College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2008:BD8786
College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 07/947 t/m 07/955 23 juli 2008 10000 Superheffing Uitspraak in de zaken van:
Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaarschriften die appellanten ieder voor zich hebben ingediend tegen verweerders brief van 24 april 2007.
Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Op 17 juni 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, tezamen met dat in een aantal samenhangende zaken, waarbij de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.
Artikel 10 Heffing bij leveringen 1. Om de eindafrekening van de heffing op te stellen, worden de door iedere producent geleverde hoeveelheden, wanneer het werkelijke vetgehalte van het referentievetgehalte verschilt, door toepassing van de procedure van artikel 23, lid 2, vast te stellen coëfficiënten en voorwaarden naar boven of naar onder gecorrigeerd.
Wanneer de som van de overeenkomstig lid 1 gecorrigeerde leveringen groter is dan de feitelijke leveringen, wordt de heffing berekend op basis van de gecorrigeerde leveringen. (…) "
Artikel 10 van Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten luidt, voorzover thans van belang: "Vergelijking tussen het referentievetgehalte en het werkelijke vetgehalte 1. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1788/2003 wordt, om het mogelijk te maken voor elke producent de in artikel 8, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde afrekening op te stellen, het gemiddelde vetgehalte van de door de producent geleverde melk vergeleken met het referentievetgehalte van de producent als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1788/2003.
Indien een positief verschil wordt geconstateerd, wordt de geleverde hoeveelheid melk verhoogd met 0,18% per 0,1 g melkvet meer per kilogram melk.
Indien een negatief verschil wordt geconstateerd, wordt de geleverde hoeveelheid melk verlaagd met 0,18% per 0,1 g melkvet minder per kilogram melk.
Bedraagt de op grond van de derde alinea aangepaste hoeveelheid door de producent geleverde melk minder dan 75% van de daadwerkelijk geleverde hoeveelheid melk en het referentievetgehalte van de producent meer dan 4,5%, dan wordt de individuele afrekening op basis van 75% van de daadwerkelijke geleverde hoeveelheid vastgesteld. (…) 2. De lidstaten bepalen de correctie van de leveringen op nationaal niveau overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1788/2003. "
Artikel 10, eerste lid, vierde alinea, van Verordening (EG) nr. 595/2004 is ingevoegd bij Verordening (EG) nr. 1468/2006 van de Commissie van 4 oktober 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2004. Deze wijziging is van toepassing met ingang van 1 april 2007. In de considerans bij Verordening (EG) nr. 1468/2006 wordt onder meer het volgende overwogen: "(…)
De Regeling superheffing en melkpremie 2004 bepaalde, voorzover thans van belang: "Artikel 1 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: a. (…); b. raadsverordening: verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten; c. commissieverordening: verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten; (…) Artikel 2 1. De producent die in een heffingsperiode zijn beschikbare referentiehoeveelheid overschrijdt, is de op grond van artikel 2 van de raadsverordening geldende heffing verschuldigd.
Artikel 26 1. Het productschap is de bevoegde autoriteit, bedoeld in de raads- en commissieverordening en is belast met de vaststelling, berekening en invordering van verschuldigde heffingen.
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
Voor uw bedrijf betekent dit dat u in het melkquotumjaar 2007-2008 voor een overschrijding van (…) kg melk geen superheffing zal hoeven te betalen.
Mocht uw overschrijding van het melkquotum meer zijn dan deze genoemde hoeveelheid, dan komt de superheffing over het meerdere voor uw eigen rekening. Mocht u uw melkquotum met een hoeveelheid overschrijden die gelijk is aan, of minder is dan deze genoemde hoeveelheid, dan bent u in het geheel geen superheffing verschuldigd."
De door appellanten ingediende bezwaarschriften bevatten niet de gronden van het bezwaar, zodat niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Appellanten hebben zes weken gevraagd voor de motivering, maar hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Nu aan de eis van artikel 6:6 Awb is voldaan, is het bezwaar is reeds daarom niet-ontvankelijk.
De brief van 24 april 2007 behelst de toezending aan de vetmelkers van berichtgeving aan de Tweede Kamer van 11 april 2007. Voorzover dit bericht een besluit was, kon daartegen binnen zes weken bezwaar worden gemaakt. De termijn is op 12 april 2007 aangevangen en was ten tijde van het indienen van de bezwaarschriften reeds verstreken. De bezwaren zijn dan ook tevens niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Ten slotte biedt de brief van 24 april 2007 een toelichting op en een berekening van een mogelijke faciliteit voor eventueel te betalen superheffing, indien de ruimte daarvoor aanwezig is. De afrekening superheffing vindt pas na afloop van het melkjaar plaats. De brief roept derhalve geen rechten of plichten in het leven en is dus niet op rechtsgevolg gericht.
Verweerder heeft in strijd met artikel 6:14 Awb de ontvangst van het bezwaarschrift niet schriftelijk bevestigd en appellanten ook niet anderszins geïnformeerd over de gang van zaken met betrekking tot de behandeling van het bezwaarschrift. Voorts is in strijd met artikel 6:6 Awb verzuimd een termijn te bieden voor het indienen van de nadere gronden c.q. het aanvullen van het bezwaarschrift. Een verzoek van appellanten tot het stellen van een nadere termijn staat niet gelijk aan het feitelijk door verweerder toekennen van deze termijn.
Het gestelde verzuim is dan ook niet ingetreden en het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
De brief van 24 april 2007 houdt meer in dan toezending van verweerders brief aan de Tweede Kamer van 11 april 2007 . De brief van 11 april 2007 concretiseert de aan de Tweede Kamer gedane toezegging inzake een overgangsregeling voor de betrokken individuele vetmelkers. De bezwaartermijn is dan ook eerst aangevangen op 24 april 2007, niet op 11 april 2007.
Ook is de brief van 24 april 2007 een besluit, waartegen op grond van de Awb bezwaar kan worden gemaakt. Allereerst omdat het bezwaar van appellanten tegen de brieven van 15 en 19 februari 2007 en 24 april 2007 moet worden gezien als een verzoek tot toekenning uit de nationale reserve van extra quotum, welk verzoek is afgewezen. Daarnaast heeft verweerder geweigerd een verdergaande overgangsregeling te treffen dan vervat in genoemde brieven. De overgangsregeling is een besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. De weigering een verdergaande regeling te treffen is ingevolge artikel 6:2 Awb appellabel.
5.2 Verweerder heeft allereerst gesteld dat de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk zijn, omdat zij zouden hebben verzuimd een aan hun bezwaarschriften klevende gebrek tijdig te herstellen.
Ingevolge artikel 6:6 Awb kan een bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Aangezien verweerder geen termijn aan appellanten heeft gesteld om de gronden van de bezwaren in te dienen, was hij niet bevoegd de bezwaren op grond van artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk te verklaren.
Dat appellanten in hun bezwaarschriften een termijn van zes weken hadden gevraagd en na ommekomst van die termijn hun gronden niet hadden ingediend, leidt niet tot een andere conclusie.
5.2 Voorts heeft verweerder gesteld dat sprake zou zijn van te laat ingediend bezwaarschriften.
Ook deze stelling kan de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren niet dragen. De bezwaarschriften richten zich immers niet, zoals verweerder lijkt te suggereren, tegen zijn brief van 11 april 2007, maar tegen die van 24 april 2007. De bezwaartermijn is derhalve op 25 april 2007 aangevangen en appellanten hebben ieder tijdig hun bezwaarschrift ingediend.
5.3 Ten slotte heeft verweerder gesteld dat de brief van 24 april 2007, waartegen de bezwaren zich richten, geen besluit in de zin van de Awb is.
5.4 Door middel van de brief van 24 april 2007 zijn appellanten als betrokken vetmelkers geïnformeerd over het overleg dat verweerder met de Tweede Kamer heeft gehouden over de problematiek van de negatieve vetcorrectie. Daarnaast heeft verweerder aangegeven welke betekenis de door hem, in aanvulling op zijn eerdere brieven, getroffen overgangsregeling voor ieder van hen heeft.
5.5 Het College stelt vast dat deze brief een zuiver informatief karakter heeft en derhalve niet op rechtsgevolg is gericht. Bovendien is verweerder niet bevoegd om op rechtens relevante wijze uitspraken te doen over aanspraken van individuele melkveehouders inzake quotum en het verschuldigd zijn van superheffing. Verweerder heeft, desgevraagd, ter zitting geen wettelijke bepaling aangewezen die hem een zodanig bevoegdheid zou geven. Op grond van het bepaalde in artikel 26 van de Regeling superheffing en melkpremie 2004 gaat het College ervan uit dat deze bevoegdheid aan het Productschap Zuivel is voorbehouden. Het is derhalve aan dit bestuursorgaan om te beslissen over (eventueel tijdelijke toekenning van extra quotum.
Nu de brief van 24 april 2007 aldus niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb kan worden aangemerkt, konden appellanten niet worden ontvangen in hun tegen deze brief gemaakte bezwaren.
Verweerder heeft dan ook terecht de bezwaarschriften van appellanten niet-ontvankelijk verklaard.
5.6 De beroepen dienen derhalve ongegrond te worden verklaard.
5.7 Voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb ziet het College geen grond.
Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2008. w.g. W.E. Doolaard w.g. R. Meijer