College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 10/274 30 maart 2011 12500 Winkeltijdenwet Uitspraak in de zaak van: A, h.o.d.n. B, te C, appellant, gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar, tegen het Dagelijks Bestuur van stadsdeel West (voorheen: stadsdeel Oud-West), verweerder, gemachtigde: mr. ing. J.P. de Vries, ambtenaar van het stadsdeel West. 1. Het procesverloop Verweerder heeft geweigerd appellant ontheffing te verlenen als bedoeld in de Winkeltijdenwet ten behoeve van de exploitatie van zijn winkel buiten de reguliere openingstijden. Op 18 februari 2009 heeft verweerder van appellant een bezwaarschrift hiertegen ontvangen. Op 27 oktober 2009 heeft de rechtbank Amsterdam van appellant een beroepschrift ontvangen dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Bij het besluit op bezwaar van 18 december 2009 heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist; verweerder heeft de weigering van een ontheffing in stand gelaten. Het beroep wordt geacht ook tegen dit besluit te zijn gericht. Appellant heeft de gronden van het beroep vervolgens aangevuld. Op 18 maart 2010 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep aan het College doorgezonden, omdat het College de bevoegde instantie is om over het beroep te oordelen. Verweerder heeft verweer gevoerd. Op verzoek van het College heeft verweerder nadere stukken ingediend. Op 4 februari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van verweerder is verschenen. 2. De beoordeling van het geschil 2.1 Niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar Het beroep is allereerst gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Uit artikel III van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, volgt dat in het onderhavige geval het recht van toepassing is zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op 1 oktober 2009. Inmiddels heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist. Appellant heeft dus geen belang meer bij een beoordeling van dit onderdeel van het beroep. Het beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. 2.2 Besluit van 18 december 2009 2.2.1 Bevoegdheid van verweerder Het College dient ambtshalve te beoordelen of verweerder bevoegd was het besluit te nemen. De bevoegdheid om ontheffing te verlenen is als volgt geregeld. Het is bij de Winkeltijdenwet verboden om, kort gezegd, een winkel te exploiteren buiten de reguliere openingstijden. De gemeenteraad kan bij verordening aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om ontheffing van dit verbod te verlenen, zo is bepaald in artikel 3, vierde lid, van de Winkeltijdenwet. De gemeenteraad van Amsterdam heeft gebruik gemaakt van die mogelijkheid in artikel 5 van de Verordening Winkeltijden 1996. Bij de Verordening op de stadsdelen hebben burgemeester en wethouders al hun bevoegdheden overgedragen aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen, met uitzondering van onder meer de bevoegdheden die zijn vermeld op Lijst A, die als bijlage bij de verordening is opgenomen. Op het moment waarop verweerder het besluit nam, stond op deze lijst van uitgesloten taken en bevoegdheden de uitvoering van artikel 5 van de Verordening Winkeltijden 1996, en de bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten op grond van deze bevoegdheid. Het College leidt hieruit af dat burgemeester en wethouders de bevoegdheid om ontheffing te verlenen en de bevoegdheid te beslissen op een bezwaar tegen de weigering van een ontheffing niet aan verweerder hebben overgedragen. Dat de tekst van de Verordening Winkeltijden 1996 anders zou suggereren, zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd, doet daaraan niet af. De overdracht van bevoegdheden naar de stadsdelen is immers in de Verordening op de stadsdelen neergelegd en niet in de Verordening Winkeltijden 1996. Nu de Verordening op de stadsdelen er toe strekt dat burgemeester en wethouders de bevoegdheden die hier aan de orde zijn, aan zichzelf hebben gehouden, kan de Verordening Winkeltijden 1996 dat niet wijzigen. De conclusie is dat verweerder niet bevoegd was om op het bezwaar te beslissen. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd. Inmiddels is verweerder wel bevoegd geworden om de door appellant gevraagde ontheffing te weigeren en op het bezwaar tegen die weigering te beslissen. Lijst A die als bijlage bij de Verordening op de stadsdelen is gevoegd, is namelijk gewijzigd. Burgemeester en wethouders hebben alleen nog de bevoegdheid aan zich gehouden om een verordening als bedoeld in de Winkeltijdenwet vast te stellen en om regels ten aanzien van de verdeling van de avondwinkels over de stadsdelen vast te stellen. De bevoegdheden die hier aan de orde zijn, hebben burgemeester en wethouders dus overgedragen aan verweerder. Het College zal daarom niet volstaan met de constatering dat verweerder ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar onbevoegd was; het besluit zal met het oog op de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ook inhoudelijk worden beoordeeld. 2.2.2 Inhoudelijke beoordeling Artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Winkeltijdenwet verbiedt de openstelling van een winkel voor het publiek op (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.