College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 05/582 16 mei 2007 18050 Elektriciteitswet 1998 Uitspraak in de zaak van: 1. DELTA Energy B.V., te Middelburg, 2. E.ON Benelux B.V., te 's-Gravenhage, 3. Electrabel Nederland Beheermaatschappij, te Zwolle, 4. N.V. Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland EPZ, te Borssele, 5. N.V. Nuon Energy Sourcing, te Arnhem, 6. Essent Energie Productie B.V., te 's-Hertogenbosch, appellanten, vertegenwoordigd door de vereniging EnergieNed, Federatie van Energiebedrijven in Nederland, te Arnhem (hierna: EnergieNed), voor welke vereniging als gemachtigde optreedt mr. N.R. Geerts-Zandveld, werkzaam bij deze vereniging, tegen de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, hierna te noemen verweerder dan wel de Raad, gemachtigde: mr. G. de Goede, werkzaam bij verweerder, aan welk geding voorts als partij deelneemt: TenneT B.V., te Arnhem (hierna: TenneT), gemachtigde T.H. Wildeboer, werkzaam bij TenneT. 1. Het procesverloop 1.1 De onderhavige zaak betreft de toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: Wet) door de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht Energie (hierna: directeur), zulks bij primair besluit van 15 december 2004 en bij beslissing op bezwaarschrift van 29 juni 2005. In dit artikellid is bepaald dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet - Tennet, voornoemd - de opbrengst van het veilen of op een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit overeenkomstig de regeling, bedoeld in het vierde lid, benut voor het opheffen van beperkingen in de transportcapaciteit op landsgrensoverschrijdende netten, dan wel voor andere door de directeur van de dienst te bepalen doelen. Op 1 juli 2005 is in werking getreden de Wet van 9 december 2004 (Stb. 2005, 172), houdende wijziging van de Mededingingswet in verband met het omvormen van het bestuursorgaan van de Nederlandse mededingingsautoriteit tot zelfstandig bestuursorgaan. Bij artikel II van voornoemde wet is de Wet in dier voege gewijzigd, dat de taken en bevoegdheden die op grond van de Wet waren toebedeeld aan de directeur, toekomen aan de Raad. Ingevolge artikel IX, eerste lid, van de Wet van 9 december 2004 treedt ten aanzien van bezwaar of beroep tegen een besluit van de directeur de Raad op in plaats van de directeur. 1.2 Bij besluit van 15 december 2004 heeft de directeur naar aanleiding van een daartoe strekkend, bij brief van 28 oktober 2003 gedaan verzoek van TenneT onder toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Wet bepaald dat de opbrengst van het veilen, bedoeld in dit artikellid, wordt benut voor het investeren in condensatorbanken en spoelen voor het opwekken en/of compenseren van zogeheten blindvermogen, hierna aan te duiden als blindstroomcompensatiemiddelen. Tegen dit besluit heeft EnergieNed namens appellanten bezwaren ingediend. Bij besluit van 29 juni 2005 heeft de directeur deze bezwaren ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. EnergieNed heeft namens appellanten bij brief van 10 augustus 2005, bij het College binnengekomen op 12 augustus 2005, tegen laatstvermeld besluit beroep ingesteld. Bij schrijven van 12 september 2005 heeft EnergieNed de gronden van het beroep uiteengezet. Op 3 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007. Partijen waren aldaar vertegenwoordigd door de hierboven genoemde gemachtigden. Voor appellante onder 2 was tevens verschenen ir. H.J. Compter, werkzaam bij deze appellante. Voor appellante onder 3 was tevens verschenen ir. S.T.J.A. Vermeulen, werkzaam bij deze appellante. Ter zitting waren voor verweerder tevens verschenen ir. E. Ibrovic en drs. F.C. van der Veen, beiden werkzaam bij verweerder 2. De beoordeling van het geschil 2.1 Van de zijde van verweerder is in het verweerschrift en ter zitting betoogd dat appellanten ten onrechte niet-ontvankelijk zijn geacht in hun bezwaren tegen het primaire besluit, zulks omdat zij door dit besluit niet rechtstreeks in hun belangen zijn getroffen. Hiertoe is het volgende naar voren gebracht. 2.1.1 Reeds in 2001 heeft TenneT besloten zelf te voorzien in haar behoefte aan blindstroom en een Europese aanbesteding gedaan voor de apparatuur waarmee blindstroom kan worden gecompenseerd. Zoals vermeld in een bijlage bij eerdergenoemde brief van TenneT d.d. 28 oktober 2003, inhoudende een toelichting op het project blindstroomcompensatiemiddelen, vond de installatie van deze middelen toentertijd reeds plaats en zou de laatste inbedrijfstelling in 2005 geschieden. TenneT heeft zich, nadat de beslissingen tot investering waren genomen, tot de directeur gewend met het verzoek deze investering aan te wijzen als "ander doel" voor de veilingopbrengsten in de betekenis van het laatste zinsdeel van artikel 31, zesde lid. 2.1.2 Tot dusverre werden de kosten van blindstroom, die volledig werd ingekocht bij elektriciteitsproductiebedrijven (waartoe appellanten behoren), doorberekend in de tarieven van TenneT. Indien het in geding zijnde aanwijzingsbesluit niet zou zijn genomen, zou TenneT, die het investeringsbesluit niet afhankelijk heeft gesteld van een positieve beslissing van de directeur inzake het gebruik van veilingopbrengsten, de onderhavige investeringen hebben bekostigd uit eigen financiële middelen. De desbetreffende kosten zouden dan, evenals voorheen, zijn doorberekend in de tarieven van TenneT. 2.1.3 Wat de belangen van appellanten betreft, moet - aldus verweerder - in aanmerking worden genomen dat hunnerzijds naar voren is gebracht (-) dat de producenten momenteel nog een deel van de blindstroomcapaciteit leveren en bovendien meer blindstroom zouden kunnen leveren dan nu het geval is, (-) dat TenneT blindstroom heel goed zou kunnen betrekken van binnenlandse producenten op basis van langjarige contracten, (-) dat, teneinde de netstabiliteit op peil te houden, investeringen van producenten nodig zijn om het dynamische schakelgedrag van de statische compensatiemiddelen (waarop het primaire besluit ziet) te kunnen compenseren en (-) dat de spanningskwaliteit niet meer conform de criteria van de Netcode zal zijn vanwege de onderhavige investering. 2.1.4 Naar de mening van verweerder bestaat gezien voormelde feiten en omstandigheden geen oorzakelijk verband tussen het in geding zijnde besluit tot toepassing van artikel 31, zesde lid, van de Wet, waarbij slechts aan de orde is uit welke bron de investeringen in blindstroomcompensatiemiddelen worden betaald, en de besluitvorming van TenneT inzake het doen van deze investeringen. Een zodanig verband is derhalve evenmin aanwezig tussen de belangen waarin appellanten zich blijkens de door hen naar voren gebrachte bezwaren getroffen achten, en het investeringsbesluit. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat een eventuele vernietiging van het in geding zijnde besluit niet zou leiden tot het ongedaan maken van de litigieuze investeringen. 2.2 Namens appellanten is aangaande hun belangenpositie naar voren gebracht dat (zoals verweerder terecht heeft gesteld) zij als elektriciteitsproductiebedrijven rechtstreeks zijn getroffen door de beslissing van TenneT om te investeren in blindstroomcompensatiemiddelen. Zulks omdat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.