College van Beroep voor het bedrijfsleven – ECLI:NL:CBB:2010:BO6522
College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 08/617 15 oktober 2010 24000 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963 Uitspraak in de zaak van:
Buco B.V., te Bussum, appellante, gemachtigde: A AA, financieel en (fiscaal) juridisch adviseur te Hilversum, tegen de Kamer van Koophandel Gooi-, Eem- en Flevoland, verweerster, gemachtigde: mr. J.E. Broug, werkzaam bij verweerster.
Bij brief van 8 september 2008 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 7 oktober 2008 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.
Bij brief van 3 november 2008 heeft verweerster een aanvullend verweerschrift ingediend.
Op 28 september 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante en verweerster zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
De Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: Wet KvK 1997), voor zover hier van belang, luidde: " Artikel 41 (…) 2. Ingeval een bijdrage voor het geheel of voor een deel niet tijdig is voldaan, maant de kamer de nalatige schriftelijk aan om alsnog binnen veertien dagen na de ontvangst van de brief het daarin vermelde bedrag aan de kamer te doen toekomen. Volgt op deze aanmaning de betaling binnen de gestelde termijn niet, dan vaardigt de kamer een dwangbevel uit. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd. De aanmaning en incasso van het dwangbevel geschieden op kosten van de schuldenaar.
Artikel 55 1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit (…) kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
5.2 Verweerster heeft appellante naar het oordeel van het College terecht ontvangen in haar bezwaar tegen de aanmaning. Daarbij neemt het College in aanmerking dat is gebleken dat de aanmaning haar grondslag vindt in artikel 41, tweede lid, Wet KvK 1997 en dat deze, voor zover een vergoeding in rekening wordt gebracht, is gericht op rechtsgevolg. De aanmaning is derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Verder neemt het College in aanmerking dat aan appellante in het eerste lid van artikel 55 Wet KvK 1997 het recht is toegekend tegen dit besluit bij het College beroep in te stellen. Het tweede lid van dit artikel op grond waarvan een belanghebbende geen beroep bij het College kan instellen ten aanzien van besluiten waartegen bij of krachtens de wet een andere voorziening is opengesteld, is niet van toepassing. Ingevolge artikel 41, derde lid, Wet KvK 1997 staat weliswaar verzet tegen een dwangbevel open door dagvaarding van de betrokken kamer voor de kantonrechter, maar deze voorziening geldt niet tegen een aanmaning waarop geen dwangbevel is gevolgd. Van dit laatste is in het onderhavige geval sprake.
5.3 Mede gelet op de ter terechtzitting door appellante geuite wens haar beroep zoveel mogelijk inhoudelijk te behandelen, gaat het College ervan uit dat verweerster op 16 juli 2008 daadwerkelijk op het bezwaarschrift van appellante heeft beslist en dat het beroep van appellante, dat zij, eenmaal bekend geworden met die beslissing, bij brief van 7 oktober 2008 van gronden heeft voorzien, zich met toepassing van het bepaalde bij artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb, voor inhoudelijke behandeling leent.
5.4 Het College overweegt dat de hoogte van de vergoeding voor de aanmaning die verweerster in rekening heeft gebracht niet volgt uit artikel 4:113 Awb. Dit artikel is ingevoerd met de op 1 juli 2009 in werking getreden wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Vierde tranche Awb), terwijl, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.1 is overwogen, op de aanmaning het recht van toepassing blijft zoals dat gold voor 1 juli 2009.
Hetgeen appellante ter zake van de hoogte van de aanmaningskosten heeft aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerster niet in redelijkheid een bedrag van € 6,- als vergoeding voor die kosten in rekening heeft kunnen brengen.
5.5 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor toekenning van een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb bestaat geen aanleiding.
Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2010. w.g. R.R. Winter w.g. B.S. Jansen