College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 04/1011 20 juni 2007 5125 Regeling dierlijke EG-premies Uitspraak in de zaak van: A, te X, appellant, gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen. 1. Ontstaan en loop van het geding Namens appellant is in 2002 op grond van de Regeling dierlijke EG premies (hierna: Regeling) slachtpremie aangevraagd voor 48 runderen. Voorts heeft appellant in 2002 eveneens op grond van de Regeling premie aangevraagd voor het aanhouden van drie mannelijke runderen. Op 21 januari 2002 en op 3, 4 en 6 maart 2003 hebben op het bedrijf van appellant controles ter plaatse plaatsgevonden. Bij afzonderlijke besluiten heeft verweerder de premieaanvragen voor 2002 afgewezen, een uitsluitingsbedrag opgelegd en de reeds uitgekeerde voorschotbedragen teruggevorderd. Verweerder heeft de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren bij besluit van 15 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) gedeeltelijk gegrond verklaard en vastgesteld dat: ( ) ten onrechte een korting van 100% op alle in 2002 door appellant ingediende premieaanvragen is toegepast en het kortingspercentage met inachtneming van dit besluit opnieuw dient te worden berekend; (-) de terugvordering ten bedrage van € 1.776,-- dient te vervallen en het premiebedrag voor de slacht- en aanhoudpremie voor 2002 met inachtneming van dit besluit opnieuw dient te worden vastgesteld; en ( ) het besluit tot uitsluiting van appellant dient te worden ingetrokken. Tegen het bestreden besluit heeft appellant bij brief van 1 december 2004, die diezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld. Ter uitvoering van het bestreden besluit heeft verweerder appellant voor 2002 bij besluit van 13 januari 2005 een slachtpremie van € 4.730,05 toegekend en bij besluit van 18 januari 2005 een premie van € 576,39 voor het aanhouden van mannelijke runderen. Bij deze besluiten is, als gevolg van verweerders vaststelling dat vier aangevraagde dieren als niet geconstateerd worden aangemerkt, een korting op de toegekende steun toegepast. Op 25 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 17 mei 2006 heeft verweerder het College nadere stukken doen toekomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht. Aldaar heeft appellant te kennen gegeven de in het beroepschrift tegen het bestreden besluit geformuleerde gronden met betrekking tot de runderen met de ID-codes NL 783330596, NL 826691163 en NL 864589844, alsmede ten aanzien van de proceskosten in de bezwaarfase, niet langer te handhaven, zodat partijen enkel nog verdeeld zijn over de premiewaardigheid van het rund met ID code NL 285916944. Bij beschikking van 7 februari 2007 heeft de behandelend enkelvoudige kamer van het College geoordeeld dat de beantwoording van de vraag over de premiewaardigheid van dit rund ongeschikt is voor behandeling door één rechter, het onderzoek heropend en het beroep naar de meervoudige kamer van het College verwezen. Op 9 mei 2007 heeft het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten nader hebben toegelicht. 2. De beoordeling 2.1 Partijen zijn enkel nog verdeeld over de premiewaardigheid van het rund met ID-code NL 285916944. 2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van dit rund overwogen dat ten tijde van de controle ter plaatse in maart 2003 is gebleken dat het foutief (als zijnde dood) in het bedrijfsregister stond vermeld. Hieruit heeft verweerder geconcludeerd dat ten aanzien van dit rund een onregelmatigheid is vastgesteld. In het verweerschrift heeft verweerder in reactie op het beroepschrift erop gewezen dat bij een eerdere controle ter plaatse op het bedrijf van appellant op 21 januari 2002 reeds registratiefouten in het bedrijfsregister van appellant waren vastgesteld, zodat ten minste twee maal binnen 24 maanden fouten in de dierregistratie zijn geconstateerd. Artikel 36, vierde lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 brengt dan volgens verweerder met zich dat het rund met ID code NL 285916944 terecht als niet geconstateerd is aangemerkt. 2.3 Appellant betwist niet dat bij de controle ter plaatse op 21 januari 2002 foutieve vermeldingen in het bedrijfsregister zijn vastgesteld. Hij betwist evenmin de in maart 2003 vastgestelde foutieve vermelding in het bedrijfsregister ten aanzien van het rund met ID code NL 285916944. Appellant is primair van mening dat ten aanzien van laatstbedoeld rund sprake is van een kennelijke fout, aangezien de vermelding in het bedrijfsregister dat het dier op 17 september 2002 is doodgegaan, niet samengaat met de vermelding dat het dier naar het slachthuis te Winschoten is gegaan. Indien immers een dier al dood is, gaat het ter vernietiging naar Rendac en niet naar het slachthuis. Appellant is subsidiair van mening dat het betreffende rund ten onrechte als niet geconstateerd is aangemerkt, omdat ten aanzien van dit dier niet bij ten minste twee controles binnen 24 maanden fouten in het bedrijfsregister zijn vastgesteld. 2.4 Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voorzover en ten tijde hier van belang: "Artikel 2 - Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.