College van Beroep voor het bedrijfsleven Zesde enkelvoudige kamer AWB 08/916 2 juni 2010 5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, gemachtigde: C. Blokland, werkzaam bij Blokland Agrarische Administratie & Advies, te Noordeloos, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen. 1. De procedure Appellant heeft bij brief van 11 november 2008 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn bezwaar van 26 augustus 2008 tegen een besluit van 12 augustus 2008. Bij dit besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2007 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 vastgesteld. Bij besluit van 16 januari 2009 heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaar van appellant. Bij brief van 23 januari 2009 heeft het College appellant meegedeeld dat het beroep op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet geacht worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 16 januari 2009. Bij brief van 10 februari 2009 heeft appellant gemotiveerd aangegeven waarom hij zich niet kan verenigen met het besluit van 16 januari 2009. Bij brief van 9 februari 2009 heeft appellant een aanvullend stuk overgelegd. Bij brief van 5 maart 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 30 juli 2009 heeft het College verweerder verzocht aanvullende informatie te verschaffen. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 27 augustus 2009. Naar aanleiding van deze aanvullende informatie van verweerder heeft appellant bij brief van 3 september 2009 zijn standpunt nader toegelicht. Bij brief van 24 november 2009 heeft verweerder nog een aanvullend stuk overgelegd. Op 21 april 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigde. 2. De beoordeling van het geschil 2.1 Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 augustus 2008 de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2007 vastgesteld op € 0,00. Bij het bestreden besluit van 16 januari 2009 is het tegen dit besluit gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard. 2.2 Appellant, die per 15 mei 2007 over 8,02 toeslagrechten beschikte, heeft met de Gecombineerde opgave 2007 zes percelen gras met een totale oppervlakte van 7.17 ha opgegeven voor uitbetaling van zijn toeslagrechten. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de AID op 7 en 31 oktober 2007 controles uitgevoerd bij appellant. Blijkens het van deze controles opgemaakte rapport heeft de controlerend ambtenaar vastgesteld dat perceel 5 van 2.43 ha niet voor eigen rekening en risico bij appellant in gebruik is. Daarnaast zijn de percelen 1, 2 en 3 kleiner gemeten dan opgegeven. Perceel 1 van 1.23 ha is gemeten op 1.02 ha, perceel 2 van 0.95 ha is gemeten op 0.74 ha en perceel 3 van 0.76 ha is gemeten op 0.61 ha. Verweerder heeft op basis van de bevindingen van de AID de oppervlakte van perceel 5 in zijn geheel niet aanvaard voor de uitbetaling van bedrijfstoeslag. Voor de percelen 1, 2 en 3 heeft verweerder slechts de door de AID gemeten oppervlakte aanvaard. Dit betekent dat van de maximaal voor bedrijfstoeslag te verzilveren oppervlakte van 7.17 ha een oppervlakte van 2.91 ha niet is aanvaard. De geconstateerde oppervlakte is dan 4.26 ha. Het verschil tussen de maximaal te verzilveren en de geconstateerde oppervlakte bedraagt, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 68,31 %. Dit is meer dan 20 % . Op grond van artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 786/2004 heeft verweerder daarom aan appellant geen bedrijfstoeslag uitbetaald. 2.3 Appellant heeft aangevoerd dat hij perceel 5 wel degelijk voor eigen rekening en risico in gebruik heeft. Hij exploiteert het perceel op basis van een door de eigenaar van dit perceel, C, afgegeven grondgebruiksverklaring. Appellant heeft het gras van het perceel niet nodig voor zijn vee. Als het weer gunstig is haalt hij echter hooi van dit perceel. Het feit dat de AID heeft vastgesteld dat de eigenaar het gras had gemaaid is niet relevant voor het al dan niet voor eigen rekening en risico exploiteren van de grond. In de versie van het AID-rapport die is doorgesproken met appellant stond dat op het perceel schapen liepen die niet van appellant waren. In de kladversie is deze zin doorgestreept en de zin is vervolgens niet teruggekeerd in het formele controleverslag. Onjuist is de constatering van de AID dat het perceel niet met een maaimachine te bereiken zou zijn. De percelen 1, 2 en 3 zijn opgegeven conform de oppervlakten die de AID geconstateerd heeft in zijn beslissing op de verzamelaanvraag 2005. Appellant betwist daarom de meetresultaten van de AID. Dat de AID perceel 3 in eerste instantie anders heeft gemeten dan daarna geeft geen aanleiding tot groot vertrouwen in de door de AID verrichte metingen. 2.4 Het College overweegt als volgt. 2.4.1 Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het primair besluit van 12 augustus 2008 wenst te handhaven. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder zich frequent schuldig maakt aan trage besluitvorming. Dit acht hij niet aanvaardbaar. Met dit algemene betoog heeft appellant naar het oordeel van het College onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij procesbelang heeft bij handhaving van dit onderdeel van zijn beroep. Materieel heeft appellant door het alsnog genomen besluit van verweerder van 16 januari 2009 immers bereikt wat hij beoogde te bereiken met zijn beroep tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar. Het beroep is in zoverre derhalve niet-ontvankelijk. 2.4.2 De eindversie van het door de AID opgestelde controlerapport bevat onder meer de volgende opmerkingen van de controleur. “(…) Ingezien het Overzicht Percelen, opgestuurd door DR, van 4 april 2006. Zie bijlage 3. De daarop geconstateerde oppervlakten zijn gebruikt voor de opgave percelen in de Gecombineerde Opgave 2007. Alle percelen liggen in een waterrijk veenweidegebied met brede sloten waardoor grote onduidelijkheid en verschillen bestaan tussen de werkelijk beteelbare oppervlakte en de op de kaart weergegeven topografische oppervlakten. Perceel 1 is gemeten zonder de paar kleine stalletjes die vooraan op het perceel aanwezig zijn. Op perceel 4 is ook het gras voor en rond de zuiveringsinstallatie meegemeten omdat daarop schapen worden geweid. met dhr. A perceel 5 bezocht. Op perceel 5 zijn twee nieuwe hekken geplaatst. De grond hiervoor richting het woonhuis aan de dijk hoort niet bij perceel 5. de weidegrond achter de hekken was recentelijk gemaaid op het achterste deel na oostelijk. Daarin wordt een grasbaan onderhouden. Gezien de hele situatie werd door mij vermoed dat het perceel niet in feitelijk gebruik is door de aanvrager. Dit werd niet ontkend door de aanvrager. De eigenaar van het perceel maait en klepelt het gras en onderhoudt het. Met betrekking tot perceel 5 is ingezien een grondgebruiksverklaring/wijziging van gebruiker opgestuurd aan DR. Deze is opgesteld in 2003 met gebruik zonder einde. (…) 12 november 2007, 12.15 pm: gebeld met gecontroleerde. Doorgegeven dat abusievelijk in de rapportage besproken is dat perceel 3 binnen de tolerantie was (0.74
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.