College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 09/209, 09/210, 09/211, 09/212 en 09/213 30 september 2011 15334 Telecommunicatiewet Verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 6A Uitspraak in de zaken van:
- BT Nederland N.V., te Amsterdam, Colt Telecom B.V.(thans: Colt Technology Services B.V.) te Amsterdam, Online Breedband B.V., te Amsterdam, Priority Telecom Netherlands B.V. (thans: UPC Nederland Business B.V.), te Amsterdam en Verizon Nederland B.V., te Amsterdam (hierna gezamenlijk: BT c.s.), appellanten in zaak AWB 09/209, gemachtigde: mr. P. Burger, advocaat te Amsterdam; 2.Vodafone Libertel B.V., te Maastricht (hierna: Vodafone), appellante in zaak AWB 09/210, gemachtigde: mr. P.M. Waszink, advocaat te Amsterdam;
- Koninklijke KPN N.V. en KPN B.V., te Den Haag (hierna: KPN), appellante in zaak AWB 09/211, gemachtigde: mr. P.V. Eijsvoogel, advocaat te Amsterdam;
- Pretium Telecom B.V., te Haarlem en Tele2 Nederland B.V., te Diemen (hierna: Pretium en Tele2 ), appellanten in zaak AWB 09/212, gemachtigden: mr. M.J. Geus en mr. N. Linssen, beiden advocaat te Den Haag;
- UPC Nederland B.V., te Amsterdam (hierna: UPC), appellante in zaak AWB 09/213, gemachtigde: mr. P. Wit, advocaat te Amsterdam, tegen de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA), gemachtigden: mr. J. Bootsma, mr. M. Dijkstra en mr. E.C. Pietermaat, advocaten te Den Haag.
- De procedure Bij besluit van 19 december 2008 (kenmerk: OPTA/AM/2008/202721) heeft OPTA krachtens hoofdstuk 6a van de Telecommunicatiewet de retailmarkten voor vaste telefonie en de wholesalemarkten voor vaste telefonie, met uitzondering van de markt voor vaste gespreksafgifte en transitgespreksafgifte, geanalyseerd. Tegen dit besluit hebben appellanten, alsmede bbned N.V., te Hoofddorp, en Atlantic Telecom Business B.V,. te Venray, bij afzonderlijke brieven van 29 januari 2009, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Bij brief van 23 juli 2009 heeft OPTA de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden. Met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft OPTA medegedeeld dat uitsluitend het College kennis mag nemen van de stukken B1 tot en met B
- Bij afzonderlijke brieven van 14 augustus 2009 hebben appellanten de gronden van hun beroep ingediend. Bij brieven van 16 oktober 2009 heeft OPTA verweerschriften ingediend en haar verzoek tot toepassing van artikel 8:29 Awb gewijzigd. Bij afzonderlijke brieven van 13 november 2009 hebben appellanten een zienswijze ingediend. Bij brief van 8 december 2009 heeft OPTA het verzoek tot toepassing van artikel 8:29 Awb opnieuw gewijzigd en nadere stukken ingediend. Bij beslissing van 20 januari 2010 heeft het College de beperking van de kennisneming van de stukken B1 tot en met B42 gerechtvaardigd geacht. Bij brieven van 27 januari 2010 (KPN), 2 februari 2010 (BT c.s., Vodafone), 4 februari 2010 (Pretium en Tele2) en 8 februari 2010 (UPC) hebben appellanten ermee ingestemd dat het College mede op grondslag van de stukken B1 tot en met B42 uitspraak doet op de beroepen. Bij brief van 15 februari 2010 heeft OPTA een nader stuk in het geding gebracht. Bij afzonderlijke brieven van 4 juni 2010 hebben BT c.s., KPN, Pretium en Tele2 en OPTA nadere stukken ingediend. Bij brief van 14 juni 2010 heeft mr. Burger aangegeven dat bbned N.V. te Hoofddorp, die aanvankelijk samen met BT c.s. beroep had ingesteld, haar beroep niet voortzet. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni
- Voor BT c.s. is verschenen mr. Burger. Voor Vodafone zijn verschenen mr. Waszink, alsmede K. Lamberts en J.J.R. Lautenbach, werkzaam bij Vodafone. Voor KPN is verschenen mr. Eijsvoogel, alsmede C.P.L. Kramers-Van Baetenburg, S. ten Asbroek en N.J. Waanders, werkzaam bij KPN. Voor Pretium en Tele2 zijn verschenen mrs. Geus en Zwenne. Voor UPC is verschenen mr. Wit. Voor OPTA zijn verschenen mrs. Pietermaat en Bootsma. Bij brief van 14 februari 2011 heeft mr. Zwenne het College medegedeeld, dat Atlantic Telecom Business B.V., die samen met Pretium en Tele2 beroep had ingesteld, haar beroep niet voortzet.
- De grondslag van het geschil 2.1 Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (hierna: Kaderrichtlijn) luidt, voor zover en ten tijde hier van belang: " Artikel 15 Procedure voor marktdefinitie
- Na openbare raadpleging en overleg met de nationale regelgevende instanties neemt de Commissie een aanbeveling aan inzake relevante markten voor producten en diensten (hierna "de aanbeveling" genoemd). Daarin worden (…) de markten voor producten en diensten in de sector elektronische communicatie vermeld waarvan de kenmerken zodanig kunnen zijn dat het opleggen van wettelijke verplichtingen als beschreven in de bijzondere richtlijnen gerechtvaardigd kan zijn, onverminderd markten die in bepaalde gevallen uit hoofde van het mededingingsrecht kunnen worden gedefinieerd. De Commissie definieert de markten overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht. De Commissie herziet de aanbeveling op gezette tijden.
- De Commissie publiceert (…) richtsnoeren voor marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht (hierna "de richtsnoeren" te noemen), in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht.
- De nationale regelgevende instanties bepalen, zoveel mogelijk rekening houdend met de aanbeveling en de richtsnoeren, de relevante markten die overeenkomen met de nationale omstandigheden, met name relevante geografische markten binnen hun grondgebied, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht. De nationale regelgevende instanties volgen de procedures van de artikelen 6 en 7 voordat zij markten definiëren die verschillen van de in de aanbeveling genoemde. (…) Artikel 16 Marktanalyseprocedure
- Zo spoedig mogelijk na de aanneming van de Aanbeveling of een bijwerking daarvan voeren de nationale regelgevende instanties, zoveel mogelijk met inachtneming van de richtsnoeren een analyse van de relevante markten uit. (…) " In de Aanbeveling van de Commissie van 17 december 2007 betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronische communicatiesector die overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen, wordt voor zover thans van belang gesteld: "
- Bij het bepalen conform artikel 15, lid 3, van Richtlijn 2002/21/EG van de relevante markten die met de nationale omstandigheden overeenkomen, dienen de nationale regelgevende instanties de producten- en dienstenmarkten te analyseren die in de bijlage bij deze aanbeveling worden opgesomd. (…) Bijlage (…) Retailniveau
- Toegang tot het openbare telefoonnet op een vaste locatie voor particuliere en niet-particuliere gebruikers. Wholesaleniveau
- Gespreksopbouw op het openbare telefoonnetwerk, verzorgd op een vaste locatie. Voor de doeleinden van deze aanbeveling omvat gespreksopbouw ook de doorgifte van gesprekken, die zodanig wordt begrensd dat zij in een nationale context consistent is met de afgesproken grenzen voor de markten voor gespreksdoorgifte en voor gespreksafgifte op het openbare telefoonnetwerk, geleverd op een vaste locatie. (…) " In de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) is, voor zover hier van belang, bepaald: " Artikel 6a.1
- Het college bepaalt in overeenstemming met de beginselen van het algemene Europese mededingingsrecht de relevante markten in de elektronische communicatiesector waarvan de product- of dienstenmarkt overeenkomt met een in een aanbeveling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG vermelde product- of dienstenmarkt. Het college bepaalt in elk geval zo spoedig mogelijk nadat een aanbeveling als bedoeld in de eerste volzin in werking is getreden, de in die volzin bedoelde relevante markten. (…)
- Het college onderzoekt de overeenkomstig het eerste en tweede lid bepaalde relevante markten zo spoedig mogelijk. (…)
- Het in het derde (…) lid bedoelde onderzoek is er in ieder geval op gericht om vast te stellen: a. of de desbetreffende markt al dan niet daadwerkelijk concurrerend is en of hierop ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten of openbare elektronische communicatiediensten aanbieden actief zijn die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht, en b. welke verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10 en 6a.12 tot en met 6a.15 passend zijn voor de onder a bedoelde ondernemingen die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht.
- Nadat het onderzoek als bedoeld in het derde (…) lid is afgerond, geeft het college zo spoedig mogelijk uitvoering aan de artikelen 6a.2, eerste lid (…).
- Het college houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk rekening met door de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 15, tweede lid, van richtlijn nr. 2002/21/EG vastgestelde richtsnoeren. (…) Artikel 6a.2
- Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 6a.1, derde (…) lid, blijkt dat een relevante markt (…) niet daadwerkelijk concurrerend is, stelt het college vast welke ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten of openbare elektronische communicatiediensten aanbieden, beschikken over een aanmerkelijke marktmacht, en: a. legt hij ieder van hen, voor zover passend, verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10 of 6a.12 tot en met 6a.15 op; b. (…), of c. trekt hij eerder opgelegde (…) verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op deze markt, in indien zij niet langer passend zijn.
- Het college legt op grond van het eerste lid, onderdeel a: a. verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10 alleen op aan ondernemingen die openbare elektronische communicatienetwerken of bijbehorende faciliteiten aanbieden; (…)
- Een verplichting als bedoeld in het eerste lid, is passend indien deze gebaseerd is op de aard van het op de desbetreffende markt geconstateerde probleem en in het licht van de doelstellingen van artikel 1.3 proportioneel en gerechtvaardigd is.
- Bij de beoordeling of het opleggen van een verplichting om te voldoen aan redelijke verzoeken tot toegang als bedoeld in artikel 6a.6 passend is, houdt het college met name rekening met de factoren, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van richtlijn nr. 2002/19/EG. Artikel 6a.3
- Indien uit een onderzoek als bedoeld in artike 6a.1, derde of vierde lid, blijkt dat een relevante markt (…) daadwerkelijk concurrerend is, bepaalt het college dit en trekt hij eerder krachtens artikel 6a.2, eerste lid, opgelegde of in stand gehouden verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op die markt, in. (…) Artikel 6a.6
- Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting opleggen om te voldoen aan redelijke verzoeken tot door het college te bepalen vormen van toegang, onder andere indien het college van oordeel is dat het weigeren van toegang of het stellen van onredelijke voorwaarden met eenzelfde effect, de ontwikkeling van een door duurzame concurrentie gekenmerkte eindgebruikersmarkt zou belemmeren of niet in het belang van de eindgebruiker zou zijn.
- De verplichting, bedoeld in het eerste lid, kan onder meer inhouden dat de desbetreffende onderneming: a. aanbieders van elektronische communicatiediensten toegang verleent tot bepaalde netwerkelementen of faciliteiten, met inbegrip van ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk; b. te goeder trouw onderhandelt met aanbieders van elektronische communicatiediensten die verzoeken om toegang; c. reeds verleende toegang tot faciliteiten niet intrekt; d. op groothandelsbasis bepaalde diensten aanbiedt voor wederverkoop door aanbieders van elektronische communicatiediensten; e. open toegang verleent tot technische interfaces, protocollen of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn voor de interoperabiliteit van openbare elektronische communicatiediensten of virtuele netwerkdiensten; f. co-locatie of andere vormen van gedeeld gebruik van faciliteiten aanbiedt, inclusief gedeeld gebruik van kabelgoten, gebouwen of masten; (…).
- Het college kan aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voorschriften verbinden betreffende billijkheid, redelijkheid en opportuniteit. (…) Artikel 6a.7
- Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, voor door het college te bepalen vormen van toegang een verplichting opleggen betreffende het beheersen van de hiervoor te rekenen tarieven of kostentoerekening indien uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, in beide gevallen ten nadele van de eindgebruikers. Aan de verplichting kunnen door het college voorschriften worden verbonden die nodig zijn voor een goede uitvoering van de verplichting.
- Een verplichting als bedoeld in het eerste lid kan inhouden dat voor toegang een kostengeoriënteerd tarief moet worden gerekend of dat een door het college te bepalen of goed te keuren kostentoerekeningssysteem moet worden gehanteerd. (…)
- Onverminderd het eerste lid, tweede volzin, kan het college aan een verplichting tot het opstellen van een kostentoerekeningssysteem voorschriften verbinden met betrekking tot het overleggen van de resultaten van de toepassing van het systeem door de onderneming waarop de verplichting rust. (…) Artikel 6a.8 Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, voor door het college te bepalen vormen van toegang de verplichting opleggen om deze toegang onder gelijke omstandigheden onder gelijke voorwaarden te verlenen. Deze verplichting houdt tevens in dat de onderneming gelijke voorwaarden toepast als die welke onder gelijke omstandigheden gelden voor haarzelf, haar dochterondernemingen of haar partnerondernemingen. Artikel 6a.9
- Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting opleggen om door het college nader te bepalen informatie met betrekking tot door het college te bepalen vormen van toegang bekend te maken. Deze informatie kan onder meer betrekking hebben op: a. tarieven en andere voorwaarden die bij het verlenen van toegang worden gehanteerd; b. technische kenmerken en andere eigenschappen van het netwerk.
- Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting opleggen om een referentieaanbod bekend te maken waarin een omschrijving is opgenomen van door het college te bepalen vormen van toegang. Het referentieaanbod is opgesplitst naar de onderscheiden vormen van toegang en de daarbij gehanteerde tarieven en andere voorwaarden. (…)
- Aan een verplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college voorschriften verbinden met betrekking tot (…) de wijze van bekendmaking. Artikel 6a.10
- Het college kan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, de verplichting opleggen om een gescheiden boekhouding te voeren waarin de opbrengsten en de kosten van de door het college te bepalen vormen van toegang, aan de onderneming zelf of aan andere ondernemingen, gescheiden zijn van die van de door de ondernemingen verrichte overige activiteiten. (…) Artikel 6a.16
- Een onderneming ten aanzien waarvan op grond van artikel 6a.2, eerste lid, is vastgesteld dat zij op één relevante markt (…) of op meer relevante markten markten (…) tezamen, beschikt over een aanmerkelijke marktmacht bij de aanbieding van toegang tot en het gebruik van openbare telefoonnetwerken op een vaste locatie, wordt als zodanig aangewezen door het college. (…) Artikel 6a.17
- Een onderneming die krachtens artikel 6a.16, eerste lid, is aangewezen draagt, voor zover zij is aangewezen, er zorg voor dat voor haar abonnees de voorzieningen beschikbaar zijn die het hen mogelijk maken om per oproep door middel van een keuzecode of standaard door middel van een voorkeuze de diensten af te nemen van aanbieders die toegang hebben tot haar openbare telefoonnetwerk op een vaste locatie en de openbare telefoondienst, of een substantieel onderdeel daarvan, op een vaste locatie aanbieden. (…)
- Een onderneming die krachtens artikel 6a.16, eerste lid, is aangewezen voldoet, voor zover zij is aangewezen, aan redelijke verzoeken tot toegang tot haar openbare telefoonnetwerken op een vaste locatie van aanbieders die ten minste een substantieel onderdeel van de openbare telefoondienst op een vaste locatie door middel van de in het tweede lid bedoelde keuze of voorkeuze willen aanbieden. De tarieven voor de in de eerste volzin bedoelde toegang zijn op kosten georiënteerd. (…) Artikel 6b.2 (…)
- Het college houdt bij het nemen van het besluit zoveel mogelijk rekening met de opmerkingen die de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de nationale regelgevende instanties met betrekking tot het ontwerp aan het college hebben medegedeeld. (…) " 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Op 20 april 2007 heeft Dialogic Innovatie & Interactie te Utrecht (hierna: Dialogic) in opdracht van OPTA een rapport, getiteld 'Produktmarkten en marktsegmentering bij zakelijke telecommunicatiediensten' uitgebracht. - Eveneens in opdracht van OPTA heeft Dialogic op 28 mei 2008 een rapport getiteld 'Eindgebruikersonderzoek in zakelijke marktsegmenten' uitgebracht. - Op 22 januari 2008 heeft OPTA de vragenlijst Marktanalyse vaste telefonie aan marktpartijen gezonden. OPTA heeft van 15 marktpartijen een reactie op deze vragenlijst ontvangen. - Op 12 juni 2008 heeft het onderzoeksbureau Verdonck, Klooster & Associates (hierna: VKA) een rapport getiteld 'Marktontwikkelingen 2008-2011, addendum bij Marktontwikkelingen 2007-2010, Ontwikkelingen van en scenario’s voor de consumentenmarkt voor telefonie, omroep en breedbandinternettoegang' (hierna: VKA-rapport) uitgebracht. - Op 29 juli 2008 heeft OPTA het ontwerp van het Marktanalysebesluit vaste telefonie bekend gemaakt en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijze ten aanzien van het ontwerpbesluit te geven. - BT c.s., Vodafone, KPN, Pretium en Tele2, en UPC hebben hun zienswijzen over dit ontwerpbesluit kenbaar gemaakt. - OPTA heeft naar aanleiding van haar verzoek van 26 september 2008 van een aantal indieners van zienswijzen aanvullende informatie ontvangen . - Op 17 oktober 2008 heeft KPN gereageerd op de zienswijzen. - Op 5 november 2008 heeft OPTA het ontwerpbesluit genotificeerd bij de Europese Commissie (hierna: Commissie). - Op 20 november 2008 heeft OPTA gereageerd op een verzoek van de Commissie om nadere informatie van 17 november
- - Op 4 december 2008 heeft KPN gereageerd op de door OPTA voorgenomen wijzigingen in het genotificeerde ontwerpbesluit. - Bij afzonderlijke brieven van 5 december 2008 heeft de Commissie haar opmerkingen overeenkomstig artikel 7, derde lid, Kaderrichtlijn aan OPTA medegedeeld. - Vervolgens heeft OPTA het besluit van 19 december 2008 (hierna: bestreden besluit) genomen.
- Het bestreden besluit In het bestreden besluit heeft OPTA de volgende relevante markten afgebakend: - de nationale residentiële retailmarkt voor vaste telefonie, bestaande uit residentiële diensten ofwel verkeer- en aansluitingsdiensten gericht op twee of minder (gelijktijdige) gesprekken; - de nationale zakelijke retailmarkt voor vaste telefonie, bestaande uit zakelijke diensten ofwel verkeer- en aansluitingsdiensten gericht op meer dan twee (gelijktijdige) gesprekken; - de nationale wholesalemarkt voor levering van gespreksopbouw en toegang tot de telefonieaansluiting ten behoeve van de residentiële retailmarkt voor vaste telefonie (residentiële wholesalemarkt); - de nationale wholesalemarkt voor levering van gespreksopbouw en toegang tot de telefonieaansluiting ten behoeve van de zakelijke retailmarkt voor vaste telefonie (zakelijke wholesalemarkt). Deze markten omvatten geheel Nederland en beperken zich tot Nederland. Op grond van de dominantieanalyse heeft OPTA vastgesteld dat KPN, in aanwezigheid van de wholesaleverplichtingen die haar zijn opgelegd op de hoger gelegen markten (ULL, WBT en huurlijnen), op beide genoemde wholesalemarkten beschikt over aanmerkelijke marktmacht (hierna: AMM). OPTA heeft KPN op beide wholesalemarkten verplichtingen opgelegd inzake toegang (gespreksopbouw/C(P)S en WLR), nondiscriminatie, transparantie en tariefregulering. De nondiscriminatieverplichting is ingevuld met een aantal gedragsregels, waaronder gedragsregel 5, inhoudend dat tariefdifferentiatie verboden is, voor zover dit in feite betekent dat KPN haar eigen downstreambedrijf een wholesaletarief in rekening brengt waardoor andere afnemers als gevolg van marge- uitholling op de downstreammarkten niet onder concurrerende voorwaarden hun diensten kunnen aanbieden. OPTA heeft vastgesteld dat de residentiële retailmarkt in aanwezigheid van generieke en telefoniespecifieke wholesaleregulering concurrerend is en de verplichtingen die bij het Marktanalysebesluit betreffende de retailmarkten voor vaste telefonie van 21 december 2005 (hierna: Retailbesluit 2005) met betrekking tot de residentiële retailmarkt zijn opgelegd, ingetrokken met ingang van 1 januari
- OPTA heeft voorts geconcludeerd dat de zakelijke retailmarkt in aanwezigheid van generieke en telefoniespecifieke wholesaleregulering niet daadwerkelijk concurrerend is, maar heeft na uitvoering van de driecriteriatoets op basis van de verwachting dat KPN aan het einde van de reguleringsperiode of kort daarna geen AMM meer zal hebben, met ingang van 1 januari 2010 de verplichtingen uit het Retailbesluit 2005 die betrekking hebben op de zakelijke markt, ingetrokken. Aangezien de openbare versie van het bestreden besluit is gepubliceerd op de website van OPTA en partijen kennis dragen van dit besluit, acht het College het niet noodzakelijk de inhoud van het bestreden besluit op deze plaats uitvoeriger weer te geven.
- Het standpunt van BT c.s. 4.1 Volgens grief 1 biedt gedragsregel 5 onvoldoende bescherming tegen margeuitholling en is deze verplichting derhalve niet passend. Het besluit ontbeert een draagkrachtige motivering. BT c.s. hebben in dit kader zeven subgrieven aangevoerd. Volgens subgrief 1.1 is de regulering van OPTA inconsistent en in strijd met de prioritaire reguleringsdoelstelling van het besluit om de concurrentie te bevorderen. Het gaat erom dat KPN’s downstreamdiensten prijstechnisch repliceerbaar moeten zijn. Als dan uitgegaan wordt van de kosten van KPN zijn efficiënte wholesaleafnemers van KPN niet in staat een concurrerend aanbod te doen. De EEO-test (Equally Efficiënt Operator-test) past dus niet bij de doelstelling. OPTA heeft ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd niet voor de REO-test (Reasonably Efficiënt Operator-test) gekozen. BT c.s. wijzen op stukken van de Commissie die hun standpunt bevestigen. Volgens subgrief 1.2 had OPTA een correctie voor schaal- en breedtevoordelen moeten opnemen. Zonder een dergelijke correctie kan margeuitholling niet worden voorkomen. Ten onrechte stelt OPTA het ontbreken van schaalvoordelen gelijk aan inefficiëntie. BT c.s. hebben een aantal kostennadelen; ze zijn kleiner, hebben geen historisch klantenbestand en missen breedtevoordelen. Uiteindelijk zal het aanbod van BT c.s. significant goedkoper moeten zijn dan dat van KPN om te kunnen concurreren. In subgrief 1.3 voeren BT c.s. aan dat OPTA ten onrechte niet heeft bepaald dat in het kader van de repliceerbaarheid van downstreamdiensten dient te worden uitgegaan van de lange termijn incrementele kosten met inbegrip van gezamenlijke en gemeenschappelijke kosten. Ten onrechte meent OPTA dat daarmee inefficiënte concurrentie wordt bevorderd. Uit stukken van de Commissie leiden BT c.s. af dat een ruimhartiger standpunt alleszins toelaatbaar is. Om die reden is de maatregel niet passend en niet proportioneel. Volgens subgrief 1.4 heeft OPTA ten onrechte nagelaten in het bestreden besluit te bepalen dat de hoogte van de door KPN te hanteren retailopslag door haar per dienst zal worden vastgesteld. Dat biedt KPN mogelijkheden voor margeuitholling. Bovendien is sprake van onvoldoende transparantie en rechtszekerheid. De maatregel is derhalve niet passend en niet proportioneel. Met subgrief 1.5 betogen BT c.s. dat OPTA ten onrechte het begrip incrementele retailkosten niet nader heeft gespecificeerd in het bestreden besluit. In het verleden heeft OPTA dit begrip zeer restrictief gehanteerd; OPTA zou ook indirecte retailkosten in de beschouwing moeten betrekken. Volgens subgrief 1.6 heeft OPTA ten onrechte niet de verplichting opgelegd tot ex-antetoetsing van tarieven aan gedragsregel
- OPTA had moeten motiveren waarom dit niet is gebeurd. Uit stukken van de Commissie leiden BT c.s. af, dat ook de Commissie een ex-antetoetsing in dit geval aangewezen acht. In subgrief 1.7 voeren BT c.s. ten slotte aan dat het bestreden besluit ten onrechte de corrigerende gevolgen bij overtreding van gedragsregel 5 niet preciseert. Weliswaar staat nu in de beleidsregels dat prijzen met terugwerkende kracht moeten worden aangepast, maar dat zou in het besluit zelf moeten staan. In de beleidsregels wordt voorts een overgangssituatie aangeduid voor bestaande diensten. BT c.s. menen dat margeuitholling ook niet tijdelijk kan worden toegelaten. 4.2 Volgens grief 2, die niet wordt ondersteund door UPC Nederland Business B.V., is EDC een onjuiste invulling van de aan KPN opgelegde verplichting om kostengeoriënteerde tarieven te hanteren voor gespreksopbouw en C(P)S. In dit verband zijn zes subgrieven aangevoerd, waarvan de subgrieven 2.4 tot en met 2.6 subsidiair zijn in die zin dat deze slechts gelden voor het geval dat in rechte komt vast te staan dat OPTA terecht heeft gekozen voor toepassing van de WPC/EDC-systematiek. Als subgrief 2.1 voeren BT c.s. aan dat OPTA ten onrechte, althans zonder voldoende motivering, heeft geoordeeld dat het EDC-systeem een passende methode is om de efficiënte kosten van dienstverlening van KPN te bepalen. OPTA heeft nagelaten te motiveren waarom de WPC/EDC-systematiek geschikt en noodzakelijk is vanuit het oogpunt van proportionaliteit. Bezien tegen de achtergrond van de totstandkoming van de tarieven voor de reguleringsperiode 2006-2008, waarbij de tarieven op een aanvaardbaar niveau zijn gebleven als gevolg van bilaterale afspraken tussen KPN en haar wholesale-afnemers en de WPC in feite buiten werking is gebleven, kan deze systematiek niet worden gezien als een toekomstvast model dat geschikt is voor toepassing in het bestreden besluit omdat niet vaststaat dat het model geen prohibitieve tarieven voor gespreksopbouw oplevert. OPTA heeft ten onrechte nagelaten een inhoudelijke efficiëntiebeoordeling toe te passen. Als subgrief 2.2 voeren BT c.s. aan dat OPTA ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat KPN niet efficiënt is in haar bedrijfsvoering ten aanzien van de levering van gespreksopbouw. De redenen die OPTA geeft als ondersteuning voor haar stelling gaan niet op: ten eerste heeft KPN geen prikkel tot kostenminimalisatie als zij kostendalingen moet delen met concurrenten. Ten tweede is onbegrijpelijk dat OPTA stelt dat KPN weliswaar efficiënter lijkt te zijn dan de hoogste 10% van de meest efficiënte Amerikaanse telecombedrijven maar gelijktijdig overweegt dat die vergelijking niet meer wordt toegepast door de comparatieve efficiëntie analyse (CEA) niet meer standaard toe te passen. Aldus is sprake van een cirkelredenering. Ten derde miskent OPTA dat het verlagen van kosten, bijvoorbeeld door het afstoten van personeel en het verkopen van centralegebouwen, geen rechtstreeks verband houdt met het bereiken van meer of minder efficiëntie van het bedrijf. Dat KPN streeft naar lagere kosten, betekent niet dat die lagere kosten automatisch efficiënt zijn. OPTA trekt zelf ook in twijfel of de verkoop van centralegebouwen als gevolg van uitfasering van MDF-locaties wel op gang komt gedurende de reguleringsperiode. Volgens subgrief 2.3 heeft OPTA onvoldoende invulling gegeven aan de prioritaire doelstelling van de telefoniespecifieke regulering, te weten het bevorderen van dienstenconcurrentie. Tegen de achtergrond van deze doelstelling is het onbegrijpelijk dat OPTA een systeem van kostenoriëntatie hanteert in de vorm van WPC/EDC-systematiek dat ruimte laat voor het doorberekenen van inefficiënte kosten. Toepassing van het LRIC/ BULRIC-model ligt, gezien genoemde doelstelling, meer voor de hand. Volgens (subsidiaire) subgrief 2.4 heeft OPTA ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat geen CEA hoefde te worden uitgevoerd. Gelet op de te verwachten inefficiënties die gepaard gaan met de modernisering van het netwerk had OPTA alsnog moeten overgaan tot het toepassen van een CEA, waarbij wordt vergeleken met telecombedrijven die zich in een vergelijkbare marktsituatie bevinden en bezig zijn met netwerkmigratie, zoals BT in het Verenigd Koninkrijk. Bij de bepaling van de mate waarin sprake is van stranded assets, mede als gevolg van leegloop, vormt toepassing van de CEA een nuttige aanvulling om te voorkomen dat stranded assets niet als zodanig worden benoemd en ten onrechte alsnog tot de relevante kosten worden gerekend. Volgens (subsidiaire) grief 2.5 heeft OPTA ten onrechte de reikwijdte van het verbod op doorberekening van kosten van stranded assets en leegloop beperkt in die zin dat wholesaletarieven geen vergoeding mogen omvatten voor de kosten en verliezen die KPN lijdt door stranded assets en leegloop als gevolg van het feit dat KPN zelf besluit om haar netwerk te vernieuwen. OPTA had een stap verder moeten gaan en als principieel uitgangspunt moeten hanteren dat concurrenten niet hoeven te betalen voor stranded assets en leegloop van KPN, ongeacht hoe deze ontstaan zijn, dus ook bijvoorbeeld bij leegloop van het netwerk als gevolg van migratie door verlies van klanten aan concurrenten. Volgens (subsidiaire) subgrief 2.6 heeft OPTA ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd volstaan met het opleggen van de verplichting aan KPN een accountantsrapportage te voegen bij de rapportage over het resultaat van de toepassing van de WPC/EDC-systematiek. Aan een dergelijke rapportage kan geen enkele zekerheid worden ontleend omtrent de efficiëntie van de opgevoerde kosten en de vraag of kostenelementen terecht zijn opgenomen. OPTA had op voorhand moeten overgaan tot het aanstellen van een externe accountant die een verdergaande controle kan uitvoeren van de mate waarin de tarieven de onderliggende relevante kosten weerspiegelen. 4.3 In grief 3 betogen BT c.s. dat OPTA een onjuiste dominantieanalyse van de residentiële retailmarkt heeft uitgevoerd. OPTA heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de residentiële markt, ondanks het hoge marktaandeel van KPN op deze markt en vele andere factoren die wijzen op AMM van KPN, daadwerkelijk concurrerend zou zijn. Deze markt is niet concurrerend en zal dat binnen de onderhavige reguleringsperiode ook niet worden. BT c.s. stellen zich op het standpunt dat het door OPTA verwachte marktaandeel van KPN van 50-60% in 2011 in aanwezigheid van generieke en telefoonspecifieke regulering op zichzelf tot de conclusie leidt dat KPN in die situatie een AMM-positie heeft. Een dergelijk marktaandeel ligt ruim boven de 50% en is nog altijd vele malen groter dan het marktaandeel van de tweede marktpartij. BT c.s. plaatsen verder vraagtekens bij de door OPTA verwachte daling van het marktaandeel van KPN van 60-70% in aanwezigheid van generieke wholesaleregulering naar 50-60% wanneer OPTA naast die regulering ook telefoniespecifieke wholesaleregulering oplegt. OPTA verwacht dat het marktaandeel van C(P)S/WLR-aanbieders in de onderhavige reguleringsperiode zal dalen van 5-10% in 2008 naar 0-5% in 2011 in aanwezigheid van generieke en telefoonspecifieke wholesaleregulering. Mede gelet op hetgeen in het VKA-rapport is gesteld over de rol van C(P)S in de onderhavige reguleringsperiode, is het derhalve zeer de vraag of OPTA’s redenering dat C(P)S/WLR-aanbieders door telefoniespecifieke regulering klanten zullen werven die zij vervolgens vraaggestuurd naar VoDSL kunnen migreren, juist is. Voorts zijn de door OPTA in het marktanalysebesluit 2005 voorspelde ontwikkelingen met betrekking tot de marktaandelen van C(P)S-aanbieders en van KPN, ondanks de bij dat besluit opgelegde C(P)S/WLR-verplichting, niet uitgekomen. Blijkens het bestreden besluit heeft KPN nog steeds een marktaandeel van 70-80% en volgens de meest recente kwartaalcijfers van KPN is haar marktaandeel op de traditionele telefoniemarkt meer dan 75%. Dat KPN zich onafhankelijk kan gedragen blijkt ook uit de recent doorgevoerde prijsverhoging voor enkele vaste telefoniediensten. Nu de All IP-aankondigingen van KPN ertoe hebben geleid dat niet verder wordt geïnvesteerd, is twijfelachtig of de marktpositie van DSL-partijen wordt versterkt, zoals OPTA verwacht. Het feit dat het door OPTA verwachte marktaandeel van DSL-partijen in aanwezigheid van generieke wholesaleregulering gelijk is aan het verwachte marktaandeel in aanwezigheid van generieke én telefoonspecifieke wholesaleregulering, bevestigt die verwachting evenmin. Volgens BT c.s. overschat OPTA de concurrentiedruk door de kabelaanbieders en motiveert OPTA deze druk niet. De kabelaanbieders hebben geen landelijke dekking en het verschil tussen hun marktaandeel en dat van KPN is dusdanig groot dat KPN zich onafhankelijk kan gedragen en een dominante positie behoudt. Voorts betogen BT c.s. dat OPTA andere factoren in het kader van de dominantieanalyse onjuist heeft geanalyseerd of onvoldoende heeft onderzocht. OPTA heeft ten onrechte slechts zeer summier getoetst welk effect de voorgenomen wholesaleregulering heeft op enkele van deze factoren en daarbij een aantal in de Richtsnoeren genoemde andere factoren buiten beschouwing gelaten. OPTA heeft ten onrechte niet onderkend dat KPN nog steeds voordeel heeft van haar verticale integratie, zolang OPTA niet ook de retailmarkten reguleert. Een aantal van de met de verticale integratie van KPN samenhangende voordelen blijven ook met wholesaleregulering onverminderd bestaan. OPTA stelt ten onrechte dat schaal- en breedtevoordelen van KPN, voordelen van KPN uit product- en dienstendiversificatie en niet gemakkelijk te repliceren infrastructuur en toetredingsbarrières voor andere aanbieders dan KPN door de C(P)S/WLR- verplichtingen niet zullen verminderen. OPTA leunt teveel op deze verplichtingen, waarvan de ervaring heeft geleerd dat deze niet – althans niet zonder aanvullende waarborgen op retailniveau – tot daadwerkelijke concurrentie zullen leiden. 4.4 Volgens grief 4 van BT c.s. is de dominantieanalyse van de zakelijke retailmarkt innerlijk tegenstrijdig. Tegenover de op de dominantieanalyse gebaseerde conclusie van OPTA dat de zakelijke markt na generieke en telefoniespecifieke wholesaleregulering niet daadwerkelijk concurrerend is, staat de op een zeer summiere toepassing van de driecriteriatoets gebaseerde conclusie van OPTA dat de aan KPN opgelegde wholesaleverplichtingen ertoe zullen leiden dat aan het einde van deze reguleringsperiode, dan wel in de periode kort daaropvolgend daadwerkelijke concurrentie op de zakelijke markt wordt bereikt. Deze tegenstrijdige bevindingen maken het besluit onrechtmatig omdat OPTA haar tournure niet motiveert. De stelling van OPTA dat VoB op de zakelijke markt op termijn zal toenemen is niet onderbouwd en gemotiveerd en verhoudt zich niet met het Dialogic-rapport. De opvatting van OPTA dat andere aanbieders met C(P)S en WLR de mogelijkheid hebben om hun bestaande marktpositie te versterken en dat klanten kunnen migreren naar VoB is niet gebaseerd op onderzoek van OPTA. Tevens heeft OPTA niet onderkend dat ondanks wholesaleregulering toetredingsdrempels zullen blijven bestaan. OPTA sluit ten onrechte aan bij de Aanbeveling om te motiveren dat de retailverplichtingen kunnen worden ingetrokken: een belangrijk element uit de Aanbeveling voor het schrappen van de retailtelefoniemarkten uit de Aanbeveling – een daling van het marktaandeel van de incumbent – ontbreekt in Nederland. Voor een marktstructuur die neigt naar daadwerkelijke mededinging binnen de relevante tijdshorizon moeten volgens de toelichting op de Aanbeveling duidelijke bewijzen bestaan; aan dit vereiste voldoet het besluit geenszins, nu er geen daadwerkelijke concurrentie is ontstaan en volgens OPTA, gelet op haar dominantieanalyse, ook niet zal ontstaan. Tot slot voeren BT c.s. aan dat OPTA onvoldoende specifiek heeft aangegeven wanneer de toegangsbelemmeringen zullen zijn verdwenen en er een situatie van daadwerkelijke concurrentie zal bestaan. 4.5 Met grief 5 betogen BT c.s. dat OPTA een onjuiste en onvoldoende gemotiveerde prospectieve analyse van de zakelijke retailmarkt heeft uitgevoerd. OPTA geeft aan dat er op de zakelijke markt in de afgelopen reguleringsperiode nauwelijks concurrentieontwikkeling is geweest, dat het marktaandeel van KPN in aanwezigheid van stringente retailregulering nauwelijks is afgenomen en dat de marktaandelen van alternatieve aanbieders slechts in beperkte mate zullen groeien. Verder geeft OPTA aan dat op de zakelijke markt VoB een beperkte rol speelt. De op het rapport van Dialogic van 28 mei 2008 gebaseerde constatering van OPTA dat VoB in de toekomst belangrijker wordt, is te algemeen om OPTA’s aanname dat het marktaandeel van VoB in de zakelijke markt met 10% zal stijgen, te kunnen dragen. In de afgelopen periode heeft KPN voor zakelijke afnemers de toen geldende prijsplafonds maximaal opgezocht, wat een sterke aanwijzing voor afwezigheid van concurrentiedruk op KPN is. Met de empirische gegevens en ervaringen uit het verleden, en de eigen vaststelling dat KPN momenteel nog even dominant is als enkele jaren geleden, zal OPTA goed moeten motiveren waarom zij desondanks het besluit heeft genomen om retailregulering – die onvoldoende effectief is gebleken – op te heffen. Dat heeft OPTA nagelaten. 4.6 Volgens grief 6 heeft OPTA de driecriteriatoets onjuist toegepast en heeft OPTA op grond van deze toets ten onrechte besloten de retailverplichtingen op de zakelijke markt in te trekken. In subgrief 6.1 betogen BT c.s. dat OPTA ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de Aanbeveling van de Commissie ter rechtvaardiging van haar besluit tot intrekking van de retailregulering. De Commissie heeft het schrappen van de retailtelefoniemarkten uit de Aanbeveling gebaseerd op en onderbouwd met een verwijzing naar het feit dat alternatieve aanbieders in veel lidstaten hebben gezorgd voor significante daling van het marktaandeel van de incumbent. Dit gaat echter niet op voor de Nederlandse situatie, nu de bestaande wholesaleverplichtingen geen daadwerkelijke mededinging hebben gebracht. Het enkele feit dat in Nederland al langer C(P)S bestaat, is niet afdoende om te concluderen dat aan de driecriteriatoets niet is voldaan. Volgens subgrief 6.2 heeft OPTA ten onrechte geconcludeerd dat niet is voldaan aan het eerste criterium van de driecriteriatoets (aanwezigheid van hoge toegangsbelemmeringen die niet van voorbijgaande aard zijn). De stelling van OPTA dat VoB op de zakelijke markt op termijn in belang zal toenemen, is immers niet onderbouwd en gemotiveerd en verhoudt zich evenmin met het rapport van Dialogic van 28 mei
- Voorts is het zo dat OPTA ten onrechte niet heeft onderkend dat, ondanks de uitbreiding van het pakket aan telefoniespecifieke regulering (C(P)S/WLR), andere toegangsdrempels dan die van technische aard blijven bestaan, zoals die welke eraan bijdragen dat eindgebruikers inert zijn en moeilijk te bewegen om over te stappen van KPN naar een andere aanbieder. In subgrief 6.3 voeren BT c.s. aan dat OPTA onvoldoende heeft onderbouwd dat niet is voldaan aan het tweede criterium van de driecriteriatoets. Er zijn immers geen duidelijke bewijzen dat de marktstructuur neigt naar een daadwerkelijke mededinging binnen de relevante tijdshorizon. Volgens subgrief 6.4 ten slotte is er sprake van een onduidelijke tijdshorizon en geldt voor zowel het eerste als het tweede criterium dat OPTA onvoldoende specifiek heeft aangegeven wanneer de toegangsbelemmeringen verdwenen zullen zijn en de situatie van daadwerkelijke concurrentie zich zal voordoen.
- Het standpunt van Vodafone 5.1 De grieven van Vodafone richten zich tegen de invulling van de tariefverplichting voor zover het betreft gespreksopbouw op de residentiële en zakelijke wholesalemarkten en tegen de intrekking van de verplichtingen op de retailmarkten. 5.2 In grief 1 stelt Vodafone zich in het kader van gespreksopbouw op het standpunt dat OPTA er ten onrechte voor heeft gekozen de tariefverplichting in te vullen volgens het EDC-kostentoerekeningssysteem. Ten onrechte heeft OPTA ervan afgezien te onderzoeken of KPN nog steeds kan worden gezien als efficiënte operator en een comparatieve efficiëntieanalyse (hierna: CEA) te verrichten. De keuze voor EDC is onzorgvuldig. Gezien de reeds jaren bestaande en bekende bezwaren van marktpartijen tegen EDC had OPTA ten aanzien van de invulling van de tariefverplichting een fundamentele heroverweging moeten maken. Deze bezwaren houden onder meer in een gebrek aan transparantie en controlemogelijkheden, onvoldoende garanties dat alle opgevoerde kostenposten efficiënt zijn en dat niet wordt gegarandeerd dat een margin squeeze niet kan plaatsvinden. Ten onrechte heeft OPTA geen CEA verricht. In de eerste reguleringsronde kon KPN zich meten met de efficiëntste operators uit de benchmark waarbij KPN is vergeleken met 10 Amerikaanse operators. Om die reden heeft toen geen efficiëntiecorrectie plaatsgevonden en werden EDC-tarieven zonder correctie van kracht, zodat de EDC-tarieven gelijk waren aan de WPC-tarieven. Bezwaren van marktpartijen hebben uiteindelijk geleid tot afspraken met KPN over lagere tarieven dan uit de EDC-kostentoerekening zouden volgen. Een groot deel van de EDC/CEA-analyse was daarmee verouderd. In het licht daarvan mag de EDC-systematiek niet zonder meer worden gehandhaafd. De ratio van een reguleringsperiode van drie jaar is dat na die periode daadwerkelijke heroverweging plaatsvindt. Dit geldt ook ten aanzien van de vraag of KPN (nog wel) efficiënt is, zeker gelet op de uitrol van All IP en de uitfasering van het PSTN-netwerk, waarbij altijd sprake zal zijn van inefficiënties. KPN’s tarieven behoren niet tot de goedkoopste van Europa. 5.3 Volgens subgrief 2.1 heeft OPTA in het kader van gespreksopbouw en toegang onvoldoende waarborgen aan gedragsregel 5 verbonden. Het voorkomen van margin squeezes is niet afdoende ex ante gegarandeerd. Daardoor is gedragsregel 5 niet passend. OPTA ziet zowel op de residentiële als op de zakelijke retailmarkt margeuitholling evenals kruissubsidiëring als potentiele mededingingsproblemen. Gedragsregel 5 kan die problemen niet voorkomen, ook al omdat OPTA ze niet eenvoudig kan herkennen. OPTA laat de verantwoordelijkheid voor toepassing van gedragsregel 5 bij KPN. Dus kan ze alleen ex post optreden. Dat betekent dat Vodafone bij OPTA aannemelijk zal moeten maken, dat overtreding plaatsvindt. Volgens subgrief 2.2 heeft OPTA onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de verplichting tot gescheiden boekhouding niet noodzakelijk is. OPTA legt de oproep van de Commissie om actief toezicht te houden op naleving van gedragsregel 5 naast zich neer. Niet valt in te zien hoe gedragsregel 5 volledig kan garanderen dat ongeoorloofde kruissubsidie en margeuitholling niet plaatsvinden. OPTA heeft tevens miskend dat de verplichting tot het voeren van een gescheiden boekhouding een ander – aanvullend – karakter heeft dan de nondiscriminatieverplichting. 5.4 In grief 3 stelt Vodafone dat OPTA ten onrechte geen verplichtingen heeft opgelegd op de zakelijke retailmarkt voor vaste telefonie. In subgrief 3.1 argumenteert Vodafone dat het marktaandeel van KPN stabiel hoog blijft en dat KPN dominantie heeft. Volgens OPTA lag het marktaandeel van KPN op de zakelijke retailmarkt op het moment van onderzoek – in 2008 – tussen de 70 en 80%. Indien alleen generieke wholesaleregulering wordt opgelegd, zal dat aandeel aan het einde van de reguleringstermijn
(2011)onveranderd tussen de 70 en 80% liggen. Met oplegging van telefoniespecifieke wholesaleverplichtingen bedraagt het aandeel eind 2011 dan 65–75%. KPN beschikt derhalve over AMM. Volgens subgrief 3.2 heeft OPTA de driecriteriatoets onjuist toegepast. Door de gehele markt – aansluitingen en verkeer – aan deze toets te onderwerpen en dit bovendien pas na de marktafbakening en de dominantieanalyse te doen, is deze toets onjuist toegepast. Ten onrechte heeft OPTA nagelaten het derde criterium (het mededingingsrecht alleen volstaat niet om het marktfalen in kwestie voldoende te verhelpen) te onderzoeken, hoewel de drie criteria altijd in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Het niet voldoen aan deze toets kan alleen gevolgen hebben voor zover het betreft het verkeer op de (zakelijke) retailmarkt; aansluitingen vallen immers onder Markt 1 van de Aanbeveling en komen dus qualitate qua voor ex ante regulering in aanmerking. Ten aanzien van de aansluitingen heeft OPTA terecht het gebruikelijke onderzoekskader gevolgd en aan de hand daarvan, voorafgaand aan de driecriteriatoets, geconcludeerd dat KPN over AMM beschikt. Reeds daarom had OPTA verplichtingen moeten opleggen. Materieel gezien heeft OPTA de toets veel te summier en bovendien onzorgvuldig uitgevoerd. Zou de analyse van het eerste en het tweede criterium met inachtneming van de instructies uit het ERG Report on Guidance on the application of the three criteria test correct zijn uitgevoerd, dan had de conclusie niet anders kunnen luiden dan dat aan deze criteria is voldaan. OPTA heeft de onderzoekslogica miskend door eerst een dominantieanalyse uit te voeren en te constateren dat KPN over AMM beschikt en pas daarna de driecriteriatoets te verrichten. Dit illustreert de tegenstrijdigheid: uit de dominantieanalyse volgt correct dat KPN over AMM beschikt op de zakelijke retailmarkt. Vervolgens concludeert OPTA incorrect aan de hand van de beoordeling van het eerste en het tweede criterium dat KPN toch niet dominant is, althans dat aan KPN geen maatregelen kunnen worden opgelegd. Dit terwijl de toetsingscriteria van enerzijds deze twee criteria en anderzijds de dominantieanalyse materieel niet van elkaar zullen verschillen. Volgens subgrief 3.3 zal er hoe dan ook geen concurrentie bestaan, nu met behulp van WBT en ULL weliswaar vaste telefonie – op basis van VoB – wordt aangeboden, maar het effect voor de concurrentie op de zakelijke retailmarkt door OPTA sterk wordt overschat. Grootzakelijke klanten hebben weinig interesse in diensten op basis van VoB, zo blijkt uit het rapport van Dialogic. Grootzakelijke klanten zijn vrijwel alleen geïnteresseerd in diensten over glasverbindingen. Eveneens wordt de positieve werking van CPS- en WLR-verplichtingen door OPTA overschat. Het betreft een verouderde techniek en de animo voor WLR op de zakelijke markt zal uitermate gering zijn. In het kader van subgrief 3.4 voert Vodafone aan dat OPTA passende maatregelen aan de dominante partij KPN had moeten opleggen en dat OPTA niet had kunnen besluiten tot intrekking van de verplichtingen. Nu KPN op de zakelijke retailmarkt beschikt over AMM is het niet opleggen van enige verplichting in strijd met artikel 16, vierde lid, van de Kaderrichtlijn. Volgens subgrief 3.5 kan de analyse van OPTA niet de conclusie dragen dat zij de bestaande verplichtingen kon intrekken. In 2011 zal het marktaandeel van KPN slechts marginaal afnemen. Van intrekking kan pas sprake zijn indien aan KPN nieuwe op de door OPTA geconstateerde mededingingsproblemen afgestemde wholesaleverplichtingen zouden worden opgelegd. Subsidiair kan van intrekking pas sprake zijn indien de wholesaleverplichtingen daadwerkelijk effectief zijn en geen kinderziektes meer bevatten en een redelijke overgangstermijn in acht is genomen. Gezien de ervaringen uit het verleden, bijvoordeeld met betrekking tot de implementatie van de per 1 januari 2006 opgelegde WLR-verplichting, is een overgangstermijn van één jaar zeer kort. Om die reden vereist de zorgvuldigheid dat OPTA een zelfstandig besluit tot intrekking van de verplichtingen had moeten nemen. Intrekking per 1 januari 2010 is niet passend. 6. Het standpunt van KPN 6.1 De grieven van KPN richten zich tegen de verplichtingen inzake gespreksopbouw en WLR, gedragsregel 5 en de bij het bestreden besluit behorende Annexen A, B, C en D. 6.2 Volgens grief 1 heeft OPTA ten onrechte van de aan KPN (op de zakelijke en residentiële wholesalemarkten) opgelegde verplichtingen tot het voldoen aan alle redelijke verzoeken om toegang tot haar openbare vaste telefoonnetwerken ten behoeve van de levering van gespreksopbouwdiensten, niet op voorhand uitgezonderd de verlening van toegang op het (lokale) niveau van de nummercentrales. Subsidiair had OPTA de verplichtingen met betrekking tot het verlenen van toegang op het (lokale) niveau van de nummercentrales voorwaardelijk dienen te maken op de toewijzing van een redelijk verzoek om deze vorm van toegang. In de uitspraken van het College van 20 maart 2007 (AWB 06/115 t/m 119 en AWB 06/130 t/m 133, LJN: BA1008 en BA 1009) is - samengevat weergegeven - twijfel geuit over de passendheid van de toegangsverplichtingen op lokaal niveau, die waren opgelegd bij de marktanalysebesluiten van 21 december 2005 voor de wholesalemarkten voor gespreksdoorgifte, respectievelijk gespreksopbouw, op het vaste openbare telefoonnetwerk. KPN heeft OPTA daaraan bij de voorbereiding van het bestreden besluit herinnerd. In het licht hiervan was een grondig onderzoek naar en een stevige motivering van de geschiktheid van en noodzaak tot het opleggen van de vergaande toegangsverplichting voor gespreksopbouw waarin bij het thans bestreden besluit is voorzien ter adressering van een concreet mededingingsprobleem, geboden geweest. Dit onderzoek is niet verricht en genoemde motivering ontbreekt. Daarom kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Dit geldt te meer nu (-) het volume van de door KPN geleverde gespreksopbouwdiensten (CPS) op zijn retour is, (-) KPN in het kader van All IP haar nummercentrales op termijn zal uitfaseren, waardoor investeringen met betrekking tot de toegang tot die centrales allesbehalve toekomstvast zijn, (-) van serieuze investeringsbereidheid bij potentiële afnemers thans geen sprake is en (-) investeringen in lokale toegang thans ook niet meer rendabel kunnen zijn omdat niet verwacht mag worden dat eindgebruikers die eenmaal naar telefonie over breedband of ‘mobile only’ zijn overgestapt later weer naar CPS zullen terugkeren. KPN heeft een zwaarwegend belang dat lokale toegang wordt uitgezonderd van de verplichting om toegang voor gespreksopbouw te bieden. Een dergelijke uitzondering (-) bevrijdt KPN van de arbeidsintensieve transparantieverplichting uit hoofde van de dictumonderdelen xix en xx van het bestreden besluit, (-) ontheft haar van de verplichting de dienst toegang ten behoeve van gespreksopbouw op lokaal niveau daadwerkelijk te leveren waartoe zij een nieuwe standaarddienstverlening moet ontwikkelen en in haar systemen en processen moet implementeren en (-) vrijwaart KPN van de belastende verplichtingen uit dictumonderdeel xvii. Het is disproportioneel dat deze verplichtingen ten aanzien van lokale toegang gelden, omdat de dienst waarschijnlijk nooit zal worden afgenomen. KPN heeft er belang bij niet in onderhandelingen te worden betrokken met partijen die slechts om lokale toegang verzoeken om haar All IP-plannen te bemoeilijken. Subsidiair stelt KPN dat het onwaarschijnlijk is dat een verzoek om lokale toegang ooit als redelijk wordt aangemerkt. Gelet op de kleine kans dat lokale toegang daadwerkelijk moet worden geleverd, brengt het evenredigheidsbeginsel mee dat bedoelde verplichting voorwaardelijk wordt gemaakt. KPN verzoekt in het subsidiaire geval het College zelf in de zaak te voorzien en deze voorwaarde aan de verplichtingen te verbinden. 6.3 Met grief 2 voert KPN aan dat OPTA haar in de dictumonderdelen xi en xii ten onrechte heeft verplicht om (op de zakelijke en residentiële wholesalemarkten) te voldoen aan alle redelijke verzoeken om toegang tot haar openbare vaste telefoonnetwerken ten behoeve van de levering van gespreksopbouwdiensten naar 14xy(z)-nummers. De redenering die OPTA volgt, namelijk dat zonder deze verplichting niet is gewaarborgd dat eindgebruikers van KPN ook de 14xy(z)-nummers kunnen aankiezen die zijn geïmplementeerd op de netwerken van haar concurrenten, gaat niet op. KPN heeft er geen enkel belang bij om alleen 14xy(z)-nummers die op haar eigen netwerk zijn geïmplementeerd aankiesbaar te maken. Indien 14xy(z)-nummers op netwerken van andere aanbieders vanuit het netwerk van KPN niet aankiesbaar zijn, tast dat de kwaliteit van de retaildienstverlening van KPN ernstig aan. 14xy(
- z)nummers worden gebruikt voor niet-commerciële diensten van de overheid en niet goed voorstelbaar is dat KPN de bereikbaarheid van publieke instellingen, ook al zijn zij klant bij een van haar concurrenten, zou blokkeren. De verplichting verhoudt zich evenmin met de afwezigheid van een verplichting om een gespreksopbouwdienst te leveren voor gesprekken naar geografische nummers die op andere netwerken zijn geïmplementeerd. Voor gesprekken naar geografische nummers en naar 14xy(z)-nummers is binnen het Forum voor Interconnectie en Speciale Toegang (hierna: FIST) het terminating-model afgesproken. KPN is niet in staat zich eenzijdig aan het terminating-model te onttrekken. Daarnaast zijn alle 14xy(z)-nummers vanuit KPN aankiesbaar, maar hebben niet alle aanbieders die nummers op andere netwerken aankiesbaar gemaakt. Verder is de aankiesbaarheid van deze nummers gewaarborgd met de verplichtingen uit hoofdstuk 6 Tw; de bevoegdheden op grond van dat hoofdstuk bieden OPTA voldoende mogelijkheden om KPN te dwingen de 14xy(z)-nummers via het terminating model aankiesbaar te houden. Het is niet goed denkbaar dat een 14xy(z)-nummer vanuit het netwerk van KPN aankiesbaar is via het originating-model terwijl het vanuit alle andere netwerken aankiesbaar is via het terminating-model. Om die reden is het niet passend de oplossing van deze denkbeeldige problematiek in het opleggen van een gespreksopbouwverplichting te leggen. Daar zal geen gebruik van gemaakt worden, terwijl KPN er wel organisatorisch in moet investeren. 6.4 Volgens grief 3 heeft OPTA ten onrechte en zonder afdoende motivering KPN verplicht tot het leveren van WLR op hoogcapacitaire aansluitingen. Deze verplichting is niet passend. Om de hier bedoelde levering mogelijk te maken moeten er aanpassingen in de organisatie van KPN plaatsvinden waarvan de kosten zijn begroot op € 700.000,-- tot € 800.000,--. Deze verplichting is niet passend in de zin van artikel 6a.2 Tw, omdat (-) partijen in de consultatiefase hebben aangegeven weinig te verwachten van WLR bij hoogcapacitaire aansluitingen en (-) er thans ook al – zonder WLR – de mogelijkheid bestaat voor concurrenten die bepaalde eindgebruikers willen gaan bedienen, om de contracten die deze klanten thans (nog) voor hun telefoonaansluitingen met KPN hebben, over te nemen. KPN houdt dan de aansluiting(
- en)van de klant in stand, maar stelt het contract op naam van de concurrent. Weliswaar blijft KPN daarbij haar standaard retailtarieven voor aansluitingen hanteren, maar het is, gelet op het door KPN gepresenteerde rekenvoorbeeld, niet waarschijnlijk dat dit tot een prijsklem leidt voor de concurrent. 6.5 In grief 4 voert KPN aan dat OPTA ten onrechte de op basis van retail minus gereguleerde WLR-tarieven niet heeft uitgesloten van de regulering door gedragsregel 5. Doordat OPTA heeft nagelaten de met de retail minus-methodiek gereguleerde tarieven uit te sluiten van de werking van gedragsregel 5 zijn de betreffende aanbiedingen op twee verschillende wijzen gereguleerd ter voorkoming van margeuitholling, die bovendien tot niet dan wel slecht verenigbare uitkomsten leiden. Omdat de retail minusmethodiek werkt met een gewogen gemiddelde opbrengst per type aansluiting en gedragsregel 5 daarentegen voor iedere (zelfstandige of gebundelde) aanbieding van een aansluiting afzonderlijk, staan deze wijzen van regulering haaks op elkaar. Voorts werken de twee methodes met verschillende tarieven voor het ontbundelen van gebundelde aanbiedingen. Deze discrepanties leiden ertoe dat de toepassing van gedragsregel 5 op met retail minus gereguleerde WLR-tarieven de effecten van de – als compromis aanvaarde – wijze van berekening van het referentietarief weer goeddeels teniet doet. OPTA heeft ten onrechte niet onderzocht of gemotiveerd waarom deze dubbele regulering tegen margeuitholling passend zou zijn. 6.6 De grieven E1 tot en met E6 van KPN betreffen gedragsregel 5. In grief E1 voert KPN aan dat OPTA ten onrechte heeft bepaald dat de toets voor margeuitholling moet worden toegepast op het niveau van individuele diensten. Het is niet noodzakelijk elke individuele dienst repliceerbaar te maken. KPN’s concurrenten beschikken wel over eigen netwerken en moeten slechts soms ter aanvulling een beroep doen op KPN’s wholesaleaanbod. Bovendien is gedragsregel 5 niet te beschouwen als het minste beperkende alternatief. Volgens grief E2 heeft OPTA ten onrechte nagelaten bij de introductie van de toets voor margeuitholling op de voorheen ongereguleerde datamarkten rekening te houden met de specifieke kenmerken van deze markten en de daarop geleverde diensten. Volgens grief E3 heeft OPTA ten onrechte met gedragsregel 5 een verplichting geïntroduceerd die in strijd is met de doelstelling van de bevordering van de belangen van eindgebruikers, omdat KPN de mogelijkheid ontnomen wordt om voor individuele klanten maatwerk te leveren en soms retailafnemers hogere prijzen moet vragen dan zonder die regel noodzakelijk zou zijn. In grief E4 voert KPN aan dat OPTA gedragsregel 5, naar zijn aard een kwantitatieve norm, ten onrechte niet zodanig heeft gepreciseerd dat KPN direct vanaf haar inwerkingtreding in staat is haar te kwantificeren en aldus toe te passen. In besluiten dienen verplichtingen zo exact mogelijk beschreven te worden. Volgens subgrief E4.1 is de norm van gedragsregel 5 naar zijn aard niet geschikt voor algemene normstelling. Volgens subgrief E4.2 heeft OPTA ten onrechte voor de kosten van ongereguleerde wholesalediensten in het bestreden besluit geen nadere invulling gegeven aan het voorschrift van de LRIC-kosten. In subgrief E4.3 voert KPN aan dat OPTA ten onrechte belangrijke uitgangspunten van de precisering van gedragsregel 5 heeft neergelegd in beleidsregels en niet in het bestreden besluit. Volgens subgrief E4.4 heeft OPTA ten onrechte geen criterium gegeven voor het onderscheid tussen ongereguleerde wholesalediensten (waarvan de kosten bij toepassing van gedragsregel 5 op basis van LRIC moeten worden bepaald) en faciliteiten ten behoeve van de retaildienstverlening (waarvan uitsluitend de korte termijn incrementele kosten relevant zijn voor toepassing van gedragsregel 5). Met grief E5 betoogt KPN dat OPTA gedragsregel 5 in werking heeft laten treden voordat KPN – op basis van een voldoende precisering van de daarin vervatte normstelling – haar lopende leveringsverplichtingen en bedrijfsvoering binnen een redelijke termijn op gedragsregel 5 kon instellen. Volgens grief E6 ten slotte heeft OPTA ten onrechte bij de invoering van gedragsregel 5 onvoldoende onderzoek verricht en niet voldaan aan haar motiveringsplicht. 6.7 In het kader van Annex A voert KPN twee grieven aan. Volgens grief A1 heeft OPTA ten onrechte voorkeur voor proportionele toerekening van wholesalespecifieke kosten. OPTA wil met name wholesalespecifieke kosten (deels) aan KPN toerekenen, hoewel deze kosten niet door KPN worden veroorzaakt. Dit is in strijd met de norm van kostenoriëntatie zoals deze door de wetgever is bedoeld, terwijl deze mogelijkheid ook de passendheid van de door OPTA beschreven tariefregulering aantast. Het uitgangspunt bij kostenoriëntatie is dat de partij voor wie de voorziening wordt gerealiseerd de kosten daarvoor moet dragen (kostencausaliteit). De wetgever heeft geen uitzonderingen op dit uitgangspunt in het leven willen roepen voor de door OPTA in randnummer 21 van Annex A genoemde situaties. KPN heeft in dit verband nog gewezen op hetgeen het College met betrekking tot de proportionele toerekening van kosten heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 september 2007, LJN: BB3357. Volgens grief A2 heeft OPTA ten onrechte geen voorbehoud gemaakt in verband met de mogelijke herziening tijdens de onderhavige reguleringsperiode van de regulering van de tarieven voor vaste gespreksafgifte. Toepassing van de Aanbeveling van de Commissie van 7 mei 2009 over de tariefregulering van vaste gespreksafgifte zal waarschijnlijk substantiële wijzigingen vergen ten opzichte van de uitgangspunten zoals thans vervat in de Annexen A, B en C. 6.8 In het kader van Annex B voert KPN een drietal grieven aan. Volgens grief B1 houdt OPTA een verkeerde maatstaf aan voor het redelijk rendement door haar toepassing van de WACC. Ten onrechte heeft OPTA nagelaten in Annex B of elders te specificeren op basis van welke waarderingsgrondslag zij het geïnvesteerde vermogen zal bepalen, terwijl dit van groot belang is voor de bepaling van het redelijk rendement. Bij de bepaling van het redelijk rendement zou OPTA van de marktwaarde, en niet van de boekwaarde, moeten uitgaan. Vermogensverschaffers gaan immers uit van de marktwaarde en niet van de boekwaarde. In grief B2 voert KPN aan dat OPTA ten onrechte heeft bepaald dat de kosten en waardeverliezen van stranded assets en leegloop die zijn ontstaan doordat KPN haar netwerk vernieuwt, voor rekening van KPN zijn en niet in de kostprijzen en daarop gebaseerde tarieven van gereguleerde wholesalediensten mogen worden verwerkt. OPTA’s motieven voor deze beslissing zijn ondeugdelijk. In de eerste plaats zijn de All IP-plannen van KPN, anders dan OPTA veronderstelt, niet het resultaat van een eigen autonome keuze van KPN, maar worden deze gedicteerd door de marktomstandigheden. In de tweede plaats is de stelling van OPTA onjuist dat de kosten van leegloop en van het tijdelijk exploiteren van twee actieve netwerken ('overlay') per definitie inefficiënt zouden zijn. De door OPTA in dit verband gestelde regels zijn in strijd met de wettelijke doelstelling tot aanmoediging van infrastructuurconcurrentie en zijn niet uitvoerbaar. De eerste regel, die inhoudt dat volumedalingen door leegloop niet in de kostprijscalculatie mogen worden betrokken, is strijdig met de wettelijke norm van kostenoriëntatie: de implicatie van OPTA dat KPN wel haar volledige kosten zou kunnen goedmaken nu het risico op het niet (geheel) terugverdienen van de investeringen reeds in de WACC zou zijn verdisconteerd, is onjuist. De risicopremie uit de WACC biedt immers uitsluitend een vergoeding voor het risico dat de werkelijke bezetting kan afwijken van de verwachte bezetting. KPN wijst hiertoe op de door haar overgelegde notitie van Prof. dr. A. Boot van 12 december 2008. Voor zover die verwachting echter al uitgaat van onderbezetting, dient dit te worden meegenomen en is KPN daarvoor niet reeds gecompenseerd met de WACC. De tweede regel, die inhoudt dat kostenreducties op de oude infrastructuur daarin wel moeten worden verwerkt, is strijdig met het bij de invulling van kostenoriëntatie geldende uitgangspunt van consistentie: kostenstijgingen en -reducties hangen onlosmakelijk met elkaar samen. Verouderde apparatuur brengt vanuit afschrijvingsoogpunt een kostenvoordeel mee, maar vanuit het oogpunt van onderhoud een nadeel omdat het noodzakelijk onderhoud duurder is. De derde regel, die inhoudt dat KPN het tarief niet mag laten stijgen ten opzichte van het tarief dat gold voordat KPN tot de introductie van een All IP-netwerk overging, is strijdig met het verbod van vooringenomenheid: toepassing van kostenoriëntatie brengt mee dat alle relevante kosten van het leveren van wholesale-toegangsdiensten in aanmerking moeten worden genomen. Of de aanstaande netwerkvernieuwing zal leiden tot een hogere of een lagere kostprijs zal op die basis moeten worden bepaald, en valt in dit stadium niet op voorhand vast te stellen. Volgens grief B3 heeft OPTA ten onrechte de mogelijkheid opengehouden om andere afschrijvingstermijnen en -methoden voor te schrijven dan door KPN in de jaarrekening worden toegepast. Dit is in strijd met de keuze voor de EDC-systematiek. Het volgen van de waardering- en resultaatsbepaling uit de jaarrekening is een dragend principe van de EDC-systematiek. Afwijking van de door KPN gehanteerde afschrijvingstermijnen en –methoden brengt ook het uit de keuze voor kostenoriëntatie voortvloeiende uitgangspunt in gevaar dat KPN in staat moet worden gesteld haar daadwerkelijke kosten goed te maken. Een verlenging van de afschrijvingstermijnen voor bepaling van gereguleerde tarieven zou betekenen dat KPN niet in staat wordt gesteld haar kosten voor kapitaal te dekken die zij feitelijk heeft omdat zij sneller afschrijft. Een wijziging van de afschrijvingsmethode kan meebrengen dat KPN haar kosten langzamer terugverdient; nu dit de risico’s voor KPN vergroot, zou dit moeten leiden tot een hoger toegestaan rendement. Ten onrechte redresseert OPTA deze aspecten niet. Behoudens de uitzondering dat KPN onrealistische afschrijvingstermijnen zou hanteren, brengt de keuze voor EDC mee dat OPTA dezelfde afschrijvingstermijnen en –methoden hanteert als KPN in haar jaarcijfers. 6.9 In het kader van Annex C voert KPN eveneens twee grieven aan. Volgens grief C1 zijn de WPC-tariefplafonds ten onrechte gebaseerd op realisatiecijfers van KPN over 2007 in plaats van op de tarieven uit 2008. In de methodiek van OPTA neemt de prikkel voor KPN om tegen het einde van de WPC-periode nog efficiëntieverbeteringen door te voeren sterk af. Subsidiair acht KPN het onzorgvuldig dat OPTA het WPC-tariefplafond voor de komende reguleringsperiode 2009 – 2011 baseert op de realisatiegegevens over 2007 in plaats van over 2008. OPTA had de WPC-tariefplafonds moeten baseren op de realisatiecijfers over 2008 als zijnde de meest actuele cijfers, die kort na 1 januari 2009 beschikbaar zijn. Voor de periode van 1 januari 2009 tot aan 1 juli 2009 had OPTA er voor kunnen kiezen om de op 31 december 2008 geldende tariefplafonds te blijven toepassen. Volgens grief C2 zijn ten onrechte geen tariefmandjes toegestaan onder WPC. KPN acht het argument van OPTA waarom dit niet is toegestaan, namelijk dat KPN dan via een omweg in staat zou zijn om tariefdifferentiatie boven de WPC-plafonds toe te passen, hetgeen strategisch gedrag mogelijk zou kunnen maken, niet overtuigend. Juist bij markten die relatief concurrerend zijn legt het risico op strategisch gedrag minder gewicht in de schaal en er bestaan andere remedies om dit gedrag effectief tegen te gaan. Het niet toestaan van tariefmandjes is een vorm van overregulering om het risico van margeuitholling tegen te gaan. De WPC is daarmee niet proportioneel ingevuld en niet passend in de zin van artikel 6a.2, derde lid, Tw. 6.10 In het kader van Annex D voert KPN vijf grieven aan. Volgens grief D1 heeft OPTA ten onrechte een pricecap opgelegd. De toepassing van een pricecap wordt door OPTA passend geacht omdat anders het mededingingsprobleem van buitensporig hoge prijzen niet zou worden geremedieerd. Daarbij gaat OPTA echter voorbij aan de concurrentie die KPN ondervindt in het aanbod van telefonieaansluitingen, zoals VoB-diensten. Tevens gaat OPTA eraan voorbij dat, als de WLR-tarieven buitensporig worden, ook WLR-aanbieders kunnen uitwijken naar alternatieve wholesalediensten. Om deze redenen is het niet waarschijnlijk dat KPN de WLR-tarieven tot een buitensporig niveau zou kunnen verhogen. De pricecap is niet evenredig en passend in de zin van artikel 6a.2, derde lid, Tw. Bij wijze van subsidiaire grief voert KPN in grief D2 aan dat OPTA ten onrechte in de toepassing van de pricecap het tarief per ultimo 2008 als uitgangspunt heeft genomen. Aldus blijft de tariefregulering uit de vorige reguleringsperiode bepalend voor de tarieven die KPN in de onderhavige reguleringsperiode mag vragen. Dit is inconsistent en niet passend, nu OPTA met Annex D een geheel nieuwe methodiek heeft geïntroduceerd voor de regulering van WLR-tarieven. Een zorgvuldige en consistente benadering vergt dat OPTA het nieuwe prijsplafond voor de onderhavige reguleringsperiode baseert op het tarief zoals dat op basis van deze nieuwe methodiek is berekend en niet op een oud tarief uit de vorige reguleringsperiode, toen andere marktomstandigheden aanwezig waren. Volgens grief D3 heeft OPTA ten onrechte de nieuwe WLR-tariefprocedure ingevoerd per 1 april 2009 en niet per 1 januari 2009. Met grief D4 voert KPN aan dat OPTA ten onrechte voorbij is gegaan aan de operationele problemen die er zijn om het zakelijke van het residentiële aanbod te scheiden. OPTA heeft bepaald voor welke retaildiensten KPN een WLR-dienst moet bieden met een eigen WLR-tarief. Daarbij gaat OPTA voorbij aan het feit dat een aantal van de door haar onderscheiden residentiële en zakelijke retaildiensten in technisch opzicht gelijkwaardig zijn en dat het enige verschil dat er in sommige gevallen bestaat is gelegen in de toepassing door de klant en /of de voorwaarden die door het retailbedrijf worden gehanteerd. Omdat dit zich onttrekt aan de waarneming van KPN is het voor KPN lastig (zo niet onmogelijk) om het door OPTA voorgeschreven onderscheid te maken. Dit klemt temeer nu Annex D niet voorziet in eenduidige criteria of ondersteunende informatievoorziening door OPTA aan KPN. Uitgangspunt had moeten zijn dat technisch identieke aansluitingen in beginsel tot dezelfde categorie gerekend worden, tenzij sprake is van voor KPN als WLR-aanbieder waarneembare verschillen. Voor zover uit Annex D de verplichting voortvloeit voor KPN om andere categorieën te onderscheiden, is die verplichting niet uitvoerbaar of leidt deze tot onnodige complexiteit en een verhoogd risico op fouten in de uitvoering. In zoverre is Annex D onzorgvuldig en vloeien daaruit voor KPN onevenredige verplichtingen voort. Volgens grief D5 heeft OPTA ten aanzien van gebundeld verkeer ten onrechte de verkeerstarieven uitsluitend op het BelBasis aanbod gebaseerd. OPTA gaat er ten onrechte aan voorbij dat er ook andere ontbundelde tarieven voor verkeer zijn, waarbij de klant een korting krijgt bij oplopende verkeersvolumes. Door in alle gevallen de BelBasis-tarieven van KPN voor te schrijven als ontbundelde tarieven, rekent OPTA in wezen teveel kosten toe aan verkeer. Als uitgangspunt voor ontbundelde verkeerstarieven had OPTA moeten uitgaan van de laagst beschikbare, door KPN ongebundeld aangeboden verkeerstarieven. 7. Het standpunt van Pretium en Tele2 7.1 De grieven van Pretium en Tele2 richten zich tegen de intrekking van de regulering op de retailmarkten, de invulling van de tariefregulering, de toegangsverplichtingen, gedragsregel 5, de intrekking van de verplichting tot het voeren van een gescheiden boekhouding en de reikwijdte van de AMM-aanwijzing. 7.2 In grief A betogen Pretium en Tele2 dat KPN AMM heeft op de retailmarkten voor vaste telefonie en dat de bestaande retailregulering ten onrechte wordt ingetrokken. Het besluit is in strijd met de Aanbeveling: in de eerste plaats moet OPTA relevante markten bepalen die overeenkomen met de markten vermeld in de Aanbeveling. OPTA gaat echter niet uit van de door de Commissie aangewezen retailmarkt. In de tweede plaats heeft OPTA ten onrechte één relevante markt voor aansluitingen en verkeer afgebakend. De toename van gebundelde aanbiedingen, waarop OPTA deze marktafbakening baseert, is niet het gevolg van een vraag van eindgebruikers maar van een aanbod van KPN, terwijl KPN op de zakelijke retailmarkt niet dezelfde migratie naar bundels heeft verricht als aan de orde is geweest op de residentiële markt. In de derde plaats is er op de markt voor aansluitingen sprake van zeer hoge toetredingsbarrières. Ten aanzien van de residentiële retailmarkt heeft OPTA ten onrechte en in strijd met de Aanbeveling de driecriteriatoets niet toegepast en ten aanzien van de zakelijke retailmarkt heeft zij deze toets onjuist toegepast. 7.2.1 De onderbouwing van OPTA dat in aanwezigheid van wholesaleregulering de residentiële retailmarkt daadwerkelijk concurrerend is, is feitelijk en rechtens onjuist. In de eerste plaats is de prognose van OPTA dat het marktaandeel van KPN daalt niet houdbaar. KPN heeft op het marktsegment PSTN een aandeel van 87%. Het aandeel van C(P)S en WLR-partijen in 2008 bedraagt 0-5% en is bovendien dalende. Het aantal consumenten dat via WLR telefonie van Pretium en Tele2 afneemt, is gestagneerd. WLR is, zoals deze maatregel door OPTA is ingevuld, geen passende remedie gebleken. Tevens stagneert de krimp van de traditionele telefoniemarkt en heeft KPN een zeer sterke positie in het VoB-segment. KPN ondervindt wel concurrentie van alternatieve aanbieders zoals Tele2, maar ondanks regulering heeft een enorme verschraling van het aantal aanbieders plaatsgevonden. De prognose van OPTA dat het marktaandeel van KPN zonder retailregulering tot 50-60% zal afnemen in 2011 is onrealistisch. Op de retailmarkt voor laagcapacitaire aansluitingen PSTN en VoB is de afstand tussen het marktaandeel van KPN en de overige aanbieders groot, hetgeen volgens het Europese mededingingsrecht een sterke indicatie vormt voor marktmacht. In de tweede plaats heeft OPTA de concurrentiedruk van de kabel overschat. De kabelaars hebben in tegenstelling tot KPN geen landelijke dekking, de groei van VoB stagneert en het marktaandeel van KPN is zodanig dat zij zich onafhankelijk van de kabelaars kan gedragen. In de derde plaats is sprake van een verschraling van DSL-aanbieders in plaats van groei en in de vierde plaats is de concurrentiedruk van CPS en WLR zeer gering. Tot slot concludeert de Commissie dat de aansluitingenmarkt niet daadwerkelijk concurrerend is. Alleen de verkeersmarkt komt niet voor ex ante-regulering in aanmerking. Indien een Lidstaat deze markt wil reguleren, kan dat alleen indien voldaan wordt aan de driecriteriatoets. OPTA had deze toets moeten toepassen en concluderen dat de residentiële retailmarkt op basis van deze toets voor ex ante-regulering in aanmerking komt. 7.2.2 Ten aanzien van de zakelijke retailmarkt geeft OPTA de feiten juist weer, maar trekt zij daaruit een onjuiste en onbegrijpelijke conclusie. Ten eerste is de prognose dat het marktaandeel van KPN zal dalen naar 65-75% onrealistisch. KPN heeft een sterke machtspositie met een marktaandeel van circa 80%, afwezigheid van concurrentie van kabelbedrijven en nagenoeg geen concurrentie in de markt voor MKB-MKB+. Ook wat betreft de overige factoren die van belang zijn voor het functioneren van een concurrerende markt, heeft KPN een grote voorsprong op haar concurrenten. Ten tweede is de driecriteriatoets onjuist uitgevoerd. De stelling van OPTA in het kader van het eerste criterium dat de huidige toegangsbelemmeringen aan het einde van de reguleringsperiode verdwenen zullen zijn als gevolg van wholesaleregulering en het toenemende belang van VoB, is op onjuiste, niet onderzochte aannames gebaseerd. Niet aannemelijk is dat KPN’s marktaandeel met 5–10% zal afnemen; OPTA overschat de positie van de kabelbedrijven. Tot slot concludeert OPTA ten onrechte dat haar bevindingen aansluiten bij de Toelichting op de Aanbeveling. 7.3 In grief B voeren Pretium en Tele2 aan dat EDC een onjuiste invulling is van kostenoriëntatie voor de tariefregulering van gespreksopbouw. Zij kunnen zich niet verenigen met de handhaving van het WPC/EDC-systeem en voeren daartegen de volgende grieven aan. 7.3.1 Volgens grief B1 heeft OPTA ten onrechte, althans zonder afdoende motivering, geoordeeld dat het EDC-systeem een passende methode is om de efficiënte kosten van dienstverlening van KPN te bepalen. WPC/EDC kan niet worden gezien als toekomstvast model dat geschikt is voor toepassing in het bestreden besluit, nu niet vaststaat dat EDC geen prohibitieve tarieven voor gespreksopbouw oplevert. De wholesaletarieven zijn op een aanvaardbaar niveau gebleven als gevolg van bilaterale afspraken tussen KPN en haar afnemers, waardoor de WPC in feite buiten werking is gesteld. OPTA had nader moeten motiveren waarom deze systematiek toch wordt gehandhaafd en op welke gronden zij aanneemt dat deze systematiek niet opnieuw leidt tot onaanvaardbare uitkomsten. Evenmin brengt het oordeel van het College omtrent EDC in andere procedures met zich, dat EDC in het licht van de huidige omstandigheden op deze markt een passende invulling van kostenoriëntatie is voor de regulering van gespreksopbouw. 7.3.2 Volgens grief B2 heeft OPTA ten onrechte geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat KPN niet efficiënt is in haar bedrijfsvoering ten aanzien van de levering van gespreksopbouw. In de eerste plaats heeft KPN geen prikkel tot kostenminimalisatie indien kostendalingen moeten worden gedeeld met concurrenten. Veeleer is het omgekeerde waar. In de tweede plaats is onbegrijpelijk dat OPTA meent dat KPN efficiënter is dan de meest efficiënte 10% van Amerikaanse telecombedrijven en tegelijk besluit dat die vergelijking niet meer wordt gemaakt door de CEA niet meer standaard toe te passen. In de derde plaats miskent OPTA dat het verlagen van kosten door het afstoten van personeel en centralegebouwen geen rechtstreeks verband houdt met het bereiken van meer of minder efficiëntie van het bedrijf. Dat KPN als bedrijf streeft naar lagere kosten betekent niet dat die lagere kosten automatisch efficiënt zijn. 7.3.3 Volgens grief B3 heeft OPTA onvoldoende invulling gegeven aan de prioritaire doelstelling van de telefoniespecifieke regulering, namelijk het bevorderen van de dienstenconcurrentie, omdat de WPC/EDC-systematiek ruimte laat voor het doorberekenen van inefficiënte kosten. Een consistente benadering houdt in dat OPTA bij maatregelen ter bevordering van dienstenconcurrentie uitgaat van de efficiënte kosten voor KPN door toepassing van een LRIC-model dat gebaseerd is op de kosten van een hypothetisch efficiënte nieuwe toetreder in plaats van KPN. 7.3.4 Volgens de subsidiaire grief B4 heeft OPTA, als in rechte komt vast te staan dat zij terecht kiest voor toepassing van WPC/EDC-systematiek, ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat geen CEA hoeft te worden uitgevoerd. Gelet op de All IP-plannen van KPN en de modernisering van haar netwerk moest opnieuw worden gekeken naar mogelijk daaruit voortvloeiende inefficiënties en moest OPTA een CEA toepassen. 7.3.5 Volgens de subsidiaire grief B5 heeft OPTA, als in rechte komt vast te staan dat zij terecht kiest voor toepassing van WPC/EDC-systematiek, ten onrechte de reikwijdte van het verbod op doorberekening van kosten beperkt in die zin dat wholesaletarieven geen vergoeding mogen omvatten voor de kosten en verliezen die KPN lijdt door stranded assets en leegloop als gevolg van het feit dat zij zelf besluit om haar netwerk te vernieuwen. OPTA had een stap verder moeten gaan en moeten bepalen dat concurrenten niet hoeven te betalen voor stranded assets van KPN, ongeacht of er sprake is van leegloop van het netwerk als gevolg van migratie. 7.3.6 Volgens de subsidiaire grief B6 heeft OPTA, als in rechte komt vast te staan dat zij terecht kiest voor toepassing van WPC/EDC-systematiek, ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd volstaan met het opleggen van de verplichting aan KPN bij de rapportage over het resultaat van de toepassing van die systematiek een accountantsrapportage te voegen. OPTA had op voorhand een externe accountant moeten aanstellen. OPTA kan van de huisaccountant van KPN niet verlangen dat deze zonder medewerking van KPN onderzoek doet naar de efficiëntie van de opgevoerde kosten en de vraag of kostenelementen terecht in de WPC/EDC-systematiek zijn opgenomen. Zonder een externe accountant die een verdergaande controle als hiervoor omschreven kan uitvoeren, is de verplichting als verwoord in onderdeel xxx van het dictum van het bestreden besluit onvoldoende passend en strijdig met artikel 6a.2, eerste lid, sub a, Tw, althans onvoldoende gemotiveerd. 7.4 In grief C betogen Pretium en Tele2 dat VoB aansluitingen – waaronder VoDSL en VoE – ten onrechte zijn uitgezonderd van de verplichting voor toegang tot de telefonieaansluiting op de residentiële en zakelijke wholesalemarkten. 7.4.1 Met betrekking tot de residentiële markt voeren Pretium en Tele2 aan dat WBT geen alternatief is voor VoB omdat op basis van WBT niet uitsluitend telefonie kan worden geboden, of alleen tegen onevenredig hoge kosten. Anders dan OPTA meent, kunnen partijen met WLR geen klantenbestand opbouwen en deze klanten vervolgens migreren naar VoB. WLR is vooral een anti-churn middel, nodig om te voorkomen dat C(P)S klanten massaal overstappen naar het gebundelde aanbod van KPN. 7.4.2 Met betrekking tot de zakelijke markt voeren Pretium en Tele2 aan dat OPTA in het bestreden besluit niet haar stelling heeft onderbouwd dat voor VoE- en VoDSL-aansluitingen een verzoek om toegang niet redelijk is omdat de extra kosten niet opwegen tegen de vraag. OPTA gaat in het bestreden besluit slechts in op de implementatiekosten van KPN voor ISDN hoogcapacitair. Tevens is onjuist dat met WLR-toegang tot ISDN30 voldoende is gewaarborgd dat marktpartijen met KPN kunnen concurreren. 7.5 In onderdeel D hebben Pretium en Tele2 grieven aangevoerd met betrekking tot de WLR tariefregulering. 7.5.1 In grief D1 voeren zij aan dat OPTA ten onrechte voor een belangrijk deel kiest voor invulling van de aan KPN opgelegde tariefverplichtingen op basis van retail minus in plaats van kostenoriëntatie. Retail minus is, zoals OPTA in het bestreden besluit heeft onderkend, in de afgelopen reguleringsperiode manipulatiegevoelig gebleken, BelVrij abonnementen van KPN, waarbij aansluiting en verkeer met één gebundeld tarief in rekening worden gebracht, lagen buiten de scope van de WLR-regulering omdat bundels van aansluitingen en verkeer van de toenmalige regulering waren uitgezonderd. Door via opt out al haar residentiële BelBasis abonnees om te zetten naar een BelVrij Weekend-abonnement, maakte KPN zich grotendeels immuun voor de WLR-regulering. Voorts heeft KPN voor wat betreft het jaar 2009 op onvoorspelbare momenten vier voorlopige aankondigingen voor gewijzigde WLR-tarieven gedaan, die telkens leidden tot onvoorspelbare stijgingen en dalingen. Daaruit blijkt dat WLR-tarieven vatbaar zijn voor manipulatie. De manipulatie met de mix van tarieven, diensten en bundels door KPN is niet in het belang van de eindgebruikers. De verhoging van de tarieven voor vaste telefonie door KPN in de afgelopen jaren is volledig toe te schrijven aan het falen van de retail minus-regulering in de afgelopen reguleringsperiode. Regulering op basis van kostenoriëntatie is de enige maatregel die de doelstellingen van bevordering van de concurrentie en bescherming van de belangen van eindgebruikers naar behoren dient. 7.5.2 In onderdeel D.2 voeren Pretium en Tele2 grieven aan tegen de invulling van de retail minus systematiek. Volgens grief D2.1 houdt OPTA in het besluit ten onrechte geen rekening met de mogelijkheid van deflatie. Volgens grief D2.2 houdt OPTA ten onrechte voor wat betreft het eerste kwartaal van 2009 vast aan die tariefregulering zoals die krachtens het oude marktanalysebesluit gold. Het bestreden besluit bepaalt dat het nog door OPTA te nemen tariefbesluit de periode vanaf 1 januari 2009 zal betreffen. Niet valt in te zien waarom de definitieve WLR-tarieven die op grond daarvan door OPTA dienen te worden vastgesteld niet tot 1 januari 2009 zouden kunnen terugwerken. Volgens grief D2.3 neemt OPTA bij bepaling van WLR-tarieven en de "ontbundeling" ten onrechte KPN’s gemiddelde belprofielen tot uitgangspunt. Nu het gaat om concurrentie op de markt moeten ook de belprofielen van de alternatieve aanbieders daarbij worden betrokken. Met berekening van de WLR-tarieven op basis van louter de belprofielen van KPN, waarbij deze sturend kan optreden en die tot onverklaarbare uitkomsten leiden, worden de doelstellingen van de regulering niet bevorderd. De WLR-tariefregulering wordt onvoorspelbaar, onverklaarbaar en vatbaar voor manipulatie. Het klantenbestand van KPN is niet vergelijkbaar met dat van de andere aanbieders, zodat aangenomen moet worden dat ook de belprofielen verschillen. Ten onrechte maakt OPTA geen onderscheid tussen de belprofielen voor de residentiële en de zakelijke markt. Volgens grief D2.4 gaat OPTA ten onrechte uit van een terugverdienperiode van 3 jaar voor incentives. Gezien de invoering van artikel 7.2a Tw, dat opzegging vergemakkelijkt en de opzegtermijn bekort, is een terugverdienperiode van 3 jaar te lang. Ook in de afgelopen reguleringsperiode was een periode van 3 jaar gezien de marktomstandigheden al veel te lang. OPTA miskent dat deze lange terugverdientijd de mogelijkheden voor manipulatie door KPN vergroot. In onderdeel D.2.5 voeren Pretium en Tele2 grieven aan die afhankelijk zijn van de interpretatie van OPTA zoals die zal blijken uit het te nemen WLR-Tariefbesluit. Volgens grief D2.5.(
- i)had OPTA moeten bepalen dat bij de ontbundelde retailopbrengst van een aansluiting de opbrengsten van de overige diensten in de bundel dienen te worden bepaald aan de hand van de tarieven die van toepassing zijn voor die overige diensten. Volgens grief D2.5.(
- ii)dient OPTA WLR-tarieven te bepalen voor de zakelijke en residentiële markt in overeenstemming met de marktafbakening in het bestreden besluit. Indien door KPN niet voor de residentiële en de zakelijke markt aparte tarieven worden bepaald, wordt de berekeningswijze van de tarieven op de ene markt vervuild met de gegevens omtrent afgenomen soorten abonnementen en belprofielen uit de andere markt, terwijl die gegevens voor beide markten niet vergelijkbaar zijn. Volgens grief D2.5 (iii) is de typering van aansluitingen ten behoeve van WLR in bijlage 1.2 bij Annex D incompleet en niet in overeenstemming met de overige onderdelen van het besluit. Deze bijlage 1.2 vermeldt niet alle aanbiedingen van KPN die voor de bepaling van de gemiddelde WLR-tarieven in aanmerking dienen te worden genomen. 7.5.3 In onderdeel E hebben Pretium en Tele2 grieven aangevoerd met betrekking tot gedragsregel 5. Volgens grief E1 biedt gedragsregel 5 niet de noodzakelijke bescherming tegen margeuitholling. Deze regel is daarom niet passend en het bestreden besluit is in dit opzicht ondeugdelijk gemotiveerd. Volgens grief E2 is de regulering van OPTA inconsistent en in strijd met de prioritaire reguleringsdoelstelling van het bestreden besluit om concurrentie te bevorderen. OPTA kiest bij de invulling van gedragsregel 5 ten onrechte voor een EEO-test en motiveert deze keuze onvoldoende. Volgens grief E3 had OPTA een correctie voor schaal- en breedtevoordelen moeten opnemen. Met grief E4 betogen Pretium en Tele2 dat het bestreden besluit ten onrechte niet bepaalt dat in het kader van repliceerbaarheid van downstreamdiensten wordt uitgegaan van de lange termijn incrementele kosten, inclusief gezamenlijke en gemeenschappelijke kosten. Gedragsregel 5 is om die reden niet passend en proportioneel. Volgens grief E5 heeft OPTA ten onrechte nagelaten te bepalen dat zij de hoogte van de door KPN te hanteren retailopslag per dienst zal vaststellen. Gedragsregel 5 is daarom niet passend en proportioneel. Volgens grief E6 heeft OPTA ten onrechte niet de verplichting opgelegd tot ex ante-toetsing van tarieven aan gedragsregel 5. OPTA motiveert ten onrechte niet waarom dit niet is gebeurd. Volgens grief E7 preciseert het besluit de corrigerende gevolgen ten onrechte niet. 7.5.4 In grief F voeren Pretium en Tele2 aan dat de verplichting tot het voeren van een gescheiden boekhouding ten onrechte en in strijd met de wet is ingetrokken. KPN was in de afgelopen reguleringsperiode verplicht tot het voeren van een gescheiden boekhouding. OPTA motiveert niet waarom deze verplichting niet langer passend is voor de nieuwe reguleringsperiode, terwijl het ontwerpbesluit daarin nog wel voorzag. Door gescheiden boekhouding kan bevoordeling en ontoelaatbare kruissubsidiëring zichtbaar worden. De daadwerkelijke naleving van het nondiscriminatiebeginsel kan alleen worden getoetst indien de betreffende netwerkactiviteiten onderscheiden worden van andere activiteiten. Met het intrekken van de gescheiden boekhoudverplichting vervalt deze toets en daarmee het adequate toezicht op naleving van gedragregel 5. De effectiviteit van gedragsregel 5 wordt aangetast, temeer nu OPTA de retailregulering op de residentiële en zakelijke markt heeft ingetrokken. Niet valt in te zien waarom OPTA de verplichting tot gescheiden boekhouding wel passend achtte in een situatie waarin zowel retailregulering als wholesaleregulering op KPN van toepassing waren en nu de retailregulering is vervallen, niet meer, terwijl de concurrentiesituatie op de wholesale- en retailmarkten niet is verbeterd. Nu KPN reeds jaren een toerekeningssysteem en een gescheiden boekhouding hanteert, brengt het voortzetten van deze verplichting niet of nauwelijks extra lasten mee voor KPN. Uit de uitspraak van het College van 20 maart 2007 (AWB 06/115 tot en met 06/119, LJN: BA1008), volgt dat de verplichting tot gescheiden boekhouding in elk geval passend is indien een verplichting tot kostenoriëntatie en het hanteren van een toerekeningsysteem is opgelegd. Tot slot is er geen sprake van wijzigingen op de relevante markt waardoor het in stand houden van deze verplichting niet langer passend zou zijn. OPTA heeft de effecten van de intrekking van de verplichting niet onderzocht, noch de intrekking tijdig aangekondigd. 7.5.5 In het bestreden besluit wijst OPTA "Koninklijke KPN N.V. en haar groepsmaatschappijen als bedoeld in artikel 24b Boek 2 Burgerlijk Wetboek" aan als partij die beschikt over AMM. In grief G wijzen Pretium en Tele2 erop dat deze formulering afwijkt van de AMM-aanwijzing in het ontwerpbesluit. Zij betogen dat voor zover OPTA met de wijziging beoogt ondernemingen waarin KPN gezamenlijke zeggenschap heeft, zoals de joint venture tussen KPN en Reggefiber, buiten de reikwijdte van de AMM-aanwijzing te brengen, het besluit in strijd is met artikel 1.1, onder r, Tw en het algemene mededingingsrecht. Daartoe stellen zij ten eerste dat uit het bestreden besluit niet volgt op welke gronden OPTA de in het ontwerpbesluit gehanteerde aanwijzing heeft aangepast. Ten tweede voeren Pretium en Tele2 aan dat voor zover OPTA met genoemde AMM-aanwijzing beoogt af te wijken van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) inzake ondernemingen met een economische machtspositie en de uitspraak van het College van 2 mei 2007 (AWB 06/134, 06/135 en 06/137, www.rechtspraak.nl, LJN: BA4661), de AMM-aanwijzing in het bestreden besluit in strijd is met artikel 14 van de Kaderrichtlijn en de artikelen 6a.1, vijfde lid, onder b en 6a.2, eerste en tweede lid, Tw. 8. Het standpunt van UPC 8.1 De grieven van UPC richten zich uitsluitend tegen die onderdelen van het bestreden besluit die betrekking hebben op de residentiële retailmarkt. Volgens UPC is deze markt nog niet concurrerend. Het marktaandeel van KPN is nog steeds erg groot en tevens maken andere factoren dat KPN zich in een positie bevindt om zich onafhankelijk van haar concurrenten te gedragen en dit ook daadwerkelijk doet. De intrekking van de retailregulering zal de positie van KPN versterken. 8.2 In paragraaf II van het aanvullend beroepschrift heeft UPC haar grieven geformuleerd aan de hand waarvan zij betoogt dat de uitgevoerde dominantieanalyse onjuist, onvolledig, onzorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd is. Hieronder volgt het College bij de nummering van de grieven de indeling van deze paragraaf. 8.2.1 Volgens grief II.2 handelt OPTA in strijd met de door haar gehanteerde uitgangspunten voor de dominantieanalyse, zoals beschreven in paragraaf 3.1 van de Richtsnoeren. Daarbij wijst OPTA op jurisprudentie van het Hof van Justitie waaruit volgt dat een zeer groot marktaandeel - meer dan 50% - op zich zelf reeds het bewijs van een machtspositie vormt, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten. OPTA geeft aan dat het marktaandeel van KPN in 2011 zonder wholesaleregulering zal liggen in de range van 60-70% en met wholesaleregulering in de range van 50-60%. Om tot de conclusie te kunnen komen dat de residentiële retailmarkt daadwerkelijk concurrerend is, had OPTA volgens haar eigen benadering derhalve het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden moeten aantonen. Dat heeft zij echter niet gedaan. 8.2.2 Volgens grief II.3 baseert OPTA zich op een onjuist beeld van de ontwikkeling van de marktaandelen. De stelling dat het marktaandeel van KPN in de vorige reguleringsperiode belangrijk is gedaald en dat die daling zich in de komende reguleringsperiode zal doorzetten, wordt door OPTA niet onderbouwd. De groei van de concurrenten van KPN is en belangrijk argument om de retailregulering af te schaffen. Uit met name tabel 2 in randnummer 189 van het bestreden besluit komt naar voren dat de groei van de concurrenten tijdens de afgelopen reguleringsperiode zeer beperkt was en dat de positie van KPN nauwelijks minder sterk is geworden. Uit de door OPTA uitgevoerde Structurele monitoring markten vaste telefonie (hierna SMM) over Q2-2008 van 4 november 2008 volgt dat de conclusie van OPTA onjuist is. Daaruit blijkt dat de groei van alle concurrenten van KPN tijdens de afgelopen reguleringsperiode zowel in aan- als afwezigheid van regulering zeer beperkt was. Eveneens was de groei van de kabelondernemingen, volgens OPTA de belangrijkste concurrenten van KPN, beperkt en traag. Bovendien wordt duidelijk hoe dominant KPN was op de residentiële retailmarkt: KPN beschikte over een marktaandeel van 70-80% en de concurrenten van KPN gezamenlijk over een marktaandeel van 20-30%. Met uitzondering van @home tussen september 2006 en eind 2007 heeft geen enkele concurrent van KPN haar positie op de retailmarkt voor laagcapacitaire aansluitingen-VoB verbeterd tijdens de afgelopen periode van regulering. De belangrijkste concurrenten van KPN, de kabelaars, verloren tijdens de afgelopen reguleringsperiode ten opzichte van KPN positie. Tijdens die reguleringsperiode won KPN ongeveer 10% marktaandeel, terwijl UPC marktaandeel verloor. VKA concludeert in haar addendum van juni 2008 dat van de consumenten die een voorkeur hebben voor een DSL-aanbieder 78% een voorkeur heeft voor KPN. OPTA heeft haar verwachtingen over de ontwikkeling van de marktaandelen van KPN en haar concurrenten in de onderhavige reguleringsperiode gebaseerd op de SMM en de rapporten van VKA. De SMM heeft expliciet geen prospectief karakter, zodat OPTA haar prognose daarop niet kan baseren. VKA heeft onderzoeken uitgevoerd naar de te verwachten ontwikkelingen na 2008 onder de aanname dat retail- en wholesaleregulering van kracht zouden blijven. Aldus is geen rekening gehouden met de afschaffing van de retailregulering, zodat de onderzoeken van VKA niet bruikbaar zijn. Daarmee vervalt het fundament onder de prospectieve analyse van OPTA. Overigens is in de onderzoeken van Dialogic en Interview NSS evenmin rekening gehouden met de impact van het afschaffen van de retailregulering op de marktontwikkelingen. Deze onderzoeken kunnen derhalve evenmin dienen als onderbouwing van genoemde prognose. OPTA’s aanname dat de daling van het marktaandeel van KPN ook na 2011 zal doorzetten, is in nog veel mindere mate gefundeerd. OPTA is zonder marktconsultatie ook niet gerechtigd zich uit te spreken over de marktontwikkeling na 2011. Zonder onderbouwing stelt OPTA dat de autonome groei die de kabelondernemingen de laatste jaren hebben ingezet op de residentiële markt, zal voortduren. Zelfs als juist zou zijn de stelling van OPTA dat de kabelaars hun positie hebben opgebouwd vanuit hun sterke TV-aanbod, had OPTA stil moeten staan bij het feit dat KPN inmiddels ook zeer succesvol TV aanbiedt en dus triple play kan aanbieden. Om die reden is het onwaarschijnlijk dat de kabelaars marktaandeel zouden kunnen winnen ten koste van KPN. Het afschaffen van retailregulering heeft negatieve gevolgen voor de mogelijkheden van de concurrenten van KPN om hun marktaandeel te vergroten. 8.2.3 Volgens grief II.4 heeft OPTA een onzorgvuldige en onvolledige analyse gemaakt van de overige criteria die naast het marktaandeel van belang zijn bij de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht. Een groot deel van deze in de Richtsnoeren genoemde overige criteria zijn door OPTA in het geheel niet onderzocht. Partijen zonder eigen infrastructuur, die daarop zijn aangewezen, profiteren nauwelijks van C(P)S en WLR, maar worden door KPN middels (prijs)strategieën volledig buiten spel gezet. KPN kan als verticaal geïntegreerd bedrijf met controle over de toegang tot wholesalebouwstenen zonder haar winstgevendheid te verliezen concurrenten van de markt drukken, hetgeen OPTA in randnummer 352 van het bestreden besluit bevestigt. Volgens UPC is het niet zo dat de schaalvoordelen door regulering van C(P)S en WLR-tarieven deels worden doorgegeven aan partijen die toegang krijgen tot het netwerk van KPN. Deze vorm van regulering neemt bovendien niet weg dat KPN nog steeds in staat is om haar kosten te verdelen over meer klanten en diensten. KPN blijft bij C(P)S de leverancier van gespreksafgifte en blijft daarvan inkomsten genieten. Bovendien profiteren de kabelaars niet van de wholesaleregulering en biedt een groot deel van de schaalvoordelen KPN op retailniveau voordelen. Met betrekking tot breedtevoordelen voert UPC aan dat deze niet worden weggenomen door de wholesaleregulering en dus volledig blijven bestaan. Ten aanzien van product- en dienstendiversificatie voert UPC aan dat het voordeel dat KPN heeft ten opzichte van haar concurrenten inclusief de kabelaars, te weten een breder productaanbod, niet verdwijnt door de wholesaleregulering. Ten aanzien van controle over niet gemakkelijk te repliceren infrastructuur voert UPC aan dat KPN als enige over een landelijk dekkende infrastructuur beschikt, terwijl concurrenten van KPN niet landelijk actief zijn. Dit betekent dat wholesaleregulering dit voordeel niet wegneemt. Ten aanzien van toetredingsbarrières voert UPC het volgende aan. KPN beschikt over een grote groep trouwe klanten die niet prijsbewust zijn. De concurrenten van KPN vechten samen met KPN om de resterende groep klanten die sneller switcht en prijsgevoeliger is. Zelfs in deze strijd is KPN door haar kostenvoordelen en het prijspremium dat zij ook bij deze klanten kan vragen riant in het voordeel. Met betrekking tot de totale omvang van de onderneming/gemakkelijke of bevoorrechte toegang tot de kapitaalmarkten/financiële middelen voert UPC aan dat KPN betere connecties heeft en meer vertrouwen geniet bij financiers en dat dit voordelen zijn die niet worden weggenomen door wholesaleregulering. UPC concludeert hieruit dat wholesaleregulering alleen niet afdoende is om een level playing field te creëren. De toegangsverplichtingen zijn niet relevant voor UPC en andere kabelaars en de non-dicriminatieverplichting alleen zorgt niet voor een level playing field. De conclusie van OPTA dat de overige factoren erop wijzen dat op de residentiële markt sprake is van daadwerkelijke concurrentie is onjuist. 8.2.4 Volgens grief II.5 heeft OPTA de driecriteriatoets onjuist uitgevoerd. Er is sprake van structurele toetredingsbarrières, de marktstructuur neigt niet naar daadwerkelijke mededinging binnen de relevante tijdshorizon en alleen ex ante-regulering is geschikt om het marktfalen voldoende te herstellen. Gezien de zeer marginale rol van C(P)S- en DSL-partijen is onjuist de stelling van OPTA dat de driecriteriatoets niet kan worden doorstaan, Integendeel, daaruit blijkt dat ex ante-regulering is aangewezen. 8.2.5 Als grief II.6 voert UPC aan dat de weergave van de marktaandelen in het bestreden besluit gebrekkig en onzorgvuldig is. De manier waarop OPTA marktaandelen weergeeft maakt het onmogelijk om inzicht te krijgen in de werkelijke ontwikkelingen. Het is niet acceptabel dat OPTA middels schijnbaar bewuste keuzes bepaalde ranges benut om een ontwikkeling te suggereren die niet blijkt uit de feiten. De groei van het marktaandeel van UPC op de residentiële retailmarkt zou door middel van ranges kunnen worden uitgelegd als een verdubbeling, terwijl het in werkelijkheid slechts gaat om een zeer beperkte groei. Uit tabel 17 zou kunnen worden afgeleid dat het marktaandeel van KPN in aanwezigheid van generieke wholesaleregulering daalt ten opzichte van de situatie zonder regulering. Nu de door OPTA gebruikte ranges (60-70% en 65-75%) elkaar overlappen, hoeft er echter geen sprake te zijn van een daling. De marktaandelen van concurrenten van KPN zijn veel lager en in een dergelijke situatie is de impact van het gebruik van grote ranges van 10% aanzienlijk. Een stijging of daling van het marktaandeel met een range van 10% lijkt relatief ook groot bij kleine partijen. Een stijging van 0-10% naar 10-20% lijkt minimaal een verdubbeling van het marktaandeel aan te geven. Deze onduidelijkheid had kunnen worden verkleind door in tabel 18, net als elders in het bestreden besluit, ranges te gebruiken van 5%. Door het gebruik van elkaar overlappende ranges en ranges van verschillende omvang weet OPTA het zicht op de werkelijkheid te verbloemen. Anders dan uit tabel 18 lijkt te volgen, was de positie van de kabelaars medio 2008 marginaal. Dat geldt ook voor het marktaandeel van de C(P)S- en WLR-partijen. De concurrentiekracht van de concurrenten van KPN lijkt door het gebruik van inconsequente en ruime ranges veel sterker dan deze in werkelijkheid is. 8.2.6 In onderdeel II.7 voert UPC aan dat de dominantieanalyse niet volledig is. Volgens grief II.7.1 heeft OPTA ten onrechte de effecten van de afschaffing van de retailregulering niet volledig meegenomen in haar analyse van de relevante markt. In de eerste plaats had OPTA in haar analyse van de ontwikkeling van de marktaandelen expliciet aandacht moeten besteden aan de invloed van de retailregulering op de marktaandelen. Daarnaast had OPTA bij de analyse van de overige relevante factoren de door de intrekking van de retailregulering zich ontwikkelende voorsprong van KPN moeten betrekken. UPC moet in aanwezigheid van de huidige retail- en wholesaleregulering minimaal 50% onder de prijs van KPN offreren om nieuwe klanten binnen te halen. In afwezigheid van retailregulering kan KPN overgestapte klanten direct benaderen en een nog scherper aanbod doen. Dat maakt het voor UPC zeer moeilijk om nog langer succesvol te concurreren. Omdat de marges voor UPC lager zijn, kan KPN ook prijzen in de markt zo laag zetten dat zij nog winst maakt, terwijl concurrenten dat niet meer doen dan wel geen gezonde winstmarge meer kunnen behalen. Dit zal leiden tot toename van het marktaandeel van KPN. OPTA neemt dit effect ten onrechte niet mee in de dominantieanalyse. In randnummer 53 van de Nota van bevindingen bevestigt OPTA dat de retailregulering KPN heeft gedisciplineerd. Onjuist, en niet onderbouwd, is de stelling van OPTA dat het wegvallen van die regulering slechts zou leiden tot verscherping van de concurrentie. OPTA neemt evenmin in ogenschouw dat het marktaandeel van KPN bijna volledig is opgebouwd uit trouwe klanten die zeer winstgevend zijn, terwijl de concurrenten vanuit achterstandpositie nog vooral met KPN strijden om de prijsbewuste switchers. KPN beschikt over aanzienlijke kostenvoordelen en hoeft slechts de kleine groep vertrokken klanten terug te winnen met gerichte aanbiedingen, terwijl de klanten van KPN nauwelijks vertrekken door inertie. De afschaffing van retailregulering maakt dit soort specifieke strategieën mogelijk en zal voorkomen dat de alternatieve aanbieders nog marktaandeel kunnen winnen ten koste van KPN. Volgens grief II.7.2 wijkt het bestreden besluit zonder geldige motivering af van het retailbesluit 2005. OPTA mag in de onderhavige situatie niet volledig abstraheren van het oude marktanalysebesluit. In het nieuwe besluit wordt, in tegenstelling tot in het oude besluit, nauwelijks ingegaan op de mogelijkheden voor KPN om daadwerkelijk mededingingsbeperkende strategieën toe te passen. OPTA gaat ten onrechte voorbij aan haar constatering in het retailbesluit 2005 dat KPN zich zelfs bij het bestaan van wholesaleregulering onafhankelijk van concurrenten kan gedragen. UPC stelt zich op het standpunt dat de problemen die speelden tijdens de vorige reguleringsronde nog steeds gelden. Nu OPTA niet duidelijk maakt waarom deze omstandigheden niet meer zouden gelden, is sprake van een motiveringsgebrek. KPN kan nog steeds haar tarieven onafhankelijk van haar concurrenten en afnemers vaststellen. KPN beschikt ook nog steeds over kostenvoordelen die voortkomen uit technologische voorsprong of superioriteit, schaalvoordelen en verticale integratie. Volgens grief II.7.3 neemt OPTA ten onrechte de effecten van de andere marktanalysebesluiten niet mee. OPTA gaat geheel voorbij aan de impact van het marktanalysebesluit FTA 2008 op het business model van UPC. Bij dat besluit wordt het systeem van vertraagde reciprociteit afgeschaft. Dat leidt ertoe dat een aanzienlijke hoeveelheid inkomsten van UPC verdwijnt. UPC zal daardoor financieel nadeel ondervinden, hetgeen een negatieve invloed heeft op de mogelijkheden om met KPN op prijs te concurreren. Het is voor UPC in aanwezigheid van beide vormen van regulering al niet gemakkelijk om klanten te werven. Alleen door scherp te offreren kan UPC klanten van KPN overnemen. De marges voor UPC zijn daardoor klein. Door het wegvallen van inkomsten uit gespreksafgifte worden de financiële mogelijkheden van UPC nog verder beperkt, waardoor de kansen op uitbreiding van marktaandeel teruglopen. Omdat OPTA ook deze factoren niet heeft meegenomen in haar dominantieanalyse kan het bestreden besluit op dit punt niet in stand blijven vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. 8.2.7 UPC concludeert dat OPTA ten onrechte heeft geoordeeld dat de residentiële retailmarkt daadwerkelijk concurrerend is en dat zij ten onrechte de retailregulering zoals aan KPN opgelegd in het oude marktanalysebesluit vaste telefonie heeft ingetrokken. OPTA heeft de intrekking onvoldoende gemotiveerd. Het besluit is onzorgvuldig omdat OPTA de gevolgen van de intrekking niet zorgvuldig heeft onderzocht. UPC verzoekt na gegrondverklaring van haar beroep de dictumonderdelen lxvii en lxviii van het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat als gevolg daarvan het retailbesluit 2005 en de daarin aan KPN opgelegde retailregulering onverminderd van kracht is gebleven. 9. Het verweer van OPTA en hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd Het College acht het niet noodzakelijk het verweer van OPTA alsmede de in paragraaf 1 van deze uitspraak genoemde schriftelijke uiteenzettingen en reacties op het verweerschrift en de betogen van appellanten ter zitting hier afzonderlijk weer te geven. Het College zal hetgeen partijen naar aanleiding van de verschillende beroepsgronden hebben aangevoerd, betrekken en zonodig bespreken bij de beoordeling van de beroepen. 10. De beoordeling van het geschil 10.1 Het College stelt vast dat partijen geen grieven hebben gericht tegen de marktafbakening. Ter zitting is geverifieerd dat de opmerkingen in de beroepen die dit punt raakten, er niet toe strekten aan het College de vraag voor te leggen of de marktafbakening correct was. Deze opmerkingen zouden wel effect kunnen hebben bij beoordeling van de dominantieanalyse. Dit betekent dat het College bij de beoordeling van het bestreden besluit de daarin door OPTA afgebakende markten tot uitgangspunt neemt. Partijen hebben evenmin grieven gericht tegen de dominantieanalyse op de wholesalemarkten. Voor deze markten spitst de discussie zich dus toe op de aan KPN opgelegde verplichtingen. 10.2 In grief G betogen Pretium en Tele2 dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1.1, onder r, Tw en het algemene mededingingsrecht, voor zover OPTA met de in het dictum geformuleerde AMM-aanwijzing heeft beoogd ondernemingen waarin KPN gezamenlijke zeggenschap heeft, buiten de reikwijdte van het besluit te brengen. Het College overweegt als volgt. In het dictum van het bestreden besluit heeft OPTA in onderdeel vi vastgesteld dat Koninklijke KPN N.V. en haar groepsmaatschappijen, als bedoeld in artikel 24b, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, over AMM beschikken. In het ontwerpbesluit had OPTA de AMM-aanwijzing afwijkend geformuleerd. In de in het ontwerpbesluit opgenomen AMM-aanwijzing waren namelijk tevens begrepen de ondernemingen waarin KPN of haar groepsmaatschappijen alleen of gezamenlijke zeggenschap hebben. OPTA is van mening dat de gewijzigde AMM-aanwijzing in overeenstemming is met de jurisprudentie van het Hof van Justitie over het begrip onderneming op het terrein van de mededinging. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder r en s, Tw wordt onder het begrip 'onderneming die beschikt over een AMM' begrepen een onderneming in de zin van artikel 81, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (thans: artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) die alleen of tezamen met andere ondernemingen over een economische kracht beschikt die haar in staat stelt zich in belangrijke mate onafhankelijk van haar concurrenten, klanten en uiteindelijk consumenten te gedragen. Zoals het College onder andere in zijn uitspraak van 9 mei 2007 (AWB 06/120 en 06/136, LJN: BA4656) heeft geoordeeld, brengt dit mee dat voor de uitleg van het begrip 'onderneming die beschikt over een AMM' aansluiting dient te worden gezocht bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie met betrekking tot ondernemingen met een economische machtspositie, waaronder begrepen de jurisprudentie inzake tot een economische eenheid behorende ondernemingen. Daaruit vloeit voort dat OPTA, als zij feitelijk kan onderbouwen dat een onderneming over AMM beschikt, deze onderneming als houder van AMM mag aanmerken en aan deze onderneming verplichtingen mag opleggen. Deze verplichtingen gelden dan, zoals door OPTA bij de aanwijzing nog eens uitdrukkelijk gemarkeerd wordt, voor die onderneming en alle ondernemingen waarin de aangewezen onderneming eenzijdig de economische koers kan bepalen en alle ondernemingen die in de aangewezen onderneming eenzijdig de economische koers kunnen bepalen. OPTA is echter op basis van die onderbouwing niet bevoegd om deze verplichtingen ook op te leggen aan andere ondernemingen, tenzij ook daarvan onderbouwd wordt dat zij AMM hebben, of door een dergelijke overheersende zeggenschapsrelatie met een houder van AMM verbonden zijn. Derhalve kan OPTA geen verplichtingen opleggen aan een onderneming, die zelf geen AMM heeft en waarin een AMM-houder alleen gezamenlijke zeggenschap heeft. Dat kan slechts anders zijn als twee of meer AMM-houders op één markt zijn aangewezen, die gezamenlijk beslissende zeggenschap in een derde onderneming hebben. Grief G van Pretium en Tele2 is derhalve ongegrond. 10.3 Het College zal vervolgens de grieven bespreken die betrekking hebben op de opgelegde verplichtingen ten aanzien van gespreksopbouw. 10.3.1 Het College volgt KPN niet in grief 1 waarin is aangevoerd dat OPTA ten onrechte niet op voorhand de verlening van toegang op het lokale niveau van de nummercentrales heeft uitgezonderd van de verplichting tot het voldoen aan redelijke verzoeken om toegang tot haar openbare vaste telefoonnetwerken ten behoeve van de levering van gespreksopbouwdiensten. In het bestreden besluit heeft OPTA KPN aangewezen als een ondernemer die beschikt over aanmerkelijke marktmacht op grond van artikel 6a.16, eerste lid, Tw. Gezien deze aanwijzing moet KPN ingevolge artikel 6a.17, eerste lid, Tw haar abonnees de mogelijkheid van C(P)S bieden. Ingevolge artikel 6a.17, vierde lid, Tw moet KPN voorts voldoen aan redelijke verzoeken om toegang ten behoeve van C(P)S, zoals door OPTA terecht is vastgesteld in onderdeel ix van het dictum van het bestreden besluit. In onderdeel x van het bestreden besluit heeft OPTA bepaald dat KPN op grond van artikel 6a.17, derde lid, Tw C(P)S en de daarvoor benodigde toegang mogelijk moet maken voor alle gesprekken die origineren op het vaste aansluitnetwerk van KPN. Het College stelt vast dat in de Tw niet is voorzien in de mogelijkheid voor OPTA om voor toegang op het lokale niveau van de nummercentrale op voorhand en in algemene zin ex ante een uitzondering te maken op de in artikel 6a.17, vierde lid, Tw geregelde algemene toegangsverplichting ten behoeve van C(P)S. Als een aanbieder KPN vraagt om toegang op het lokale niveau van de nummercentrales ten behoeve van C(P)S voor vast telefoonverkeer, zullen de verzoekende partij en KPN allereerst moeten proberen in onderling overleg overeenstemming te bereiken over dit verzoek. Als partijen daar niet in slagen en OPTA wordt gevraagd het geschil te beslechten, moet OPTA op grond van de feiten en omstandigheden van het aan haar voorgelegde geval beoordelen of sprake is van een redelijk verzoek in de zin van artikel 6a.17, vierde lid, Tw. Het is niet mogelijk dat OPTA deze beoordeling op voorhand en in algemene zin verricht door ex ante te bepalen dat KPN hoe dan ook niet hoeft te voldoen aan verzoeken om toegang op het lokale niveau van de nummercentrales ten behoeve van C(P)S voor vast telefoonverkeer. Op zichzelf sluit het voorgaande niet uit, dat OPTA bij de verdere vormgeving van de verplichtingen in een marktanalysebesluit onderscheid kan maken tussen vormen van toegang, waarvan meer of minder aannemelijk is, dat daarop betrekking hebbende verzoeken als redelijk zouden worden aangemerkt. Het College acht bijvoorbeeld niet uitgesloten, dat voor vormen van toegang, waarvoor een verzoek naar stellige verwachting onder geen enkele omstandigheid als redelijk zal worden aangemerkt, wegens disproportionaliteit niet de verplichting wordt opgelegd om in een referentieaanbod gedetailleerde informatie over taricven en voorwaarden van levering daarvan op te nemen. In concreto moet echter worden opgemerkt dat de verplichting om toegang te verlenen tot het lokale niveau van de nummercentrales niet bij het bestreden besluit geïntroduceerd is, maar al langer op KPN rust. Tevens bestaat er in elk geval bij Tele2 belangstelling voor de levering van gespreksopbouwdiensten, waarbij het College opmerkt dat het feit dat de hier bedoelde dienst feitelijk niet wordt geleverd, gezien moet worden in verband met geschillen tussen Tele2 en KPN over de kosten die zijn gemoeid met het gereedmaken van de nummercentrales. Voorts overweegt het College dat KPN ook geen gegevens heeft overgelegd over de kosten die zij moet maken voor bijvoorbeeld het actueel houden van een referentieaanbod in verband met mogelijke toegang op lokaal niveau. Het College komt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat OPTA in dit geval aanleiding had moeten vinden om in het bestreden besluit voor toegang op lokaal niveau een afwijkend regime te introduceren. Dat de gemachtigde van OPTA ter zitting heeft aangegeven dat OPTA niet handhavend zal optreden indien KPN niet aan de verplichting voldoet, is daarvoor onvoldoende. Grief 1 van KPN slaagt niet. 10.3.2 KPN betoogt in grief 2 dat zij ten onrechte is verplicht om te voldoen aan redelijke verzoeken om toegang tot haar openbare vaste telefoonnetwerken ten behoeve van de levering van gespreksopbouwdiensten naar 14xy(z)-nummers. De hier bedoelde verplichting houdt in dat KPN gespreksopbouw moet leveren naar 14xy(z)-nummers die zijn geïmplementeerd op de netwerken van haar concurrenten. 14xy(z)-nummers zijn bestemd voor het aanbieden van niet-commerciële diensten waarbij de nummergebruiker een publieke taak heeft of regisseur is voor de publieke taak. Met deze verplichting beoogt OPTA te waarborgen dat concurrenten van KPN in staat zijn abonnees van KPN gebruik te laten maken van 14xy(z)-nummers, die zijn geïmplementeerd op de netwerken van haar concurrenten. Volgens OPTA zou KPN zonder deze verplichting haar dominante positie op de residentiële en zakelijke retailmarkt, alsmede op de residentiële en zakelijke wholesalemarkt kunnen gebruiken om voor haar abonnees uitsluitend 14xy(z)-nummers aankiesbaar te maken die zijn geïmplementeerd op haar eigen netwerk. Het College is van oordeel dat OPTA zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze verplichting passend is. Als gevolg van deze verplichting kunnen gebruikers van 14xy(z)- nummers ook kiezen voor aansluiting op het netwerk van een concurrent van KPN in plaats van dat van KPN waartoe zij zich in verband met de dominante positie van KPN op vorengenoemde markten anders gedwongen zouden kunnen voelen. Deze verplichting voorkomt derhalve dat KPN haar dominante positie op vorengenoemde markten kan gebruiken om andere aanbieders te verhinderen met haar te concurreren bij het aanbieden van vaste telefoniediensten met 14xy(z)-nummers als bestemming. Het College ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de invoering van de onderhavige verplichting KPN noopt tot het treffen van dermate kostbare voorzieningen dat deze verplichting om die reden disproportioneel moet worden geacht. Blijkens dictumonderdeel xii van het bestreden besluit geldt een soortgelijke verplichting eveneens voor zes vergelijkbare nummerreeksen, te weten 067
(60)-, 0800-, 082-, 090x-, 116xyz- en 18xy-nummers, waartegen KPN geen grieven heeft aangevoerd. KPN heeft in het licht hiervan niet aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot 14xy(z)-nummers sprake is van een zodanig afwijkende dienst met specifieke uitvoeringslasten dat de op deze nummers betrekking hebbende verplichting een onevenredig belasting oplevert. Grief 2 van KPN slaagt derhalve niet. 10.3.3 Grief 1 van Vodafone, grief 2 van BT c.s (met uitzondering van UPC Nederland Business B.V.) en grief B van Tele2 houden bezwaren in tegen het EDC-systeem en de invulling van de tariefverplichting. Vodafone voert aan dat OPTA gezien de jarenlange bezwaren van marktpartijen tegen het EDC-systeem, te weten een gebrek aan transparantie en controlemogelijkheden, onvoldoende garanties aangaande de efficiëntie van de kostenposten en de afwezigheid van margin squeeze, thans het EDC-systeem fundamenteel had moeten heroverwegen. Bovendien heeft OPTA volgens Vodafone ten onrechte geen CEA verricht: in de vorige reguleringsronde hebben marktpartijen in overleg met KPN lagere tarieven dan die volgen uit het EDC-systeem afgesproken. Daarmee was een groot deel van de EDC/CEA-analyse verouderd. Om die reden had OPTA zich thans de vraag moeten stellen of zij een efficiëntiecorrectie moest uitvoeren. BT, Online, Colt en Verizon alsmede Pretium en Tele2 stellen zich in respectievelijk subgrief 2 (i) en B1 op een soortgelijk standpunt. Het College overweegt dat het EDC-systeem uitgaat van de daadwerkelijke kosten van KPN, die via de EDC-systematiek aan diensten worden toegerekend. Dit in tegenstelling tot het BULRIC-systeem waarbij wordt uitgegaan van de kosten van een hypothetische efficiënte aanbieder. Volgens partijen biedt het EDC-systeem KPN de m