enkele wijze onderbouwd. Afgezien daarvan heeft OPTA er terecht op gewezen dat deze overname dateert van na het bestreden besluit. Dat OPTA een prospectieve marktanalyse moet verrichten, impliceert niet dat zij een overname als hier aan de orde moet kunnen voorspellen. 9.15.2 Grief 4 van ACT slaagt derhalve niet. 9.16 Het College zal thans ingaan op de grieven over de verplichtingen die OPTA bij het bestreden besluit heeft opgelegd of juist niet heeft opgelegd. 9.17 Grief A van KPN houdt in dat OPTA alle vaste aanbieders dezelfde verplichtingen had moeten opleggen, omdat alle vaste aanbieders – ook volgens OPTA – dezelfde mogelijkheid en prikkel hebben tot mededingingsbeperkend gedrag. 9.17.1 Naar het oordeel van het College heeft OPTA bij het opleggen van verplichtingen terecht niet uitsluitend van belang geacht welke mogelijkheid en prikkel tot mededingingsbeperkend gedrag de aangewezen vaste aanbieders hebben, maar ook wat de gevolgen van dergelijk gedrag kunnen zijn. KPN is verreweg de grootste aanbieder van vaste telefonie. Niet op voorhand valt uit te sluiten dat de nadelige gevolgen van een mededingingsbeperkende gedraging van KPN veel groter zijn dan de nadelige gevolgen van eenzelfde gedraging van andere vaste aanbieders en dat het belang om KPN van deze gedraging te weerhouden navenant zwaarder weegt dan in het geval van andere vaste aanbieders. Onder deze omstandigheden kan het passend zijn KPN zwaardere verplichtingen op te leggen dan andere vaste aanbieders. De stelling van KPN dat OPTA alle vaste aanbieders dezelfde verplichtingen had moeten opleggen, kan dan ook niet in haar algemeenheid worden gevolgd. 9.17.2 Grief A van KPN kan derhalve niet slagen. 9.18 Grief D van KPN houdt in dat OPTA de andere vaste aanbieders ten onrechte geen gespecificeerde toegangsverplichtingen heeft opgelegd. 9.18.1 Het College stelt vast dat OPTA geen toegangsverplichtingen heeft opgelegd met betrekking tot gespreksafgifte op 084- en 087-nummers (
ook de in § 9.19 tot en met § 9.19.2 van deze uitspraak te beoordelen vierde grief van Tele2) en dat KPN de enige aanbieder is op de door OPTA onderscheiden wholesalemarkt voor gespreksafgifte op het nummer 112. Het door KPN in grief D aan de orde gestelde verschil in regulering heeft dus betrekking op de wholesalemarkten voor gespreksafgifte op geografische nummers en 088-nummers. 9.18.2 Naar het oordeel van het College wijst KPN er terecht op dat de wetgever voor ogen staat dat een toegangsverplichting altijd wordt gespecificeerd. Zo wordt in de memorie van toelichting op de Tw onder meer vermeld (TK 2002-2003, 28 851 nr. 3, blz. 118): "Het college [van OPTA; toevoeging CBb] zal bij het opleggen van een verplichting om te voldoen aan redelijke verzoeken om toegang nader specificeren wat deze verplichting in concreto voor de desbetreffende onderneming betekent. Het college [van OPTA] bepaalt dus bij het opleggen van een toegangsverplichting op welke specifieke vormen van toegang de plicht betrekking heeft. De toegangsverplichting heeft dus niet zonder meer betrekking op alle netwerkonderdelen, faciliteiten en diensten die de onderneming op de markt aanbiedt. Het specificeren van de toegangsverplichting vloeit voort uit de in artikel 6a.2 neergelegde eis dat de verplichting passend moet zijn." Dat OPTA de aan andere vaste aanbieders dan KPN opgelegde toegangsverplichtingen niet heeft gespecificeerd roept vragen op, omdat uit het bestreden besluit niet duidelijk blijkt of dit betekent dat OPTA andere vaste andere aanbieders minder toegangsverplichtingen heeft willen opleggen dan KPN. Als OPTA alle vaste aanbieders dezelfde toegangsverplichtingen heeft willen opleggen, valt niet zonder meer in te
n waarom zij alleen de aan KPN opgelegde toegangsverplichtingen heeft gespecificeerd. Als OPTA andere vaste aanbieders minder toegangsverplichtingen heeft willen opleggen dan KPN, rijst de vraag welke aan KPN opgelegde verplichtingen volgens OPTA niet gelden voor andere vaste aanbieders en wat daarvan de reden is. Het bestreden besluit roept op dit punt een rechtsonzekere situatie in het leven. Gezien het grote belang van toegang ten behoeve van vaste gespreksafgifte had OPTA naar het oordeel van het College duidelijk(
t voorts aanleiding OPTA te veroordelen in de proceskosten van KPN in de eigen beroepsprocedure. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 1.288,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, in beide gevallen wegingsfactor 2 voor het gewicht van de zaak; geen vergoeding voor de spontaan ingediende reactie van 27 november 2006 van KPN op de nadere memorie van OPTA en voor de spontaan ingediende reactie van 4 december 2006 van KPN op het verweerschrift van OPTA). 9.19 Grief 4 van Tele2 houdt in dat OPTA ten onrechte geen toegangsverplichtingen heeft opgelegd op de markt(en) voor gespreksafgifte op 084- en 087-nummers. 9.19.1 In het bestreden besluit en in reactie op deze grief van Tele2 heeft OPTA naar het oordeel van het College deugdelijk gemotiveerd waarom zij op deze markt geen toegangsverplichtingen heeft opgelegd. Het gaat om bereikbaarheidsdiensten, waarvoor de afnemer een relatief hoog bedrag betaalt. De aanbieders van 084- en 087-nummers kunnen alleen inkomsten genereren uit inkomend verkeer, omdat de desbetreffende aansluitingen niet gebruikt kunnen worden om zelf te bellen. Onder deze omstandigheden
t het College geen grond voor het oordeel dat OPTA zich ten onrechte op het standpunt stelt dat aanbieders van deze nummers geen prikkel hebben om toegang ten behoeve van gespreksafgifte te weigeren. Evenmin
t het College grond voor het oordeel dat de op deze markt wel opgelegde verplichtingen als zodanig een prikkel zouden kunnen opleveren voor toegangsbelemmerende gedragingen. De ontwikkelingen van VoIP/VoB, met name wat betreft de mogelijkheid dat eindgebruikers ook kunnen bellen vanaf 084- en 087-nummers ('two way access-telefonie'), alsmede de gevolgen daarvan voor de onderhavige bereikbaarheidsdiensten zijn dermate onvoorspelbaar, dat OPTA hierin naar het oordeel van het College terecht geen aanleiding heeft gezien haar marktanalyse reeds thans bij te stellen. 9.19.2 Grief 4 van Tele2 kan derhalve niet slagen. 9.20 Grief E van KPN houdt in dat OPTA de andere vaste aanbieders ten onrechte geen sectorspecifiek discriminatieverbod heeft opgelegd. 9.20.1 Blijkens het bestreden besluit stelt OPTA zich op het standpunt dat andere vaste aanbieders dan KPN een relatief gering aantal eindgebruikers hebben, zodat deze aanbieders ieder voor zich niet in staat zijn de marktwerking te verstoren door te discrimineren. 9.20.2 Naar het oordeel van het College stelt KPN zich terecht op het standpunt dat deze motivering voor het niet opleggen van een sectorspecifiek discriminatieverbod aan de andere vaste aanbieders onvoldoende deugdelijk is. Het gaat om een heterogene groep aanbieders, waaronder aanbieders met tienduizenden en soms honderdduizenden klanten die in de huidige reguleringsperiode naar verwachting marktaandeel kunnen winnen. Onder deze omstandigheden valt naar het oordeel van het College zonder nadere toelichting, die OPTA niet heeft gegeven, niet zonder meer in te
n dat discriminatie door andere vaste aanbieders dan KPN geen marktverstorende werking zou kunnen hebben. Door de positie van andere vaste aanbieders dan KPN uitsluitend geïsoleerd te beschouwen, gaat OPTA voorts voorbij aan de mogelijkheid dat een groep andere vaste aanbieders onderling gunstigere afspraken maakt dan met KPN. Zo heeft KPN gesteld dat de kabelmaatschappijen hebben afgesproken elkaars telefoongesprekken op basis van VoB gratis af te wikkelen, hetgeen door de andere partijen niet is weersproken. Deze afspraak heeft betrekking op een aanzienlijke hoeveelheid telefoonverkeer en kan niet zonder meer worden beschouwd als een gedraging die geen relevante gevolgen kan hebben voor de concurrentieverhoudingen. Hiermee is overigens niet zonder meer gezegd dat de door KPN genoemde afspraak uit mededingingsrechtelijk oogpunt als problematisch moet worden aangemerkt. Het College neemt hierbij in aanmerking dat de kabelmaatschappijen tezamen minder afnemers van vaste telefonie hebben dan KPN en dat KPN, gelet op haar zeer grote marktaandeel op de retailmarkten voor vaste telefonie, veel meer vast telefoonverkeer kan afwikkelen zonder een andere vaste aanbieder te hoeven betalen dan de gezamenlijke kabelmaatschappijen. Wat hiervan zij, de in het bestreden besluit gegeven algemene en summiere motivering voor het niet opleggen van een sectorspecifiek discriminatieverbod aan de andere vaste aanbieders doet naar het oordeel van het College onvoldoende recht aan de tussen hen onderling bestaande verschillen, het groeiende marktaandeel van een aantal van hen en de navenant toenemende gevolgen van eventuele discriminatie door deze aanbieders op de concurrentieverhoudingen. Het College neemt hierbij in aanmerking dat geen van de partijen heeft gesteld dat de andere vaste aanbieders geen mogelijkheid en prikkel zouden hebben tot discriminerende gedragingen. 9.20.3 In het bestreden besluit heeft OPTA voorts overwogen dat de verplichting redelijke voorwaarden te hanteren voor gespreksafgifte op geografische nummers en 088-nummers een zekere dempende werking heeft op de mate van discriminatie die kan worden toegepast en dat het belang van gespreksafgifte op 084- en 087-nummers voor de aanbieders van deze nummers zo groot is, dat daarvan voldoende stimulans uitgaat om de gevolgen van het hanteren van ongelijke voorwaarden voor de marktwerking bij het aanbieden van telefoondiensten op retailniveau te beperken. 9.20.4 Naar het oordeel van het College kunnen deze niet nader toegelichte stellingen van OPTA niet bijdragen tot de slotsom dat discriminatie door andere vaste aanbieders dan KPN bij het aanbieden van gespreksafgifte geen serieus mededingingsrechtelijk probleem is dat het opleggen van een sectorspecifiek discriminatieverbod rechtvaardigt. 9.20.5 Het College zal het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 Awb vernietigen, voorzover OPTA zich daarin op het standpunt stelt dat het niet passend is andere vaste aanbieders dan KPN een sectorspecifiek discriminatieverbod op te leggen. Het College zal OPTA opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarin deugdelijk wordt gemotiveerd waarom het niet passend is de andere vaste aanbieders een sectorspecifiek discriminatieverbod op te leggen of waarin aan (sommige of alle) andere vaste aanbieders alsnog een sectorspecifiek discriminatieverbod wordt opgelegd. 9.20.6 Het College wijst er voor alle duidelijkheid op dat de gegrondheid van grief E van KPN niet leidt tot vernietiging van het bij het bestreden besluit aan haar opgelegde discriminatieverbod. 9.21 Grief F van KPN is gericht tegen het haar opgelegde discriminatieverbod voor gespreksafgifte op aansluitingen op basis van VoB. 9.21.1 In het kader van grief C van KPN heeft het College geoordeeld dat gespreksafgifte op vaste telefoonaansluitingen op basis van VoB tot dezelfde markt behoort als gespreksafgifte op traditionele vaste telefoonaansluitingen (
.5.1 van deze uitspraak) en dat in het kader van de dominantieanalyse evenmin onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen deze vormen van gespreksafgifte (
9.21.2 In hetgeen KPN heeft aangevoerd
t het College geen grond voor het oordeel dat OPTA bij het opleggen van verplichtingen wél een onderscheid als door KPN bepleit had moeten maken. Door met betrekking tot gespreksafgifte op telefoonaansluitingen op basis van VoB dezelfde verplichtingen op te leggen als met betrekking tot gespreksafgifte op traditionele vaste telefoonaansluitingen en in het bijzonder door het maximumtarief voor gespreksafgifte op telefoonaansluitingen op basis van VoB niet lager vast te stellen, ook al is efficiënt verzorgde gespreksafgifte op telefoonaansluitingen op basis van VoB goedkoper dan gespreksafgifte op traditionele vaste telefoonaansluitingen, wil OPTA vaste aanbieders stimuleren over te stappen naar VoB. Hiermee beoogt OPTA infrastructuurconcurrentie te bevorderen. Het College
t geen grond voor het oordeel dat OPTA deze keuze niet had mogen maken en stelt vast dat het bij het bestreden besluit aan KPN opgelegde discriminatieverbod haar gezien haar All IP-plannen niet weerhoudt van een overstap naar vaste telefonie op basis van VoB. Dat KPN zonder discriminatieverbod naar gesteld meer mogelijkheden zou hebben om afwijkende afspraken te maken voor gespreksafgifte op aansluitingen op basis van VoB, impliceert – wat van deze stelling verder zij – niet dat OPTA dit verbod niet had mogen opleggen. Het College neemt hierbij in aanmerking dat KPN heeft volstaan met een algemeen en abstract betoog. Zij heeft niet duidelijk gemaakt wat voor afspraken zij zou willen maken en ondanks het van toepassing zijnde algemene mededingingsrechtelijke discriminatieverbod ook zou mogen maken als haar geen sectorspecifiek discriminatieverbod zou zijn opgelegd, te minder heeft zij aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit haar onevenredig benadeelt doordat zij dergelijke afspraken ten gevolge van het haar opgelegde sectorspecifieke discriminatieverbod niet kan maken. 9.21.3 Grief F van KPN slaagt derhalve niet. 9.22 Grief G van KPN houdt primair in dat haar ten onrechte een verplichting tot het doen van een referentieaanbod is opgelegd en subsidiair dat OPTA een dergelijke verplichting, als deze passend zou worden geoordeeld, ook aan de andere vaste aanbieders had moeten opleggen. 9.22.1 Het College stelt voorop dat OPTA in randnummer 492 en verder van het bestreden besluit uitvoerig heeft gemotiveerd waarom genoemde verplichting in het geval van KPN passend is. Het College acht deze motivering deugdelijk en stelt vast dat KPN daartegen geen inhoudelijke argumenten heeft aangevoerd. De stelling van KPN dat zij in het verleden steeds onverplicht een referentieaanbod heeft gedaan, doet daar niet aan af. In zoverre kan grief G van KPN niet slagen. 9.22.2 Naar het oordeel van het College stelt KPN zich terecht op het standpunt dat de in het bestreden besluit gegeven motivering voor het niet opleggen van dezelfde verplichting aan de andere vaste aanbieders onvoldoende deugdelijk is. Het gaat om een heterogene groep aanbieders, waaronder aanbieders met tienduizenden en soms honderdduizenden klanten die in de huidige reguleringsperiode naar verwachting marktaandeel kunnen winnen. Onder deze omstandigheden valt naar het oordeel van het College zonder nadere toelichting, die OPTA niet heeft gegeven, niet zonder meer in te
n dat de desbetreffende verplichting voor andere aanbieders dan KPN niet passend zou zijn. Het College neemt hierbij in aanmerking dat KPN op het eerste gezicht niet ten onrechte vraagtekens heeft geplaatst bij het argument van OPTA dat een verplichting tot het doen van een referentieaanbod voor de andere vaste aanbieders onder meer niet passend is vanwege de daarmee gepaard gaande administratieve lasten. KPN heeft erop gewezen dat de andere vaste aanbieders overeenkomsten inzake gespreksafgifte hebben gesloten en dat dergelijke overeenkomsten kunnen dienen als basis voor het doen van een referentieaanbod. 9.22.3 Als OPTA in het nieuw te nemen besluit tot de slotsom zou komen dat (sommige of alle) andere vaste aanbieders alsnog
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.