College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 07/184 18 juni 2008 21500 Uitspraak in de zaak van:
(335), het gemiddelde op € 29.000,-- zou liggen. Uiteindelijk is in 2005 maar € 5,4 miljoen aan heffingen van effectenbemiddelaars gerealiseerd, waardoor het aandeel van appellanten in feite ongeveer 6% is, terwijl bij het gemiddelde uitgegaan zou moeten worden van ongeveer 0,3%. Appellanten begrijpen dat het niet kan gaan over een exacte verrekening van gemaakte kosten aan de instelling (retributie), maar de heffingen dienen huns inziens wel representatief te zijn voor die kosten. Appellanten wijzen er voorts op dat de aan hen totaal over 2005 in deze vorm opgelegde heffingen zowel de binnenlandse als buitenlandse concurrentieverhoudingen verstoren. Ook in internationaal perspectief werken de heffingen concurrentieverstorend, aangezien uit door de minister aan de Tweede Kamer toegezonden rapportage blijkt dat in andere landen maar een gedeelte van de kosten in rekening wordt gebracht, aldus appellanten. Tenslotte hebben appellanten in het kader van hun onderhavige grief gesteld dat aangezien de onderhavige heffingen, gelet op het percentage dat de heffingen uitmaken van hun inkomsten, door de rechtbank ten onrechte is overwogen dat de Kostenregeling niet tot onevenredige benadeling van hen leidt; en voorts, dat hier van heffingen die marktverstorend werken wel degelijk sprake is. 4.1.3 In hun derde grief tegen de aangevallen uitspraak stellen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de financiële toezichthouders bij de toepassing van de Regelingen niet aan een belangenafweging toe zouden (kunnen) komen. Inmiddels is gebleken dat de gebondenheid van de toezichthouders een relatieve is, aangezien uit het evaluatierapport van de bekostiging van het financieel toezicht van 31 januari 2006 blijkt dat ten aanzien van Euronext in overleg tussen AFM en de minister achteraf is besloten in afwijking van de Regelingen de heffing voor 2005 te bevriezen op het niveau
- Naar de opvatting van appellanten blijkt hieruit dat de toezichthouders bij de behandeling van hun bezwaarschriften willekeurig te werk zijn gegaan en het gelijkheidsbeginsel hebben geschonden. 4.1.4 Tenslotte stellen appellanten dat het vorenstaande dient te leiden tot de slotsom dat de toezichthouders bij het opleggen en handhaven van de heffingen aan hen ten onrechte geen nadeelcompensatie hebben aangeboden en dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierop ten onrechte niet is ingegaan. 4.2 In de reactie op het hoger beroep stelt AFM voorop dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de Regelingen verbindend zijn. Met betrekking tot de door appellanten gestelde strijd met artikel 42 Wte 1995 wegens het in rekening brengen van kosten die zijn gemaakt voor de betrokkenheid van AFM-medewerkers bij het opstellen van nieuwe wet- en regelgeving en deelname aan internationaal overleg, benadrukt AFM dat deze kosten niet materieel van invloed waren op de hoogte van de heffingen die in 2005 aan appellanten zijn opgelegd. Zo bedragen, aldus AFM, de kosten voor betrokkenheid bij het opstellen van nieuwe wet- en regelgeving op jaarbasis ruwweg 0,01 tot circa 0,03% van de AFM begroting en omvatten de kosten voor internationaal overleg in 2005 circa 1,7% van de AFM-begroting. Naar de opvatting van AFM biedt voorts noch de tekst noch de wetsgeschiedenis van artikel 42 Wte 1995 aanknopingspunten voor de door appellanten voorgestane enge uitleg van dat artikel. De wetgever heeft steeds een ruime uitleg van het kostenbegrip voorgestaan en die ruime uitleg volgt ook uit het aan de Regelingen ten grondslag liggende Rapport 'Herziening financiering toezicht op de financiële marktsector', waarin hierover is opgemerkt "In de jaarlijkse begrotingen van de toezichthouders zijn de directe toezichtkosten opgenomen. Directe toezichtkosten (inclusief overheadkosten) die de toezichthouders maken voor de uitvoering van het toezicht. Hiertoe behoren ook de voorbereidingskosten verbonden aan de uitvoering van nieuwe toezichttaken." Voorts geldt naar de opvatting van AFM dat de inbreng van toezichthouders bij de totstandkoming van nationale en internationale regelgeving ten goede komt aan de sector (profijtbeginsel), waarbij van belang is dat kosten van voorbereiding op en van nieuwe regelgeving pas bij de aanvang van de (nieuwe) toezichttaak geleidelijk aan de sector wordt doorberekend. Uit de omstandigheid dat in de evaluatie van de bekostiging van het financieel toezicht inmiddels (onder meer) is aanbevolen dat kosten van ondersteuning van een toezichthouder bij het wetgevingsproces, die verder gaat dan haar normale adviserende rol over nieuwe wet- en regelgeving, voortaan voor rekening te laten komen van het Ministerie van Financiën, kan niet worden geconcludeerd dat die kosten eerder, onder meer in 2005, niet aan onder toezicht staande instellingen in rekening hadden mogen worden gebracht. Overigens zijn volgens AFM in 2005 geen kosten in rekening gebracht in verband met wetgevingsactiviteiten die haar normale adviserende rol, zoals zij die ziet, te buiten gaan. Met betrekking tot de door appellanten in hoger beroep gehandhaafde stelling dat de Regelingen in strijd zijn met artikel 3:4, tweede lid, Awb, heeft AFM benadrukt dat de minister bij het vaststellen van de Kostenregeling een grote vrijheid toekwam om deze naar eigen inzicht vorm te geven en dat de keuzes die daarin door de minister zijn gemaakt slechts zeer terughoudend getoetst kunnen worden. AFM handhaaft haar standpunt dat in de gekozen systematiek wel degelijk een samenhang bestaat tussen haar inspanningen en de aan marktpartijen doorberekende kosten. Van een explosieve stijging van de heffingen is naar haar oordeel geen sprake, evenmin als van een onevenredige benadeling. Het doorberekenen van de kosten van de daadwerkelijke toezichtinspanning aan iedere individuele marktpartij is niet doenlijk en ook niet wenselijk. Een dergelijke systematiek is zeer bewerkelijk en zou voor individuele marktpartijen, mede door het risicogeoriënteerde toezicht, leiden tot grote fluctuaties en onvoorspelbare heffingen. Ook voor de toetsing van de Regelingen aan het profijtbeginsel geldt als uitgangpunt dat het gaat om het profijt dat een bepaalde categorie heeft van het toezicht en niet het profijt dat in een bepaald jaar aan een individuele instelling kan worden toegerekend. De rechtbank heeft volgens AFM terecht overwogen dat de hoogte van de aan appellanten opgelegde en bij de beslissingen op bezwaar gehandhaafde heffingen over 2005 rechtstreeks voortvloeit uit de in de Kostenregeling neergelegde systematiek en de in de Vaststellingsregeling neergelegde tarieven, waarbij niet is voorzien in een hardheidsclausule. AFM was derhalve gehouden de heffingen op te leggen overeenkomstig de Regelingen. Gelet op al het vorenstaande kan van de door appellanten gevorderde nadeelcompensatie ook geen sprake zijn.
- De beoordeling van het geschil 5.1 Op grond van het Besluit van 11 december 2006 (Stb 2006, 664) zijn met ingang van 1 januari 2007 de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft; Stb 2006, 475) en de Invoerings- en aanpassingswet Wft (Stb 2006, 605) in werking getreden. Ingevolge artikel 178 van laatstgenoemde wet is de Wte 1995, behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen, met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken. Gelet op de aan het bestuursrecht inherente ex tunc-toetsing is de Wte 1995 en daarop gebaseerde regelgeving op de beoordeling van dit hoger beroep nog van toepassing. 5.2 Het College volgt appellanten niet in hun betoog dat AFM binnen de Regelingen de ruimte toekwam om in bijzondere gevallen af te wijken van de daaruit voorvloeiende tarieven. Tekst, strekking noch systematiek van de Regelingen bieden steun voor deze opvatting. De verwijzing van appellanten naar een situatie waarin volgens hen wel een afwijkende heffing mogelijk bleek, kan hieraan niet afdoen. Zoals uit de stukken en ter zitting genoegzaam is gebleken, gaat het in dat geval om een afwijkende berekening van de heffing door toedoen van de regelgever zelf. 5.3 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is in dit geschil derhalve de vraag aan de orde of de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de minister bij het vaststellen van de Regelingen zijn wettelijke bevoegdheden heeft overschreden of daarbij blijk heeft gegeven van een zodanig onredelijke belangenafweging, dat de Regelingen in strijd zijn met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, Awb. 5.4 Het College stelt voorop dat AFM op grond van artikel 42 Wte 1995 de kosten gemaakt voor de uitvoering van de door de minister ingevolge artikel 40 Wte 1995 aan haar overgedragen taken en bevoegdheden ten aanzien van - onder meer - instellingen als appellanten volgens door de minister vastgestelde regels aan die instellingen in rekening kan brengen. Hieruit volgt dat de bevoegdheid van AFM om aan appellanten heffingen op te leggen wordt begrensd door de aard en omvang van de aan AFM ingevolge artikel 40 Wte 1995 en het Overdrachtsbesluit overgedragen taken en bevoegdheden en de daarmee gemoeide kosten, voor zover deze kunnen worden toegerekend aan de subcategorie effecteninstellingen waartoe appellanten behoren. Dit stelt allereerst aan de orde de - in het kader van de exceptieve toetsing van belang zijnde - grief van appellanten dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister bij het vaststellen van de Regelingen zijn wettelijke bevoegdheden niet heeft overschreden. Met betrekking tot deze vraag overweegt het College allereerst dat artikel 42 Wte 1995, zoals door de rechtbank in de aangevallen uitspraak evenals in de uitspraak van 18 juli 2005 (www. rechtspraak.nl, LJN AT9578) op grond van tekst en wetsgeschiedenis met juistheid is overwogen, niet vereist dat er een zodanig rechtstreeks verband bestaat tussen heffing en gemaakte kosten dat de heffingen ten aanzien van effecteninstellingen uitsluitend kunnen zien op aan de betreffende effecteninstellingen concreet geleverde individueel te herleiden diensten. Mede in verband met het risico-georiënteerde karakter van het toezicht zal het bijvoorbeeld kunnen voorkomen dat bepaalde kosten voortvloeiend uit intensief toezicht op tot de desbetreffende (sub)categorie behorende marktdeelnemers ten aanzien van wie de toezichthouder een verhoogd risico aanwezig acht, via een redelijke verdeelsleutel gespreid worden over alle instellingen in die (sub)categorie die geacht kunnen worden van dat toezicht in algemene zin profijt te hebben, in het bijzonder omdat daarmee het belang van vertrouwen in de financiële markt is gediend. Een dergelijk belang kan worden aangemerkt als een belang dat de instellingen of een groep van instellingen in de desbetreffende branche in het bijzonder raakt. Dat dit laatste voor de wetgever bij de vaststelling van artikel 42 Wte 1995 het uitgangspunt is geweest volgt naar het oordeel van het College uit de wetgeschiedenis. Via verwijzing in de Memorie van Toelichting (MvT) naar eerdere, soortgelijke, bepalingen in daaraan voorafgaande financiële wetgeving is het daaraan ten grondslag liggende systeem van kostenverhaal uiteindelijk terug te voeren op het bepaalde in artikel 22 van de oorspronkelijke Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1952, 35), dat luidde "De kosten die (…) zijn verbonden aan de uitvoering van deze wet (…) kunnen door de Bank (…) op de geregistreerde credietinstellingen worden verhaald." In de MvT bij laatstgenoemde wet (Kamerstukken II, 1950-1951, 2149, nr. 3) is met betrekking tot deze bepaling opgemerkt "Aangezien de uitvoering van deze wet mede strekt in het belang van het bankwezen als geheel is de mogelijkheid geschapen de aan het toezicht verbonden kosten op de onder het toezicht vallende credietinstellingen te verhalen." Uit het voorgaande volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat onder de kosten als bedoeld in artikel 42 Wte 1995 ook kosten kunnen worden begrepen die vallen onder het begrip 'toezicht' in ruime zin, zoals bijvoorbeeld overheadkosten die aan dat toezicht kunnen worden toegerekend. Appellanten hebben echter op goede grond betoogd dat kosten die gemoeid zijn met activiteiten van (personeel van) de toezichthouder die rechtstreeks verband houden met de totstandbrenging van wet- of regelgeving in nationaal of internationaal verband - ook bij een ruime uitleg van artikel 42 Wte 1995 - niet tot de in die bepaling bedoelde kosten kunnen worden gerekend. Genoemde activiteiten houden naar het oordeel van het College onvoldoende verband met de aan AFM ingevolge de Wte 1995 overgedragen taken en bevoegdheden, in aanmerking genomen dat wetgeving en toezicht op de naleving ervan duidelijk van elkaar te onderscheiden taken en bevoegdheden zijn. Vaststaat dat artikel 40 Wte 1995 slechts een grondslag biedt voor overdracht aan AFM van de op grond van die wet aan de minister opgedragen uitvoerende toezichttaken, zoals ook bij het Overdrachtsbesluit is geschied. Dit brengt mee dat kosten die rechtstreeks verband houden met het tot stand brengen van nationale regelgeving, ongeacht of medewerkers van AFM daartoe zijn gedetacheerd bij het ministerie van Financiën, en kosten van deelname aan overleg in internationale organisaties, dat niet met het oog op toezicht maar met het oog op het tot stand brengen van regelgeving wordt gevoerd, derhalve niet behoren tot de kosten van toezicht die ingevolge artikel 42 Wte 1995 in rekening kunnen worden gebracht. Wellicht ten overvloede merkt het College nog op dat het vorenstaande geen betrekking heeft op kosten die worden gemaakt in het kader van de voorbereiding op toezichttaken in nieuwe regelgeving, aangezien een duidelijk onderscheid bestaat tussen het voorbereiden op nieuwe regelgeving en het voorbereiden van nieuwe regelgeving. Uit hetgeen appellanten op dit punt naar voren hebben gebracht en uit de reactie van AFM daarop volgt dat AFM bedoelde kosten in strijd met artikel 42 Wte 1995, en derhalve ten onrechte in de heffingen over 2005 in rekening heeft gebracht. De omstandigheid dat het, naar AFM heeft gesteld, gaat om een kostenpost die, bezien op het totaal van de begroting van AFM, van slechts ondergeschikte betekenis is, kan er niet aan afdoen dat in de beslissingen op bezwaar is miskend dat de heffingen in zoverre in strijd met de wet zijn opgelegd. De rechtbank heeft ten aanzien van dit punt derhalve ten onrechte geoordeeld dat AFM voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de heffingen slechts kosten zijn betrokken die in ruime zin voorvloeien uit de uitvoering van de taken en bevoegdheden die aan AFM zijn overgedragen. 5.5 Ten aanzien van het tweede onderdeel van de hiervoor in 5.2 genoemde vraag, te weten of rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister de Regelingen in redelijkheid heeft kunnen vaststellen, overweegt het College het volgende. Met betrekking tot heffingen als hier aan de orde heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg van 10 maart 2005 (C-22/03) naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing van de rechtbank Rotterdam in de gevoegde zaken die hebben geleid tot de hiervoor vermelde uitspraak van 18 juli 2005, overwogen dat deze zijn aan te merken als een belasting. Ook het College is, zoals uit het hiervoor onder 5.2 overwogene volgt, van oordeel dat de onderhavige heffingen, overeenkomstig de uit de wetgeschiedenis blijkende bedoeling van de wetgever, niet het karakter van een zuivere retributie behoeven te hebben. Zij zijn, in elk geval in zoverre zij dat karakter niet hebben, aan te merken als een vorm van belasting. Het legaliteitsbeginsel, zoals dat voor belastingen en andere heffingen van de rijksoverheid is neergelegd in artikel 104 van de Grondwet, staat eraan in de weg dat belasting zou kunnen worden geheven op buitenwettelijke gronden. Het legaliteitsbeginsel brengt mee dat de omschrijving van belastbare feiten en de bij de heffing in acht te nemen tarieven hun grondslag moeten hebben in formele wetgeving. In artikel 42 Wte 1995 is over de hier in geding zijnde heffing slechts bepaald dat de kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van de ingevolge artikel 40 van die wet overgedragen taken en bevoegdheden, die zoals hiervoor reeds is vermeld alle (slechts) betrekking (kunnen) hebben op toezicht, in rekening kunnen worden gebracht bij de genoemde instellingen, waaronder effecteninstellingen als appellanten. Andere voor de bepaling van de individueel op te leggen belasting wezenlijke punten - zoals onder meer een concretisering van het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het belastingtijdvak en het te hanteren tarief - zijn niet in artikel 42 Wte 1995 zelf, maar in de in dat artikel bedoelde ministeriële regeling(en) opgenomen; de Kostenregeling en de daarop gebaseerde (jaarlijkse) Vaststellingsregeling. Hetgeen in de ministeriële regeling is bepaald, zal moeten voldoen aan hetgeen de wet in formele zin hieromtrent bepaalt en overigens aan hetgeen uit algemene rechtsbeginselen voortvloeit, waarbij in dit verband met name gedacht dient te worden het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Bij de toetsing of dat het geval is dient in aanmerking te worden genomen dat in de heffing, zoals hiervoor reeds is overwogen, kosten zijn begrepen met betrekking tot activiteiten die niet rechtstreeks tot profijt van een individuele effecteninstelling strekken, maar aan te merken zijn als algemene kosten voor diensten waarvan de betrokken (sub)categorie van instellingen geacht kan worden in algemene zin profijt te hebben. Naarmate meer algemene toezichtkosten in de heffing zijn begrepen en naarmate minder toezichtkosten ten laste van de rijksbegroting worden gebracht zal voor de toetsing of de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van die kosten toereikend is - bij gebreke van bepalingen in de wet in formele zin met betrekking tot de hiervoor bedoelde essentialia en derhalve bij gebreke van enige neerslag van de opvattingen van de wetgever over hoe aan die essentialia vorm moet worden gegeven - te meer betekenis toekomen aan de hiervoor genoemde beginselen van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en het verbod van willekeur. In dit verband komt tevens betekenis toe aan het algemene deel van de toelichting bij de Kostenregeling, waarin is opgemerkt dat het oogmerk van de nieuwe maatstaven is "om nog beter aan te sluiten op de werkelijke toezichtsinspanningen, de daarmee gepaard gaande kosten en op het profijt van het toezicht". Met inachtneming van het voorgaande overweegt het College meer in het bijzonder over de thans in geschil zijnde heffingen als volgt. 5.6 Vastgesteld kan worden dat het wijzigen van de heffingsmaatstaf, zoals die gold in 2003, in de maatstaf neergelegd in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Kostenregeling (aantal effectencliënten), in samenhang met de daarbij behorende bedragen en bandbreedtes in de Vaststellingsregeling, bij appellanten tot een zeer aanzienlijke verhoging van de heffing heeft geleid. Uit de toelichting op de Regelingen noch uit de overige stukken blijkt dat sprake is van een in redelijke verhouding daarmee staande vergroting van de toezichtinspanning van AFM - noch specifiek voor appellanten noch meer algemeen - of van een verhoging anderszins van de kosten van het toezicht in ruime zin die AFM voor de subcategorie van instellingen waartoe appellanten behoren, heeft gemaakt. Ter zitting heeft AFM de juistheid van de door appellanten verstrekte cijfers over de groei van de heffingslast niet bestreden, maar heeft zij een toelichting gegeven die slechts voor een deel en in beperkte mate een verklaring biedt voor de stijging van de kosten van toezicht in ruime zin. Echter, ook wanneer een en ander in aanmerking wordt genomen, verklaart dat nog bij lange na niet dat juist de ondernemingen van appellanten met een dusdanig sterke verhoging zijn geconfronteerd. Op geen enkele wijze is uit de toelichting bij de Regelingen dan wel andere relevante stukken verklaard kunnen worden waarom zou moeten of kunnen worden aangenomen dat een eventueel vermeerderde toezichtinspanning dan wel vermeerderd toezichtprofijt zich bij uitstek zou voordoen bij appellanten en niet bij de grote groep andere marktdeelnemers in deze branche. Evenmin is hieruit kunnen blijken dat de geconstateerde verhoging het gevolg is van de omstandigheid dat appellanten in het verleden, onder meer in 2003, - gemeten naar de maatstaven van een redelijke, evenredige toedeling van lasten in verband met gemaakte kosten - veel te weinig zouden hebben bijgedragen in verband met de toenmalige heffingsmaatstaf. Hoewel het College aannemelijk acht dat AFM op basis van een redelijke, evenredige toerekening van de kosten aan de individuele instellingen binnen de onderhavige subcategorie, tot een beduidend hogere heffing kan komen dan die welke met toepassing van de toenmalige maatstaven in 2003 aan appellanten zijn opgelegd, moet op grond van het voorgaande evenwel worden vastgesteld dat de - wel degelijke als explosief te kwalificeren - stijgingen van de heffingen waarmee appellanten in 2005 zijn geconfronteerd, onmiskenbaar niet verklaard kunnen worden uit een redelijke, evenredige toerekening van de kosten van verhogingen van de toezichtsinspanning of van het genoten profijt. De Regelingen, voorzover zij AFM ertoe verplichten de heffingen aldus op te leggen, kunnen in samenhang met elkaar op dit punt dan ook in rechte geen stand kunnen houden, nu de vastgestelde heffingsmaatstaf - in elk geval bij toepassing van de daarvoor vastgestelde bedragen en bandbreedtes - voor effecteninstellingen, als bedoeld in artikel 13, onderdeel b, onder 2°, van de Kostenregeling onmiskenbaar de toets aan het verbod van willekeur niet kan doorstaan. De conclusie is dat het voor instellingen als die van appellanten op dit punt in bijlage I van de Vaststellingsregeling bepaalde onverbindend is en dat, voorzover een aanpassing ten behoeve van appellanten van de aldaar genoemde bedragen en bandbreedtes niet tot een rechtens aanvaardbaar resultaat kan leiden, ook aan het bepaalde bij artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, Kostenregeling inzake de door AFM te hanteren heffingsmaatstaf verbindende kracht moet worden ontzegd. Of de in genoemd artikelonderdeel gekozen heffingsmaatstaf en de meergenoemde bedragen en bandbreedte tevens zijn vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen bespreking. Ook aan een beoordeling van de overige grieven van appellanten komt het College, gelet op het voorgaande, niet toe. 5.7 Aan de door AFM benadrukte omstandigheid dat de (maatstaf in de) Kostenregeling tot stand is gekomen na overleg met representatieve organisaties van het betrokken bedrijfsleven, heeft de rechtbank - op zichzelf terecht - veel waarde gehecht. Die omstandigheid kan naar het oordeel van het College echter niet afdoen aan de verplichting van de minister zelf om mede gezien de in de toelichting bij de Kostenregeling genoemde doelstellingen de nodige waarborgen te scheppen - bijvoorbeeld door het doorrekenen van de gevolgen van de gekozen heffingsmaatstaf voor de individuele instellingen binnen een (sub)categorie - die kunnen voorkomen dat een heffingsmaatstaf wordt vastgesteld die bij individuele bedrijven binnen een (sub)categorie instellingen tot een rechtens onaanvaardbare stijging van de lasten leidt. 5.8 Aangezien de besluiten die AFM heeft genomen, gelet op het voorgaande, op een onverbindend te achten onderdeel van de Vaststellingsregeling, dan wel van de Vaststellingsregeling en de Kostenregeling berusten, heeft de rechtbank de daartegen gerichte beroepen van appellanten ten onrechte ongegrond verklaard. 5.9 Het hoger beroep is derhalve gegrond. De uitspraak van de rechtbank kan dan ook niet in stand blijven. Het College zal de uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren, de besluiten op bezwaar vernietigen en bepalen dat AFM opnieuw op de bezwaren van appellanten beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal AFM tevens dienen te beslissen op het verzoek van appellanten om hetgeen zij teveel aan heffing betaalden terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van eerdere betaling van de heffingen. 5.10 Nu de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd, zal het College overeenkomstig artikel 27, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie bepalen dat het door appellanten voor de indiening van het hoger beroepschrift verschuldigde griffierecht van in totaal € 428,-- aan hen wordt vergoed. AFM zal ook het griffierecht in eerste aanleg aan appellanten dienen te vergoeden. Voorts bestaat aanleiding AFM met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten, zijnde de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit bestuurskosten procesrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- voor het hoger beroep (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en op € 644,-- voor het beroep bij de rechtbank (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
- De beslissing Het College: ten aanzien van het geding in hoger beroep: - vernietigt de aangevallen uitspraak; - bepaalt dat AFM het door appellanten voor de indiening van het hoger beroepschrift betaalde griffierecht van € 428,-- (zegge: vierhonderd achtentwintig euro) aan hen vergoedt; - veroordeelt AFM in de door appellanten in hoger beroep gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro); doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de besluiten van AFM jegens appellanten van 18 januari 2006 en 30 januari 2006; - bepaalt dat AFM opnieuw op de bezwaren van appellanten dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - bepaalt dat AFM het door appellanten elk voor de indiening van het beroepschrift betaalde griffierecht van € 276,-- (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) aan hen vergoedt; - veroordeelt AFM in de door appellanten in beroep gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro). Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr. S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni
- w.g. B. Verwayen w.g. A. Venekamp